Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:4838

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-07-2014
Datum publicatie
28-07-2014
Zaaknummer
3136758_E08072014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kantonrechter bevoegd gelet op artikel 21 en/of 24 van de EEX-vo.

Geen sprake van een zo uitzonderlijke situatie dat, ondanks het bestaan van een opzegverbod bij ziekte, tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst dient te worden overgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0678
AR 2014/535

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 3136758 AZ VERZ 14-73

beschikking d.d. 8 juli 2014

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verzoeker] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

verzoekende partij, hierna te noemen: ‘[verzoeker]’,

gemachtigde: [gemachtigde 1], advocaat te [vestigingsplaats gemachtigde],

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [adres], [woonplaats],

verwerende partij, hierna te noemen: ‘[verweerder]’,

gemachtigde: [gemachtigde 2], advocaat te [vestigingsplaats gemachtigde].

1Het verloop van het geding

  1. het op 10 juni 2014 ter griffie ontvangen voorwaardelijke verzoekschrift, met producties;

  2. de door [gemachtigde 1] nagezonden producties bij brief d.d. 27 juni 2014;

  3. de door [gemachtigde 2] gefaxte producties d.d. 26 en 30 juni 2014;

  4. e aantekeningen van de mondelinge behandeling d.d. 1 juli 2014, met bijbehorend audiëntieblad.

2 Het verzoek

2.1

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voor zover deze nog mocht blijken te bestaan, op korte termijn te ontbinden aangezien er zich veranderingen in de omstandigheden voordoen die gewichtige redenen in de zin van de wet opleveren, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.

2.2

[verweerder] concludeert tot afwijzing van het verzoek. Subsidiair verzoekt hij om hem, bij een ontbinding van de arbeidsovereenkomst, een vergoeding toe te kennen, waarbij de zogenaamde C-factor is bepaald op 2, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.

3 De beoordeling

3.1

Tussen partijen staan de volgende feiten in rechte vast:

  1. de thans 47-jarige [verweerder] is, op grond van een arbeidsovereenkomst ingaande 1 april 2013, voor onbepaalde tijd in dienst van [verzoeker], in de functie van monteur, tegen een loon van € 520,00 bruto per week, vermeerderd met 8% vakantietoeslag op basis van een arbeidsduur van 40 uur per week;

  2. [verzoeker] is een gespecialiseerd bedrijf in piping en kabelbanen voor de offshore en petrochemie. Daarnaast vervaardigt zij uiteenlopende constructiewerken voor diverse klanten;

  3. [verweerder] was werkzaam op de vestigingslocatie in [vestigingsplaats], alsmede op diverse projectlocaties;

  4. op de projectlocatie [naam locatie], waar werkzaamheden in onderaanneming van [bedrijf 1] werden verricht, heeft zich op 9 april 2014 een ongeval voorgedaan, waarbij een collega van [verweerder] een splinter of iets dergelijks in zijn oog kreeg;

  5. [bedrijf 1] heeft [verweerder], gelet op dit ongeval, van het terrein verwijderd;

  6. naar aanleiding van een mail van [bedrijf 1] d.d. 16 april 2014, heeft [verzoeker] contact opgenomen met [verweerder] en het gebeuren van 9 april 2014 met hem besproken. Hierna is [verweerder], met behoud van loon, op non-actief gezet;

  7. in een gesprek d.d. 30 april 2014 heeft [verzoeker] aan [verweerder] ontslag op staande voet aangezegd, welke ontslag per brief is bevestigd. Hierin wordt -samengevat- als ontslagreden gegeven, dat er op het project bij [naam locatie], ondanks diverse waarschuwingen met betrekking tot de veiligheid op de werkvloer, zich onveilige situaties hebben voorgedaan door geen of niet juiste persoonlijke beschermingsmiddelen (hierna: ‘PBM’s) te dragen. Voorts is sprake geweest van onveilige werksituaties door het onjuiste gebruik van gereedschappen door [verweerder] en is sprake geweest van het feit dat hij verbaal op zeer agressieve toon heeft gereageerd ten opzichte van leidinggevenden, veiligheidspersoneel en klanten. Ten gevolge van deze door [verweerder] veroorzaakte onveilige werksituaties heeft tevens een bedrijfsongeval plaatsgevonden op 9 april 2014. [verweerder] is, na herhaaldelijke waarschuwingen, uiteindelijk de toegang tot het project ontzegd. Volgens [verzoeker] leveren elk van deze gedragingen op zich, maar zeker ook in onderlinge samenhang bezien, een dringende reden op;

  8. bij brief van 9 mei 2014 is de nietigheid van het ontslag op staande voet ingeroepen;

  9. [verweerder] is per 4 september 2013 arbeidsongeschikt voor eigen werk;

  10. in het verslag van de arbo-arts d.d. 8 januari 2014 staat -onder meer-: “Terugkeer in eigen werk is niet meer te verwachten, ook niet na te verwachten medische ingreep vandaar dat het advies is om een arbeidsdeskundig onderzoek te laten uitvoeren om te laten beoordelen of er naast spoor 1 (binnen eigen organisatie) ook buiten de organisatie gekeken moet gaan worden naar re-integratie mogelijkheden.”;

  11. in het verslag van de arbo-arts d.d. 4 maart 2014 staat (voor zover hier van belang): “Medische situatie is onveranderd. Medio dit jaar wordt duidelijk of er nog medische ingreep zal plaatsvinden. Op dit moment maar ook na medische ingreep zal eigen werk zeer waarschijnlijk te zwaar zijn voor betrokkene. Dhr [verweerder] wordt op dit moment ingezet in aangepaste werkzaamheden. Hij gaf aan hiermee hele dagen bezig te zijn. (…) Het advies is dan ook om een arbeidsdeskundig onderzoek te laten uitvoeren. Ik heb begrepen dat u hiervoor reeds een offerte heeft ontvangen.”.

3.2

[verzoeker] grondt het -voorwaardelijke- verzoek op gewichtige redenen, primair bestaande uit omstandigheden die een dringende ontslagreden opleveren, subsidiair bestaande in zodanige veranderingen in de omstandigheden die met zich brengen dat de arbeidsovereenkomst dient te eindigen. [verzoeker] stelt dat de dringende reden is gelegen in het in het leven roepen door [verweerder] van onveilige werksituaties, veroorzaakt door geen of niet juiste PBM’s te dragen, door onveilig gebruik van gereedschappen en agressief verbaal woordgebruik. [verzoeker] stelt dat [verweerder], ondanks waarschuwingen, doorgegaan is met zijn gedrag en dat er dientengevolge een bedrijfsongeval heeft plaatsgevonden op 9 april 2014, waarbij een collega oogletsel heeft opgelopen en waarbij [verweerder] door de opdrachtgever van het project is verwijderd. Door het voorgaande zijn de arbeidsverhoudingen tussen partijen verstoord geraakt en valt aan een ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet te ontkomen, aldus [verzoeker].

3.3

[verweerder] voert aan dat het verzoek moet worden afgewezen vanwege strijd met het opzegverbod tijdens ziekte. [verweerder] is ziek voor eigen werk vanaf september 2013 en verrichtte laatstelijk aangepaste werkzaamheden. Aangezien [verzoeker] geen kosten aan het zogenaamde 2e spoor wil spenderen, wil men van [verweerder] af. [verweerder] betwist dat hij zich op 1 april 2014 beter zou hebben gemeld, zoals [verzoeker] betoogt. Verder betwist hij dat hij onveilige werksituaties zou hebben veroorzaakt. Van waarschuwingen in dat verband is volgens hem al helemaal geen sprake. Het ontslag op staande voet is dan ook ten onrechte gegeven en bovendien is er niet voldaan aan het vereiste van onverwijldheid. Volgens [verweerder] zijn de arbeidsverhoudingen niet zodanig verstoord, dat de arbeidsovereenkomst ontbonden zou moeten worden. Als er al sprake van een verstoring zou zijn, dan is deze geheel te wijten aan [verzoeker]. Primair concludeert [verweerder] tot afwijzing van het verzoek. Indien de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, dan geeft [verweerder] aan dat hij al wel 20 jaar bij rechtsvoorgangers van [verzoeker] is dienst is, welke jaren moeten worden betrokken bij de berekening van de ontbindingsvergoeding.

3.4

Indien er sprake is van een arbeidsgeschil met grensoverschrijdende aspecten (de werknemer woont bijvoorbeeld in een andere EU-lidstaat, maar werkt in Nederland), wordt de bevoegdheid van de kantonrechter om kennis te nemen van een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst bepaald door de artikelen 19 en volgende van de EEX-verordening (nr. 44/2001). Het verzoek van een werkgever tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst kan -in beginsel- slechts worden gebracht voor het gerecht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de werknemer woonplaats heeft. Van deze regel kan worden afgeweken ingevolge artikel 21 EEX-vo (forumkeuze) en/of 24 EEX-vo (stilzwijgende aanvaarding van rechtsmacht). Nu [verweerder], die in België woonachtig is, in rechte is verschenen en geen beroep heeft gedaan op de onbevoegdheid van de kantonrechter, neemt de kantonrechter aan dat partijen het er over eens zijn dat de kantonrechter de bevoegdheid om van het verzoek kennis te nemen ontleent aan artikel 21 en/of artikel 24 van de EEX-vo.

3.5

[verzoeker] dient het ontbindingsverzoek in voor het geval dat tussen partijen, ondanks het verleende ontslag op staande voet, nog een arbeidsovereenkomst mocht bestaan. Nu er om die reden in deze procedure fictief van moet worden uitgegaan dat bedoeld ontslag in rechte niet houdt, spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is van een dringende reden of van een zodanige verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte termijn dient te eindigen.

3.6

Door [verweerder] wordt als verweer gevoerd dat het onderhavige ontbindingsverzoek verband houdt met het opzegverbod tijdens ziekte. De kantonrechter overweegt dat ontbinding van een arbeidsovereenkomst tijdens ziekte wel mogelijk is, echter van die bevoegdheid dient in dat geval een terughoudend gebruik te worden gemaakt, bijvoorbeeld in het geval zich een bijzondere situatie voordoet. Volgens [verzoeker] heeft [verweerder] zich op 1 april 2014 bij haar beter gemeld, welke betermelding [verzoeker] per mail d.d. 1 april 2014 heeft doorgegeven aan de arbodienst. [verweerder] betwist dat hij zich beter heeft gemeld. Hieromtrent wordt overwogen als volgt. Uit de in het geding gebrachte rapportages van de bedrijfsarts blijkt dat [verweerder] sinds 4 september 2013 arbeidsongeschikt is voor eigen werk. Uit hetgeen weergegeven is onder 3.1. j en k, blijkt dat de bedrijfsarts van mening is dat terugkeer in de eigen arbeid niet meer te verwachten is, omdat dit zeer waarschijnlijk te zwaar is voor [verweerder], ook na een mogelijke medische ingreep. In dat verband is de door [verzoeker] gestelde betermelding van [verweerder] per 1 april 2014, niet te plaatsen. Deze betermelding wordt door [verweerder] betwist. Nergens blijkt uit dat [verweerder], zoals [verzoeker] stelt, zich beter zou hebben gemeld. Het enkele feit dat [verweerder] aangepast werk verrichtte en zelfs overuren maakte, wil niet zeggen dat hij arbeidsgeschikt is voor eigen werk. Ook de stelling van [verzoeker], dat de arbodienst niet heeft gereageerd op de mail betreffende de betermelding van [verweerder] per 1 april 2014, maakt -gelet op het voorgaande- niet dat [verweerder] ook beter was. Deze mail omtrent de betermelding is ook niet ‘cc’ naar [verweerder] gegaan, waarmee vast zou komen te staan dat [verweerder] van die betermelding op de hoogte had moeten zijn. Nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat er sprake is van een betermelding van [verweerder] per 1 april 2014, wordt hij geacht doorlopend vanaf 4 september 2013 arbeidsongeschikt te zijn voor eigen werk.

3.7

Dat [verweerder] onveilige werksituaties in het leven zou hebben geroepen, wordt door hem betwist. Tevens betwist hij dat hij hieromtrent herhaaldelijk zou zijn gewaarschuwd. Dat [verweerder] waarschuwingen zou hebben ontvangen, blijkt nergens uit. [verzoeker] heeft niet onderbouwd wanneer zich welke concrete onveilige situaties zouden hebben voorgedaan. Ook is er geen schriftelijk stuk waarin [verweerder] (rechtstreeks) aangesproken wordt omtrent de onveilige werksituaties. Wel is er mailverkeer tussen [bedrijf 1] en [verzoeker] waarin staat dat [verweerder] door de heer [veiligheidsmedewerker] en de heer [veiligheidsmedewerker 2], alsmede door andere veiligheidsmensen meerdere malen op onveilige werksituaties is aangesproken. Nu dit echter door [verweerder] wordt ontkend, is dit standpunt van [verzoeker], bij gebreke aan nadere onderbouwing, onvoldoende komen vast te staan. Vast staat wel dat er op 9 april 2014 een ongeval heeft plaatsgevonden waarbij een collega van [verweerder] een splinter of iets dergelijks in zijn oog heeft gekregen. In het ongevalsverslag dat hiervan is gemaakt, wordt echter niet vermeld dat [verweerder] dit ongeval zou hebben veroorzaakt. Nu door [verweerder] wordt betwist dat dit het geval zou zijn, is het standpunt van [verzoeker] dat [verweerder] dit ongeval veroorzaakt zou hebben, onvoldoende komen vast te staan.

De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat er in de onderhavige zaak thans geen sprake is van een zo uitzonderlijke situatie dat, ondanks het bestaan van een opzegverbod bij ziekte, tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst dient te worden overgegaan. Het verzoek van [verzoeker] wordt dan ook afgewezen.

3.8

[verzoeker] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.

4 De beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek af;

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van deze procedure aan de zijde van [verweerder] gevallen en begroot op een bedrag van € 200,00, aan salaris voor zijn gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2014.