Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:4784

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-07-2014
Datum publicatie
11-08-2014
Zaaknummer
AWB-12_3544
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 10, zevende lid van de Wet Belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm)

Voor de berekening van de Bpm heeft belanghebbende in de aangifte gekozen voor toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel. In bezwaar verzoekt belanghebbende om toepassing van de koerslijst XRAY.

Gesteld noch gebleken is dat bij de berekening op basis van die koerslijst is uitgegaan van andere gegevens van de auto dan vermeld in de aangifte. In dat geval, oordeelt de rechtbank, staat niets eraan in de weg ten aanzien van dezelfde gegevens van de auto de verschuldigde belasting met toepassing van de koerslijst XRAY in plaats van de forfaitaire tabel te berekenen. Het beroep is gegrond.

Wetsverwijzingen
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 10, geldigheid: 2014-08-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1634
V-N 2014/53.26.1
mr. V.M. Maat annotatie in NTFR 2014/2585

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 12/3544

Uitspraak van 17 juli 2014

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft op 2 januari 2012 belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) op aangifte voldaan betreffende de registratie van een uit het buitenland afkomstige personenauto in Nederland. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 juni 2012 het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 20 juli 2014, ontvangen bij de rechtbank op 20 juli 2014, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 310.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.5.

Een eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op de regiezitting van de meervoudige belastingkamer van 9 november 2012. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Bladel, tot bijstand vergezeld van [A], verbonden aan [kantoornaam A] te Best en van [B] en namens de inspecteur, [verweerder]. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift op 13 november 2012 aan partijen is verzonden.

1.6.

Een tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden door de enkelvoudige belastingkamer op 24 april 2014 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Westerhoven, tot bijstand vergezeld van [B] en namens de inspecteur, [verweerder]. De zaken met procedurenummers 12/3286, 12/3287, 12/3517, 12/3351, 12/3289, 12/3522, 12/3544, 12/3551, 12/3552, 12/3553, 12/3554 en 12/3570 zijn gelijktijdig behandeld.

1.7.

Belanghebbende heeft voor de tweede zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen worden geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Belanghebbende en de inspecteur hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. Partijen hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de door de wederpartij ter zitting overgelegde stukken.


2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Op of rond 28 december 2011 heeft belanghebbende aangifte gedaan voor de BPM betreffende de registratie van een uit het buitenland afkomstige personenauto in Nederland. De auto betreft een Audi A4 3.0 TFSI S4 q. Pro L, identificatienummer [identificatienummer] (de auto). Volgens de aangifte is een bedrag aan BPM verschuldigd van € 14.836. Belanghebbende heeft op 2 januari 2012 een bedrag aan BPM voldaan van € 14.836.

2.2.

Voor de berekening van de BPM heeft belanghebbende gekozen voor toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel als bedoeld in artikel 10, zesde lid, van de Wet Bpm juncto artikel 8, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Bpm (Uitvoeringsregeling Bpm).

2.3.

In zijn bezwaar tegen de voldoening op de in 2.1. genoemde aangifte heeft belanghebbende ter berekening van de BPM verzocht om toepassing van de koerslijst bedoeld in artikel 10, tweede lid, Wet Bpm en is daarbij uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van de auto van € 51.528. Hij heeft deze waarde berekend met toepassing van de koerslijst van XRAY. Belanghebbende heeft daarbij ter berekening van de verschuldigde BPM het standpunt ingenomen dat de in artikel 8, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Bpm neergelegde 12%-regeling strijdig is met artikel 110 VWEU (hierna: het VwEU) en om die reden buiten toepassing dient te blijven. In beroep heeft belanghebbende de verschuldigde belasting, uitgaande van de handelsinkoopwaarde van de auto op basis van de koerslijst van XRAY, berekend op een bedrag van € 12.136.

2.4.

De inspecteur heeft de herberekening van de verschuldigde belasting aan de hand van de koerslijst op grond van het bepaalde in artikel 10, zevende lid, van de Wet Bpm afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. Voor het geval de rechtbank zou beslissen dat artikel 10, zevende lid van de Wet Bpm in casu niet toegepast kan worden, heeft de inspecteur zich ter zitting akkoord verklaard met het door belanghebbende berekende verschuldigde bedrag van € 12.136.

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is in geschil is of de inspecteur terecht op grond van het bepaalde in artikel 10, zevende lid, van de Wet de herberekening van de verschuldigde belasting aan de hand van de koerslijst heeft afgewezen. Verder is nog in geschil over welke periode de inspecteur rente dient te vergoeden over de teruggave aan Bpm en of dit heffingsrente of wettelijke rente dient te zijn.

Tot slot stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de inspecteur verplicht is tot vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte kosten van bezwaar en beroep.

3.2

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd ter zitting en in de van hen afkomstige stukken.

3.3

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en een teruggaaf van Bpm ten bedrage van € 2.700. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

Verschuldigde belasting

4.1.

Artikel 10, zevende lid, van de Wet Bpm luidt met ingang van 2012 als volgt:

“Bij de aangifte wordt een opgaaf gedaan van de gegevens die bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving, bedoeld in het tweede lid, dan wel voor de toepassing van de tabel, bedoeld in het zesde lid. Wanneer naar het oordeel van de inspecteur gegevens ontbreken die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde vermindering, worden de ontbrekende gegevens toegevoegd. Gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving, en evenmin op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, kunnen door degene die gehouden is de belasting op aangifte te voldoen niet op een later tijdstip alsnog worden gebruikt om de bij de aangifte toegepaste afschrijving te wijzigen.”

4.2.

In de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de Wet Overige fiscale maatregelen 2012 (Kamerstukken II 2011/12, 33 004, nr. 6, p. 10-11) is de invoering van artikel 10, zevende lid, van de Wet Bpm, als volgt toegelicht:

"De Wet BPM 1992 biedt belastingplichtigen de ruimte om de afschrijving voor gebruikte auto’s op verschillende manieren vast te stellen. Dit kan gebeuren op basis van de individuele waarde, bijvoorbeeld aan de hand van een in de handel gebruikte koerslijst of een taxatierapport, maar de afschrijving kan desgewenst ook worden vastgesteld aan de hand van een forfaitaire tabel. Uitgangspunt van de regeling is, dat bij de aangifte een keus wordt gemaakt uit de verschillende opties om de afschrijving te onderbouwen. Deze keus bepaalt mede op welke wijze de aangifte wordt gecontroleerd. Om de juistheid van een aangifte op basis van de individuele afschrijving te kunnen beoordelen is het van belang, dat op het moment van de aangifte alle gegevens worden overgelegd waarop de aangifte is gebaseerd. De inspecteur kan zich aan de hand daarvan een oordeel vormen of een realistisch afschrijvingspercentage wordt gebruikt en eventueel besluiten de aangifte nader te controleren. Zo nodig kan hij op dat moment de auto ook fysiek laten opnemen of laten taxeren. De Belastingdienst wordt sinds kort echter regelmatig geconfronteerd met de situatie, dat bij de aangifte een realistisch afschrijvingspercentage wordt toegepast op basis van de forfaitaire tabel, een koerslijst of een solide taxatie, maar in de bezwaar- en beroepfase alsnog een hogere afschrijving wordt geclaimd aan de hand van gegevens die bij de oorspronkelijke aangifte niet zijn gebruikt. Binnen de opzet van de BPM-heffing is het niet mogelijk een dergelijke claim achteraf te beoordelen op juistheid. De auto is inmiddels in gebruik genomen en uit het zicht van de inspecteur. Bovendien zou schouwen van de auto geen zin meer hebben, omdat de afschrijving op het moment van registratie bepalend is en niet de afschrijving op een later tijdstip. Gezien het voorgaande wordt voorgesteld om in de wet op te nemen dat gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt en ook niet op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, door de belastingplichtige niet op een later tijdstip alsnog kunnen worden ingebracht om de bij de aangifte toegepaste afschrijving te wijzigen. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat dit ook geldt voor gegevens die bij de aangifte niet zijn gebruikt maar zich wellicht wel ergens in of tussen de overgelegde stukken bevonden. De inspecteur kan zich dus volledig richten op de controle van de aangifte en de daarbij gekozen wijze voor vaststelling van de afschrijving, en behoeft geen aandacht te besteden aan gegevens die wellicht van belang waren geweest als de belastingplichtige een andere keuze had gemaakt voor de wijze van vaststelling van de afschrijving. In het zevende lid van artikel 10 van de Wet BPM 1992 wordt nader bepaald dat de bij de aangifte te overleggen gegevens de gegevens betreft die zijn gebruikt bij de vaststelling van de in het tweede lid van artikel 10 van de Wet BPM 1992 bedoelde afschrijving, dan wel voor de toepassing van de in het zesde lid van dat artikel 10 bedoelde forfaitaire tabel. Daarnaast worden aan het zevende lid van dat artikel 10 twee volzinnen toegevoegd. De eerste volzin bepaalt dat op verzoek van de inspecteur ontbrekende gegevens worden toegevoegd die naar zijn oordeel van belang zijn voor de in het eerste lid van artikel 10 van de Wet BPM 1992 bedoelde vermindering. De tweede volzin bepaalt dat gegevens die niet zijn gebruikt bij vaststelling van de afschrijving en evenmin op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, niet in een later stadium alsnog door de belastingplichtige kunnen worden gebruikt om de bij de aangifte toegepaste afschrijving te wijzigen.”

4.3.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 10, zevende lid, van de Wet Bpm strijdig is met artikel 110 van het VWEU, omdat hem de mogelijkheid wordt ontnomen om, wanneer aangifte is gedaan op grond van de forfaitaire tabel, in bezwaar de werkelijke waarde van de auto aan te tonen met behulp van een koerslijst.

4.4.

Ter zitting heeft belanghebbende een koerslijst XRAY met een handelswaarde inkoop van € 51.258 ingebracht. Gesteld noch gebleken is dat bij de berekening op basis van die koerslijst is uitgegaan van andere gegevens van de auto dan vermeld in de aangifte. Er zijn dus geen andere gegevens gebruikt. De vraag welke betekenis in dit geval aan artikel 10, zevende lid van de Wet Bpm moet worden toegekend, behoeft daarom niet te worden behandeld. Naar het oordeel van de rechtbank staat niets eraan in de weg ten aanzien van dezelfde gegevens van de auto de verschuldigde belasting met toepassing van de koerslijst XRAY in plaats van de forfaitaire tabel te berekenen. De rechtbank sluit zich bij de eensluidende berekening van partijen aan dat bij berekening op basis van de koerslijst met een handelswaarde inkoop van de auto van € 51.258 de verschuldigde belasting € 12.136 bedraagt. Belanghebbende heeft recht op een teruggaaf van € 2.700. Het beroep is gegrond.

Rentevergoeding

4.5.

Op grond van artikel 30f, derde lid, aanhef en onderdeel d, sub 2 van de AWR tekst tot en met 2012) wordt bij een teruggaaf van BPM rente vergoed over het tijdvak dat aanvangt drie maanden na het einde van het kalenderjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft.

4.6.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat hij schade heeft geleden nu hij niet vanaf het moment dat hij teveel Bpm betaalt heeft rente vergoed krijgt en dat de teveel betaalde BPM een gevolg is van strijdigheid van de nationale regels met het Unierecht zodat die schade op grond van artikel 8:73 van de Awb vergoed dient te worden. Belanghebbende heeft hiervoor verwezen naar het arrest Mariana Irimie (HvJEG 18 april 2013, nr. C-565/11, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:XX:2013:BZ8927). In dit arrest heeft het HvJEG geoordeeld dat de lidstaten verplicht zijn om in strijd met het Unierecht geheven belasting met rente terug te betalen.

4.7.

Toepassing van genoemd arrest leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat, voor zover er in strijd met het Unierecht BPM is geheven, rente vergoed moet worden over de periode gedurende welke niet over het in strijd met het Unierecht betaalde bedrag kan worden beschikt. Die periode vangt in beginsel aan op de datum van de onverschuldigde betaling van de betrokken belasting en loopt tot de datum van terugbetaling daarvan. Alleen dan is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een passende vergoeding waar het EU-recht toe verplicht.

4.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat de aan belanghebbende te verlenen teruggaaf van € 2.700 verband houdt met schending van het Unierecht. Naar het oordeel van de rechtbank dient, op grond van het vorenoverwogene, in afwijking van artikel 30f, derde lid, aanhef en onderdeel d, sub 2 van de AWR, de rente berekend te worden vanaf het moment van onverschuldigde betaling.

4.9.

Naar het oordeel van de rechtbank vormen de rentevoeten, zoals opgenomen in artikel 30f, vijfde lid van de AWR (2011 en 2012) en artikel 30hb van de AWR (vanaf 2013) een passende vergoeding zodat de nationale regeling op dat punt niet in strijd is met het Unierecht. Voor het vaststellen van de rentevergoeding als bedoeld in 4.8. zal de rechtbank dan ook aansluiten bij voornoemde rentevoet.

4.10.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient de inspecteur rente te vergoeden over de onverschuldigde betaling van € 2.700 vanaf 2 januari 2012.

Kostenvergoeding bezwaar

4.11.

De rechtbank overweegt dat artikel 7:15, tweede lid van de Awb bepaalt dat de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, uitsluitend door het bestuursorgaan worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Nu het bezwaar van belanghebbende niet is gericht tegen een besluit van de inspecteur, maar tegen de op aangifte voldane BPM, kan aan hem geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase worden toegekend.

4.12.

Belanghebbende verzoekt echter tevens om vergoeding van het bedrag van zijn integrale proceskosten, als schadevergoeding in de zin van artikel 8:73 van de Awb. Deze schade zou voor de bezwaarfase € 1.000 per bezwaar bedragen.

4.13.

De rechtbank stelt voorop dat de vergoeding van proceskosten uitputtend geregeld is in de artikel 7:15 en 8:75 van de Awb en dat om die reden aan toepassing van artikel 8:73 van de Awb in beginsel niet wordt toegekomen. Belanghebbende heeft daartegenover aangevoerd dat in het voorliggende geval proceskosten in de bezwaarfase zijn gemaakt vanwege strijdigheid van de nationale regelgeving met het Unierecht. Nu een adequate vergoeding van die kosten ontbreekt, wordt door belanghebbende schade geleden die door de inspecteur op basis van het Unierecht dient te worden vergoed.

4.14.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de aan belanghebbende te verlenen teruggaaf van € 2.700 verband houden met schending van het Unierecht. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt wegens strijdigheid met artikel 110 VwEU en de uitspraak op bezwaar is ook om die reden vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank is dan sprake van een onrechtmatigheid die aan de inspecteur dient te worden toegerekend, ook al treft hem in dit opzicht persoonlijk geen verwijt. Omstandigheden die toerekening van deze onrechtmatige daad aan de Staat verhinderen, zijn gesteld noch aannemelijk geworden.

4.15.

In dat geval dient voor de in de vorm van gemaakte proceskosten geleden schade op grond van het Europese recht een passende schadevergoeding verstrekt te worden. Naar het oordeel van de rechtbank voorziet de nationale regeling met betrekking tot de proceskosten niet in een passende schadevergoeding nu belanghebbende op grond van die regels in het geheel niet in aanmerking komt voor een vergoeding van kosten voor de bezwaarfase. De rechtbank zal derhalve een passende schadevergoeding bepalen.

4.16.

Naar het oordeel van de rechtbank was het inschakelen van een professionele gemachtigde in een geval als het onderhavige alleszins redelijk, nu de wet immers in strijd was met het Unierecht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende echter niet aannemelijk gemaakt dat een bedrag van € 1.000 voor de in bezwaar gemaakte kosten ook redelijk is. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de gemachtigde van belanghebbende enkele duizenden bezwaarschriften heeft ingediend tegen de voldoening van BPM en/of een opgelegde naheffingsaanslag BPM en dat hierbij telkens min of meer dezelfde gronden zijn aangevoerd. De rechtbank acht het dan niet redelijk dat voor ieder bezwaar een schadebedrag van € 1.000 aan proceskosten moet worden vergoed.

4.17.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat voor een redelijke en passende schadevergoeding kan worden aangesloten bij het Besluit, derhalve € 243 per bewaarschrift (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 243 en een wegingsfactor 1).

4.18.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat er een schadevergoeding in de vorm van heffingsrente dient te worden betaald over de totale teruggaaf van € 2.700 over de periode van 2 januari 2012 tot 1 april 2012, en dient er een schadevergoeding van € 243 te worden betaald.

5 Proceskosten

5.1.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

5.2.

Belanghebbende stelt dat de handelwijze van de inspecteur aanleiding geeft voor vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten nu het de inspecteur op het moment van vaststellen van de verschuldigde BPM duidelijk moet zijn geweest dat hij in strijd handelde met artikel 110 van het VwEU en met vaste en veelvuldige rechtspraak van het HvJEG.

5.3.

De rechtbank ziet echter geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten in afwijking van het forfait, zoals neergelegd in artikel 2, eerste lid van het Besluit. Uit de jurisprudentie is af te leiden dat, voor zover hier van belang, van bedoeld forfait kan worden afgeweken indien de procedure een gevolg is van een zeer ernstige vorm van onzorgvuldig handelen van de inspecteur (vergelijk: Hoge Raad 8 juli 1996, nr. 30 782, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR1996:AA1843) of indien de inspecteur een volstrekt onverdedigbaar standpunt heeft ingenomen (vergelijk: Hoge Raad 20 september 2000, nr. 35 510, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:2000:AA7160).

5.4.

Van omstandigheden als geschetst in 5.3 is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval geen sprake. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat er op het moment van voldoening van de BPM nog niet door de Hoge Raad (zie het arrest van 2 maart 2012, nr. 11/00785, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:2012:BV7393) en het HvJEG (zie het arrest van 19 december 2013, nr. C-437/12, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:XX:2013:178) was beslist dat de nationale regeling in strijd is met het Unierecht. Vóór deze datum kon de inspecteur het standpunt innemen dat de heffing van BPM, zoals neergelegd in de nationale regelgeving, rechtmatig was. Het enkele gegeven dat de wet strijdig was met het EU-recht, is geen reden voor integrale proceskostenvergoeding. De forfaitaire regeling van de fiscale proceskosten voldoet aan de eis dat de verwezenlijking van het gemeenschapsrecht niet als gevolg van een regeling met betrekking tot de proceskosten onmogelijk of uiterst moeilijk mag zijn (vergelijk: Hoge Raad 17 december 2004, nr. C03/114HR, onder meer gepubliceerd in BNB 2005/239).

5.5.

De rechtbank stelt de te vergoeden proceskosten op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 24 april 2014 met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1).

5.6.

De onderhavige procedure is tevens behandeld op de regiezitting van 9 november 2012, op welke zitting 420 zaken aan de orde zijn geweest. De rechtbank gaat er van uit dat de belanghebbende in een aanzienlijk aantal van die zaken geheel of gedeeltelijk in het gelijk worden gesteld omdat de 12%-regeling ten onrechte is toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank is het echter niet redelijk om in al deze zaken een volledige kostenvergoeding te verlenen voor de aanwezigheid van de gemachtigde van belanghebbenden ter regiezitting. De rechtbank stelt de kosten per zaak, met toepassing van artikel 2, derde lid van het Besluit, in goede justitie vast op € 5. De totale proceskostenvergoeding bedraagt dus € 979 (€ 974 plus € 5).

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    verleent teruggaaf van € 2.700 Bpm;

  • -

    gelast de inspecteur rente te vergoeden over de teruggaaf van € 2.700 vanaf 2 januari 2012;

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot betaling van een schadevergoeding aan belanghebbende van € 243;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 979;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 310 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 17 juli 2014 door mr.drs. M.M. de Werd, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.