Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:4553

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
AWB-13_360
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:10, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gemeente Oisterwijk mag de forensenbelasting niet heffen van de campingexploitanten

De gemeente Oisterwijk hanteert vanaf 2010 voor de heffing van forensenbelasting een nieuw concept. De gemeente heft de forensenbelasting van vakantiewoningen zonder WOZ-beschikking niet meer rechtstreeks van de eigenaren van zo’n vakantiewoning. Belastingplichtig zijn nu de exploitanten van recreatieterreinen. De gemeente en de exploitanten zijn dat samen overeengekomen. De exploitanten berekenen op hun beurt de forensenbelasting door aan de eigenaren van vakantiewoningen, zodat de eigenaren feitelijk nog steeds de forensenbelasting betalen. De eigenaren zijn in deze nieuwe aanpak niet gekend. Belanghebbende is eigenaar van zo’n vakantiewoning en komt in bezwaar en beroep tegen de aanslag die de gemeente aan de exploitant heeft opgelegd. Volgens de gemeente kan belanghebbende zich ter zake van de forensenbelasting slechts wenden tot de exploitant en vervolgens tot de civiele rechter. De rechtbank beslist anders en verklaart het beroep dat belanghebbende bij de belastingrechter heeft ingesteld met betrekking tot aanslagen die aan de exploitant zijn opgelegd, ontvankelijk. Voorts oordeelt de rechtbank dat de wijze waarop de heffingsambtenaar in het onderhavige geval de woonforensenbelasting heeft geheven, in strijd is met artikel 223 Gemeentewet en met de systematiek van de AWR, en dat die strijdigheid niet wordt geheeld door artikel 64 AWR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1696 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2014/1514
Belastingblad 2014/378
mr. H. de Jong annotatie in NTFR 2014/2437

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 13/360

uitspraak van 4 juli 2014

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk,

de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Met dagtekening 31 augustus 2011 heeft de heffingsambtenaar aan [A BV] (hierna: [A BV]) een voorlopige aanslag “Toeristenbelasting” opgelegd (aanslagnummer: [aanslagnummer]). Vervolgens heeft de heffingsambtenaar met dagtekening 30 april 2012 aan [A BV] een definitieve aanslag “Toeristenbelasting” opgelegd (aanslagnummer: [aanslagnummer]) (voornoemde aanslagen “Toeristenbelasting” worden hierna ook aanslagen genoemd).

1.2.

Belanghebbende heeft bij e-mail van 8 september 2012 tegen de aanslagen bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij brief van 19 november 2012, verzonden op 20 november 2012 heeft de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan.

1.4.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 2 januari 2013, aangetekend verzonden op 3 januari 2013 en ontvangen bij de rechtbank op 4 januari 2013, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 42.

1.5.

Bij brief van 28 januari 2013, ingekomen bij de rechtbank op 30 januari 2013, heeft belanghebbende zijn beroepschrift nader gemotiveerd.

1.6.

Bij brief van 29 januari 2013, ingekomen bij de rechtbank op 30 januari 2013, heeft de heffingsambtenaar gereageerd op het beroepschrift van belanghebbende.

1.7.

Bij brief van 12 februari, ingekomen bij de rechtbank op 13 februari 2013, heeft belanghebbende gereageerd op het nadere stuk van de heffingsambtenaar.

1.8.

De heffingsambtenaar heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.

1.9.

Bij brief van 8 mei 2014, ingekomen bij de rechtbank op 9 mei 2014, heeft belanghebbende gereageerd op het verweerschrift.

1.10.

De heffingsambtenaar heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn steeds in afschrift verstrekt aan belanghebbende.

1.11.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2014 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, en namens de heffingsambtenaar, [verweerder]. De heffingsambtenaar heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van een gemeubileerde vakantiewoning (een stacaravan) op het recreatieterrein van [A BV]. Dit recreatieterrein is gelegen in de gemeente Oisterwijk.

2.2.

De gemeente Oisterwijk heeft in het kader van de uitvoering van de forensenbelasting met een aantal exploitanten van recreatieterreinen (hierna: de exploitant(en)) afgesproken dat die exploitanten vanaf het belastingjaar 2010 de belastingplicht overnemen van de eigenaren van de individuele vakantieonderkomens. De met de exploitanten gemaakte afspraken zijn vastgelegd in convenanten. Het met de exploitant van [A BV] afgesloten convenant, luidt, voor zover van belang, als volgt:

DE ONDERGETEKENDEN:

Burgemeester en wethouders en de heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk,

ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door

wethouder van financiën, handelend ter uitvoering van het besluit van het college

en de heffingsambtenaar, hierna te noemen “Gemeente”,

en

De Exploitant van het recreatieterrein [A BV], ten deze

rechtsgeldig vertegenwoordigd door [X] en [Y]

, hierna te noemen “Exploitant”

Gezamenlijk te noemen “Partijen”;

OVERWEGEN HET VOLGENDE

Met ingang van 2009 is in Oisterwijk de forensenbelasting ingevoerd. Het

gemeentebestuur van Oisterwijk heeft besloten om met ingang van 2010 de

forensenbelasting op een praktischer wijze te heffen. Ten behoeve van de uitvoering

en de relatie met de toeristenbelasting vinden partijen het gewenst om een aantal

uitgangspunten vast te leggen.

Het is wenselijk langdurige afspraken te maken over de hoogte van de

forensenbelasting in relatie tot de toeristenbelasting.

Daarnaast is het wenselijk dat de Exploitant in het kader van de doelmatige

uitvoering van de forensenbelasting zoals bedoeld in artikel 64 van de Algemene wet

inzake rijksbelastingen de belastingplicht voor de forensenbelasting overneemt van

de eigenaren van de gemeubileerde woningen op het recreatieterrein van de

Exploitant. Het is immers voor de Gemeente zeer lastig om alle adressen te

achterhalen van deze eigenaren en de verhuur- en gebruikstatus bij te houden. Het

overnemen van de belastingplicht betreft uitsluitend de vakantieonderkomens op

vaste jaar- en seizoensplaatsen (stacaravans, chalets, eenvoudige vakantiehuisjes,

géén toercaravans) waarvoor geen WOZ-waarde wordt vastgesteld. De Exploitant

kan de heffing vervolgens zelf verrekenen met de eigenaren van de

vakantieonderkomens.

EN KOMEN HIERBIJ HET VOLGENDE OVEREEN

De Gemeente

1 De Gemeente zal het vaste bedrag per gemeubileerde woning van de

forensenbelasting dat wordt geheven voor objecten waarvoor geen WOZ

waarde is of wordt vastgesteld, zoals bedoeld in de verordening op de heffing en

invordering van forensenbelasting, gelijk stellen aan het forfaitaire tarief van een

jaarplaats voor de toeristenbelasting, zoals dit is vastgelegd in de verordening op

de heffing en invordering van toeristenbelasting. Hierdoor worden de eigenaren

van deze woningen die belastingplichtig zijn voor de forensenbelasting niet

zwaarder belast dan op basis van de forfaitaire heffing van toeristenbelasting zou

geschieden.

2 Het college van B&W zal geen voorstellen doen om de forensenbelasting voor de

in punt 1 genoemde objecten voor de belastingjaren 2010 tot en met 2019,

verder te verhogen dan het forfaitaire tarief van een jaarplaats voor de

toeristenbelasting.

3 Het college van B&W zal ieder jaar een voorstel doen aan de gemeenteraad om

het tarief voor het jaar na het komende belastingjaar vast te stellen. Hierdoor

wordt bereikt dat de exploitanten vroegtijdig op de hoogte zijn van eventuele

tariefwijzigingen.

De Exploitant

4 De Exploitant verklaart, gelet op het bepaalde in artikel 64 van de Algemene wet

inzake Rijksbelastingen, voor de op zijn complex gelegen gemeubileerde

woningen en vakantieonderkomens op vaste jaar- en seizoensplaatsen (zoals

stacaravans, chalets, eenvoudige vakantiehuisjes) waarvoor geen WOZ-waarde

is of wordt vastgesteld, de belastingplicht voor de forensenbelasting over te

nemen van de individuele eigenaren. Hier staat geen vergoeding tegenover.

5 De exploitant zal een gedetailleerde afdracht doen van de door hem

ontvangen bedragen forensenbelasting en toeristenbelasting, zodat blijkt voor

hoeveel kampeermiddelen het vaste bedrag dan wel het forfait wordt betaald.

Als de exploitant hef bedrag van de forensenbelasting niet of niet geheel heeft

ontvangen van een of meer gemeubileerde woningen op zijn terrein, en

vermoedt dat het niet betaalde bedrag niet vrijwillig zal worden betaald, zal hij

de heftingsambtenaar daarvan in kennis stellen, zodat deze de invordering bij de

eigenaar van de gemeubileerde woning kan overnemen. Dit geldt uitsluitend

voor degenen die de forensenbelasting niet betalen, terwijl ze wel de huur voor

de ondergrond van de gemeubileerde woning aan de exploitant betalen.

Betalingen die worden gedaan op een factuur worden als eerste te zijn gedaan

op de standplaatshuur.

6 Partijen stellen vast dat de heffingsmaatstaf en het belastingtarief voor de

forensenbelasting zal worden toegepast conform het daarover bepaalde in de

Verordening op de heffing en invordering van forensenbelasting.

7 De Exploitant verklaart de administratieve kosten die verbonden zijn aan de

verrekening van de forensenbelasting met zijn klanten, voor eigen rekening te

nemen.

8 De Exploitant zal jaarlijks bij wege van voorlopige aanslag een voorlopige

betaling doen van de forensenbelasting over het belastingjaar. Deze betaling

betreft 85% van de vermoedelijke forensenbelasting van het belasting en zal bij

de gemeente zijn gedaan vóór eind november van het belastingjaar.

Algemene bepalingen

9 Partijen verklaren dit convenant te hebben ondertekend nadat zij beide

voldoende in de gelegenheid zijn gesteld zich over de gevolgen van dit

convenant te beraden.

10 Het sluiten van dit convenant heeft tot gevolg dat de partijen dit in beginsel niet

in rechte kunnen aantasten. Exploitant kan ter zake van de inhoud van de

onderhavige overeenkomst derhalve geen gebruik meer maken van het recht

van bezwaar en beroep. Met ondertekening van dit convenant verklaren

partijen uitdrukkelijk dat zij deze consequentie volledig hebben begrepen en

aanvaard.

11 Dit convenant is van kracht gedurende 10 jaar, te beginnen in 2010.

De verplichtingen van de Exploitant jegens de Gemeente eindigen indien de

Exploitant zijn bedrijf overdraagt aan een ander of zijn bedrijf beëindigt. De

Exploitant brengt hiervan de Gemeente en de eigenaren van de objecten als

bedoeld in artikel 1 zo snel mogelijk na de overeenkomst van ter zake van de

bedrijfsoverdracht of bedrijfsbeëindiging op de hoogte.

12 Indien er zich overigens ontwikkelingen voordoen, waardoor het voor één of

beide partijen gewenst is om bepalingen bij te stellen, toe te voegen of te

schrappen, dan wel het hele convenant te herzien, treden de Gemeente en de

Exploitant hierover met elkaar in overleg. In het negende jaar treden partijen in

overleg om tot een nieuw convenant op dit punt te komen. De Gemeente zal

hiertoe de Exploitant uitnodigen voor een gesprek.

Dit convenant kan worden aangehaald als: “Convenant uitvoering

Forensenbelasting gemeente Oisterwijk”.

2.3.

De aanslagbiljetten dragen als opschrift "Toeristenbelasting" en de voorlopige aanslag vermeldt onder meer de volgende tekst:

“ van – tot tarief Omschrijving bedrag

01-01-11 t/m 274,00 [adres] Oisterwijk 22.194,00

31-12-11 Aantal forensenbelasting en/of

Seizoensplaatsen: 81

De definitieve aanslag is berekend naar een aantal plaatsen van 83 en de voorlopige aanslag is bij de definitieve aanslag verrekend.

2.4.

De Verordening op de heffing en invordering van Forensenbelasting 2011 (hierna: de Verordening) luidt, voor zover van belang, als volgt:

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder woning:

een gemeubileerde woning als bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet.

Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplicht

1. Onder de naam ‘forensenbelasting’ wordt een directe belasting geheven van de

natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer

dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning

beschikbaar houden.

2. Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, wordt naar de omstandigheden

beoordeeld.

Artikel 3 Maatstaf van heffing en tarief

1. Indien de woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de

Wet WOZ en waarvoor op grond van hoofdstuk IV van die Wet voor die onroerende zaak

een waarde is vastgesteld, wordt de belasting geheven naar de heffingsmaatstaf voor de

onroerende zaakbelastingen, zoals die voor het belastingobject geldt voor het tijdvak

waarover de forensenbelasting wordt geheven.

2. De belasting als bedoeld in het eerste lid bedraagt, indien de waarde in het economische

verkeer

a.

niet meer is dan € 75.000,

€ 274,00

b.

meer is dan € 75.000, doch niet meer is dan € 250.000,

€ 300,00

c.

meer is dan € 250,000, doch niet meer is dan € 550.000,

€ 500,00

d

meer is dan € 550.000,

€ 750,00

3. In afwijking van het eerste lid wordt de belasting geheven naar een vast bedrag per

woning, indien

a. de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen waarvan de woning deel

uitmaakt voor het belastingjaar is vastgesteld onder toepassing van artikel 16,

onderdeel e, van de Wet WOZ;

b. de woning geen deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van

de Wet WOZ;

c. geen heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen is of wordt vastgesteld.

4. Het vaste bedrag als bedoeld in het derde lid bedraagt € 274,00.

Artikel 4 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.”

2.5.

[A BV] berekent het deel van de aan haar opgelegde aanslagen dat op belanghebbende betrekking heeft, door aan belanghebbende.

3 Geschil

3.1.

In geschil tussen partijen is het antwoord op de volgende vragen:

1. Is het beroep van belanghebbende ontvankelijk?

2. Indien voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord: dienen de onderhavige aanslagen vernietigd te worden voor zover deze betrekking hebben op de door belanghebbende op grond van de Verordening verschuldigde forensenbelasting?

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de heffingsambtenaar beantwoordt deze vragen ontkennend.

3.2.1.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen partijen ter zitting hieraan hebben toegevoegd wordt verwezen naar het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal.

3.2.2.

Belanghebbende stelt dat hij in bezwaar en beroep kan komen omdat een vermogensbestanddeel van hem is begrepen in de aanslag (artikel 26a, tweede lid, van de AWR). Voorts stelt belanghebbende dat de door de gemeente met de exploitanten afgesloten convenanten in strijd zijn met de Verordening omdat de Verordening alleen de eigenaar/houder van de gemeubileerde vakantiewoning aanwijst als de belastingplichtige voor de forensenbelasting. Het convenant kan in de visie van belanghebbende dan ook geen geldige titel opleveren op basis waarvan belastingheffing en invordering kan plaatsvinden.

3.2.3.

De heffingsambtenaar stelt dat de overdracht van de belastingplicht naar [A BV] is gebaseerd op artikel 64 AWR, dat de hoofdregel in het belastingprocesrecht is dat alleen bezwaar kan worden gemaakt door degene aan wie de belastingaanslag is opgelegd en dat dat dus [A BV] is. Volgens de heffingsambtenaar kan belanghebbende niet aangemerkt worden als beroepsgerechtigde als bedoeld in artikel 26a, tweede lid, AWR.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de aanslagen voor zover deze betrekking hebben op de door hem op grond van de Verordening verschuldigde forensenbelasting.

De heffingsambtenaar concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep en subsidiair tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf ambtshalve: betreft het hier aanslagen forensenbelasting?

4.1.1. Op de aanslagbiljetten die aan de [A BV] zijn opgelegd en uitgereikt is de tekst “Toeristenbelasting” vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank betreft het hier echter geen aanslagen toeristenbelasting, maar aanslagen forensenbelasting. Dit blijkt ook uit de omschrijving op de aanslagbiljetten en belanghebbende heeft de aanslagen ook als zodanig opgevat. Daarnaast is het ook juist de bedoeling van de partijen bij het convenant om de belastingplicht voor de forensenbelasting te verleggen van de individuele eigenaren naar de exploitanten. De rechtbank merkt de in 1.1 genoemde aanslagen dan ook aan als aanslagen forensenbelasting.

Ontvankelijkheid: kan belanghebbende als beroepsgerechtigde aangemerkt worden?

4.1.2. Uit artikel 2 van de verordening volgt dat belanghebbende de belastingplichtige is voor de forensenbelasting. De aanslagen zijn echter opgelegd aan [A BV] en niet aan belanghebbende. De heffingsambtenaar heeft de aanslagen aan [A BV] opgelegd met toepassing van artikel 64 AWR. Dat artikel is ingevoerd in 2008 en luidt als volgt:

“1. Ter bevordering van een doelmatige formalisering van de uit een belastingwet voortvloeiende schuld of van de op grond van een belastingwet op te leggen bestuurlijke boete kan de inspecteur afwijken van het overigens bij of krachtens de belastingwet bepaalde, indien:

a. degene aan wie de belastingaanslag wordt opgelegd, instemt met deze wijze van formaliseren, en

b. de formalisering niet leidt tot een lagere schuld dan de schuld die zonder toepassing van dit artikel voortvloeit uit de belastingwet of tot een lagere bestuurlijke boete dan de zonder toepassing van dit artikel op grond van de belastingwet op te leggen bestuurlijke boete.

2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel.”

4.1.3. Bij invoering van artikel 64 AWR is niet voorzien in de mogelijkheid van bezwaar en beroep door degene op wie de belasting betrekking heeft die “ter bevordering van een doelmatige formalisering” van een ander wordt geheven.

4.1.4. De heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat artikel 26a, tweede lid, AWR niet bedoeld is voor situaties als de onderhavige, omdat die bepaling alleen ziet op ‘echteliedensituaties’. Een dergelijke beperkte reikwijdte van artikel 26a, tweede lid, AWR vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in de wettekst of totstandkomingsgeschiedenis. Nu een vermogensbestanddeel van belanghebbende – de vakantiewoning – begrepen is in het voorwerp van de belasting waarop de aan [A BV] opgelegde aanslagen betrekking hebben, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie als bedoeld in artikel 26a, tweede lid, AWR. Maar ook als wordt aangenomen dat belanghebbende niet op die grond uit eigen hoofde in bezwaar en beroep zou kunnen komen tegen de aanslagen, voor zover die de door hem verschuldigde forensenbelasting betreffen, acht de rechtbank hem daartoe gerechtigd. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat belanghebbende degene is die de belasting feitelijk moet betalen. Hij wordt immers door de exploitant van [A BV] voor het op de aanslag verschuldigde bedrag aansprakelijk gesteld. De rechtbank leidt uit het arrest van de Hoge Raad van 14 juli 2000, nr. 34578 (ECLI:NL:HR:2000:AA6508) af dat in een dergelijk geval het recht op toegang tot de rechter moet zijn gewaarborgd en dat de rechter een wettelijke leemte op dat gebied met inachtneming van het stelsel van de wet moet opvullen door belanghebbende toch de mogelijkheid van bezwaar en beroep te bieden.

In dit geval moet dan ook worden aangenomen dat belanghebbende in bezwaar en beroep kon komen tegen de aanslagen, voor zover die de door hem verschuldigde forensenbelasting betreffen.

Ontvankelijkheid: termijnen

4.2.1. De voorlopige aanslag is opgelegd aan [A BV] en gedagtekend 31 augustus 2011. De definitieve aanslag is ook opgelegd aan [A BV] en gedagtekend 30 april 2012. Niet is gesteld of gebleken dat de biljetten later zijn uitgereikt. In beginsel gaat de termijn voor bezwaar dan lopen op de dag na dagtekening. Belanghebbende heeft op 8 september 2012 bezwaar gemaakt. Uit de tekst van het bezwaarschrift is af te leiden dat het zowel op de voorlopige als op de definitieve aanslag betrekking heeft. De wettelijke bezwaartermijn is 6 weken, en het bezwaar is dus te laat ingediend.

4.2.2. De rechtbank acht aannemelijk dat de termijnoverschrijding is veroorzaakt door de omstandigheid dat die aanslagen niet (in kopie) aan belanghebbende zijn uitgereikt. De rechtbank acht de termijnoverschrijding verschoonbaar.

4.2.3. Ter zitting hebben partijen verklaard dat de brief van de heffingsambtenaar van 19 november 2013 aangemerkt kan worden als de in één geschrift vervatte uitspraken op de bezwaren van belanghebbende tegen zowel de voorlopige als de definitieve aanslag. De rechtbank acht dit juist en volgt partijen daarin.

4.2.4. Het beroepschrift van belanghebbende is verzonden op donderdag 3 januari 2013 en op 4 januari 2013 bij de rechtbank binnengekomen. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift van belanghebbende dan buiten de daarvoor geldende beroepstermijn is binnengekomen. Bij een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan echter achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 Awb). Belanghebbende heeft gesteld dat in de uitspraken geen termijn was gesteld waarbinnen hij in beroep kon gaan, en dat evenmin was vermeld bij wie hij in beroep kon gaan. Het ontbreken van een (juiste) rechtsmiddelverwijzing in het besluit waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend, leidt er in de regel toe dat een te laat ingediend rechtsmiddel met toepassing van artikel 6:11 Awb toch ontvankelijk wordt geacht. Op deze regel wordt een uitzondering gemaakt indien de belanghebbende op een andere manier tijdig op de hoogte was van de termijn voor het aanwenden van het rechtsmiddel (zie Hoge Raad 19 maart 2010, nr. 08/00958, ECLI:NL:HR:2010:BL7954). Dat daarvan in dit geval sprake was, is gesteld noch gebleken. De rechtbank acht de termijnoverschrijding verschoonbaar.

4.2.5. De rechtbank acht derhalve zowel het bezwaar als het beroep ontvankelijk.

Aanslagen forensenbelasting

4.3.1. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de Verordening geen grondslag voor het opleggen van de aanslagen aan de exploitant [A BV]. De Verordening wijst juist de degene die voor zich of zijn gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houdt aan als de belastingplichtige voor de forensenbelasting. De vraag is dan of artikel 64 van de AWR een grondslag biedt om aanslagen forensenbelasting op te leggen aan de exploitant.

4.3.2. Het huidige artikel 64 AWR werd voor het eerst voorgesteld als onderdeel van het “Wetsvoorstel versterking fiscale rechtshandhaving” (wetsvoorstel nr. 30 322). Na kritiek vanuit het parlement werd het voorgestelde artikel uit het wetsvoorstel geschrapt. Vervolgens werd het artikel echter opnieuw in gewijzigde vorm voorgesteld in het wetsvoorstel “Overige fiscale maatregelen 2008” (nr. 31 206). Ditmaal is het voorgestelde artikel 64 aangenomen. In de Toelichting bij de nota van wijziging waarin dit artikel is voorgesteld, is uitdrukkelijk verwezen naar de wetsgeschiedenis van wetsvoorstel 30 322 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 31 206, nr. 7, pag. 13 onderaan).

4.3.3. Uit de parlementaire geschiedenis volgt, dat de wetgever ervan is uitgegaan dat alle betrokkenen zouden instemmen met de formalisering van de belastingschuld in afwijking van de gewone wettelijke bepalingen. In de Eerste Kamer is dat als volgt toegelicht (Eerste kamer, vergaderjaar 2007-2008, nrs. 31205 en 31206, C, bl. 33):

“De invoering van de doelmatigheidsbepaling laat de bestaande contra legem jurisprudentie intact. De doelmatigheidsbepaling strekt ertoe, binnen de specifieke context van artikel 64 AWR, de mogelijkheid te bieden om met instemming van betrokkenen de materiële belastingschuld op een efficiënte wijze af te wikkelen. (…) De toepassing van artikel 64 AWR komt pas aan de orde wanneer, na de toepassing van de materiële regels, de formalisering van de belastingschuld geschiedt in de vorm van het opleggen van één of meer aanslagen. Dan, zo toont de praktijk aan, kan de behoefte bestaan de formele afwikkeling van de belastingschuld op een – voor alle betrokkenen – efficiënte wijze te laten plaatsvinden. (…) De doelmatigheidsbepaling geeft slechts een bevoegdheid, wanneer de materiële belastingschuld vastgesteld is, de afwikkeling ervan zo doelmatig mogelijk te doen geschieden door bijvoorbeeld de belastingschuld door een andere, derde persoon te laten betalen (…).”

4.3.4. De wettekst bevat echter slechts de eis dat degene aan wie de aanslag wordt opgelegd daarmee instemt. Niet vereist is dat degene wiens belastingschuld het betreft, instemt met het opleggen van de aanslag aan een ander. De rechtbank leidt uit de parlementaire geschiedenis (o.a. Kamerstukken II 2005/2006, 30 322, nr. 3, p. 1, 2, 3 en 17, Handelingen II 2007/2008, 37-2317, Kamerstukken II 2007/2008, 31 206, nr. 7, p. 8, 9 en 13, Kamerstukken I 2007/2008, 31 205 en 31 206, C, p. 32-34) echter af dat de wetgever er van uit is gegaan dat alle betrokkenen - lees: de materiële belastingplichtige en degene aan wie de aanslag wordt opgelegd - geen nadeel zouden ondervinden van de toepassing van artikel 64 AWR.

4.3.5. Belanghebbende heeft als nadeel aangevoerd de schending van de geheimhoudingsplicht van de gemeente (artikel 67 AWR). Het convenant voorziet er in dat de exploitant de forensenbelasting verhaalt op de eigenaren van de vakantieonderkomens. De door de gemeente geschapen situatie leidt er aldus toe dat de gemeente aan de exploitant van het vakantiepark informatie moet verschaffen over individuele bewoners die op dat park een gemeubileerde woning beschikbaar houden maar geen woonforensenbelasting verschuldigd zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is dat in strijd met de geheimhoudingsplicht die op de gemeente rust.

4.3.6. Aan het toepassen van artikel 64 AWR zonder dat belanghebbende daarmee heeft ingestemd, kunnen ook andere nadelen kleven. Belastingplichtig voor de forensenbelasting zijn natuurlijke personen die, zonder er hoofdverblijf te hebben, gedurende het belastingjaar meer dan 90 dagen in een gemeente nachtverblijf houden of er op meer dan 90 dagen per jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden (artikel 223 Gemeentewet). De belastingplicht is dus afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige. De eigenaar van een vakantieonderkomen zou, indien hij onder de heffing wil uitkomen, aan de exploitant kenbaar moeten maken dat hij in enig jaar voor minder dan 90 dagen het vakantieonderkomen voor zichzelf of voor zijn gezin beschikbaar heeft gehouden. Een dergelijke situatie staat, naar het oordeel van de rechtbank op gespannen voet met het besloten karakter van belastingheffing. De materiële belastingplichtige wordt in dit geval namelijk als het ware gedwongen om feiten die relevant zijn ten aanzien van zijn eigen belastingheffing te delen met derden, niet zijnde de belastingheffende instantie. Bovendien zou hij de discussie daaromtrent met die derde moeten voeren, zoals de heffingsambtenaar bepleit. Bij de vraag of artikel 64 AWR juist is toegepast kunnen dergelijke nadelen naar het oordeel van de rechtbank niet worden genegeerd. In dit verband wijst de rechtbank nog op de in 4.3.3 geciteerde kamerstukken waaruit blijkt dat artikel 64 AWR zich richt op situaties waarin ‘de materiële belastingschuld is vastgesteld’. Indien de materiële belastingschuld vaststaat, spelen voornoemde dergelijke nadelen niet (meer).

4.3.7. Hetgeen is overwogen in 4.3.5. en 4.3.6. leidt de rechtbank tot het oordeel dat de wijze waarop de heffingsambtenaar in het onderhavige geval de woonforensenbelasting heeft geheven, in strijd is met artikel 223 Gemeentewet en met de systematiek van AWR, en dat die strijdigheid niet wordt geheeld door artikel 64 AWR.

4.3.8. Het voorgaande brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat voor zover in de onderwerpelijke aanslagen een formalisering van de materiële belastingschuld van belanghebbende is begrepen, deze aanslagen aan de verkeerde belastingplichtige zijn opgelegd. Tussen partijen is niet in geschil dat het hier per aanslag om een bedrag van € 274 gaat. Zowel de hiervoor onder 1.1 genoemde voorlopige aanslag als definitieve aanslag moeten dan met € 274 verminderd worden.

4.3.9. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de aan [A BV] opgelegde voorlopige aanslag en definitieve aanslag elk met een bedrag van € 274;

  • -

    gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 42 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 4 juli 2014 door mr. W.A.P. van Roij, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr. C.A.F.M. Stassen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Jansen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.