Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:4520

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
25-07-2014
Zaaknummer
C/02/273487 / HA RK 13-253
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoekster is door het ziekenhuis behandeld voor klachten aan beide benen. Ten gevolge van ter zake door het ziekenhuis gemaakte fouten bij die behandelingen zijn een viertal amputatie-ingrepen noodzakelijk geworden, waardoor zij thans geen benen meer heeft. Aansprakelijkheid is door het ziekenhuis erkend en voorschotten op schadevergoeding uitgekeerd. In het deelgeschil is de vraag aan de orde of er sprake is van schade waarvoor het ziekenhuis aansprakelijk is en die door haar moet worden vergoed als verzoekster haar WWb-uitkering verliest vanwege het door haar ontvangen bedrag aan schadevergoeding.

De gemeente is weliswaar nog niet overgegaan tot terugvordering van de door verzoekster ontvangen WWb-uitkering, maar de rechtbank acht de kans dat zij daartoe wel zal overgaan aanzienlijk, nu zulks ook strookt met de regelgeving op dit gebied. Het geschil leent zich voor beoordeling in deelgeschilprocedure.

De rechtbank is van oordeel dat indien verzoekster haar aanspraak op een WWb-uitkering (deels) verliest, zulks dient te worden aangemerkt als schade en dat die schade voor vergoeding door het ziekenhuis in aanmerking komt. Zij overweegt daartoe onder meer dat het in casu gaat om het wegvallen van een uitkering, die is bedoeld om daarmee te voorzien in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud, waarvan de voorwaardelijkheid in de zin dat alleen bij het niet hebben van vermogen de uitkering wordt verleend, niet aan verzoekster als benadeelde kan worden tegengeworpen, zodat deze schade aan het ziekenhuis dient te worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2014-0298
RAV 2014/95
VR 2015/20

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht


Zittingsplaats: Middelburg

zaaknummer / rekestnummer: C/02/273487 / HA RK 13-253

Beschikking van 16 april 2014

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. M.R. Minekus te Middelburg,

tegen

de stichting

ADMIRAAL DE RUYTERZIEKENHUIS,

gevestigd te Vlissingen,

verweerster,

advocaat mr. H. van Katwijk te Ermelo.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als [verzoekster] en het ziekenhuis.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift

  • -

    het verweerschrift

  • -

    de mondelinge behandeling.

1.2.

De rechtbank ziet, mede nu het hier een deelgeschil betreft, waarin op een eenvoudige wijze op een geschilpunt dient te worden beslist, in de aard van het geschilpunt geen grond om de zaak te verwijzen naar een meervoudige kamer, zoals door [verzoekster] is verzocht.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] is in de periode juli 2008 tot omstreeks 2009 behandeld door het ziekenhuis in verband met klachten aan haar rechterbeen en linkerbeen. Ten gevolge van ter zake door het ziekenhuis gemaakte fouten bij die behandelingen zijn een viertal amputatie-ingrepen noodzakelijk geworden, waardoor [verzoekster] thans geen benen meer heeft.

2.2.

Bij brief d.d. 8 februari 2012 heeft het ziekenhuis aansprakelijkheid jegens [verzoekster] erkend en aangegeven dat de als gevolg van de gemaakte fouten ontstane schade door haar vergoed zal worden.

2.3.

Door het ziekenhuis zijn inmiddels voorschotten op de schade aan [verzoekster] uitgekeerd ten bedrage van in totaal ruim € 100.000,--, waaronder een bedrag van circa € 17.000,-- betreffende kosten rechtsbijstand.

2.4.

[verzoekster] is al geruime tijd, ook vóór de hiervoor genoemde medische fouten, aangewezen op een uitkering uit hoofde van de Wet Werk en bijstand, hierna: WWb-uitkering. Thans ontvangt ze deze uitkering (nog) steeds. De gemeente is op de hoogte van de door [verzoekster] ontvangen schade uitkeringen, maar is nog niet overgegaan tot korting op de WWb-uitkering.

3 Het geschil

3.1.

[verzoekster] verzoekt het ziekenhuis te veroordelen tot voldoening van de schade die voor haar is voortgevloeid dan wel zal voortvloeien uit het verlies van door haar genoten dan wel te genieten uitkeringen uit hoofde van de WWb en/of andere sociale voorzieningen, alsmede het ziekenhuis te veroordelen tot voldoening van de niet vergoede buitengerechtelijke kosten tot een beloop van € 8.966,32 alsmede in de kosten van onderhavige procedure, met inbegrip van de advocaatkosten te begroten op een som van € 3.668,24 te vermeerderen met griffierecht. Zij stelt daartoe dat een regeling in der minne onmogelijk is geworden door de weigering van het ziekenhuis de schade die zij zal lijden door het wegvallen van haar aanspraken op een WWb-uitkering te vergoeden. Een rechterlijk oordeel over dit geschilpunt zal partijen dan ook helpen om tot een vaststellingsovereenkomst te komen, zodat dit geschil zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure.
stelt dat het (deels) wegvallen van haar WWb-uitkering ten gevolge van de door haar (te) ontvangen schade-uitkering schade oplevert, nu zij genoodzaakt zal zijn deze schade-uitkering aan te wenden om in haar levensonderhoud te voorzien, hetgeen onaanvaardbaar is. Volgens [verzoekster] dient het ziekenhuis deze schade op grond van het bepaalde in artikel 6:98 BW volledig te vergoeden, gelet op de aard van de aansprakelijkheid, de aard van de schade, het nabijheidscriterium en het waarschijnlijkheidscriterium. Ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is een andersluidende visie volgens [verzoekster] onaanvaardbaar, nu niet van haar verlangd kan worden dat zij haar schade-uitkering ‘opeet’ omdat haar middelen van bestaan wegvallen.

3.2.

Het ziekenhuis voert verweer. Zij is primair van mening dat het verzoek zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure, nu er nog geen sprake is van vastgelopen onderhandelingen. Het verzoek van [verzoekster] betreft immers een toekomstige situatie, waarvan niet vast staat of hij zich gaat voordoen. In feite wenst [verzoekster] beantwoording van een rechtsvraag, maar daarvoor is de deelgeschilprocedure volgens het ziekenhuis niet bedoeld.
Subsidiair stelt het ziekenhuis dat, als vermindering van bijstand als schade gezien zou moeten worden, hetgeen zij betwist, er geen sprake is van schade die zo waarschijnlijk of nabij is dat deze op grond van artikel 6:98 BW aan haar zou moeten worden toegerekend. Het korten op bijstand is volgens het ziekenhuis geen gevolg van het aansprakelijkheid scheppende feit, maar van de wijze waarop de gemeente haar beleid ten aanzien van smartengelduitkeringen hanteert. Nu er aan de zijde van [verzoekster] geen schade is als gevolg van verlies van verdienvermogen, is het volgens het ziekenhuis niet terecht dat zij, via een omweg, toch ook schade als gevolg van (niet bestaand) verdienvermogen zou dienen te vergoeden. Voorts stelt het ziekenhuis dat de door [verzoekster] te ontvangen schadevergoeding, zowel het deel dat betrekking heeft op de materiële schade als het deel dat immateriële schade betreft, geen invloed heeft op haar aanspraak op een WWb-uitkering. Het enkele vermogensbezit, waardoor geen recht meer bestaat op bijstand, leidt volgens het ziekenhuis niet tot schade. Zij verwijst daarbij naar de situatie waarin een erfenis of een prijs in de loterij is ontvangen door de bijstandsgerechtigde. Toewijzing van het verzoek zou volgens het ziekenhuis bovendien in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid, nu het uitsluitend afhangt van het handelen van [verzoekster] of er al dan niet een betalingsverplichting voor het ziekenhuis resteert.
Het verzoek betreffende betaling van de buitengerechtelijke kosten leent zich volgens het ziekenhuis niet voor behandeling als deelgeschil, nu er geen enkele aanwijzing is dat een beslissing op dit punt zal leiden tot een vaststellingsovereenkomst. Voorts is het ziekenhuis van mening dat de gevraagde bedragen vooralsnog niet als redelijk zijn aan te merken. Ten aanzien van de kosten van het deelgeschil stelt het ziekenhuis primair dat de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of ten onrechte is ingesteld, zodat er geen grond is voor toewijzing van deze kosten. Subsidiair refereert ze zich ter zake aan het oordeel van de rechtbank.

4 De beoordeling

4.1.

Het verzoek van [verzoekster] valt in feite in 3 verzoeken uiteen. De rechtbank zal deze verzoeken in het navolgende afzonderlijk behandelen.

Schadevergoeding

4.2.

Primair dient te worden beoordeeld of het verzoek het ziekenhuis te veroordelen tot voldoening van de schade die voor [verzoekster] is voortgevloeid dan wel zal voortvloeien uit het verlies van door haar genoten dan wel te genieten uitkeringen uit hoofde van de WWb en/of andere sociale voorzieningen zich leent voor behandeling als deelgeschil, zoals [verzoekster] stelt en het ziekenhuis betwist. De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.

4.3.

Een deelgeschilprocedure is bedoeld voor de situatie waarin partijen in het buitengerechtelijke onderhandelingstraject stuiten op geschilpunten die de buitengerechtelijke afwikkeling belemmeren. Partijen vragen in een deelgeschilprocedure de rechter om op die geschilpunten te beslissen, zodat zij vervolgens verder kunnen met de buitengerechtelijke onderhandelingen, met als doel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. Gelet op de ratio van de deelgeschilprocedure om middels een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient de rechtbank ingevolge artikel 1019z Rv te toetsen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moet aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren.

4.4.

Bij de beoordeling van de vraag of het onderhavige geschil zich leent voor beoordeling in een deelgeschilprocedure stelt de rechtbank voorop dat uit de Parlementaire Geschiedenis van de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade volgt dat de wetgever gekozen heeft voor een ruim toepassingsgebied van de deelgeschilprocedure en een actieve rol van de rechter om zodoende de afwikkeling van letselschade (buiten rechte) te bespoedigen. Gelet daarop overweegt zij het volgende.

De gemeente is weliswaar nog niet overgegaan tot terugvordering van de door [verzoekster] ontvangen WWb-uitkering, maar de rechtbank acht de kans dat zij daartoe wel zal overgaan aanzienlijk, nu zulks ook strookt met de regelgeving op dit gebied. Uit de overgelegde brief van de gemeente d.d. 4 februari 2014 blijkt dat de gemeente ermee bezig is het vermogen van [verzoekster] te inventariseren en al geconstateerd heeft dat haar vermogen hoger is dan de voor haar van toepassing zijnde vermogensgrens. Daarnaast is door [verzoekster] onweersproken gesteld dat de gemeente mondeling aan zowel haarzelf als haar raadsman heeft aangegeven over te zullen gaan tot verrekening zodra de letselschadezaak in een afrondingsfase is geraakt en dat de verzekeraar van het ziekenhuis daarvan op de hoogte is gesteld.

Voorts is van belang dat noch de tekst, noch de Parlementaire Geschiedenis van de wettelijke regeling van de deelgeschilprocedure concrete aanwijzingen bevat dat de deelgeschilprocedure niet kan worden aangewend voor een geschil betreffende toekomstige schadeposten, althans schadeposten waarvan thans nog niet duidelijk is of ze zich gaan realiseren. Bovendien staat het gevoerde verweer dat nog niet duidelijk is of de gemeente daadwerkelijk zal overgaan tot terugvordering, niet aan toewijzing van het verzochte in de weg, gelet op de wijze waarop het verzoek is geformuleerd. Immers, mocht worden geoordeeld dat het korten op de uitkering schade oplevert die het ziekenhuis dient te vergoeden, dan is pas sprake van een concrete vergoedingsplicht door het ziekenhuis indien de gemeente daadwerkelijk overgaat tot die korting.

Vast staat dat partijen van mening verschillen omtrent de vraag of de terugvordering c.q. het wegvallen van de WWb-uitkering van [verzoekster] aan te merken is als schade waarvoor het ziekenhuis aansprakelijk is en die ze aan [verzoekster] dient te vergoeden. Anders dan het ziekenhuis stelt is de rechtbank van oordeel dat uit de Memorie van Toelichting valt op te maken dat de deelgeschilprocedure zich juist wel leent voor het beantwoorden van rechtsvragen, althans voor zover partijen ten aanzien van een bepaalde rechtsvraag er niet in slagen tot een vergelijk te komen en daardoor het sluiten van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen wordt belemmerd.

Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat een beslissing op het verzoek kan bijdragen aan het bereiken van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen, nu zowel bij een toewijzende als bij een afwijzende beslissing op het verzoek van [verzoekster] duidelijk zal zijn wat tussen partijen rechtens heeft te gelden, aan de hand waarvan partijen verder in onderhandeling kunnen treden. Daarmee is het belang van het verzoek van [verzoekster] gegeven. Dit alles afgewogen tegen de investering in tijd, geld en moeite (artikel 1019z), bestaat er geen grond om het verzoek van [verzoekster] op voorhand af te wijzen.

4.5.

Vervolgens komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek. De vraag die beantwoord dient te worden is of er sprake is van schade waarvoor het ziekenhuis aansprakelijk is en die door haar moet worden vergoed als [verzoekster] haar WWb-uitkering verliest vanwege het door haar ontvangen bedrag aan schadevergoeding. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] in het verleden was aangewezen op een WWb-uitkering en dat ook in de toekomst, zouden de schadeveroorzakende gebeurtenissen niet hebben plaatsgevonden, zou zijn gebleven. Een WWb-uitkering is bedoeld om de ontvanger in staat te stellen daarmee in de noodzakelijke kosten van zijn of haar levensonderhoud te voorzien wanneer daarvoor geen of onvoldoende inkomsten uit arbeid beschikbaar zijn.

Het karakter van de schade-uitkering die [verzoekster] heeft ontvangen en nog zal ontvangen van het ziekenhuis is tweeledig. De uitkering betreft schade van materiële aard en schade van immateriële aard. Aldus is zij deels bedoeld als compensatie voor het leed dat [verzoekster] is aangedaan, derhalve als smartegeld, en deels om concrete kosten die zij heeft gemaakt en nog zal moeten maken, zoals kosten voor huishoudelijke hulp en gemaakte reiskosten, uit te kunnen bekostigen. De schade-uitkering is uitdrukkelijk niet bedoeld om te voorzien in de normale noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

Als ten gevolge van de schade-uitkering de voorziening die [verzoekster] had om de normale kosten van levensonderhoud te bekostigen wegvalt, leidt dat in beginsel tot een “gat” in haar financiële huishouding. Van haar kan, gelet op het hiervoor weergegeven karakter van de schade-uitkering, niet worden gevergd dat zij die uitkering besteedt aan kostenposten waarvoor die uitkering geen vergoeding is.

Nu aldus bij het wegvallen van de WWb-uitkering een bron voor het betalen van de dagelijkse kosten van levensonderhoud wegvalt zonder dat daarvoor een compensatie wordt betaald, moet dat wegvallen van de uitkering als schade worden gezien.

4.7.

Ter onderbouwing van haar stelling dat het enkele bezit van vermogen waardoor het recht op bijstand (ten dele) komt te vervallen geen schade oplevert, vergelijkt het ziekenhuis de ontvangst van een schade-uitkering met loterijwinst of een ontvangen erfenis. De rechtbank overweegt dat een dergelijke vergelijking niet op gaat, nu de loterijwinst en de ontvangen erfenis in feite uitkeringen ‘om niet’ betreffen, in die zin dat tegenover de ontvangst van die geldbedragen geen kostenposten staan bij de ontvanger. De schade-uitkering heeft een geheel ander karakter, nu deze juist wel is bedoeld ter compensatie van bepaalde kosten en/of in geld gekwalificeerd leed, dat de ontvanger is aangedaan. In het geval van het ontvangen van een schade-uitkering levert het bezit van vermogen in verband met de gevolgen daarvan, zoals hiervoor is uiteengezet, derhalve wel schade op.

4.8.

De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat indien [verzoekster] haar aanspraak op een WWb-uitkering (deels) verliest, zulks dient te worden aangemerkt als schade.

4.9.

Vervolgens dient aan de hand van het bepaalde in artikel 6:98 BW te worden beoordeeld of die schade voor vergoeding door het ziekenhuis in aanmerking komt. Voor vergoeding komt ingevolge genoemd artikel slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.
Het voor de vaststelling van het vereiste causale verband noodzakelijke conditio sine qua non-verband tussen de schade en de gemaakte medische fouten is door het ziekenhuis niet betwist en staat daarmee vast. Zonder de gemaakte medische fouten zou er immers geen aanspraak op een zodanige schadevergoeding zijn ontstaan, dat na uitkering, mogelijk na toepassing van de middelentoets ingevolge de WWb, de WWb-uitkering zal wegvallen.
De rechtbank is gelet op de aard van de aansprakelijkheid, de aard van de schade en de voorzienbaarheid van de schade van oordeel dat de schade bestaande uit het verlies van aanspraken op een WWb-uitkering door [verzoekster] aan door het ziekenhuis kan worden toegerekend. Zij overweegt daartoe het volgende.
Uit het deskundigenrapport van de door de rechtbank benoemde deskundige prof. dr. Van Bockel blijkt dat er sprake is geweest van beoordelings- en behandelingsfouten door het ziekenhuis en dat is gehandeld in strijd met de professionele standaard. Door [verzoekster] is voorts onweersproken gesteld dat het ziekenhuis bij de behandeling een veiligheidsnorm heeft geschonden die er juist toe strekt om letsel als dat wat haar is overkomen, te voorkomen. Aan de hand van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat er sprake is van grove schuld aan de zijde van het ziekenhuis, hetgeen een ruime toerekening rechtvaardigt.
Onder deze omstandigheden kan ook schade die buiten de normale lijn der verwachtingen ligt worden toegerekend. Nu het in casu gaat om het wegvallen van een uitkering, die is bedoeld om daarmee te voorzien in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud, waarvan de voorwaardelijkheid in de zin dat alleen bij het niet hebben van vermogen de uitkering wordt verleend, niet aan [verzoekster] als benadeelde kan worden tegengeworpen, dient deze schade aan het ziekenhuis te worden toegerekend.

Ten aanzien van de voorzienbaarheid van de schade speelt naar het oordeel van de rechtbank geen rol dat [verzoekster] al was aangewezen op een uitkering vóór het intreden van het letsel. De financiële consequenties van het verlies van aanspraak op een uitkering zijn evenzeer een voorzienbaar gevolg van de normschending die heeft geresulteerd in het letsel als het verlies van verdienvermogen eventueel resulterende in een uitkeringssituatie dat zou zijn als [verzoekster] wel zou hebben gewerkt.

4.10.

Uit het vorenstaande volgt dat indien er aan de zijde van [verzoekster] sprake is van verlies van aanspraak op of terugvordering van haar WWb-uitkering, zulks schade oplevert die door het ziekenhuis dient te worden vergoed. De rechtbank is van oordeel dat toewijzing van het verzoek van [verzoekster] niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid zoals het ziekenhuis stelt.

Zij overweegt daartoe het volgende. Het ziekenhuis baseert haar beroep op redelijkheid en billijkheid op de hypothetische mogelijkheid dat [verzoekster] zou besluiten het smartengeldvermogen levenslang in stand te houden, waarmee zij een levenslange suppletieplicht voor het ziekenhuis zou creëren. De rechtbank acht een dergelijk scenario niet realistisch. Echter, nog afgezien daarvan is zij van oordeel dat in de gegeven omstandigheden, waarbij er sprake is van zeer ernstig letsel bij [verzoekster] waarvoor het ziekenhuis aansprakelijk is, het belang van [verzoekster] bij het zelf kunnen bepalen waaraan en wanneer zij haar schade-uitkering besteedt dient te prevaleren boven het belang van het ziekenhuis ter zake.

4.11.

Ook de omstandigheid dat thans nog niet vast staat dat [verzoekster] op enig moment gedurende een zekere periode minder of geen bijstand zal gaan ontvangen staat niet in de weg aan toewijzing van het verzoek, gelet op de wijze waarop het is geformuleerd. Immers, indien de gemeente niet of slechts ten dele overgaat tot korting op of terugvordering van de WWb-uitkering, zal dientengevolge de schade van [verzoekster] alsmede de vergoedingsplicht van de gemeente navenant lager zijn.

4.12.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het verzoek op na te melden wijze worden toegewezen.

Buitengerechtelijke kosten

4.13.

Ten aanzien van het verzoek betreffende de buitengerechtelijke kosten overweegt de rechtbank het volgende. Uit hun stellingen blijkt dat tussen partijen niet ter discussie staat dat een geschil betreffende de tussentijdse vergoeding van buitengerechtelijke kosten zich kan lenen voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w Rv. Zulks blijkt ook uit de wetsgeschiedenis waarin een geschil over tussentijdse vergoeding van buitengerechtelijke kosten uitdrukkelijk als voorbeeld van een mogelijk deelgeschil wordt genoemd.

Gelet op het verweer van het ziekenhuis en het bepaalde in artikel 1019z Rv dient te worden beoordeeld of een beslissing ten aanzien van dit geschilpunt voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite dient aldus te worden afgewogen tegen het belang van het verzoek en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren. In casu is door [verzoekster] gesteld dat (ook) dit discussiepunt in de weg staat aan het sluiten van een vaststellingsovereenkomst en dat een beslissing op dit punt een belangrijke bijdrage zal leveren aan het vervolgen van de onderhandelingen en het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. De rechtbank overweegt dat aan de hand van de stellingen van partijen en de als productie 4 bij het verweerschrift gevoegde brief d.d. 29 januari 2014 van Centramed, de verzekeraar van het ziekenhuis, duidelijk is dat tussen hen discussie bestaat over met name de hoogte van het door mr. Minekus gehanteerde uurtarief. Uit het feit dat Centramed in genoemde brief ook aangeeft dat het goed is dat omtrent dit discussiepunt een oordeel van de deelgeschilrechter wordt gevraagd, blijkt dat partijen er niet in geslaagd zijn hieromtrent in onderling overleg een oplossing te vinden. Door het ziekenhuis is niet betwist dat de declaraties van mr. Minekus betreffende in deze zaak verrichte werkzaamheden tot een bedrag van € 8.966,32 onbetaald zijn gebleven. De rechtbank acht het, mede gelet op het aanzienlijke bedrag dat onbetaald is gebleven, voldoende aannemelijk de discussie hieromtrent een factor is die in de weg kan staan aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen.
Dit alles afgewogen tegen de investering in tijd, geld en moeite, bestaat er geen grond om dit verzoek op voorhand af te wijzen.

De rechtbank komt dan ook toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van [verzoekster] betreffende betaling van de niet vergoede buitengerechtelijke kosten tot een beloop van

€ 8.966,32.

4.14.

Uit met name de inhoud van het verweerschrift en de ter zake door het ziekenhuis overgelegde stukken volgt dat het debat tussen partijen zich toespitst op de vraag of het door mr. Minekus gehanteerde uurtarief van € 200,-- exclusief kantoorkosten en BTW, redelijk dient te worden geacht. Daarbij gaat het om de vraag of er bij de beoordeling van de redelijkheid van het uurtarief reden is om af te wijken van het toetsingskader zoals gebruikelijk gehanteerd in de jurisprudentie. Dit toetsingskader houdt in dat beoordeeld wordt of het in casu door de advocaat gehanteerde uurtarief marktconform is, dat wil zeggen in overeenstemming met de gebruikelijk door advocaten gehanteerde tarieven, waarbij bij het bepalen van de hoogte van het uurtarief dat in het betreffende specifieke geval redelijk wordt geacht, aspecten zoals de ervaring en specialisatie van de advocaat en de ingewikkeldheid van de materie en het belang van de zaak een rol spelen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om in casu af te wijken van de gebruikelijke toetsingsmaatstaf. Daartoe is door het ziekenhuis onvoldoende aangevoerd. De enkele stelling dat het logischer is om in de letselschademarkt te kijken naar tarieven in vergelijkbare markten, waarbij het tarief wél door een marktmechanisme tussen de particuliere cliënt en de betrokken dienstverlener tot stand komt volstaat daartoe in ieder geval niet.

4.15.

Uitgaande van het gebruikelijke toetsingskader acht de rechtbank het door mr. Minekus gehanteerde uurtarief van € 200,--(exclusief kantoorkosten en BTW) redelijk, gelet op de tarieven in de markt, het aantal jaren dat mr. Minekus advocaat is, zijn specialisatie, het belang van de zaak en de ingewikkeldheid van de materie. Een dergelijk uurtarief strookt ook met het referentietarief van de Orde van Advocaten.

Nu de enkele stelling dat Centramed in haar brief d.d. 7 juni 2012 heeft aangegeven dat soms tijdsbesteding niet als redelijk kan worden beschouwd, althans niet in die zin dat alle kosten daarvan voor rekening van de laedens gebracht kunnen worden, niet kan worden aangemerkt als een betwisting van de aard en inhoud van de gedeclareerde werkzaamheden, zal het verzoek het ziekenhuis te veroordelen tot voldoening van de niet vergoede buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 8.966,32 op onderstaande wijze worden toegewezen.

Kosten deelgeschil

4.16.

Ter zake van de verzochte kostenbegroting en -veroordeling overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt dient te begroten, ook als het verzoek (gedeeltelijk) wordt afgewezen. Dit is alleen anders indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Van deze laatste situatie is in het onderhavige geval geen sprake.

Bij de begroting van de kosten dient de rechter de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets te hanteren: het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te zijn. In het verzoekschrift heeft mr. Minekus een beknopt overzicht gegeven van de werkzaamheden die door hem in deze zaak zijn verricht. Dit overzicht geeft voldoende gespecificeerd weer hoeveel tijd aan welke verrichtingen is besteed. Tegen de hoogte van de gevorderde kosten, waaronder ook het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 274,--, is voorts geen verweer gevoerd en zij kunnen naar het oordeel van de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets doorstaan.

De rechtbank begroot de kosten van het deelgeschil, rekening houdend met het vorenstaande, op een bedrag van € 3.942,24. De vordering betreffende de kostenveroordeling zal op na te melden wijze worden toegewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt het ziekenhuis tot voldoening van de schade die voor [verzoekster] is voortgevloeid dan wel zal voortvloeien uit het verlies van door haar genoten dan wel te genieten uitkeringen uit hoofde van de WWb;

5.2.

veroordeelt het ziekenhuis tot voldoening van de niet vergoede buitengerechtelijke kosten tot een beloop van € 8.966,32 aan [verzoekster];

5.3.

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 3.942,24 en bepaalt dat het ziekenhuis deze aan [verzoekster] dient te voldoen;

5.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.M.J. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2014.1

1 type: aij