Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:4494

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
03-07-2014
Zaaknummer
C/02/281676 / KG ZA 14-302
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Inschatten voorzieningenrechter beroep op wilsgebrek ten aanzien van het sluiten van een vaststellingsovereenkomst, rol juridisch adviseur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2014-0121

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/281676 / KG ZA 14-302

Vonnis in kort geding van 2 juli 2014

in de zaak van

1 [eiseres sub 1],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

4. [eiser sub 4],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

eisers,

advocaat mr. W.R.M. Voorvaart,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

gedaagde,

advocaat mr. M.H.C. Morshuis.

Eisers zullen hierna afzonderlijk [eiseres sub 1], [eiser sub 2], [eiser sub 3], [eiser sub 4] en gezamenlijk [eisers]. (mannelijk enkelvoud) genoemd worden. Gedaagde zal hierna [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 26 mei 2014, met producties genummerd 1 tot en met 10;

  • -

    de brief van 16 juni 2014 van de zijde van [eisers]., met producties genummerd

11 tot en met 15;

- conclusie van antwoord, met producties genummerd 1 tot en met 3;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 18 juni 2014;

  • -

    de pleitnota van de zijde van [eisers].;

  • -

    de pleitnota van de zijde van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eisers]. vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis alsnog stellig en zonder voorbehoud mee te werken aan de uitdeling van de legaten als bedoeld in het testament en artikel 6 A tot en met E van de vaststellingsovereenkomst door hetzij in persoon op een door notaris mr. B. Leenders te Breda aangegeven tijdstip op diens kantoor de desbetreffende notariële aktes daartoe te ondertekenen dan wel de notariële volmacht daartoe bij de notaris Leenders te ondertekenen of bij hem af te geven, bij gebreke waarvan [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 1.000,00 per dag of dagdeel (pro parte) dat [gedaagde] in gebreke blijft mee te werken, zulks met een maximum van € 25.000,00;

II. Indien [gedaagde] binnen twee dagen na betekening van het vonnis niet de onder I bedoelde medewerking heeft verleend:

primair:

bepaalt dat het in deze te wijzen vonnis tot medewerking door [gedaagde] tot uitdeling van de legaten als bedoeld in het testament en 6 A tot en met E van de vaststellingsovereenkomst, dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van [gedaagde] en in de plaats treedt van de in verband met de uitdeling van de legaten nader op te maken notariële aktes of delen daarvan ex artikel 3:300 leden 1 en 2 BW;

subsidiair:

bepaalt dat [eiser sub 2] als vertegenwoordiger ex artikel 3:300 lid 1 BW wordt aangewezen tot het verrichten van de vereiste rechtshandelingen namens [gedaagde] om te komen tot uitdeling van de legaten als bedoeld in het testament en artikel 6 A tot en met E van de vaststellingsovereenkomst, met de mogelijkheid van Selbsteintritt;

meer subsidiair:

een dergelijke voorziening treft als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren die ertoe leidt dat het uitdelen van de legaten aan [eisers]. als bedoeld in het testament en artikel 6 A tot en met E van de vaststellingsovereenkomst op zeer korte termijn tot stand wordt gebracht;

III. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van dit geding.

2.2.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang- nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

a. Op 19 september 2006 is de vader van partijen overleden, de heer [naam vader] (hierna: vader). Ten tijde van zijn overlijden was hij in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met mevrouw [naam moeder] (hierna: moeder). Uit dit huwelijk zijn zes kinderen geboren, te weten [eisers]., [gedaagde] en mevrouw [naam kind].

b. Vader heeft bij testament van 20 september 2001 over zijn laatste wil beschikt en moeder, alsmede voornoemde kinderen, tot zijn enige en algehele erfgenamen benoemd, ieder voor 1/7e deel.

c. Het testament van vader hield een ouderlijke boedelverdeling in, te weten een toedeling aan moeder van alle tot zijn nalatenschap toebehorende goederen, zulks overeenkomst artikel 4:1167 BW (oud) e.v.

d. Op 16 november 2010 is moeder overleden. Zij heeft bij testament van 17 december 2009 over haar laatste wil beschikt. Tot haar enige erfgenamen behoren [eisers]., [gedaagde] en mevrouw [naam kind], ieder voor 1/6e deel.

e. Bij voormeld testament heeft moeder aan al haar voornoemde kinderen, met uitzondering van [gedaagde], een aantal legaten toebedeeld.

f. Ter definitieve verdeling van de gehele nalatenschap van moeder hebben de erven een vaststellingsovereenkomst ondertekend op een daartoe op 11 juli 2013 gehouden vergadering, zij het met dien verstande dat [eiser sub 4] deze vaststellingsovereenkomst daags na de vergadering heeft ondertekend en [gedaagde] op 28 november 2013. De erven opteerden ervoor dat aan een ieder een standaard verkrijging zou toekomen van € 278.000,00 en dat de uitdeling van de legaten zou geschieden met verrekende inbreng boven dit bedrag.

g. Na onderhandelingen hebben partijen een door de adviseur van [gedaagde] opgestelde appendix bij de vaststellingsovereenkomst van 11 juli 2013 ondertekend teneinde het aan [gedaagde] toekomende deel te secureren.

h. Volgens voormeld appendix heeft [gedaagde] recht op een bedrag van € 50.000,00 binnen vier weken na ondertekening van de appendix, een bedrag van € 150.000,00 bij ondertekening van de notariële akte van verdeling/afgifte van de legaten aan de overige erven, doch uiterlijk binnen zes maanden na ondertekening van de schuldbekentenis en een minimaal restantbedrag van € 78.000,00 direct na verkoop van de vermogensbestanddelen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. v/h [eiser sub 2] en Zoon (hierna: de BV).

i. Op 22 april 2014 is er een bijeenkomst georganiseerd teneinde een en ander nader toe te lichten en te formaliseren. De aanwezige notaris heeft de erven een volmacht voorgehouden, waarbij zij zouden kunnen tekenen voor akkoord voor wat betreft de overheveling van de legaten vanuit de BV naar de boedel en van daaruit naar de diverse legatarissen. Bij deze bijeenkomst is [gedaagde] toegezegd dat zij direct, dan wel enkele dagen na passering van de akte op 29 april 2014, een bedrag van

€ 200.000,00 zou ontvangen uit de BV. Ondanks verzoeken daartoe weigert [gedaagde] deze volmacht echter te ondertekenen.

3.2.

Van [eisers]. grondt zijn vorderingen op toerekenbare tekortkoming dan wel onrechtmatig handelen. [eisers]. stelt hiertoe dat er tussen partijen, na uitgebreid te hebben onderhandeld, een vaststellingsovereenkomst en appendix tot stand is gekomen ter definitieve afwikkeling van de gehele nalatenschap van moeder, doch dat [gedaagde], ondanks verzoeken daartoe, thans weigert om haar medewerking te verlenen aan de uitvoering daarvan.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Op dat verweer en op hetgeen partijen verder nog ter ondersteuning van hun standpunten hebben aangevoerd, zal in het hiernavolgende, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

3.4.

Anders dan [gedaagde] betoogt, acht de voorzieningenrechter het vereiste spoedeisende belang genoegzaam aanwezig. [eisers]. stelt immers dat de Belastingdienst aan de erven uitstel van betaling heeft verleend voor het betalen van de dividendbelasting, doch enkel onder de voorwaarde dat de BV in 2014 wordt leeggemaakt en geliquideerd, hetgeen de nodige tijd zal vergen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde] deze stelling onvoldoende gemotiveerd weersproken. Daarmee is het spoedeisende belang gegeven.

3.5.

[gedaagde] verweert zich door te stellen dat de vaststellingsovereenkomst en appendix nietig, althans vernietigbaar zijn wegens wilsgebreken. [gedaagde] stelt hiertoe dat zij niet op de hoogte was van de wettelijke regels omtrent de vereffening van een nalatenschap. Evenmin is [gedaagde], zo stelt zij, ten tijde van het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst en appendix hierover ingelicht door [eisers]. en mr. Voorvaart; laatstgenoemde gold toen als juridisch adviseur van alle familieleden. Nu [gedaagde] de nalatenschap van moeder beneficiair heeft aanvaard, dient de nalatenschap volgens haar te worden vereffend op grond van artikel 4:202 BW e.v., hetgeen met zich brengt dat niet reeds thans kan worden overgegaan tot afgifte van de legaten, doch dat de vereffenaar, na het opstellen van een boedelbeschrijving, eerst de schulden van de nalatenschap dient te voldoen, alvorens kan worden toegekomen aan uitkering van de legaten. Bovendien heeft volgens [gedaagde] te gelden dat ingevolge artikel 4:120 BW jo. artikel 4:7 BW de schulden van de nalatenschap uit de legaten slechts ten laste van de nalatenschap worden voldaan, indien alle andere schulden van de nalatenschap daaruit ten volle kunnen worden voldaan.

3.6.

[gedaagde] stelt verder dat zij een opeisbare overbedelingsvordering heeft op de nalatenschap van moeder van € 391.420,00, te vermeerderen met de samengestelde rente, uit hoofde van de nalatenschap van vader. Tevens heeft [gedaagde] een vordering op de nalatenschap van moeder van € 282.000,00 uit hoofde van de nog schuldig gebleven schenkingen. Indien [gedaagde], zo stelt zij, voorafgaand aan het ondertekenen van de overeenkomst en appendix zou zijn geïnformeerd over voormelde wettelijke bepalingen, zou zij deze stukken nimmer hebben ondertekend, doch eerst voornoemde vorderingen hebben opgeëist. Indien de vorderingen van en schenkingen aan [gedaagde] en de andere erven worden voldaan, is het saldo van de nalatenschap van moeder ontoereikend om tevens de legaten (volledig) uit te keren, aldus [gedaagde].

3.7.

Vast staat dat tussen partijen een vaststellingsovereenkomst en appendix tot stand is gekomen ter definitieve afwikkeling van de nalatenschap van moeder en dat nimmer een boedelbeschrijving van deze nalatenschap is opgesteld.

3.8.

Ter beoordeling van het onderhavige geschil tussen partijen dient als uitgangspunt te gelden, zo overweegt de voorzieningenrechter, dat de door partijen gesloten en ondertekende vaststellingsovereenkomst en appendix door partijen dient te worden nagekomen. Van dit uitgangspunt kan evenwel worden afgeweken, indien aannemelijk te achten is dat de bodemrechter, in het licht van het door [gedaagde] gevoerde verweer, zal oordelen dat aan de vaststellingsovereenkomst en appendix wilsgebreken kleven op grond waarvan deze vernietigbaar zijn.

3.9.

Niet in geschil is dat [gedaagde] de nalatenschap van moeder beneficiair heeft aanvaard. Als norm geldt derhalve dat de wettelijke vereffeningsprocedure van artikel 4:202 BW e.v. dient te worden gevolgd, waarbij de vereffenaar een behoorlijke en verifieerbare boedelbeschrijving dient op te maken van alle activa en passiva van de nalatenschap van moeder. De vereffenaar dient vervolgens eerst de schulden van de nalatenschap te voldoen en daarna de legaten uit te keren.

3.10.

De kern van het geschil is de vraag of [gedaagde], evenals [eisers]., met het aangaan van de vaststellingsovereenkomst bewust ervoor heeft gekozen om ter definitieve afwikkeling van de nalatenschap van moeder – met finale kwijting over en weer na uitvoering van de inhoud van de overeenkomst – af te wijken van de norm van artikel 4:202 BW e.v. en [gedaagde] daarmee bewust het aan haar toekomende erfdeel van € 391.420,00, te vermeerderen met de samengestelde rente van 6% per jaar vanaf 19 september 2006, ter zake van de overbedelingsvordering uit hoofde van de nalatenschap van vader, alsmede het aan haar toekomende erfdeel van € 282.000,00 ter zake van de nog schuldig gebleven schenkingen heeft laten varen tegen het bedrag van € 200.000,00 waar zij thans volgens de constructie, zoals neergelegd in de vaststellingsovereenkomst en appendix, recht op heeft.

3.11.

Bij de beantwoording van voormelde vraag acht de voorzieningenrechter het van belang dat [eisers]. in onvoldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat hij [gedaagde] voorafgaand aan het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst en appendix uitvoerig heeft geïnformeerd over de wettelijke bepalingen omtrent de vereffening van een nalatenschap, het opstellen van een boedelbeschrijving en de nadelige gevolgen die de door [eisers]. bedachte constructie, zoals neergelegd in voormelde stukken, met zich brengt voor [gedaagde].

3.12.

[eisers]. heeft zich hiertoe weliswaar op het standpunt gesteld dat [eisers]. en [gedaagde] de vaststellingsovereenkomst en appendix willens en wetens zijn aangegaan en dat een en ander vooraf uitvoerig is besproken, doch naar het oordeel van de voorzieningenrechter is ten tijde van dit kort geding allerminst in voldoende mate aannemelijk geworden dat [gedaagde] vooraf een dergelijke voorlichting heeft gehad.

3.13.

De voorzieningenrechter acht het daarentegen voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] voorafgaand aan het ondertekenen van de overeenkomst en appendix, niet op de hoogte was van de wettelijke bepalingen omtrent de wettelijke vereffeningsprocedure en de voor haar nadelige gevolgen van de door [eisers]. bedachte constructie. Dat [gedaagde] hiervan niet op de hoogte was, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter eveneens genoegzaam te herleiden uit de desbetreffende overeenkomst. Hieruit volgt immers dat [gedaagde] door [eisers]. is voorgehouden, en wel ten onrechte, dat de overeenkomst kon worden aanvaard, omdat een eenvoudige meerderheid het verdelingsvoorstel akkoord bevond en dat een juridische procedure geen kans van slagen had, alsmede dat de kosten voor haar rekening zouden komen, vanwege de meerderheidsstemming. De voorzieningenrechter neemt hiertoe nog in aanmerking dat de raadsman van [eisers]. ten tijde van de onderhandelingen bij [gedaagde] de indruk heeft kunnen wekken dat hij tevens haar raadsman was. Hij heeft immers getracht om partijen tot elkaar te brengen als gevolg waarvan [gedaagde] erop heeft vertrouwd dat tevens haar belangen door hem werden behartigd en de door hem aan [gedaagde] verstrekte informatie eveneens in haar belang was.

3.14.

Gelet op het gemotiveerde verweer van [gedaagde] is naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk te achten dat de bodemrechter zal oordelen dat aan de vaststellingsovereenkomst en appendix wilsgebreken kleven op grond waarvan deze vernietigbaar zijn. De gevorderde voorlopige voorzieningen worden dan ook afgewezen.

3.15.

[eisers]. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 282,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.098,00

3.16.

De door [gedaagde] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de door haar gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna in het dictum vermeld.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

wijst de vorderingen af;

4.2.

veroordeelt [eisers]. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.098,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis;

4.3.

veroordeelt [eisers]. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,00 aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en [eisers]. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

4.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2014.1

1 type: mj coll: