Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:4614

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
08-08-2014
Zaaknummer
AWB-12_2705
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AWB 12/2705

BPM bij invoer gebruikte auto’s uit het buitenland. Gemachtigde heeft een groot aantal zaken aanhangig gemaakt. De rechtbank publiceert beleid ten aanzien van proceskostenvergoeding/samenhangende zaken.

Wetsverwijzingen
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, geldigheid: 2014-08-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1628
V-N 2014/61.21.4
mr. J.M. van der Vegt annotatie in NTFR 2014/2497

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 12/2705

uitspraak van 9 juli 2014

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [Plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden besluiten

De besluiten van de inspecteur van 10 mei 2012 op het verzoek van belanghebbende om vergoeding van rente en van de kosten van de bezwaarfase, betreffende de teruggaaf van op aangifte voldane belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2014. Aldaar zijn tegelijkertijd behandeld de zaken die bij de rechtbank geregistreerd zijn onder de procedurenummers 12/2704 tot en met 12/2713, 12/2723, 12/2724 en 12/2895. Ter zitting zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde], tot bijstand vergezeld door [L] en namens de inspecteur, [gemachtigden].

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de besluiten;

  • -

    gelast de inspecteur heffingsrente te vergoeden over de teruggaaf groot € 1.753 over de periode vanaf 17 oktober 2011;

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot betaling van een schadevergoeding aan belanghebbende van € 253;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 271;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 310 aan haar vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende heeft ter zake van de registratie van een personenauto van het merk Audi, type Q5, met identificatienummer [identificatienummer] op of rond 7 oktober 2011 aangifte BPM gedaan. De aangifte vermeldt een te betalen bedrag van € 14.107. Op 17 oktober 2011 heeft belanghebbende het hiervoor genoemde bedrag betaald.

2.2.

Belanghebbende heeft bij brief van 17 november 2011 bezwaar gemaakt tegen de op aangifte voldane BPM.

2.3.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 mei 2012 een teruggaaf verleend van € 1.753 en de verschuldigde belasting vastgesteld op € 12.354. Bij de uitspraak is over voormelde teruggaaf € 5 aan heffingsrente vergoed en is een proceskostenvergoeding toegekend van € 54,50.

2.4.

De hoogte van de verschuldigde belasting is tussen partijen niet meer in geschil. Verder is niet meer in geschil dat rente dient te worden vergoed over de teruggave aan BPM vanaf de dag van voldoening, te weten 17 oktober 2011. Tussen partijen is nog wel in geschil of dit heffingsrente of wettelijke rente dient te zijn. Verder stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de inspecteur verplicht is tot vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte kosten van bezwaar en beroep.

Rentevergoeding

2.5.

In het arrest van HvJEG van 18 april 2013, nr. C-565/11, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:XX:2013:BZ8927 (Mariana Irimie) heeft het HvJEG geoordeeld dat de lidstaten verplicht zijn om in strijd met het Unierecht geheven belasting met rente terug te betalen. Naar het oordeel van de rechtbank vormt de rentevoet, zoals opgenomen in artikel 30f, vijfde lid, van de AWR (2011 en 2012) een passende rentevergoeding, zodat de nationale regeling op dat punt niet in strijd is met het Unierecht. Voor het vaststellen van de rentevergoeding als bedoeld in 2.4 zal de rechtbank dan ook aansluiten bij de voornoemde rentevoet.

2.6.

Gelet op het overwogene in 2.5, dient de inspecteur heffingsrente te vergoeden over de onverschuldigde betaling van € 1.753 over de periode vanaf 17 oktober 2011.

Kostenvergoeding bezwaar

2.7.

Ingevolge van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb dient de inspecteur, voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid, de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken te vergoeden. Nu het bezwaar van belanghebbende niet is gericht tegen een besluit van de inspecteur, maar tegen de op aangifte voldane BPM, kan aan haar geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase worden toegekend.

2.8.

Belanghebbende verzoekt echter tevens om vergoeding van het bedrag van haar werkelijke proceskosten, als schadevergoeding in de zin van artikel 8:73 van de Awb.

2.9.

De rechtbank stelt voorop dat de vergoeding van proceskosten uitputtend geregeld is in de artikelen 7:15 en 8:75 van de Awb, zodat aan toepassing van artikel 8:73 van de Awb in beginsel niet wordt toegekomen.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat kosten in de bezwaarfase zijn gemaakt vanwege strijdigheid van de nationale regelgeving met het Unierecht. Nu een adequate vergoeding van die kosten ontbreekt, wordt door haar schade geleden die door de inspecteur op basis van het Unierecht dient te worden vergoed.

2.10.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt wegens strijdigheid van de zogenoemde 12%-regeling, zoals neergelegd in artikel 10, tweede lid, van de Wet BPM, met artikel 110 VwEU en het bezwaar is ook om die reden gegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is dan sprake van een onrechtmatigheid van de Staat die aan de inspecteur dient te worden toegerekend, ook al treft hem in dit opzicht persoonlijk geen verwijt. Omstandigheden die toerekening van deze onrechtmatige daad aan de inspecteur verhinderen, zijn gesteld noch aannemelijk geworden.

2.11.

In dat geval dient voor de in de vorm van gemaakte proceskosten geleden schade op grond van het Europese recht een passende schadevergoeding verstrekt te worden. Naar het oordeel van de rechtbank voorziet de nationale regeling op dit punt niet in een passende regeling, nu belanghebbende in het geheel niet in aanmerking komt voor een vergoeding van kosten voor de bezwaarfase. De rechtbank zal hiervoor een passende vergoeding bepalen.

2.12.

Naar het oordeel van de rechtbank was het inschakelen van een professionele gemachtigde alleszins redelijk, nu de wet in strijd was met het Unierecht. Belanghebbende heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat een bedrag van € 1.000 voor de kosten van bezwaar ook redelijk is. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de gemachtigde van belanghebbende enkele duizenden bezwaarschriften heeft ingediend tegen de voldoening van BPM en/of een opgelegde naheffingsaanslag BPM en dat hierbij telkens min of meer dezelfde gronden zijn aangevoerd en dat hetzelfde heeft gegolden voor het hoorgesprek in de bezwaarfase waar een groot aantal zaken tegelijk is behandeld.

2.13.

De rechtbank zal, gelet op het overwogene in 2.11, zelf een redelijke, passende vergoeding voor de kosten van bezwaar moeten vaststellen. De rechtbank bepaalt deze redelijke vergoeding, mede gezien de in 2.12 bedoelde hoeveelheid van zaken, overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit), op € 243 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 243 en een wegingsfactor 1). Verder is belanghebbende in de bezwaarfase gehoord, waarbij de hoorzitting betrekking had op een groot aantal zaken met dezelfde gemachtigde. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om de vergoeding voor het bijwonen van de hoorzitting in goede justitie vast te stellen op € 10. De vergoeding van de kosten van de bezwaarfase bedraagt dan € 253 (€ 243 plus € 10). Indien het in 2.3 genoemde bedrag van € 54,50 aan belanghebbende is uitbetaald, mag dit in mindering worden gebracht op de aan haar te betalen vergoeding van € 253.

2.14.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

2.15.

De rechtbank merkt op dat in de uitspraak op bezwaar een bedrag van € 5 aan heffingsrente is vergoed. Dit bedrag mag op de uit te betalen rente in mindering worden gebracht.

3 Proceskosten

3.1.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

3.2.

Belanghebbende stelt dat de handelwijze van de inspecteur aanleiding geeft voor vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten nu het de inspecteur op het moment van vaststellen van de verschuldigde BPM duidelijk moet zijn geweest dat hij in strijd handelde met artikel 110 van het VwEU en met vaste en veelvuldige rechtspraak van het HvJEG.

3.3.

De rechtbank ziet geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten in afwijking van het forfait, zoals neergelegd in artikel 2, eerste lid, van het Besluit. Uit de jurisprudentie is af te leiden dat van bedoeld forfait kan worden afgeweken als de procedure een gevolg is van een zeer ernstige vorm van onzorgvuldig handelen van de inspecteur (vergelijk: Hoge Raad 8 juli 1996, nr. 30 782, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR1996:AA1843) of als de inspecteur een volstrekt onverdedigbaar standpunt heeft ingenomen (vergelijk: Hoge Raad 20 september 2000, nr. 35 510, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:2000:AA7160).

3.4.

Van omstandigheden als geschetst in 3.3 is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval geen sprake. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat er op het moment van voldoening van de BPM nog niet door de Hoge Raad (zie het arrest van 2 maart 2012, nr. 11/00785, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:2012:BV7393) en het HvJEG (zie het arrest van 19 december 2013, nr. C‑437/12, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:XX:2013:178) was beslist dat de nationale regeling in strijd is met het Unierecht. Vóór deze datum kon de inspecteur het standpunt innemen dat de heffing van BPM, zoals neergelegd in de nationale regelgeving, rechtmatig was. Het enkele gegeven dat de wet strijdig was met het EU-recht, is geen reden voor een integrale proceskostenvergoeding. De forfaitaire regeling van de fiscale proceskosten voldoet aan de eis dat de verwezenlijking van het gemeenschapsrecht niet als gevolg van een regeling met betrekking tot de proceskosten onmogelijk of uiterst moeilijk mag zijn (vergelijk Hoge Raad 17 december 2004, nr. C03/114HR, onder meer gepubliceerd in BNB 2005/239).

3.5.

De inspecteur voert aan dat de gemachtigde van belanghebbende (landelijk) in een groot aantal zaken bezwaar heeft gemaakt op min of meer vergelijkbare gronden en dat deze zaken samenhangen in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit.

3.6.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet ten aanzien van alle in 3.5 bedoelde zaken sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit. De rechtbank zal ter zake de volgende beleidslijnen hanteren:

- beroepen waarbij de hoogte van de BPM en de inkoopwaarde van de auto in geding is en die om die reden gegrond zijn, zijn nooit samenhangend;

- beroepen waarbij de vergoeding van rente en/of kosten van de bezwaarfase in geding is en die om die reden gegrond zijn, worden vooralsnog alleen als samenhangend beschouwd als zij betrekking hebben op dezelfde belastingplichtige;

- indien een gegrond beroep (mede) de vergoeding van rente betreft, wordt uitgegaan van factor 1 voor het gewicht van de zaak;

- indien een gegrond beroep alleen betrekking heeft op de kosten van de bezwaarfase, wordt uitgegaan van factor 0,5 voor het gewicht van de zaak;

- indien sprake is van samenhangende beroepen, is bij 7 of meer zaken sprake van een bijzondere omstandigheid die een hogere proceskostenvergoeding dan die volgens het Besluit rechtvaardigt. De factor als bedoeld in onderdeel C2 van het Besluit wordt als volgt gehanteerd: 1 t/m 3 zaken, factor 1; 4 t/m 6 zaken, factor 1,5; 7 t/m 9 zaken, factor 2,5; 10 t/m 12 zaken, factor 3, enzovoort.

3.7.

De rechtbank overweegt dat de zaken met procedurenummers 12/2705 tot en met 12/2710, 12/2712, 12/2713 en 12/2723 (9 stuks dus), voor wat betreft de beroepsfase, samenhangen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.

Het gaat om zaken van dezelfde belastingplichtige.

De beroepen zijn (nagenoeg) gelijktijdig (de eerste op 14 juni 2012 en de laatste op 15 juni 2012) ingediend.

De zaken hebben in beroep alleen nog betrekking op de hoogte van de rentevergoeding en de vergoeding van de kosten van bezwaar en beroep.

3.8.

Nu in deze zaken sprake is van 9 samenhangende zaken, zal de rechtbank een factor 2,5 hanteren.

3.9.

De rechtbank stelt de te vergoeden proceskosten op grond van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.435 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 maal 2,5 wegens het aantal samenhangende zaken en een wegingsfactor 1). De rechtbank zal in deze zaak en in elk van de overige in 3.8 genoemde zaken een proceskostenvergoeding toekennen van afgerond € 271 (€ 2.435 : 9).

Deze uitspraak is gedaan op 9 juli 2014 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.D.E. Copra‑Carolie, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.