Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:4836

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-07-2014
Datum publicatie
17-07-2014
Zaaknummer
12/700165-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

geslaagd beroep op noodweer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummers: 12/700165-09 en 12/715331-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 juli 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsman mr. H.M. Dunsbergen, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 30 juni 2014 en 3 juli 2014, waarbij de officier van justitie mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Voorts heeft de nabestaande [naam nabestaande] haar slachtofferverklaring voorgelezen.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan en met vernummering van de feiten, terecht ter zake dat:

1. parketnummer 12/700165-09)

hij op of omstreeks 16 juli 2009 te Vlissingen aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (beschadiging van de rechter wervelslagader net onder de schedelbasis en/of een grote scheur in de rechter wervelslagader net boven de schedelbasis), heeft toegebracht, door opzettelijk die [slachtoffer 1] met kracht al dan niet met een voorwerp in het gezicht, althans tegen het hoofd, te slaan/stom pen (als gevolg waarvan de rechter wervelslagader van die [slachtoffer 1] is gescheurd hetgeen heeft geleid tot een ernstige, uitgesproken subarachnoïdale bloeding en/of die [slachtoffer 1] met zijn (achter)hoofd tegen/op het wegdek is gevallen), ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

en voor zover ter zake het onder 1 tenlastegelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, ter zake dat

hij op of omstreeks 16 juli 2009 te Vlissingen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), met kracht al dan niet met een voorwerp in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen/gestompt (als gevolg waarvan de rechter wervelslagader van die [slachtoffer 1] is gescheurd hetgeen heeft geleid tot een ernstige, uitgesproken subarachnoïdale bloeding en/of die [slachtoffer 1] met zijn (achter)hoofd tegen/op het wegdek is gevallen), ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

en voor zover ter zake het onder 1 subsidiair tenlastegelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, ter zake dat

hij op of omstreeks 16juli 2009 te Vlissingen een persoon genaamd [slachtoffer 1] met kracht al dan niet met een voorwerp in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen/gestompt, waardoor het aan zijn, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat voornoemde [slachtoffer 1] zodanig letsel, te weten beschadiging van de rechter wervelslagader net onder de schedelbasis en/of een grote scheur in de rechter wervelslagader net boven de schedelbasis, heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden.

2. ( parketnummer 12/715331-10)

hij op of omstreeks 19 juli 2010, in de gemeente Goes, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Geldeloozepad, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of één of meer personen met een Noord-Afrikaans uiterlijk (zijnde

personen van Marokkaanse origine), welk geweld bestond uit:

- het (met stokken en/of gummiknuppels) dreigend toelopen op één of meer van die perso(o)n(en), en/of

- het slaan met stokken en/of gummiknuppels tegen/naar één of meer van die perso(o)n(en), en/of

- het zichtbaar voor één of meer van die perso(o)n(en) vasthouden van messen en/of stokken en/of gummiknuppels, en/of

- het slaan en/of stompen en/of trappen en/of duwen en/of trekken van/tegen één of meer van die perso(o)n(en);

3

(parketnummer 12/715331-10)

hij op of omstreeks 19 juli 2010 te Goes, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade

mishandelend, althans opzettelijk mishandelend, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk met kracht heeft geslagen met stokken en/of met de handen en/of getrapt en/of geschopt,

tengevolge waarvan enig lichamelijk letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3 De voorvragen

3.1

De geldigheid van de dagvaarding

De dagvaarding voldoet aan de wettelijke eisen en is dus geldig.

3.2

De bevoegdheid

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

3.3

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

De rechtbank overweegt ambtshalve nog het volgende.

De behandeling van een strafzaak dient volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) binnen een redelijke termijn plaats te vinden zodat de verdachte niet te lang in onzekerheid verkeert over de uitkomst van de zaak. Als uitgangspunt voor de redelijke termijn geldt in dit geval een termijn van twee jaar, te rekenen vanaf de datum waarop verdachte wegens de verdenking van feit 1 in verzekering is gesteld. Nu sinds die datum (op 17 juli 2009) tot de datum van de berechting (op 17 juli 2014) een periode van vijf jaar is verstreken, is de redelijke termijn in deze zaak fors overschreden.

De rechtbank stelt vast dat de rechtbank en het openbaar ministerie zich onvoldoende hebben ingespannen om deze strafzaak met de nodige voortvarendheid af te handelen en dat de vertraging in de berechting niet is toe te rekenen aan de ingewikkeldheid van de zaak en/of gedragingen van de verdachte en de raadsman.

3.3.4

De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en vordert dat verdachte van die feiten zal worden vrijgesproken. Hij acht bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde, te kwalificeren als “zware mishandeling de dood ten gevolge hebbend”, heeft begaan.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de onder 1 (in alle varianten), 2 en 3 ten laste gelegde feiten kan komen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot feit 1

4.3.1

Inleiding

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de volgende feiten op grond van de gebezigde bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 16 juli 2009, omstreeks 21.45 uur, heeft verdachte te Vlissingen met zijn tot vuist gebalde linker hand in een zwaaiende beweging [slachtoffer 1] ter hoogte van diens rechter wang gestompt1, waarop die [slachtoffer 1] in elkaar is gezakt en bewusteloos op de grond is gevallen2. [slachtoffer 1] is ter plaatse gereanimeerd en -al reanimerend- overgebracht naar het ziekenhuis, waar hij volgens de behandelend neuroloog dr. F. Visscher om 22.55 uur is overleden3. Door die neuroloog is op de CT scan van het hoofd van [slachtoffer 1] een SAB (subarachnoïdale bloeding: een bloeding onder de zachte hersenvliezen) met massaal bloedverlies waargenomen4.

De gerechtelijke sectie op het lichaam van [slachtoffer 1] is verricht door de deskundige Forensische Pathologie van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) F.R.W. van de Goot, arts en patholoog. Hij heeft tevens de NFI-deskundigen dr. M. Verschraagen (apotheker) en dr. B. Kubat (patholoog) ingeschakeld voor het doen van een toxicologisch respectievelijk een neuropathologisch onderzoek.

Van de Goot vermeldt als samengevatte resultaten van de uit- en inwendige schouw onder meer:

Uitwendig:

- Er was links aan het voorhoofd huidafschaving en kneuzing.

- Er was rechts in de hals een grote onderhuidse bloeduitstorting met centraal niet specifieke beschadiging van de huid.

Inwendig:

- Er was veel bloed rechts in de halsspieren met kneuzing van de rechter schuine halsspier.

- Er was kneuzing van de rechter onderkaak speekselklier.

- Er was veel bloed onder de zachte hersenvliezen.

- Er waren tekenen van hersenzwelling met inklemmen.

- Er was net boven de schedelbasis een circa 0,5 cm grote scheur in de rechter wervelslagader.

- Er was veel bloed net onder de schedelbasis in de nabijheid van de bloeduitstorting in de wand van de rechter wervelslagader. Alhier was eveneens een kleine beschadiging van de wand van die slagader.

Er waren extreem zware longen (tezamen bijna 3 kg, normaal circa 850 gram).

De bijlage bij het sectierapport vermeldt:

- ( onder nummer 6A): als resultaat van de uitwendige schouwing van de letsels:

Links hoog aan het voorhoofd circa 7 cm links van de voorwaartse middellijn was een grillig gebied van oppervlakkige huidbeschadiging over circa 4 bij 3 cm. Hieronder was duidelijk zwelling voelbaar.

- ( onder nummer 30) : als resultaat van de inwendige schouwing van de hals onder meer:

Halsspieren en onderhuids weefsel: er was zeer uitgebreide kneuzing en bloeduitstorting in de rechter schuine halsspier. Na preparatie alhier was ook een bloedcollectie in de richting van de arteria vertebralis.

De halsvaten: er was beschadiging van de arteria vertebralis net onder de schedelbasis5.

Verschraagen concludeert op grond van het toxicologisch onderzoek:

1. In het bloed van [slachtoffer 1] is alcohol (ethanol) aangetoond in een concentratie van 2,03 mg/ml (=promille). Er zijn geen aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van drugs en/of geneesmiddelen.

2. Het bewustzijn/gedrag van [slachtoffer 1] kan zijn beïnvloed door de aanwezige alcohol6.

Kubat concludeert op grond van het neuropathologisch onderzoek:

Het neuropathologisch onderzoek van de hersenen toont één kort voor het overlijden opgetreden, uitgebreide subarachnoïdale bloeding voornamelijk basaal gelokaliseerd, ontstaan ten gevolge van een verscheuring van de rechter arteria vertebralis. De aanwezigheid van bloed in het ventrikelsysteem alsmede het bij microscopisch onderzoek geconstateerde hersenoedeem zijn verwikkelingen van de subarachnoïdale bloeding. Het overlijden kan worden verklaard door uitval van hersenfuncties opgetreden ten gevolge van de subarachnoïdale bloeding7.

Van de Goot rapporteert als interpretatie van de resultaten van de schouwing en de bevindingen en conclusies van Verschraagen en Kubat:

Bij sectie werd rechts in de hals een grote bloeduitstorting gezien met kneuzing van de

onderliggende spieren en beschadiging van de rechter wervelslagader net onder de

schedelbasis. Tevens was er veel bloed onder de zachte hersenvliezen en bleek er een

grote scheur te zijn van de rechter wervelslagader net boven de schedelbasis. Dit alles was het gevolg van inwerking van zeer hevig uitwendig botsend mechanisch geweld zoals bijvoorbeeld kan optreden bij een harde slag (o.a. met een voorwerp) of een harde schop in de halsregio. Het verscheuren van de wervelslagader bij dit soort geweldinwerkingen is een bekend fenomeen. Aanvullend neuropathologisch onderzoek bevestigt de bovenbeschreven diagnose.

De vastgestelde letsels verklaren het snel bewusteloos raken en onvermijdbaar intreden van de dood zondermeer op basis van hersenfunctieverlies en weefselschade.

De zeer zware longen dienen zonder meer als verwikkeling van uitval van hersenfuncties te worden gezien.

Links aan het voorhoofd was een oppervlakkige huidbeschadiging met bloeduitstorting. Dit was eveneens het gevolg van inwerking van uitwendig botsend mechanisch geweld zoals bijvoorbeeld bij een val op het hoofd of een slag tegen het hoofd zou kunnen optreden. Gezien de uitgebreidheid van het letsel rechts aan de hals kan worden gesteld dat het letsel aan het hoofd geen rol van betekenis heeft gespeeld bij het uiteindelijk intreden van de dood.

en concludeert:

Bij [slachtoffer 1], oud 40 jaren, was uitval van hersenfuncties en weefselschade ten gevolge van inwerking van heftig mechanisch geweld op de hoofd/halsregio rechts de oorzaak van het intreden van de dood8.

4.3.2

Causaal verband

Over de vraag of de dood van [slachtoffer 1] het rechtstreeks gevolg is geweest van het ten laste gelegde handelen van de verdachte (uitgaande van één klap in het gezicht van [slachtoffer 1]) en over de mate van waarschijnlijkheid dat één klap genoemd fataal letsel veroorzaakt, is het nader oordeel ingewonnen van:

- de arts en patholoog Van de Goot, en

(op basis van dezelfde informatie die aan Van de Goot is verstrekt) van de deskundigen:

- prof. dr. G. Holstege, verbonden aan het Universitair Medisch Centrum Groningen, en

- J. Bloem, klinisch bewegingswetenschapper met specialisaties revalidatiewetenschappen en neurowetenschappen, integratief bewegingstherapeut, rijks erkend vechtsportleraar, en

(sinds 1 januari 2014) erkend hoploloog, expert in human combative behavior and performance (het gedrag van de mens onder bedreigende omstandigheden).

Bloem is tevens ter zitting op 30 juni 2014 gehoord.

De overwegingen en conclusies van Van de Goot, Holstege en Bloem in hun (nadere) rapportages respectievelijk de afgelegde verklaring van Bloem ter zitting houden onder meer in:

(Van de Goot9):

- Het letsel rechts aan de hals betreft uitgebreide kneuzing (punt 30 van het sectie rapport) met beschadiging van spieren en vaten aldaar. Dergelijk letsel was het gevolg van eenmalige of herhaaldelijke inwerking van uitwendig botsend mechanisch geweld waarbij een harde slag met een vuist zondermeer in aanmerking komt. Temeer daar in de hals, diep onder de weke delen, botstructuren aanwezig zijn (wervelkolom) is het kneuzen van weke delen door middel van “verpletteren” tussen de inkomende kracht en de benige structuren bij substantiële kracht zondermeer mogelijk. Voor ziekelijke afwijkingen duidende op aangeboren zwakte van de nekwervelslagader zijn geen aanwijzingen gevonden.

- Het letsel aan het hoofd (punt 6A van het sectie rapport) betrof kneuzing met grillige huidbeschadiging. Een dergelijk letsel kan beter passen bij bijvoorbeeld een val op een ruwe harde ondergrond dan bij een slag met een vuist of hand. Het letsel ter plekke was dermate gering dat dit geen rol kan hebben gespeeld bij het intreden van de dood.

- Anders is het met betrekking tot de nekwervelslagader.

Vanuit de literatuur is het verscheuren van deze nekwervelslagader bij geweld tegen

het hoofd/nek/halsgebied een bekend fenomeen. Zowel door rechtstreekse

geweldinwerking kan beschadiging optreden maar zeker ook door rotatoire krachten

wanneer geweld op het hoofd/nek wordt uitgeoefend met schielijk wegdraaien van het

hoofd. Hierbij komt te grote spanning te staan om deze slagader (die aan een zijde vast

zit aan de schedelbasis en aan de andere zijde verbonden is met de relatief makkelijk

bewegelijke hersenmassa) waarop deze overstrekt en afscheurt. Als mechanisme van ontstaan van dergelijk vaatletsel worden meerdere aspecten in de literatuur vermeld waarbij in alle gevallen substantieel geweld nodig is. In dit geval kan worden gesteld dat het geweld rechts aan de halsregio zeer waarschijnlijk ten grondslag aan het ontstaan van dit letsel heeft gelegen.

- Het is niet geheel uitgesloten dat na oplopen van het geweld in de hals het slachtoffer ten val gekomen is (met een val op het hoofd) en overstrekletsel op die wijze is ontstaan. De afwezigheid van enige kneuzing van de hersenen ter plaatse van het hoofdletsel en de relatief geringe schade aldaar maken een dergelijke hypothese evenwel niet waarschijnlijk.

- Bij verscheuren van de nekwervelslagader in de schedelholte zal vrijwel meteen bewusteloosheid optreden.

- Uitgaande van meerdere momenten van geweldinwerking kan worden gesteld dat het dodelijk geweld kort voor het intreden van de bewusteloosheid is opgelopen. De overige geweldinwerkingen hebben dan geen substantiële bijdrage meer geleverd.

- Uitgaande van één moment van geweldinwerking met min of meer gelijktijdig optreden van alle letsels in de halsregio en de nekwervelslagader kan met zekerheid worden gesteld dat dit kort voor intreden van bewusteloosheid is opgetreden.

(Holstege10)

- Arts-patholoog Van de Goot constateert, en naar mijn mening terecht, dat de subarachnoïdale bloeding net boven de schedelbasis tot de dood van de heer [slachtoffer 1] heeft geleid.

- Uitgaande van het feit dat er door verdachte een klap is uitgedeeld, is naar alle waarschijnlijkheid die klap de oorzaak van het overlijden van de heer [slachtoffer 1]. De reden is dat de klap een snelle rotatie van het hoofd moet hebben veroorzaakt, die de ruptuur in de arteria vertebralis tot stand heeft gebracht. De impact in de nek kan natuurlijk ook door een steen of stoeprand zijn veroorzaakt, het hoeft niet per se een vuistslag geweest te zijn. In de literatuur worden dergelijke gevallen echter niet beschreven.

- Volgens Hiraiwa et al. (2005), die traumatische beschadiging van de arteria vertebralis hebben onderzocht bij verkeersslachtoffers, waarbij het vooral om voetgangers en fietsers handelt die door auto’s werden aangereden, bleek dat een betrekkelijk kleine externe kracht op hoofd en nek al een subarachnoïdale bloeding kan veroorzaken, waarbij eenzelfde longitudinale ruptuur arteria vertebralis kan ontstaan als bij de heer [slachtoffer 1] is aangetroffen. Hiraiwa et al. (2005) vergelijken de impact op hoofd en hals met de impact van vuistslag, aangezien de impact bij deze verkeersongelukken niet groter was. Wel was volgens deze onderzoekers cruciaal dat de externa kracht rotatie van het hoofd veroorzaakte. Een ander heel belangrijk gegeven is dat volgens Hiraiwa et al. (2005) de alcoholconcentratie in het bloed van het slachtoffer van heel groot belang is. Bij hoge concentratie treedt veel eerder een dergelijke ruptuur in de arteria vertebralis op dan bij lage of afwezige concentraties alcohol. Alcohol verlaagt de spierspanning die tot verlaagde reflexen leidt.

(Bloem)

- In zijn rapport11:

Ik acht het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid mogelijk dat een eenmalige inwerking van uitwendig botsend mechanisch geweld in de vorm van één klap of stoot het lethale letsel kan veroorzaken.

De wervelslagader is vanwege zijn ‘ligging’ extreem kwetsbaar voor beschadiging. In 39% van alle gemelde gevallen van slagaderletsel blijkt er sprake te zijn van beschadiging van de

wervelslagader. Vaak als gevolg van torsie c.q. abrupte rotatie van het hoofd. In de Engelstalige literatuur wordt dit fenomeen ‘sudden neck movement’ genoemd.

De literatuur vermeldt een aantal zaken waarin één klap inderdaad leidt tot het bewuste letsel. Echter, gelijktijdig spreken de artikelen ook over ‘substantieel geweld’. De term ‘substantieel geweld’ kan het beeld oproepen, dat de veroorzaker in dat geval in staat moet zijn geweest enorm veel kracht te leveren. Immers, de geleverde kracht moet ‘substantieel’ zijn. Niets is minder waar. Een relatief kleine kracht kan een groot effect genereren.

Een factor die in het geval van een ballistische beweging als een slag of stoot een grote rol

speelt is het natuurkundige (bio)mechanica concept ‘impact’, d.i. een kracht die in een relatief korte tijd wordt overgebracht van lichaam A op lichaam B. In de Angelsaksische literatuur wordt dit ook wel een ‘high-velocity collision’ genoemd.

Wanneer er met een normale snelheid een kracht op een lichaam wordt uitgeoefend, dan zal

het lichaam deformeren c.q. zijn vorm aanpassen aan de ontvangen kracht. Deze deformatie

zal een groot deel van de kracht, zo niet alle, absorberen. Als we het lichaam de tijd geven dan kan het enorme krachten verwerken. In de context van deze zaak zit hierin de crux.

Een deformatie heeft tijd nodig om te ontstaan. Een deformatie kan niet plotseling ontstaan.

Met andere woorden, een ‘high-velocity collision’ zoals een slag of stoot is in verhouding zo

snel, dat het lichaam geen tijd krijgt om te deformeren c.q. zich aan de kracht aan te passen.

De eerder genoemde ‘sudden neck movement’ is een gevolg van een ‘high-velocity collision’. Het effect van een eenmalige inwerking van uitwendig botsend geweld wordt versterkt wanneer het slachtoffer de klap niet ziet aankomen of verwacht (dan is het lichaam niet voorbereid en heeft de klap meer effect dan wanneer de klap wordt waargenomen).

In de internationale literatuur op het gebied van forensische en gerechtsgeneeskunde worden meerdere verklaringen gegeven voor het optreden van een SAB als gevolg van een scheuring van de wervelslagader. Daarbij worden verschillende additionele factoren genoemd die bijdragen aan het ontstaan van genoemd letsel:

  • -

    Een hyperextentie van de nek is verhoogd bij personen boven de 40 jaar;

  • -

    De invloed van een intens emotionele staat. Het gevolg hiervan is een verhoogde arteriële bloeddruk waardoor er een verhoogd risico op scheuring ontstaat. Deze factor veroorzaakt niet zelf een scheuring;

  • -

    Alcohol-intoxicatie. Een milde alcohol-intoxicatie leidt al tot een toegenomen cerebrale bloedtoevoer van 24%. Daarnaast heeft alcohol een vasodilaterende werking, wat de bloedvaten kwetsbaarder maakt voor letsel.

- In zijn verklaring ter zitting12:

Ik heb in mijn rapport een aantal factoren beschreven die het effect van een eenmalige inwerking van uitwendig botsend mechanisch geweld versterken. Ik ben van mening dat het samenvallen van die factoren dit letsel waarschijnlijk maakt. Het komt voor, maar de kans daarop is heel erg klein.

Als iemand een getraind vechtsporter is maakt dit de kans op bedoeld letsel niet méér waarschijnlijk.

Het letsel is vermoedelijk veroorzaakt doordat de klap plotseling werd gegeven en het slachtoffer de klap niet zag aankomen. Op het moment dat de deformatie (de beschermende reflex van het lichaam) niet kan optreden, is de kans dat dit letsel ontstaat als gevolg van de zogenoemde ‘sudden neck movement’ aanzienlijk groter.

Ik ben het met Hiraiwa et al. (2005) eens dat de alcoholconcentratie in het bloed van het slachtoffer van heel groot belang is. Bij hoge concentratie treedt veel eerder een dergelijke ruptuur in de arteria vertebralis op dan bij lage of afwezige concentraties alcohol. Alcohol verlaagt de spierspanning die tot verlaagde reflexen leidt.

Op het moment dat iemand ziet dat een ander hem een klap wil geven, treedt in het lichaam onbewust een beschermreflex in werking, waardoor het hele systeem, zowel neurologisch als anatomisch, zich aanpast en voorbereidt op de impact die gaat ontstaan. Alcoholgebruik heeft tot gevolg dat daar een tijdsvertraging bij optreedt. Met andere woorden: je ziet de klap wel aankomen maar voordat dit in het systeem dusdanig is doorgegeven dat de beschermreflex in werking kan treden is het, afhankelijk van de snelheid waarmee de klap wordt gegeven, vaak te laat. De deformatie van het lichaam (het zich aanpassen aan de bedreigende situatie) onder invloed van alcohol kan minder zijn zodat het effect dan tóch is alsof iemand wordt verrast.

Op grond van de bevindingen van genoemde deskundigen, in onderling verband beschouwd met de resultaten van de in- en uitwendige schouwing, acht de rechtbank bewezen dat de vuistslag van verdachte tegen de rechterzijde van het gezicht van [slachtoffer 1] (die op dat moment onder invloed van alcohol was), [slachtoffer 1] heeft verrast, waardoor diens hoofd een abrupte roterende beweging naar links heeft gemaakt, als gevolg waarvan de rechter wervelslagader van die [slachtoffer 1] is gescheurd hetgeen heeft geleid tot een ernstige, uitgesproken subarachnoïdale bloeding ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] is overleden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de dood van [slachtoffer 1] het rechtstreeks gevolg is geweest van het tenlastegelegde handelen van de verdachte. Overigens zou ook in het scenario dat de val op de grond van [slachtoffer 1] de scheuring van de wervelslagader met de dood tot gevolg, in redelijkheid aan het handelen van de verdachte kunnen worden toegerekend, nu [slachtoffer 1] immers ten gevolge van de vuistslag van verdachte op de grond is gevallen.

4.3.3

Opzet op toebrengen zwaar lichamelijk letsel, subsidiair op pijn en letsel?

De raadsman heeft betoogd dat verdachte met het geven van een vuistslag in het gezicht van [slachtoffer 1] geen boos opzet had om [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Evenmin kan volgens hem bewezen worden dat verdachte daartoe bewust het risico heeft genomen, in de zin van voorwaardelijk opzet. De op grond van algemene ervaringsregels te beoordelen kans dat één klap in het gezicht een scheuring van de wervelslagader met subarachnoïdale bloeding veroorzaakt met de dood tot gevolg, is naar het oordeel van de geraadpleegde deskundigen heel erg klein. Er kan dan ook redelijkerwijs niet worden aangenomen dat verdachte met het geven van één klap in het gezicht van [slachtoffer 1] moet hebben beseft dat zwaar lichamelijk letsel het gevolg zou zijn.

Ook kan niet bewezen worden dat verdachtes’ opzet was gericht op het toebrengen van pijn of lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1], omdat verdachte de vuistslag slechts heeft gegeven met de bedoeling om de tweede aanval door [slachtoffer 1] af te weren.

Verdachte dient daarom van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het opzetverweer. Hij acht bewezen dat verdachte, door [slachtoffer 1] met een harde vuistslag tegen het hoofd te slaan, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Bij de beoordeling van de aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg zich zal voordoen zijn algemene ervaringsregels maatgevend, en niet de aard en de ernst van de gevolgen. Het is algemeen bekend dat het hoofd een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is en dat de reële kans bestaat dat een harde, gerichte vuistslag op het hoofd tot zwaar lichamelijk letsel kan leiden. Bovendien wist verdachte dat [slachtoffer 1] in kennelijke staat van dronkenschap verkeerde, waardoor hij had kunnen en moeten beseffen dat [slachtoffer 1] niet meer zo stevig op zijn benen stond en ook gemakkelijk uit balans zou kunnen raken. Ook is het een feit van algemene bekendheid dat iemand die een harde klap tegen het hoofd krijgt uit balans raakt en de controle en oriëntatie kwijtraakt, waardoor het bijzonder moeilijk zal zijn om zijn beweging te corrigeren en een val te voorkomen, zeker wanneer diegene onder invloed van alcohol is. Het ontstane letsel kan daarom aan verdachte worden toegerekend, ongeacht of dit door de klap of door de val is toegebracht. Ook het gevolg van het veroorzaakte letsel, de dood van [slachtoffer 1], kan daarom als rechtstreeks en vrijwel onmiddellijk intredend gevolg van de door verdachte gepleegde zware mishandeling aan de verdachte worden toegerekend.

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat de rechtbank ervan uit dat het ten laste gelegde onder de volgende feiten en omstandigheden plaats vond.

Op de bewuste avond sloot verdachte zich aan bij een groepje van vier of vijf jongens, die wat met elkaar stonden te praten op het brede trottoir ter hoogte van de kopse zijde van een flatgebouw nabij de kruising van de [straat 1] en de [straat 2] te Vlissingen. Aan die kopse zijde van dat flatgebouw was een uitbouw (een fietsenstalling), waardoor er een hoek werd gevormd bij de stenen muur van het flatgebouw en de kopse zijde van de uitbouw met deur.

Op enig moment kwam [slachtoffer 1] aanlopen en hij knoopte een gesprek aan met enkele van de andere jongens van de groep. Verdachte kende [slachtoffer 1] niet. [slachtoffer 1] had een groter postuur dan verdachte en hij was onder invloed van alcohol (in zijn bloed is alcohol aangetoond in een concentratie van 2,03 mg/ml).

Plotseling veranderde het gesprek van toon en werd [slachtoffer 1] verbaal agressief (passend bij zijn persoon wanneer hij onder invloed van alcohol was. [slachtoffer 1] had vanwege de overlast in de buurt een hekel aan ‘zwartjes’).

[slachtoffer 1] maakte een opmerking over Antillianen, richtte zich tot verdachte en vroeg hem of hij soms ook een Antilliaan was. Hierop volgde een woordenwisseling met armgebaren tussen verdachte en [slachtoffer 1], waarbij verdachte eerst zei dat hij uit Zimbabwe kwam (omdat hij geen gezeur wilde) en vervolgens (schouderophalend) zei dat hij ook half Antilliaan was. Hierop kwam [slachtoffer 1] naar verdachte toe en gaf hem een kopstoot dan wel een klap waarop verdachte enkele stappen terug deinsde. Verdachte wist [slachtoffer 1] van zich af te duwen, maar [slachtoffer 1] kwam direct weer op hem af. Op het moment dat [slachtoffer 1] verdachte op korte afstand was genaderd sloeg verdachte met zijn tot vuist gebalde linkerhand, met een zwaaiende beweging, in de richting van [slachtoffer 1]. Daarbij raakte hij het hoofd van [slachtoffer 1] met het hiervoor bewezen letsel en de dood van [slachtoffer 1] tot gevolg.

Voor bewezenverklaring van zware mishandeling is vereist dat verdachte ten minste willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij met zijn gedragingen [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Gelet op het handelen van de verdachte, de uiterlijke verschijningsvorm daarvan en de hiervoor genoemde omstandigheden waaronder dat handelen heeft plaatsgevonden, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat het opzet van de verdachte, ook niet in voorwaardelijke zin, was gericht op het teweegbrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daarvoor dient immers te blijken dat verdachte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat het gevolg - het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] - zou intreden én dat hij die kans bewust heeft aanvaard. Nu daarvan niet is gebleken, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

De rechtbank acht het opzet van verdachte op het mishandelen van [slachtoffer 1] bewezen. Door op korte afstand en welbewust met een tot vuist gebalde hand in de richting van [slachtoffer 1] te slaan bestond de reële kans dat die stomp het lichaam van [slachtoffer 1] zou raken. Aldus heeft verdachte willens en wetens - en ongeacht diens bedoeling om daarmee de tweede aanval door [slachtoffer 1] af te weren - de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer 1] zodanig op diens lichaam zou raken dat deze stomp hem pijn of letsel zou toebrengen.

De rechtbank verwerpt het verweer en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Met betrekking tot feiten 2 en 3

4.3.4

Vrijspraak

Evenals de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte een aandeel heeft gehad in de onder 2 en 3 ten laste gelegde openlijke geweldpleging en mishandeling (al dan niet met voorbedachten rade), zodat de verdachte van die feiten zal worden vrijgesproken.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1 subsidiair:

hij op of omstreeks 16 juli 2009 te Vlissingen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), met kracht al dan niet met een voorwerp in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen/gestompt (als gevolg waarvan de rechter wervelslagader van die [slachtoffer 1] is gescheurd hetgeen heeft geleid tot een ernstige, uitgesproken subarachnoïdale bloeding en/of die Planken met zijn (achter)hoofd tegen/op het wegdek is gevallen), ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het feit

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij heeft gehandeld in noodweer (dan wel noodweerexces, dan wel putatief noodweer). Daartoe is door en namens de verdachte aangevoerd dat verdachte ineens werd aangevallen door [slachtoffer 1], die hem een kopstoot of klap gaf, waardoor verdachte nog wazig zag. Bij die eerste aanval kon hij [slachtoffer 1] wegduwen, maar toen deze direct daarna weer op hem toe kwam maakte hij, uit angst voor de agressieve en fysiek grotere [slachtoffer 1], ter afwering een slaande beweging. Volgens verdachte moest hij zich wel verdedigen tegen die dreigende aanval, omdat hij op dat moment met zijn rug naar de muur stond en hij niet zeker wist of hij weg kon komen zonder zelf opnieuw klappen te hebben gekregen. Hij moest dit in een flits van een seconde beslissen toen [slachtoffer 1] weer op hem afkwam en besloot toen zich te verdedigen met een klap. Nu verdachte ogenblikkelijk en wederrechtelijk werd aangevallen door [slachtoffer 1] was verdediging van zijn lijf noodzakelijk. Zijn handelen – het geven van een vuistslag tegen [slachtoffer 1], die als eerste geweld tegen hem uitoefende - was ook een noodzakelijke en gepaste verdediging tegen de aanranding door [slachtoffer 1]. Het betrof een situatie van onrecht waarin verdachte, gezien de omstandigheden, gerechtigd was voor zichzelf op te komen, aldus de raadsman.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beroep op (putatief) noodweer moet worden verworpen op grond van het onttrekkingsvereiste (vluchtplicht). Hij is van mening dat weliswaar aannemelijk is dat [slachtoffer 1] geweld heeft gebruikt tegen de verdachte en dat er derhalve formeel sprake was van een wederrechtelijke aanranding van verdachte door [slachtoffer 1], maar dat die aanranding en de dreiging van een vervolg zo hevig waren dat verdachte voor zijn leven moest vrezen en noopte tot het handelen van de verdachte, acht hij niet aannemelijk. Voor zover al sprake zou zijn van een verdedigend optreden van verdachte, was deze verdediging niet noodzakelijk omdat er voor verdachte een beter alternatief openstond. Verdachte was in de gelegenheid om weg te lopen. Daarmee was de situatie voor verdachte niet dermate bedreigend dat weglopen voor verdachte onder de gegeven omstandigheden niet als een reëel alternatief kon worden beschouwd en dus dat weglopen van verdachte gevergd mocht worden. Verdachte bevond zich in het gezelschap van andere personen en het slachtoffer was dronken. Als verdachte was weggerend, had verdachte hem zeker niet kunnen volgen. De reactie van verdachte voldoet dan ook niet aan de subsidiariteitseis en was daarom niet noodzakelijk.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 300, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht als “mishandeling terwijl het feit de dood ten gevolge heeft”.

Een beroep op noodweer kan alleen slagen in een situatie waarin de verdediging van (in dit geval) het eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, of tegen het onmiddellijk dreigend gevaar van een zodanige aanranding, noodzakelijk en geboden is.

Bij de beantwoording van de vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke (gepaste) verdediging komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval. De rechtbank heeft de door haar aangenomen feiten en omstandigheden van deze zaak bij de bespreking van het opzetverweer omschreven.

De rechtbank kwalificeert het gedrag van [slachtoffer 1] voorafgaand aan en tijdens de door hem gegeven kopstoot of klap aan verdachte als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen de verdachte zich passend heeft verdedigd, namelijk door [slachtoffer 1] weg te duwen. De daarop volgende situatie ontstond direct daarna, toen [slachtoffer 1] na die duw opnieuw op verdachte toe kwam en verder geweld van de kant van [slachtoffer 1] dreigde, waartegen verdediging geboden was. Aannemelijk is dat [slachtoffer 1] verdachte al tot op zeer korte afstand was genaderd. Hij bevond zich, zoals blijkt uit de feiten, hooguit op een armlengte afstand van verdachte. Onder die omstandigheden kon van de verdachte in redelijkheid niet worden gevergd dat hij zich zou onttrekken aan de confrontatie. De omstandigheid dat hij niet is weggelopen, zo dit al had gekund, staat in dit geval dan ook niet in de weg aan een geslaagd beroep op noodweer. De handelwijze van de verdachte – het slaan met de vuist in de richting van [slachtoffer 1] - acht de rechtbank voorts niet disproportioneel. Het beroep op noodweer wordt mitsdien gehonoreerd, hetgeen betekent dat het bewezen verklaarde niet strafbaar is als gevolg waarvan de verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Duinhof, voorzitter, mr. K.M. de Jager en

mr. R.A. Borm, rechters, in tegenwoordigheid van P.L. Francke, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 juli 2014.

Mr. Borm is buiten staat het vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal (pv), wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het procesdossier met het nummer PL193C09027 d.d. 12 augustus 2009 van de regiopolitie Zeeland, rechercheteam 1 district Walcheren opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde pagina’s 1 t/m 443. Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 30 juni 2014.

2 Pv’s verhoor getuigen [getuige 1] d.d. 17 juli 2009 (p. 176) en [getuige 2] d.d. 17 juli 2009 (p. 183).

3 Pv bevindingen verbalisant [naam], p. 34

4 Verslag betreffende niet natuurlijke dood d.d. 17 juli 2009 van E.M. Bakker, forensisch arts (pgs. 39-40).

5 Rapport NFI-deskundige F.R.W. van de Goot inzake pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, d.d. 11 januari 2010, met bijlage, pgs. 3 en 10 (in map GVO).

6 Rapport NFI-deskundige dr. M. Verschraagen inzake toxicologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijk overlijden, d.d. 7 september 2009, p. 4 (in map GVO).

7 Rapport NFI-deskundige dr. B. Kubat inzake neuropathologisch onderzoek, d.d. 17 november 2009, p. 2 (in map GVO).

8 Rapport NFI-deskundige F.R.W. van de Goot inzake pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, d.d. 11 januari 2010, met bijlage, pgs. 4 en 5 (in map GVO).

9 Briefrapport NFI-deskundige F.R.W. van de Goot, d.d. 12 mei 2010, ter beantwoording aanvullende vragen (map GVO)

10 Rapportage prof. dr. G. Holstege, d.d. 14 augustus 2012 (map GVO).

11 Rapportage J. Bloem, d.d. 20 december 2012, pgs. 8, 9, 12, 13 en 18 (map GVO).

12 Verklaring J. Bloem ter terechtzitting, d.d. 30 juni 2014.