Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:4785

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
02/996010-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“Verdachte heeft namens een besloten vennootschap meermalen een onjuiste aangifte omzetbelasting ingediend, aan welke aangiften valselijk opgemaakte facturen en fictieve leveringen ten grondslag hebben gelegen. Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedragingen omdat er naar het oordeel van de rechtbank sprake was van een vooropgezet plan tussen hem en zijn medeverdachte.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1773

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 996010-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 juli 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. Beugelsdijk, advocaat te Oosterhout

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 juni 2014 en gesloten op 2 juli 2014, waarbij de officier van justitie, mr. Bliek, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

1.

[bedrijf 1], verder te noemen [bedrijf 1], op een of meer

tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 januari 2010 tot en met 20

april 2010, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode

van de maand januari 2010 tot en met april 2010 in de gemeente(n) Breda en/of

Oosterhout en/of Apeldoorn, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk (een)

bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet

inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting

over het/de aangiftetijdvak(ken) 4e kwartaal 2009 en/of 1e kwartaal 2010

(D-044 en D-045) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft [bedrijf 1]

(telkens) opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de

Belastingdienst te Breda en/of Apeldoorn, althans in Nederland ingediende

aangifte(n) omzetbelasting over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken) (telkens) een

te hoog bedrag aan terug te vragen omzetbelasting en/of (telkens) een te laag

bedrag aan te betalen omzetbelasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) er

toe strekte dat te weinig belasting werd geheven,

hebbende hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot dat/die strafbare

feit(en) en/of feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en);

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(art. 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen jo art. 51 Wetboek van

Strafrecht)

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

Subsidiair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 januari 2010

tot en met 20 april 2010, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks

de periode van de maand januari 2010 tot en met april 2010 in de gemeente(n)

Breda en/of Oosterhout en/of Apeldoorn, althans in Nederland, (telkens)

tezamen en in vereniging met [bedrijf 1] en/of een of meer

ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet

voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,

te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over het/de

aangiftetijdvak(ken) 4e kwartaal 2009 en/of 1e kwartaal 2010 ten name van [bedrijf 1]

[bedrijf 1] (D-044 en D-045) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn medeverdachte(n)

(telkens) opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de

Belastingdienst te Breda en/of Apeldoorn, althans in Nederland ingediende

aangifte(n) omzetbelasting over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken) (telkens) een

te hoog bedrag aan terug te vragen omzetbelasting en/of (telkens) een te laag

bedrag aan te betalen omzetbelasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) er

toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(art. 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen jo art. 47 Wetboek van

Strafrecht)

2.

[bedrijf 2] (voorheen genaamd [bedrijf 2]),

verder te noemen [bedrijf 2], op of omstreeks 13 januari 2010, althans op enig

tijdstip in of omstreeks de maand januari 2010 in de gemeente(n) Breda en/of

Oosterhout en/of Apeldoorn en/of 's-Hertogenbosch, althans in Nederland,

opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de

Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de

omzetbelasting over het aangiftetijdvak 4e kwartaal 2009 (D-031) onjuist en/of

onvolledig heeft gedaan, immers heeft [bedrijf 2] opzettelijk op de bij de

Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Breda en/of Apeldoorn,

althans in Nederland ingediende aangifte omzetbelasting over genoemd

aangiftetijdvak een te hoog bedrag aan terug te vragen omzetbelasting en/of

een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting opgegeven, terwijl dat feit

er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven,

hebbende hij, verdachte, opdracht gegeven tot dat strafbare feit en/of

feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(art. 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen jo art. 51 Wetboek van

Strafrecht)

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 51 lid 2 ahf/ond 2° Wetboek van Strafrecht

Subsidiair:

hij op of omstreeks 13 januari 2010, althans op enig tijdstip in of omstreeks

de maand januari 2010 in de gemeente(n) Breda en/of Oosterhout en/of Apeldoorn

en/of 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met

[bedrijf 2], althans [bedrijf 2] en/of een of

meer ander(en), althans alleen, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene

aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een

aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak 4e kwartaal 2009

(D-031) ten name van [bedrijf 2], althans [bedrijf 2]

[bedrijf 2], onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft hij,

verdachte en/of (een of meer van) zijn medeverdachte(n) opzettelijk op de bij

de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Breda en/of Apeldoorn,

althans in Nederland ingediende aangifte omzetbelasting over genoemd

aangiftetijdvak een te hoog bedrag aan terug te vragen omzetbelasting en/of

een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting opgegeven, terwijl dat feit

er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(art. 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen jo art. 47 Wetboek van

Strafrecht)

3.

[bedrijf 3] (voorheen genaamd [bedrijf 3]), verder te

noemen [bedrijf 3], op of omstreeks 23 april 2010, althans op enig tijdstip in

of omstreeks de maand april 2010 in de gemeente(n) Oosterhout en/of Oss en/of

Apeldoorn, althans in Nederland, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene

aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een

aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak 1 januari 2010 tot en

met 31 maart 2010 (D-118-1) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers

heeft [bedrijf 3] opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de

Belastingdienst te Oss en/of Apeldoorn, althans in Nederland ingediende

aangifte omzetbelasting over genoemd aangiftetijdvak een te hoog bedrag aan

terug te vragen omzetbelasting en/of een te laag bedrag aan te betalen

omzetbelasting opgegeven, terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig

belasting werd geheven,

hebbende hij, verdachte, opdracht gegeven tot dat strafbare feit en/of

feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(art. 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen jo art. 51 Wetboek van

Strafrecht)

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 51 lid 2 ahf/ond 2° Wetboek van Strafrecht

Subsidiair:

hij op of omstreeks 23 april 2010, althans op enig tijdstip in of omstreeks de

maand april 2010 in de gemeente(n) Oosterhout en/of Oss en/of Apeldoorn,

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met [bedrijf 3],

althans [bedrijf 3] en/of een of meer ander(en), althans alleen,

opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de

Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de

omzetbelasting over het aangiftetijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 maart

2010 ten name van [bedrijf 3], althans [bedrijf 3]

(D-118-1) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft hij, verdachte

en/of (een of meer van) zijn medeverdachte(n) opzettelijk op de bij de

Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Oss en/of Apeldoorn,

althans in Nederland ingediende aangifte omzetbelasting over genoemd

aangiftetijdvak een te hoog bedrag aan terug te vragen omzetbelasting en/of

een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting opgegeven, terwijl dat feit

er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(art. 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen jo art. 47 Wetboek van

Strafrecht)

4.

[bedrijf 4] (voorheen genaamd [bedrijf 4]), verder te noemen

[bedrijf 4]', op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30

maart 2010 tot en met 2 april 2010, althans op een of meer tijdstip(pen) in of

omstreeks de maand(en) maart 2010 en/of april 2010 in de gemeente(n) Apeldoorn

en/of Oosterhout en/of Breda, althans in Nederland, meermalen, althans

eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of

vervalst(e) formulier(en) 'Wijziging rekeningnummer Ondernemers' (D-124 tot en

met D-126 en D-128 tot en met D-130), (telkens) terzake wijziging van het

(oude) rekeningnummer van de/het op die/dat formulier(en) vermelde

onderneming(en) waarop die wijziging (telkens) betrekking had in het nieuwe

rekeningnummer 4387667 op naam van [bedrijf 4] - (elk) zijnde

(een) geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te

dienen - als ware(n) die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken (telkens) hierin dat die/dat formulier(en)

'Wijziging rekeningnummer Ondernemers' voornoemd (telkens) zijn toegezonden

aan de Belastingdienst/Centrale administratie te Apeldoorn en bestaande die

valsheid of vervalsing hierin dat -zakelijk weergegeven- die/dat formulier(en)

'Wijziging rekeningnummer Ondernemers' (telkens) in werkelijkheid geen

betrekking had(den) op en/of niet waren/was ingevuld en/of ondertekend door de

onderneming(en) op wie de in die/dat voornoemde formulier(en) vermelde

wijziging(en) van het rekeningnummer (telkens) betrekking had(den),

hebbende hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot die/dat strafbare

feit(en) en/of feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en);

(art. 225 lid 2 jo art. 51 Wetboek van Strafrecht)

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 maart 2010

tot en met 2 april 2010, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks

de maand(en) maart 2010 en/of april 2010 in de gemeente(n) Apeldoorn en/of

Oosterhout en/of Breda, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e)

formulier(en) 'Wijziging rekeningnummer Ondernemers' (D-124 tot en met D-126

en D-128 tot en met D-130), (telkens) terzake wijziging van het (oude)

rekeningnummer van de/het op die/dat formulier(en) vermelde onderneming(en)

waarop die wijziging (telkens) betrekking had in het nieuwe rekeningnummer

4387667 op naam van [bedrijf 4] - (elk) zijnde (een)

geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen

- als ware(n) die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande

dat gebruikmaken (telkens) hierin dat die/dat formulier(en) 'Wijziging

rekeningnummer Ondernemers' voornoemd (telkens) zijn toegezonden aan de

Belastingdienst/Centrale administratie te Apeldoorn en bestaande die valsheid

of vervalsing hierin dat -zakelijk weergegeven- die/dat formulier(en)

'Wijziging rekeningnummer Ondernemers' (telkens) in werkelijkheid geen

betrekking had(den) op en/of niet waren/was ingevuld en/of ondertekend door de

onderneming(en) op wie de in die/dat voornoemde formulier(en) vermelde

wijziging(en) van het rekeningnummer (telkens) betrekking had(den);

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft als preliminair verweer aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte ter zake feit 1 wegens schending van het vertrouwensbeginsel, behorende bij de beginselen van behoorlijke strafrechtspleging omdat op het strafblad van verdachte vermeld is dat het onder 1 ten laste gelegde is geseponeerd. Ook met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsman een niet-ontvankelijkheidsverweer gevoerd, inhoudende dat de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) vervolging van verdachte op grond van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht belet.

Bij pleidooi heeft de raadsman deze niet-ontvankelijkheidsverweren herhaald.

De officier van justitie is van mening dat het eerste verweer van de raadsman moet worden verworpen omdat het feit waar de raadsman over spreekt, is geseponeerd enkel omdat er sprake was van een dubbele registratie van hetzelfde feit.

Met betrekking tot het tweede niet-ontvankelijkheidsverweer is de officier van justitie van mening dat dat de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, tweede lid, van Awr niet op deze situatie van gebruik van een vals geschrift ziet.

De rechtbank is van oordeel dat beide niet-ontvankelijkheidverweren van de verdediging moeten worden verworpen. Allereerst blijkt uit het door de raadsman genoemde strafblad van verdachte uitdrukkelijk dat het niet de bedoeling van het openbaar ministerie was om verdachte niet voor dit feit te vervolgen en dat dit feit zou worden afgedaan middels een sepot. Er is enkel sprake geweest van een dubbele registratie van hetzelfde feit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het feit dat het Uittreksel justitiële documentatie op dit punt wellicht niet geheel duidelijk is, daaraan niet het gerechtvaardigde vertrouwen kan worden ontleend dat voor het betreffende feit geen vervolging plaats zou vinden.

Aan verdachte is onder 4 ten laste gelegd het verstrekken van inlichtingen aan de belastingdienst in die zin dat middels een formulier 'Wijziging rekeningnummer Ondernemers' aan de belastingdienst de informatie werd verstrekt op welk rekeningnummer een belastingteruggaaf diende te worden overgemaakt. Bij artikel 69 van de Awr gaat het echter in de kern om de vraag of door het niet of onjuist verstrekken van inlichtingen aan de belastingdienst te weinig belasting wordt geheven.

Dat is bij het onder 4 ten laste gelegde niet aan de orde nu de daar verstrekte inlichtingen niet van invloed kunnen zijn op de door de belastingdienst te heffen belastingen.

De officier van justitie is derhalve ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de gedane aangiftes, de onderliggende facturen met betrekking tot die aangiftes, de processen-verbaal waaruit de valsheid van die facturen blijkt, de verklaringen van verdachte, van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en de processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot afgeluisterde telefoongesprekken. Voor het onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft de officier van justitie gerequireerd tot vrijspraak.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten en wijst daarbij op het volgende.

Met betrekking tot de telkens primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft de raadsman aangevoerd dat :

  • -

    Van door verdachte opdracht geven tot, althans feitelijk leiding geven aan, het opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n) c.q. het opzettelijk gebruik maken van valse of vervalste formulieren, is geen sprake geweest;

  • -

    aan het plegen c.q. medeplegen van het telkens opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n) c.q. het opzettelijk gebruik maken van valse of vervalste formulieren, heeft verdachte zich niet schuldig gemaakt, noch is verdachte normadressaat van hetgeen hem onder 1 tot en met 3 verweten wordt;

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot het onder 1. primair ten laste gelegde.

Door [bedrijf 1] werd op 7 januari 2010 een aangifte omzetbelasting ingediend1 over het aangiftetijdvak 4e kwartaal 2009. Deze aangifte was ondertekend door de directeur [medeverdachte 1]. Op 20 april 2010 werd door [bedrijf 1] eenzelfde aangifte ingediend en ook deze was ondertekend door [medeverdachte 1]2. In de aangifte over het 4e kwartaal 2009 werd een bedrag van € 63.112,= aan te veel betaalde omzetbelasting teruggevraagd en in de aangifte over het 1e kwartaal 2010 een bedrag van € 225.234,=.

Door verdachte [medeverdachte 1] (hierna telkens: [medeverdachte 1]) werd als directeur van [bedrijf 5] op 7 januari 2010 ook een aangifte omzetbelasting ingediend3 waarbij een bedrag van € 54.888,= aan te veel betaalde omzetbelasting werd teruggevraagd.

[medeverdachte 1] heeft verklaard4 dat hij directeur is van [bedrijf 1] en [bedrijf 5] en dat verdachte [verdachte] (hierna telkens: [verdachte]) de boekhouding voor hem deed en ook alle aangiftes deed voor de [bedrijf 1 en bedrijf 5]. [verdachte] heeft bevestigd5 dat hij voor [bedrijf 1] en [bedrijf 5] op basis van de door medeverdachte [medeverdachte 1] aangereikte administratie de aangiftes heeft ingediend.

Naar aanleiding van de ingediende aangiftes van [bedrijf 1] en [bedrijf 5] met betrekking tot het vierde kwartaal 2009, werd door de belastingdienst in totaal € 114.224,= overgemaakt op bankrekeningnummer 1551.27.217, ten name van [partner medeverdachte]6, de partner van [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] heeft verklaard7 dat het geld van de belastingdienst is overgemaakt op de rekening van [partner medeverdachte] en dat zij die rekening op zijn verzoek had geopend omdat hij problemen had met zijn Fortis-rekening. Het geld dat werd ontvangen was deels voor hem, een deel is naar [verdachte] gegaan en een deel naar verdachte [medeverdachte 2] (hierna telkens: [medeverdachte 2]) omdat hij aan hem nog geld verschuldigd was. Voorts heeft [medeverdachte 1] verklaard dat zo’n € 77.000,- naar [medeverdachte 3] is gegaan en dat dit door [verdachte] is gedaan.

Dit komt ook overeen met de bevindingen uit het onderzoek naar de bankafschriften met betrekking tot de bankrekening 1551.27.217 ten name van [partner medeverdachte]8. Vanuit die rekening werd na de storting door de belastingdienst van € 114.224,= een bedrag van in totaal € 77.030,= overgemaakt naar een rekening ten namen van [medeverdachte 3] en drie overboekingen van elk € 10.000,= naar de drie kinderen van [medeverdachte 2]. Voorts werd bij een zoeking in de woning van [medeverdachte 1] een vel met aantekeningen9 aangetroffen10, waarop de door de belastingdienst uitbetaalde bedragen staan vermeld en waarop tevens een verdeling wordt gegeven van een bedrag van ruim honderdduizend euro tussen “[persoon 1]”, “[Persoon 2]” en “Ik”. Op de aantekening wordt het bedrag gelijkelijk verdeeld en aan ieder wordt een bedrag van

€ 34.078,= toebedeeld.

Met betrekking tot de aantekeningen heeft [medeverdachte 1] verklaard11 dat hij het vel met aantekeningen wel kent, maar dat hij alleen heeft gekeken naar het bedrag dat onderaan staat en dat hij zou krijgen. [medeverdachte 2] heeft met betrekking tot het vel met aantekeningen verklaard12 dat hij degene is die de aantekeningen heeft gemaakt en dat de “[Persoon 2]” staat voor [verdachte] en dat hij met “Ik” zichzelf bedoelde.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat vast is komen te staan dat naar aanleiding van de hiervoor genoemde aangiftes, gedaan namens [bedrijf 1] en [bedrijf 5], door de belastingdienst een bedrag van in totaal

€ 114.224,= is uitbetaald, welk bedrag grotendeels gelijkelijk is verdeeld onder [medeverdachte 1],

[verdachte] en [medeverdachte 2]. Voorts is de rechtbank van oordeel dat zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] op de hoogte waren van de aangiftes die werden gedaan en ook hebben geweten dat de belastingdienst op grond van de aangiftes met betrekking tot het 4e kwartaal 2009 tot terugbetaling van te veel betaalde omzetbelasting was overgegaan.

De juistheid van de aangiftes

In de woning van [medeverdachte 1] vond op 15 maart 2011 een zoeking plaats13 en bij die zoeking werden twee zwarte ordners inbeslaggenomen. Ook bij een zoeking in de woning van [verdachte]14 werden administratieve bescheiden aangetroffen die teruggebracht konden worden op de gedane aangiftes. In de administratieve bescheiden van [bedrijf 5] werd een CMR aangetroffen met betrekking tot het vervoer van 2.880 ton graniet naar [bedrijf 6] te Roemenië.

 De aangiftes betreffende [bedrijf 1]

De factuur van de [bedrijf 7]15

Uit het onderzoek met betrekking tot de inbeslaggenomen administratieve bescheiden16 is vast komen te staan dat de factuur d.d. 23 november 2009 van de [bedrijf 7] wel aan de belastingdienst is verstrekt ter onderbouwing van de geclaimde voorbelasting op het aangiftebiljet omzetbelasting over het 4e kwartaal 2009, maar niet is aangetroffen in de inbeslaggenomen administratie bescheiden van [bedrijf 1]. [medeverdachte 1] heeft met betrekking tot de [bedrijf 7] verklaard17 dat hij die naam niet kent en dat hij niet weet of er goederen zijn geleverd en/of betaald zijn.

Uiteindelijk heeft [verdachte] verklaard18 dat hij op verzoek van [medeverdachte 1] papieren heeft gemaakt, facturen en belastingaangiften heeft ingediend, terwijl hij wist dat sommige dingen niet klopten. Voorts heeft hij verklaard dat hij dat heeft gedaan om er zelf ook geld aan over te houden.

Uit onderzoek is ook vast komen te staan19 dat de heer [eigenaar bedrijf], eigenaar van de eenmanszaak [bedrijf 7] [bedrijf 7], de betreffende factuur niet kende en dat hij nooit een uitgaande factuur op naam van de [bedrijf 7] had gemaakt.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de betreffende factuur valselijk is opgemaakt en een fictieve levering betreft.

De factuur van [Bedrijf 8] ([Bedrijf 8]) van 16 december 200920

De factuur van [Bedrijf 8] is aangetroffen in de administratie bescheiden van [bedrijf 1]21 en de bestuurder van [Bedrijf 8] heeft verklaard22 dat er nooit activiteiten in

[Bedrijf 8] zijn geweest, dat er nooit facturen van [Bedrijf 8] zijn opgemaakt en dat hij de aangetroffen factuur ook niet kent.

De rechtbank is van oordeel dat ook de factuur van [Bedrijf 8] valselijk is opgemaakt.

De factuur van [bedrijf 1] aan [bedrijf 9] van 13 januari 201023

Een kopie van deze factuur is bij de controle aan de belastingdienst verstrekt en is ook aangetroffen bij de hiervoor genoemde zoekingen bij de verdachte [verdachte] en [medeverdachte 1].

Verdachte [verdachte] en zijn vriendin zijn de aandeelhouders en bestuurders van deze [bedrijf 9]

[bedrijf 9]24 en uit onderzoek25 is vast komen te staan dat ook [bedrijf 6] nooit activiteiten had gehad en dat er daarom ook geen administratie was. De bestuurder van [bedrijf 10], mevrouw [medeverdachte 3], heeft bevestigd26 dat [bedrijf 6] nooit activiteiten heeft gehad en zij kende ook de factuur niet. [medeverdachte 1] heeft verklaard27 dat er wel zaken zijn gedaan met [bedrijf 10], maar dat [verdachte] dat allemaal heeft geregeld. [verdachte] heeft verklaard28 de factuur niet te kennen en dat [bedrijf 9] die goederen niet heeft afgenomen. Hij geeft aan dat hetgeen op die factuur staat niet klopt en dat de factuur daarom vals is.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat ook de factuur van [bedrijf 1] aan [bedrijf 9] van 13 januari 2010 valselijk is opgemaakt.

De [bedrijf 11]29

Op de hiervoor genoemde factuur van [bedrijf 1] aan [bedrijf 9] van 13 januari 2010, staat dat 2880 ton graniet zou zijn geleverd en ter onderbouwing van de export van deze partij is een CMR overgelegd en uit onderzoek30 is vast komen te staan dat dit document op 10 maart 2010 door [verdachte] werd gemaakt. Voorts is uit onderzoek vast komen te staan31 dat het op de CMR genoemde transport niet is uitgevoerd door de op de CMR genoemde transporteur.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat ook de [bedrijf 11] valselijk is opgemaakt.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat door [bedrijf 1] met gebruikmaking van valselijk opgemaakte facturen, onjuiste aangiften omzetbelasting werden ingediend. De rechtbank constateert dat [verdachte] en [medeverdachte 1] over en weer elkaar belasten. Wat vast staat is dat [medeverdachte 1] directeur-groot aandeelhouder was van [bedrijf 1] en dat het telkens [verdachte] was die voor die [bedrijf 1]. de aangiftes heeft verzorgd. Tot slot is vast komen te staan dat er sprake was van een evenredige verdeling tussen [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2] van het door de belastingdienst naar aanleiding van de onjuiste aangiftes gestorte geld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake was van een vooropgezet plan en dat verdachte daarmee samen met [medeverdachte 1] feitelijk leiding heeft

gegeven aan de verboden gedragingen. Dat hier sprake was van een vooropgezet plan kan naar het oordeel van de rechtbank mede worden opgemaakt uit de verklaring van [verdachte], inhoudende32:

“Ik heb op verzoek papieren gemaakt, facturen en belastingaangiften ingediend. Dit terwijl ik in mijn achterhoofd wist, dat sommige dingen niet klopten. Ik heb daarvoor gebruik gemaakt van diverse computers. Dat is ook gebeurd met behulp van USB-sticks. De meeste aangiften die ik heb ingediend zijn vanuit mijn woning aan de [straat] te [plaats] via mijn IP ingediend. Ik heb dat gedaan om BTW terug te kunnen vorderen voor die bewuste persoon die ik verder niet wens te noemen voor de bedrijven die U hebt genoemd in Uw eerdere lijst. Ik heb dat gedaan om er zelf ook geld aan over te houden Over de rol van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] wil ik verder niet uitweiden. Ze zijn gedeeltelijk wel betrokken bij de fraude waarover we het de afgelopen dagen hebben gehad. Ik wil bij deze aan de officier van justitie de vraag richten om met haar een schikking te kunnen treffen voor mijn gedeelte”.

Met betrekking tot de feiten 2 en 3 is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het telkens [verdachte] is geweest die de aangifte heeft gedaan of daarbij strafbare betrokkenheid heeft gehad. In tegenstelling tot hetgeen de officier van justitie heeft betoogd, dat het telkens verdachte is geweest die heeft ingelogd om de aangifte de versturen naar de belastingdienst, is de rechtbank van oordeel daaromtrent te veel twijfel bestaat en dat deze twijfel in het voordeel van verdachte moet worden uitgelegd. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van die feiten.

Met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde constateert de rechtbank dat de formulieren ‘Wijziging rekeningnummer Ondernemers’ bij de belasting werden ingediend met als doel het rekeningnummer te wijzigen waarop eventueel terug te betalen bedragen zouden moeten worden gestort. Dit houdt naar het oordeel van de rechtbank niet in dat deze formulieren bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, terwijl voorts uit de voorliggende stukken niet blijkt dat verdachte deze wijzigingen heeft ingediend. De rechtbank zal om die reden verdachte ook van het onder 4 ten laste gelegde vrijspreken.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. primair:

[bedrijf 1], verder te noemen [bedrijf 1], op een of meer

tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 januari 2010 tot en met 20

april 2010, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode

van de maand januari 2010 tot en met april 2010 in de gemeente(n) Breda en/of

Oosterhout en/of Apeldoorn, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk (een)

bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet

inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting

over het/de aangiftetijdvak(ken) 4e kwartaal 2009 en/of 1e kwartaal 2010

(D-044 en D-045) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft [bedrijf 1]

(telkens) opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de

Belastingdienst te Breda en/of Apeldoorn, althans in Nederland ingediende

aangifte(n) omzetbelasting over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken) (telkens) een

te hoog bedrag aan terug te vragen omzetbelasting en/of (telkens) een te laag

bedrag aan te betalen omzetbelasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) er

toe strekte dat te weinig belasting werd geheven,

hebbende hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot dat/die strafbare

feit(en) en/of feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en);

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een geldboete van € 10.000,=.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht bij de strafmaat te betrekken de termijnoverschrijding, het feit dat verdachte geen relevante documentatie heeft en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en op grond daarvan een werkstraf op te leggen in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft als feitelijk leidinggever van [bedrijf 1] voor het 4e kwartaal 2009 en het 1e kwartaal 2010 aangifte omzetbelasting gedaan, waarbij een te hoog bedrag aan terug te vragen omzetbelasting werd opgegeven middels gefingeerde leveringen. Op deze manier werd ten onrechte omzetbelasting teruggevraagd en ook uitbetaald door de belastingdienst. Door deze feiten werd de overheid en daarmee de samenleving benadeeld voor een bedrag van ruim € 114.000,=. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit type delicten lastig op te sporen is en niet alleen tot fiscaal nadeel, maar ook tot ondermijning van de algemene belastingmoraal leidt.

De rechtbank is van oordeel dat voor de bewezenverklaarde feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is en de rechtbank neemt daarbij in aanmerking de omvang van de belastingfraude, het voordeel dat verdachte heeft genoten alsook de maatschappelijke schade.

Anderzijds zal de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening houden met het tijdsverloop vanaf het moment van strafvervolging en met het feit dat verdachte, zo blijkt uit zijn strafblad, in het recente verleden niet voor soortgelijke feiten met justitie in aanraking is geweest.

Voorts blijkt uit het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 31 oktober 2012 en uit hetgeen verdachte ter zitting heeft verklaard, dat hij al geruime tijd te kampen heeft met ernstige gezondheidsproblemen. Verdachte is hartpatiënt en binnenkort zal hij een hartoperatie moeten ondergaan. Daarnaast lijdt verdachte aan suikerziekte.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat het opleggen aan verdachte van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet opportuun wordt geacht. In plaats daarvan zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf opleggen voor de duur van 180 uren. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte tot het verrichte van lichte werkzaamheden goed in staat wordt geacht.

Voorts is uit voornoemd reclasseringsrapport gebleken dat verdachte al langere tijd arbeidsongeschikt is en dat hij in het verleden, om een zinvolle dagbesteding te hebben, nog werkzaamheden is gaan verrichten als boekhouder. Teneinde verdachte ervan te weerhouden om bij het verrichten van dergelijke boekhoudwerkzaamheden of bij het geven van adviezen, opnieuw strafbare feiten te plegen, zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 2 maanden.

Om de ernst van de feiten te benaderukken zal de rechtbank verdachte tot slot nog veroordelen tot betaling van een geldboete van € 10.000,=.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 22c, 22d, 27, 51, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 69, 72 en 96 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2 primair en subsidiair, 3 primair en subsidiair en 4 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 10.000,=;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 85 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Pick en mr. Schotanus, rechters, in tegenwoordigheid van Nouws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 juli 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer 46813 van de FIOD-ECD in het onderzoek “Move”, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 4078. Het geschrift, te weten de afgedrukte aangifte omzetbelasting, pagina 3026 van voornoemd eind-proces-verbaal.

2 Het geschrift, te weten de afgedrukte aangifte omzetbelasting, pagina 3030 van voornoemd eind-proces-verbaal.

3 Het geschrift, te weten de afgedrukte aangifte omzetbelasting, pagina 3033 van voornoemd eind-proces-verbaal.

4 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1], pagina 2525 van voornoemd eind-proces-verbaal.

5 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], pagina 2652 van voornoemd eind-proces-verbaal.

6 Het proces-verbaal van ambtshandelingen, pagina 462 van voornoemd eind-proces-verbaal.

7 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1], pagina 2538 van voornoemd eind-proces-verbaal.

8 Het proces-verbaal van ambtshandelingen, pagina 462 van voornoemd eind-proces-verbaal.

9 Het geschrift, te weten aantekeningen, pagina 3456 van voornoemd eind-proces-verbaal.

10 Het proces-verbaal van ambtshandelingen, pagina 665 van voornoemd eind-proces-verbaal.

11 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1], pagina 2539 van voornoemd eind-proces-verbaal.

12 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2], pagina 2626 van voornoemd eind-proces-verbaal.

13 Het proces-verbaal van ambtshandelingen, pagina 665 van voornoemd eind-proces-verbaal.

14 Het proces-verbaal van doorzoeking object D, pagina 705 van voornoemd eind-proces-verbaal.

15 Het geschrift, pagina 3060 van voornoemd eind-proces-verbaal.

16 Het proces-verbaal van ambtshandelingen, pagina 755 van voornoemd eind-proces-verbaal.

17 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1], pagina 2534 van voornoemd eind-proces-verbaal.

18 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], pagina 2695 van voornoemd eind-proces-verbaal.

19 Het proces-verbaal van ambtshandelingen, pagina 270 van voornoemd eind-proces-verbaal.

20 Het geschrift, pagina 3062 van voornoemd eind-proces-verbaal.

21 Het proces-verbaal van ambtshandelingen, pagina 755 van voornoemd eind-proces-verbaal.

22 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4], pagina 2697 van voornoemd eind-proces-verbaal.

23 Het geschrift, pagina 3340 van voornoemd eind-proces-verbaal.

24 Het geschrift, pagina 3277 van voornoemd eind-proces-verbaal.

25 Het proces-verbaal van ambtshandelingen, pagina 813 van voornoemd eind-proces-verbaal.

26 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3], pagina 2721 van voornoemd eind-proces-verbaal.

27 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1], pagina 2528 van voornoemd eind-proces-verbaal.

28 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], pagina 2656 van voornoemd eind-proces-verbaal.

29 Het geschrift, pagina 3048 van voornoemd eind-proces-verbaal.

30 Het proces-verbaal van ambtshandelingen, pagina 1069 van voornoemd eind-proces-verbaal.

31 Het proces-verbaal van ambtshandelingen, pagina 813 van voornoemd eind-proces-verbaal.

32 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], pagina 2695 van voornoemd eind-proces-verbaal.