Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:4510

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-07-2014
Datum publicatie
04-07-2014
Zaaknummer
283042 HA RK 14-155
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Het verzoek tot wraking in procedure C/12/78562/HA ZA 11-222 is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Locatie: Middelburg

Procedurenummer: 283042 HA RK 14-155

Beslissing van 4 juli 2014 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster.

1 Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

  • -

    de processtukken zoals opgenomen in het dossier van de rechtbank;

  • -

    het wrakingsverzoek, zoals dit blijkt uit het proces-verbaal van het getuigenverhoor in de hoofdzaak van 28 mei 2014;

  • -

    het aanvullend stuk van verzoekster van 30 juni 2014;

  • -

    de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer ter zitting van 2 juli 2014, waarbij aanwezig waren de raadsman van verzoekster mr. P. Quist, advocaat te Naaldwijk (hierna: mr. Quist) en de rechter-commissaris. De raadsman van de wederpartij van verzoekster in de hoofdzaak heeft bij e-mailbericht van 2 juli 2014, door de rechtbank ontvangen om 13.10 uur, laten weten dat namens bedoelde wederpartij niemand ter zitting van de wrakingskamer zal verschijnen.

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van mr. M.M. Steenbeek, rechter-commissaris te Middelburg (hierna: de rechter-commissaris), in de zaak met zaak-/rolnr.: C/12/78562 / HA ZA 11-222 (hierna: de hoofdzaak) op de gronden die verzoekster heeft uiteengezet in haar wrakingsverzoek.

2.2.

De rechter-commissaris berust niet in het verzoek tot zijn wraking.

3 Feiten

3.1.

De hoofdzaak ziet op een boedelverdeling na echtscheiding, waarin verzoekster optreedt als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie en [wederpartij] als gedaagden in conventie en eisers in reconventie (hierna tezamen: [wederpartij]).

3.2.

Bij vonnis van 17 april 2013 heeft mr. J. de Graaf, rechter in deze rechtbank, de zaak naar de rolzitting van 15 mei 2013 verwezen teneinde [wederpartij] in de gelegenheid te stellen bij akte kenbaar te maken of en op welke wijze bewijs geleverd zal worden voor de stelling dat verzoekster contant geld had dat buiten het tussen haar en [wederpartij] gesloten echtscheidingsconvenant is gebleven.

3.3.

Naar aanleiding van het in 3.2 genoemde vonnis, hebben op 5 februari 2014 en op 28 mei 2014 getuigenverhoren plaatsgevonden ten overstaan van de rechter-commissaris. Tijdens laatstbedoeld getuigenverhoor heeft de wraking plaatsgevonden.

4 Standpunten partijen

4.1.

Verzoekster heeft aangevoerd, kort weergegeven, dat de rechter-commissaris de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt door:

  • -

    te weigeren aan getuige [getuige] te vragen of deze volhardt in de eerdere getuigenverklaring van 19 november 2013;

  • -

    te weigeren bepaalde vragen aan getuige [getuige] te stellen.

4.2.

De rechter-commissaris heeft aangevoerd, kort weergegeven, dat hij niet de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt omdat:

  • -

    mr. Quist een vraag aan de getuige wilde stellen die al gesteld en beantwoord was en dat hij mr. Quist toen heeft gevraagd om even te wachten met zijn vraag tot na het dicteren van het getuigenverhoor;

  • -

    hij niet heeft geweigerd bepaalde vragen aan getuige [getuige] te stellen.

5 Motivering

5.1.

Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2.

Voorop moet worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter als uitgangspunt dient, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.3.

Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft de rechter-commissaris, door de gang van zaken tijdens het getuigenverhoor van 28 mei 2014, niet de schijn van vooringenomenheid gewekt. De wrakingkamer neemt daarbij het volgende in aanmerking.

5.3.1.

De beslissing om bepaalde vragen al dan niet aan een getuige (op een bepaald moment) te stellen is een processuele beslissing, die alleen grond van wraking kan opleveren als deze beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat de schijn wordt gewekt dat zij door vooringenomenheid is ingegeven. Daarvan is naar het oordeel van de wrakingskamer hier geen sprake.


5.3.2. De rechter-commissaris heeft de bevoegdheid om te beletten dat een vraag of vragen tijdens een getuigenverhoor wordt/worden gesteld. Hij dient een dergelijk verhoor in goede banen te leiden en – mede om redenen van proceseconomie – te voorkomen dat bij het stellen van vragen in herhaling wordt gevallen.

De wrakingskamer merkt in dit verband op dat uit de stukken kan worden afgeleid dat partijen en hun advocaten, zoals de rechter-commissaris ter zitting heeft verwoord, “met veel passie procederen”. Het is dan temeer aan de rechter-commissaris een goede procesorde te bewaken.

Bovendien heeft verzoekster, op wie in dit opzicht de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt dat mr. Quist bij het stellen van zijn vragen niet in herhaling is gevallen. Uit het proces-verbaal van het getuigenverhoor kan worden opgemaakt dat daarvan wel sprake was. Immers, in het proces-verbaal van het getuigenverhoor is te lezen dat [getuige] is “geconfronteerd met zijn verklaring van 19 november 2013 die deels afwijkt van zijn verklaring van heden waarop de getuige antwoord dat hij met data niet heel precies is maar dat hij er bij blijft dat hij bij twee betalingen aanwezig is geweest en dat [betrokkene] voor de tweede betaling de kamer moest verlaten”. Naar het oordeel van de wrakingskamer kan hieruit worden afgeleid dat [getuige] volhardt in zijn verklaring van 19 november 2013 en dat dit hem dus blijkbaar wel is voorgehouden.


5.3.3. De rechter-commissaris heeft duidelijk aangegeven dat de in 4.1 bedoelde vragen eventueel nog gesteld konden worden na het dicteren van het getuigenverhoor, hetgeen niet door mr. Quist is weersproken. Bovendien moest mr. Quist, gezien zijn zeer ruime proceservaring, bekend zijn met deze gang van zaken.

5.3.4.

Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de wrakingskamer niet gebleken dat de bij verzoekster bestaande vrees dat de rechter-commissaris ten aanzien van haar vooringenomenheid koestert objectief gerechtvaardigd is.

5.4.

Dit alles leidt ertoe dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    wijst het verzoek tot wraking af;

  • -

    bepaalt dat de behandeling van de zaak met zaak-/rolnr.: C/12/78562 / HA ZA 11-222 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.

Deze beslissing is gegeven op 4 juli 2014, door mr. K.M. de Jager, voorzitter, mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en mr. C.M. Warnaar, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.