Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:4655

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
C/02/249531 / HA ZA 12-359
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schadeloosstelling bij onteigening. Gevolgen van de onteigening voor de overblijvenden. De nadelige invloeden van de aanleg en het gebruik van het werk waarom onteigend wordt bevinden zich buiten het onteigende. In dit geval wordt onteigend voor een weg die buiten het onteigende ligt. Nadeel compensatie via bestuursorgaan. Geen schadeloossstelling op basis van reconstructie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht


Zittingsplaats: Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/249531 / HA ZA 12-359

Vonnis van 9 juli 2014

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN
(Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Rijkswaterstaat)

zetelend te 's-Gravenhage,

eiser,

advocaten mr. B.S. ten Kate en mr. H.A. Bijkerk te Arnhem,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. Th.J.H.M. Linssen te Tilburg,

en

1 de naamloze vennootschapPOSTBANK N.V.,

2. de stichting STICHTING POSTBANKSPAARHYPOTHEEK,

waarvan ING BANK N.V. krachtens fusie rechtsopvolgster is geworden,

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

interveniënte,

advocaat mr. L.A.L. Westerwoudt te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de Staat, [gedaagde] en ING worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 21 november 2012

  • -

    de akte van 20 september 2013, houdende depot deskundigenrapport

  • -

    het B-formulier van de zijde van [gedaagde] van 2 mei 2014 met producties

  • -

    het e-mailbericht van 5 mei 2014 van mr. Heijst met opgave van de deskundigenkosten

  • -

    het B-formulier van de zijde van [gedaagde] van 8 mei 2014 met productie

  • -

    de pleitnota van de zijde van de Staat

  • -

    de pleitnota van de zijde van [gedaagde]

  • -

    het faxbericht van 21 mei 2014 van mr. Linssen met een opgave van de deskundigenkosten

  • -

    de brief van mr. Bijkerk van 28 mei 2014 met producties

  • -

    de faxbrief van mr. Linssen van 5 juni 2014 met productie

  • -

    de faxbrief van mr. Bijkerk van 11 juni 2014

  • -

    de faxbrief van mr. Bijkerk van 19 juni 2014 met productie.

    Bij beschikking van 4 juni 2012 van voorheen de rechtbank Breda, thans rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, heeft de rechtbank mr. I.P.A. van Heijst, mr. ing. H.C.M. Oldenkotte en dhr. L.J.M. Faase tot deskundigen benoemd. Mr. Van Heijst heeft als voorzitter van deze deskundigencommissie bij brief van 19 februari 2013 het conceptdeskundigenrapport gedeponeerd.
    In verband met het overlijden van dhr. Faase (op 11 maart 2013) is bij beschikking van deze rechtbank van 27 juni 2013 ir. A.C.M. Schimmel benoemd tot deskundige als vervanger voor dhr. Faase. Op 20 augustus 2013 hebben de deskundigen Oldenkotte en Schimmel het onteigende nader opgenomen.
    Namens [gedaagde] is op het conceptdeskundigenrapport gereageerd bij brief van 22 juli 2013, en namens de Staat bij brief van 21 augustus 2013.
    De zaak is bepleit op 12 mei 2014, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij vonnis, tevens vonnis in incident, van 20 juni 2012 (hierna: het onteigeningsvonnis) heeft de rechtbank vervroegd de onteigening uitgesproken ten name van de Staat van een gedeelte ter grootte van 00.02.60 ha van het perceel, kadastraal bekend [kadasternummer], in totaal groot 00.62.55 ca (grondplannummer 94.1).

2.2.

In het onteigeningsvonnis is het aan [gedaagde] te betalen voorschot op de schadeloosstelling bepaald op € 13.000,--.

2.3.

Het onteigeningsvonnis is op 31 juli 2012 ingeschreven in de openbare registers.

2.4.

De bij beschikking van 4 juni 2012 van voorheen de rechtbank Breda, thans rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, benoemde deskundigen (van wie wijlen dhr. Faase is vervangen door ir. Schimmel) is opgedragen de schadeloosstelling te begroten.


2.5. De deskundigen hebben in hun rapport de aan [gedaagde] te betalen schadeloosstelling als volgt begroot:
- waarde onteigende € 5.200,--

  • -

    waardevermindering overblijvende € 5.000,--

  • -

    overige schade € 4.250,--

-------------

Totaal € 14.450,--
- deskundigenkosten p.m.

- rente p.m.

2.6. Namens de Staat is aan [gedaagde] laatstelijk aangeboden als schadeloosstelling:
- waarde onteigende € 3.900,--
- waardevermindering overblijvende € 6.100,--
- overige schade:

inkomensschade nihil
bijkomende schade € 3.000,--

-------------

totaal € 13.000,--

2.7.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat een andere waarderingsmethode aan de schadeberekening ten grondslag moet liggen. Hij stelt dat de schadeloosstelling (op basis van reconstructie) voor hem dient te bedragen:
- vermogensschade € 388.000,--

- bijkomende schade € 145.000,-- (+ 2x p.m.)

----------------

totaal € 533.000,-- (+ 2x p.m.)

2.8. De standpunten van partijen ten aanzien van (de hoogte van) de voor vergoeding in aanmerking komende posten, voor zover van belang, zullen conform de in het deskundigenrapport onderscheiden paragrafen worden behandeld.


Waarde van het onteigende

2.9.

De deskundigen schatten de waarde van het onteigende per peildatum op
€ 20,--/m². Bij de waardering zijn de deskundigen uitgegaan van de voorheen voor het onteigende geldende agrarische bedrijfsbestemming. Zij hebben bij de waardering rekening gehouden met de ligging en gebruiksmogelijkheden van het onteigende en de verhouding tussen het bebouwde en onbebouwde deel van het perceel.

De Staat voert aan dat de waarde van de grond € 15,--/m² bedraagt. Volgens de Staat komen de deskundigen in hun rapport zonder nadere motivering tot een hogere waardering dan beide partijen.
[gedaagde] heeft de waarde van het onteigende niet afzonderlijk getaxeerd, maar uit de schadeopstelling van de taxateur van [gedaagde] kan worden afgeleid dat volgens [gedaagde] de waarde van de grond € 13,63/m² bedraagt.

2.10.

De rechtbank gaat uit van de door de deskundigen getaxeerde waarde van het onteigende. De deskundigen hebben ter gelegenheid van het pleidooi nader toegelicht hoe zij tot de betreffende waarde zijn gekomen. De Staat heeft hier vervolgens niet meer op gereageerd. De rechtbank zal de waarde van het onteigende bepalen op € 5.200,--.

Waardevermindering overblijvende

2.11.

Na onteigening resteert van het perceel [kadasternummer] een oppervlakte van 00.59.95 ha.

2.12.

De deskundigen overwegen dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 20 februari 2004, NJ 2004, 409 (RIB/Sweeres) en HR 21 november 2008, NJ 2009, 303 (De Bruyn/Waterschap Rivierenland) bij het bepalen van de gevolgen van de onteigening voor het overblijvende alleen rekening dient te worden gehouden met de nadelige invloeden van de aanleg en het gebruik van het werk waarvoor onteigend wordt op het onteigende. Met eventuele nadelige invloeden van het werk buiten het onteigende mag alleen rekening worden gehouden indien het betreffende nadeel op en buiten het onteigende (bijvoorbeeld geluidsoverlast) redelijkerwijs niet te splitsen is. Er is volgens de deskundigen geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van deze vaste jurisprudentie dient te worden afgeweken.

Voor zover [gedaagde] als eigenaar/gebruiker van het overblijvende nadeel/schade ondervindt van de aanleg en het gebruik van het werk (de Rijksweg c.a.) buiten het onteigende, komt dit nadeel/deze schade in het kader van de onderhavige onteigeningsprocedure niet voor vergoeding in aanmerking. [gedaagde] zal voor de vergoeding van die schade een afzonderlijk verzoek om tegemoetkoming in planschade dan wel nadeelcompensatie bij het betreffende bestuursorgaan moeten indienen, aldus de deskundigen.
Op het onteigende perceelsgedeelte zal geen deel van de Rijksweg zelf worden aangelegd, maar uitsluitend (een deel van) een watergang, bermen en een parallelweg. Deze parallelweg loopt vanaf de[naam weg] in oostelijke richting dood, en is uitsluitend bestemd voor de ontsluiting van twee losse agrarische percelen. Met inachtneming hiervan zal de aanleg en het gebruik van “het werk” op het onteigende zelf geen hinder op het overblijvende perceel van [gedaagde] met zich meebrengen, aldus de deskundigen.

Met de onteigening van een deel van het weiland is de oppervlakte van dit weiland met ca. 7,5% verkleind (en de oppervlakte van het gehele perceel met ca. 4%). Met deze kleinere oppervlakte zal de waarde van het gehele overblijvende perceel enigermate zijn verminderd, aldus de deskundigen. De deskundigen schatten de waardevermindering van het overblijvende per peildatum in op € 5.000,--. Zij houden daarbij rekening met de noodzakelijke aanpassingen van het overblijvende (zie hierna onder het kopje “overige schade”) en de relatief geringe onbebouwde oppervlakte ten opzichte van de bebouwde oppervlakte van het perceel.

2.13.

De Staat verwijst eveneens naar de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt en schaart zich achter de conclusie van de deskundigen. Hij verzoekt met inachtneming van die vaste jurisprudentie bij de waardevermindering van het overblijvende de mogelijk nadelige gevolgen van het toekomstig gebruik van de [naam weg] op het overblijvende buiten beschouwing te laten en de waardevermindering conform het rapport van de deskundigen vast te stellen op € 5.000,--.

2.14.

[gedaagde] stelt primair dat de exploitatie van het paardenpension niet meer op het overblijvende zal kunnen worden voortgezet vanwege de korte afstand tot de nieuwe Rijksweg en de hinder van die weg (met name geluid en inschijnende koplampen). Deze activiteiten zullen daarom naar elders verplaatst moeten worden, waartoe een vervangend object (inclusief woning) zal moeten worden aangekocht.
Subsidiair stelt [gedaagde] dat, indien hij niet in staat wordt gesteld om zijn bedrijvigheid elders voort te zetten, in elk geval sprake zal zijn van een aanzienlijke waardevermindering van het overblijvende perceel. De omvang van deze waardevermindering is door [gedaagde] niet nader begroot.


2.15. Zoals hierna onder het kopje “overige schade” (2.18) zal worden overwogen, wordt de primaire stelling van [gedaagde] dat de schadeloosstelling dient te worden berekend op basis van reconstructie verworpen.

Nu [gedaagde] de door hem subsidiair gestelde aanzienlijke waardevermindering van het overblijvende niet nader heeft begroot en de omvang van de door de deskundigen begrote waardevermindering overigens niet heeft betwist, zal de rechtbank de deskundigen volgen in hun oordeel en de waardevermindering van het overblijvende bepalen op € 5.000,--.

Overige schade

2.16.

De deskundigen stellen zich op het standpunt dat bij de beoordeling van de
“overige” schade die [gedaagde] lijdt als gevolg van de onteigening uitgegaan dient te worden van hetgeen hij in de gegeven situatie redelijkerwijs zou doen om zich aan de nieuwe situatie (na onteigening) aan te passen.

De deskundigen zijn, anders dan [gedaagde], van mening dat voor een verplaatsing van de activiteiten van [gedaagde] naar elders of de aankoop van een vervangend object in het kader van de onderhavige onteigeningsprocedure geen grond bestaat. Zij verwijzen daartoe naar hun standpunt zoals verwoord onder het kopje “waardevermindering overblijvende”. Volgens de deskundigen zullen de aanleg en het gebruik van de delen van het werk op het onteigende perceelsgedeelte geen relevante nadelige invloed hebben op de activiteiten van [gedaagde] op zijn overblijvende perceel.



2.17. [gedaagde] stelt dat hij na het verlies van het onteigende perceelsgedeelte de exploitatie van zijn paardenpension daarop niet meer kan voortzetten en dat hij daarom in staat dient te worden gesteld om zijn bedrijf elders te reconstrueren. Hij wijst in dat verband op de zijns inziens vergelijkbare situatie in de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 juli 2007, LJN BB9836.

[gedaagde] stelt voorts dat het enkele feit dat er op het onteigende perceelsgedeelte slechts een deel van de parallelweg wordt aangelegd (en niet een deel van de nieuwe Rijksweg zelf) niet betekent dat bij het bepalen van de schadeloosstelling voor [gedaagde] in de onderhavige onteigeningsprocedure geen rekening mag/moet worden gehouden met de gevolgen van de aanleg en het gebruik van de Rijksweg voor (zijn bedrijfsactiviteiten op) zijn overblijvende perceel. Volgens [gedaagde] gaan de deskundigen uit van een onjuiste interpretatie van de door hen genoemde jurisprudentie.
De deskundigen maken ten onrechte een “knip” tussen de onteigening in verband met de aanleg van de parallelweg en de onteigening in verband met de aanleg van de Rijksweg, en in het bijzonder het verschil in schadetechnische consequenties daarvan. Als de Rijksweg niet zou worden gerealiseerd, zou ook de parallelweg niet worden gerealiseerd. Klaarblijkelijk is de parallelweg noodzakelijk om de Rijksweg ter plaatse te kunnen aanleggen. Dit betekent dat ook tussen de onteigening ten behoeve van de parallelweg en de aanleg en de daaruit voortvloeiende hinder van de Rijksweg een direct verband bestaat. De positie van [gedaagde] verschilt derhalve wel degelijk van andere eigenaren van gronden nabij de Rijksweg van wie geen gronden onteigend worden en die daarvan toch nadelige gevolgen ondervinden. Aan [gedaagde] komt, gelet op het feit dat de hinder onlosmakelijk verband houdt met de aanleg van het werk waartoe wordt onteigend, compensatie toe in het kader van onderhavige onteigeningsprocedure.
beroept zich ter onderbouwing van zijn stelling ook nog op een volgens hem vergelijkbare transactie tussen de Staat en [naam].

2.18.

De rechtbank is met de deskundigen van oordeel dat bij de beoordeling van de gevolgen van de onderhavige onteigening voor het overblijvende perceel (en de activiteiten van [gedaagde] op dat perceel) alleen rekening moet worden gehouden met de nadelige invloeden van de aanleg en het gebruik van het werk waarvoor onteigend wordt, voor zover dit werk op het onteigende wordt aangelegd. Met eventuele nadelige invloeden van het werk buiten het onteigende mag alleen rekening worden gehouden indien het betreffende nadeel op en buiten het onteigende redelijkerwijs niet te splitsen is.
[gedaagde] legt aan zijn stelling dat hij de exploitatie van het paardenpension niet meer kan voortzetten ten grondslag dat hij hinder zal ondervinden van de Rijksweg (met name geluid en inschijnende koplampen).
Vast staat echter - dit wordt door [gedaagde] ook niet weersproken - dat op het onteigende perceelsgedeelte niet een deel van de [naam weg] zelf wordt aangelegd, maar uitsluitend (een deel van) een watergang, bermen en een lokale parallelweg. Dat de aanleg van de parallelweg een gevolg is van de aanleg van de [naam weg] maakt dit niet anders.
Er is dan ook niet voldaan aan de voorwaarde voor vergoeding van de nadelige invloeden die [gedaagde] stelt te zullen ondervinden, namelijk dat het werk waarvoor onteigend wordt op het onteigende zelf wordt aangelegd.

De deskundigen hebben gemotiveerd aangegeven dat de aanleg en het gebruik van het werk op het onteigende zelf geen relevante hinder op het overblijvende perceel van [gedaagde] met zich mee zal brengen. De rechtbank volgt het oordeel van de deskundigen op dit punt.
Met de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat, voor zover [gedaagde] als eigenaar/gebruiker van het overblijvende nadeel/schade ondervindt van de aanleg en het gebruik van het werk (de Rijksweg c.a.) buiten het onteigende, dit nadeel/deze schade niet in het kader van de onderhavige onteigeningsprocedure voor vergoeding in aanmerking komt. [gedaagde] is voor de vergoeding van die schade aangewezen op de mogelijkheid tot het doen van een afzonderlijk verzoek om tegemoetkoming in planschade dan wel nadeelcompensatie bij het betreffende bestuursorgaan.

De deskundigen hebben voorts nog gemotiveerd gesteld dat de vergelijking van [gedaagde] met de transactie tussen de Staat en [naam] mank gaat, omdat op het perceelsgedeelte van [naam] onder meer (delen van) de hoofdrijbanen van de nieuwe Rijksweg zullen worden aangelegd. Er is in dat geval dus wel voldaan aan de voorwaarde dat het werk waarvoor onteigend wordt, wordt aangelegd op het onteigende zelf. Om die reden slaagt deze stelling ter onderbouwing van het verweer van [gedaagde] niet.

2.19.

De rechtbank acht, met de deskundigen, geen grond aanwezig voor verplaatsing van de activiteiten van [gedaagde] naar elders en/of de aankoop van een vervangend object. De stelling van [gedaagde] dat de schadeloosstelling dient te worden berekend op basis van reconstructie wordt verworpen.

2.20.

De deskundigen hebben de overige schade begroot op:

  • -

    aanplant nieuwe windhaag (plm. 40 meter) inclusief nazorg € 3.000,--

  • -

    aanpassing afrastering (plm. 40 meter) inclusief stroomband € 1.250,--

--------------

totaal € 4.250,--

2.21.

De Staat heeft de aanpassingskosten voor het plaatsen van een nieuw gedeelte van de windhaag en afrastering inclusief stroomdraad over een lengte van 40 meter naar de nieuwe perceelsgrens begroot op in totaal € 3.000,--.
De Staat heeft ter gelegenheid van het pleidooi nader toegelicht dat de windsingel die is verwijderd op grond lag die eigendom was van de Staat. De nieuwe windsingel komt op de grond van [gedaagde]. Er is dus geen sprake van stobben die nog moeten worden verwijderd, zodat daar ook geen vergoeding voor behoeft te worden toegekend.


2.22. [gedaagde] stelt dat de deskundigen ten onrechte hebben volstaan met (een vergoeding voor) de vervanging van de windsingel. Deze oplossing is niet afdoende om de licht- trilling- en geluidhinder veroorzaakt door het verkeer op de nieuwe Rijksweg weg te nemen. Er zal moeten worden voorzien in een grondwal die deze hinder zoveel mogelijk wegneemt, totdat [gedaagde] een vervangende locatie heeft gevonden.
betwist het door de deskundigen geschatte bedrag voor het herplanten van bomen en het onderhoud ervan. Ten behoeve van de aanleg van de weg zijn circa 80 bomen gerooid, waarvan de wortels nog in de grond zitten. Het rooien van de bomen is derhalve niet op de juiste wijze uitgevoerd. Uit een offerte van Haagplanten blijkt dat het herplanten van de bomen € 16.791,-- bedraagt, inclusief het verwijderen van wortelrestanten en het graven van een geul.


2.23. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van het bedrag dat de deskundigen hebben opgenomen voor de vervanging van de windsingel.
Het verweer van [gedaagde] heeft tot uitgangspunt dat alle nadelige gevolgen van het gebruik van de gehele Rijksweg via de onteigeningsschadeloosstelling voor vergoeding aan [gedaagde] in aanmerking komen. Zoals hiervoor reeds is overwogen is dat standpunt onjuist. De vergoeding voor de windsingel is gebaseerd op de kosten van vervanging van de windhaag die is verwijderd. Door [gedaagde] is voorts niet weersproken dat de betreffende stobben in de grond zaten die eigendom was van de Staat en dat de nieuwe windsingel op grond van [gedaagde] komt. Er hoeft aan [gedaagde] dan ook geen vergoeding voor het weghalen van stobben te worden betaald.

2.24.

De overige door [gedaagde] gestelde gevolgen van de onteigening en de aanleg van de weg (zoals de stuk gereden berm, klei op de weg, erf dat is vervuild e.d.) hebben eveneens tot uitgangspunt dat alle nadelige gevolgen van het gebruik van de gehele Rijksweg via de onteigeningsschadeloosstelling voor vergoeding aan [gedaagde] in aanmerking komen. Zoals hiervoor reeds is overwogen is dat standpunt onjuist. De stelling van [gedaagde] op dit punt wordt eveneens verworpen.

2.25.

Aangezien partijen de door de deskundigen begrote post voor de aanpassing van de afrastering niet dan wel onvoldoende gemotiveerd hebben weersproken, zal de rechtbank de deskundigen volgen en de waarde hiervan vaststellen op een bedrag van € 1.250,--. De totale overige schade wordt bepaald op € 4.250,--.

Derde belanghebbenden

2.26.

Het onteigende was voorafgaand aan de peildatum belast met twee zakelijke rechten als bedoeld in artikel 5 lid 3 onder B van de Belemmeringenwet Privaatrecht, ten behoeve van de (toenmalige) N.V. PNEM. Met de rechthebbende van beide zakelijke rechten is voorafgaand aan onderhavige procedure een regeling getroffen, zodat zij bij het bepalen van de schadeloosstelling buiten beschouwing blijft.

Rente

2.27.

De deskundigen hebben geadviseerd de te vergoeden rente over het verschil tussen het voorschot en de definitief vast te stellen schadeloosstelling over de periode tussen de inschrijving van het onteigeningsvonnis en de datum waarop in dit vonnis de schadeloosstelling wordt vastgesteld te bepalen op de wettelijke rente, nu partijen zich niet over de modaliteit van deze rentevergoeding hebben uitgelaten.

De Staat zal voorts op de voet van artikel 55 lid 3 Ow aan [gedaagde] over het verschil tussen het voorschot op en de definitief vast te stellen schadeloosstelling vermeerderd met de vergoeding van de hiervoor genoemde renteschade de wettelijke rente dienen te vergoeden vanaf heden tot de dag der algehele voldoening.



Kosten van juridische en deskundige bijstand

2.28.

[gedaagde] maakt aanspraak op de volgende kosten:

Kosten juridische bijstand:

- mr. Linssen € 28.020,43 (inclusief € 4284,23 btw)

Kosten deskundige bijstand:

  • -

    Staal Makelaars € 14.570,82 (inclusief € 2.528,82 btw)

  • -

    dr. M. van Dierendonck € 2.341,70 (inclusief € 406,41 btw)

    In de declaratie van mr. Linssen is een bedrag opgenomen van € 1.935,29 wegens verschotten belast 21% “Werkzaamheden via Equus Research & Therapy”. Deze werkzaamheden betreffen de werkzaamheden van dr. Dierendonck.

De Staat heeft in zijn reactie op deze kostenopgave meegedeeld dat het verschot voor de kosten van dr. Dierendonck in mindering dient te worden gebracht op de declaratie van mr. Linssen. Volgens de Staat bedraagt de declaratie van mr. Linssen derhalve € 25.678,73 incl. btw en verschotten. Dit is door [gedaagde] niet betwist, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de stelling van de Staat. De rechtbank houdt rekening met een declaratie van mr. Linssen van € 25.678,73.


2.29. De Staat stelt zich op het standpunt dat van de door [gedaagde] opgevoerde deskundigenkosten niet gezegd kan worden dat deze redelijkerwijs zijn gemaakt (artikel 50 lid 4 Ow), althans dat sprake is van bijzondere omstandigheden die met zich brengen dat die kosten tenminste gedeeltelijk buiten vergoeding moeten blijven (art. 50 lid 3 Ow).
De Staat verzoekt de kosten van mr. Linssen en ing. Staal slechts zeer gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking te laten komen en de kosten van dr. Dierendonck geheel buiten vergoeding te laten.

De Staat voert aan dat bij de vaststelling van de voor vergoeding in aanmerking komende deskundigenkosten rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat tussen het aanbod van de Staat en de door de rechtbank benoemde deskundigen geadviseerde schadeloosstelling slechts een marginaal verschil zit. De door [gedaagde] voorgestane schadeloosstelling is een factor 37 hoger. Thans blijkt uit het advies van de rechtsbankdeskundigen dat het aanbod dat de Staat aan [gedaagde] heeft gedaan zeer reëel is. Door de opstelling van (de adviseurs van) [gedaagde] is het voeren van een onteigeningsprocedure onafwendbaar geworden, met alle kosten voor de Staat van dien. Als het advies van de rechtbankdeskundigen wordt gevolgd, zal een redelijke verhouding tussen de door [gedaagde] gemaakte kosten en de schadeloosstelling ontbreken.
Daarnaast stelt de Staat dat uit de kostenopgave blijkt dat door de door [gedaagde] ingeschakelde deskundigen niet tussentijds bij [gedaagde] is gedeclareerd, waardoor de omvang van de kosten van deskundige en juridische bijstand niet is getoetst door de onteigende. Hierdoor ontbreekt de noodzakelijke afweging welk bedrag de onteigende als redelijk handelend persoon/ondernemer, bereid zou zijn geweest te betalen voor de deskundige en juridische bijstand die [gedaagde] is verleend en is er geen enkele kritische toets op de omvang de factuur.
Het bezwaar van de Staat richt zich voorts op de hoogte van de door [gedaagde] gedeclareerde kosten, omdat de declaraties op bepaalde punten te omvangrijk zijn.

2.30.

[gedaagde] betwist dat bij het bepalen van de aan [gedaagde] toekomende vergoeding van juridische en deskundigenkosten rekening moet worden gehouden met het feit dat het bedrag aan kosten het bedrag aan schadeloosstelling overstijgt.
Omdat de door de rechtbankdeskundigen geadviseerde schadeloosstelling hoger is dan het bedrag dat de Staat bij dagvaarding heeft aangeboden, is [gedaagde] terecht opgekomen tegen het aanbod van de Staat, waarbij hij zich heeft laten bijstaan door deskundigen. Dat geeft reeds een voldoende basis om op grond van artikel 50 Ow tot vergoeding van de gemaakte kosten te komen. Bovendien komt [gedaagde] het recht toe om zijn zaak te bepleiten ten overstaan van de rechtbank.

2.31.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de kosten van juridische en deskundige bijstand als volgt.

Op grond van het bepaalde in artikel 50 lid 1 Ow wordt de onteigenende partij veroordeeld in de kosten van het geding (waaronder de kosten van juridische bijstand), indien de door de rechtbank toegekende schadeloosstelling het aangeboden bedrag te boven gaat. Aan [gedaagde] wordt een hogere schadeloosstelling toegekend dan door de Staat was aangeboden, zodat in beginsel de kosten van [gedaagde] voor rekening van de Staat komen.

Het enkele feit dat het verweer van [gedaagde] tegen de hoogte van de schadeloosstelling niet is gehonoreerd, terwijl de hoogte van de door de deskundigen geadviseerde schadeloosstelling niet veel verschilt van de door de Staat aangeboden schadeloosstelling, brengt naar het oordeel van de rechtbank niet met zich dat de door [gedaagde] gemaakte kosten enkel om die reden (deels) voor zijn rekening zouden moeten blijven. Er is geen sprake van feiten of omstandigheden in de zin van artikel 50 lid 3 Ow.

2.31.1.

Ingevolge artikel 50 lid 4 Ow en de daarop gebaseerde rechtspraak dient getoetst te worden of het redelijk is dat de kosten van juridische en andere deskundige bijstand zijn gemaakt en of de omvang van de kosten (de hoogte van de declaraties) redelijk is. Daarbij spelen ook het belang van de zaak, zoals dit tot uitdrukking komt in de samenstelling en de hoogte van de toegekende schadeloosstelling, en de mate, waarin een zaak juridisch of anderszins gezien ingewikkeld is, een rol.

De vraag of de door [gedaagde] gedeclareerde kosten deze dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan, zal worden beantwoord aan de hand van de door de Staat naar voren gebrachte bezwaren tegen de omvang van de declaraties.

Factuur Staal Makelaars

2.31.2.

De Staat maakt bezwaar tegen de omvang van de factuur van ing. Staal. Staal heeft op 6 maart 2013 4 uur in rekening gebracht voor “inventarisatie bestaande jurisprudentie en nadeelcompensatie/planschade”. Het komt de Staat vreemd voor dat een makelaar/taxateur jurisprudentie inventariseert, terwijl ook een ter zake gespecialiseerde advocaat is ingeschakeld. Verwacht mag worden dat mr. Linssen bekend is met deze jurisprudentie. Bovendien valt niet in te zien waarom in een onteigeningsprocedure überhaupt uren die worden besteed aan het inventariseren van jurisprudentie op het gebied van planschade en nadeelcompensatie voor vergoeding in aanmerking zouden komen. Deze 4 uur dient dan ook niet voor vergoeding in aanmerking te komen, aldus de Staat.

De Staat maakt voorts bezwaar tegen de totaal in rekening gebrachte 12 uur voor het verzorgen van 5 producties bij de reactie op het conceptrapport van de deskundigen. De betreffende producties bestaan uit foto’s van de uitvoering van het werk bij het perceel van [gedaagde] en tekeningen van het werk waarop met pijlen afstanden en de schijnrichting van de koplampen van auto’s zijn ingetekend. De redelijkheid staat er aan in de weg dat de volledige 12 uur voor het maken van deze producties voor vergoeding in aanmerking komt. Bovendien is de toegevoegde waarde van de producties voor de discussie tussen partijen en het advies van de rechtbankdeskundigen nihil geweest.

Voor vergoeding van het op 22 juli 2013 in rekening gebrachte “afleveren producties 1-5 bij Linssen Tilburg” is volgens de Staat evenmin aanleiding. In alle redelijkheid valt niet in te zien dat in de huidige tijd nog 2 uur besteed zou moeten worden aan het afleveren van producties.

Tenslotte staat op de factuur van Staal Makelaars als verschotten vermeld “Kosten Kadaster” à € 500,-- en “kosten opvragen beleidskaders” à € 100,--. Bij gebreke aan onderliggende facturen, waardoor deze kosten op geen enkele wijze verifieerbaar zijn, is de Staat niet bereid om deze kosten te voldoen. Bovendien komen deze kosten de Staat bovenmatig voor.

[gedaagde] heeft het bezwaar van de Staat tegen de hoogte van de declaratie van Staal makelaars niet weersproken.

2.31.3.

De rechtbank kan zich vinden in voornoemde bezwaren van de Staat tegen de hoogte van de declaratie van Staal Makelaars. Mede gelet op het feit dat [gedaagde] de betreffende bezwaren van de Staat niet heeft weersproken, is de rechtbank van oordeel dat de betreffende kosten voor “inventarisatie bestaande jurisprudentie en nadeelcompensatie/ planschade”, het verzorgen van de betreffende 5 producties bij de reactie op het conceptrapport van deskundigen en het “afleveren producties 1-5 bij Linssen Tilburg” niet in redelijkheid zijn gemaakt.

Met de Staat is de rechtbank voorts van oordeel dat de “Kosten Kadaster” à € 500,-- en “kosten opvragen beleidskaders” à € 100,--, bij gebrek aan onderliggende facturen, en gelet op de gemotiveerde betwisting door de Staat van deze bedragen, bovenmatig voorkomen. Deze kosten zullen buiten beschouwing worden gelaten.

Uit het voorgaande volgt dat in totaal een bedrag van (18 uur à € 100,-- = € 1.800,-- plus
€ 600,-- =) € 2.400,-- excl. btw in mindering zal worden gebracht op de declaratie van Staal Makelaars.

Factuur mr. Linssen
2.31.4. De Staat betwist de omvang van de factuur van mr. Linssen. Volgens de kostenopgave van mr. Linssen hebben 8 besprekingen plaatsgevonden, zesmaal met cliënt en tweemaal met een derde. Het komt de Staat voor dat dit een fors aantal besprekingen is, waaraan in totaal 10,5 uur (à € 225,-- per uur, in totaal € 2.362,50 (excl. btw)) is besteed. Voorts hebben alle besprekingen plaatsgevonden buiten het kantoor van mr. Linssen, zodat mr. Linssen voor alle besprekingen reistijd in rekening heeft gebracht, in totaal 12,5 uur (à
€ 225,-- per uur, in totaal € 2.812,50 (excl. btw)).

Een redelijk handelende partij zou er voor hebben gekozen om het aantal besprekingen te beperken, of deze te vervangen door een (aanzienlijk tijdsefficiëntere) telefonische bespreking. De besprekingen die wel zouden hebben plaatsgevonden, zouden dan in het algemeen hebben plaatsgevonden op het kantoor van mr. Linssen. Dit is in de advocatuur, gelet op de gehanteerde uurtarieven ook algemene praktijk, aldus de Staat.

2.31.5.

De rechtbank is van oordeel dat het door mr. Linssen gedeclareerde aantal van 10,5 uur voor overleg, gelet op de looptijd van de zaak, niet onredelijk hoog voorkomt. Ten aanzien van de gedeclareerde reistijd ziet de rechtbank, mede gelet op het niet weersproken bezwaar van de Staat, aanleiding de kosten te matigen, in die zin dat deze kosten zullen worden gehalveerd. Op de factuur van mr. Linssen zal derhalve in mindering worden gebracht een bedrag van € 1.406,25 (excl. btw).


Factuur dr. Dierendonck

2.31.6.

De Staat heeft voorafgaand aan en tijdens het pleidooi meegedeeld dat hij niet bereid is de kosten van dr. Dierendonck te vergoeden nu deze kosten de dubbele redelijkheidstoets niet kunnen doorstaan. Niet valt in te zien dat het redelijk was om dr. Dierendonck in te schakelen, laat staan haar mee te brengen naar het pleidooi, aldus de Staat

2.31.7.

De rechtbank volgt de Staat hierin. Uit de kostenopgave van dr. Dierendonck blijkt dat zij pas op 29 april 2014 bij de zaak is betrokken, derhalve vlak voor het pleidooi.

In het deskundigenrapport nemen de deskundigen tot uitgangspunt dat de gevolgen voor het toekomstig gebruik van de [naam weg] op het bedrijf van [gedaagde] buiten beschouwing dienen te blijven. Gelet hierop had het voor [gedaagde] duidelijk moeten zijn dat de discussie tijdens het pleidooi slechts zou gaan over de juistheid van dat uitgangspunt van de deskundigen. In dit licht bezien had de aanwezigheid van dr. Dierendonck geen toegevoegde waarde. De kosten van dr. Dierendonck komen niet voor vergoeding in aanmerking.



Vergoeding btw

2.31.8. De Staat stelt dat [gedaagde] geen aanspraak kan maken op vergoeding van 65% van de in rekening gebrachte btw, omdat dit deel van de btw door [gedaagde] kan worden verrekend.

[gedaagde] stelt onder verwijzing naar een verklaring van zijn accountant dat de btw voor hem niet aftrekbaar is. Hij voert daarnaast aan dat, zelfs indien hij de btw wel zou kunnen verrekenen, verrekening desondanks niet aan de orde is bij onteigeningen.

2.31.9.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de artikelen 2 en 15 Wet op de Omzetbelasting 1968 (Wet OB) volgt dat alleen belasting op de aan de ondernemer verrichte leveringen van goederen en diensten door hem in aftrek kan worden gebracht voor zover deze prestaties worden gebezigd ten behoeve van belaste prestaties van de ondernemer. Onbetwist staat vast dat de levering van het onteigende is vrijgesteld van omzetbelasting. Gesteld noch gebleken is dat zich een van de uitzonderingssituaties voordoet als bedoeld in artikel 15 lid 2 Wet OB. Aangezien de verleende deskundige bijstand betrekking heeft op de onteigeningsprocedure die zal leiden tot een voor de omzetbelasting vrijgestelde levering, is [gedaagde] niet aftrekgerechtigd ter zake van de omzetbelasting die drukt op de daaraan verbonden kosten. Die omzetbelasting vormt derhalve een schadepost, die vergoed dient te worden. Het feit dat [gedaagde] mogelijk wel andere belastbare diensten verricht, betekent niet dat zij de btw over deze kosten in aftrek kan brengen, dan wel kan verrekenen, met de over die belastbare diensten af te dragen btw.


2.32. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank voor juridische en andere deskundige bijstand een totaalbedrag van € 35.643,99 (incl. btw) toewijsbaar.

Kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen

2.33.

De kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen bedragen volgens hun opgave in totaal € 19.474,26 (inclusief btw). De Staat heeft verklaard bereid te zijn deze kosten te vergoeden. De Staat zal als onteigenende partij worden veroordeeld tot betaling van deze kosten.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

stelt het bedrag van de te dezer zake door de Staat aan [gedaagde] verschuldigde schadeloosstelling vast op € 14.450,--,

3.2.

veroordeelt de Staat om aan [gedaagde] te betalen het bedrag waarmee de totale schadeloosstelling het totale voorschot te boven gaat en mitsdien tot betaling van een bedrag van € 1.450,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 juli 2012 tot 2 juli 2014, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 2 juli 2014 tot aan de dag van voldoening,

3.3.

wijst aan als nieuwsblad waarin door de griffier van deze rechtbank dit vonnis bij uittreksel zal worden geplaatst: BN De Stem,

3.4.

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 23.977,17 ter zake van kosten van juridische bijstand en
€ 11.666,82 ter zake overige deskundige bijstand,

3.5.

veroordeelt de Staat tevens in de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen, vastgesteld op een totaalbedrag van € 19.474,26,

3.6.

verklaart dit vonnis voor wat de veroordelingen tot betaling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers, mr. S.M.J. van Dijk en mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2014.1

1 FM