Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:4368

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
21-11-2014
Zaaknummer
C/02/275959 / HA ZA 14-50
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onteigening.

Vraag of gemeente voldoende aan haar plicht heeft voldaan om in onderling overleg tot verwerving van de grond te komen bevestigdend beantwoord. Partijen zijn het niet eens geworden over de prijs, maar gemeente had voldoende reden om minder te bieden dan de gevraagde prijs. Het verweer dat de onteigening prematuur is wordt verworpen. Miskenning dat werkzaamheden niet binnen 5 jaar beëindigd dienen te zijn. Er moet een begin mee zijn gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht


Zittingsplaats: Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/275959 / HA ZA 14-50

Vonnis van 2 juli 2014

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE OOSTERHOUT,

zetelend te Oosterhout,

eiseres,

advocaat mr. E.W.J. de Groot te Breda,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. Th.J.H.M. Linssen te Tilburg,

Partijen zullen hierna de Gemeente en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

De dagvaarding waarbij de vervroegde onteigening wordt gevorderd is op 13 januari 2014 uitgebracht.

1.2.

Op 18 november 2013 is ter griffie een afschrift van de Staatscourant van 13 november 2013, waarin het aan de onteigening ten grondslag liggende Koninklijk Besluit tot onteigening van 16 oktober 2013 is openbaar gemaakt, en een door de burgemeester van de Gemeente afgegeven verklaring dat de in artikel 63 lid 2 van de Onteigeningswet (Ow) vereiste stukken binnen de Gemeente ter inzage hebben gelegen gedeponeerd.

1.3.

Bij dagvaarding heeft de Gemeente het volgende gesteld.

1.3.1.

Bij KB van 16 oktober 2013, nr. 13.002141, gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 13 november 2013, nr. 30933 is onder andere de hierna onder punt 1.3.2. te vermelden onroerende zaak aangewezen ter onteigening ingevolge artikel 77 Ow ten name van de Gemeente en ten behoeve van de realisatie van het bestemmingsplan “De Contreie” en het uitwerkingsplan “De Contreie uitwerkingsplan I”.

1.3.2.

In het hiervoor genoemde KB is het volgende perceel ter onteigening aangewezen:

Grondplannummer 1, te onteigenen grootte 03.21.50 ha, kadastrale aanduiding gemeente Oosterhout, omschrijving: wonen, terrein (akkerbouw) ter grootte van 03.21.50 ha.

1.3.3.

In het KB zijn als eigenaren van het voornoemde perceel aangewezen:

  • -

    ½ eigendom: [eigenaar sub 1], [overlijdensdatum];

  • -

    ½ eigendom: [eigenaar sub 2], [overlijdensdatum].

1.3.4.

Vanwege het overlijden van de eigenaressen voornoemd is bij beschikking van deze rechtbank van 3 december 2013 als derde ex art. 20 lid 1 Ow aangewezen mr. B. Baan, kantoorhoudende te Etten-Leur. Mr. B. Baan is door de Gemeente gedagvaard. [gedaagde] heeft gevorderd op grond van het bepaalde in artikel 20 lid 2 Ow als gedaagde te worden aangemerkt. Bij vonnis van deze rechtbank 19 februari 2014 is bepaald dat [gedaagde] als gedaagde in deze procedure in de plaats treedt van mr. B. Baan.

1.3.5.

Aan de Gemeente zijn geen belanghebbenden in de zin van artikel 3 en 4 van de onteigeningswet bekend.

1.3.6.

De Gemeente is er niet in geslaagd, ondanks pogingen daartoe, om de eigendom van voornoemd perceel in der minne te verkrijgen.

1.3.7.

De Gemeente heeft ter verkrijging van het perceel ter zake van schadeloosstelling aan [gedaagde] bij verwerving van het gehele perceel ter grootte van 03.21.50 ha een bedrag van € 1.450.000,00 aangeboden. Bij verwerving, in verband met zelfrealisatie, van het in dat geval resterende gedeelte van het perceel ter grootte van 02.84.60 ha biedt de Gemeente aan [gedaagde] een schadeloosstelling aan van € 1.284.000,00. Deze bedragen zijn exclusief deskundigenkosten.

1.3.8.

Bij verzoekschrift van 18 november 2013 heeft de Gemeente de rechtbank verzocht om overeenkomstig artikel 54a Ow een rechter-commissaris en drie deskundigen te benoemen en om een dag te bepalen waarop de opneming door de deskundigen van de ligging en gesteldheid van hetgeen onteigend dient te worden zal plaatsvinden. Bij beschikking van deze rechtbank van 28 februari 2014 heeft de rechtbank een rechter-commissaris en deskundigen benoemd en bepaald dat de opneming van het te onteigenen perceel zal plaatsvinden op dinsdag 27 mei 2014. De opneming heeft inmiddels plaatsgevonden.

1.3.9.

De Gemeente vordert dat de rechtbank na akte wijziging eis:

Primair:

Bij vervroeging als bedoeld in artikel 54f Ow ten name van de Gemeente de onteigening uitspreekt van de onroerende zaak op de grondplantekening geduid met nummer 1 in het KB van 16 oktober 2013 nader vermeld als: het perceel kadastraal bekend [kadasternummer] ter grootte van 03.21.50 ha (grondplannummer 1);

Subsidiair:

Indien gedaagden wensen over te gaan tot zelfrealisatie van de bestemmingen “wonen” en “tuin”, de onteigening uitspreekt van de onroerende zaak op de grondplantekening geduid met nummer 1 in het KB van 16 oktober 2013 nader vermeld als: het perceel kadastraal bekend [kadasternummer] (totaal groot 03.21.50) (grondplannummer 1) ter grootte van 02.84.60 ha;

Met bepaling:

- van het voorschot op 90% van de aangeboden schadeloosstelling voor het gehele te onteigenen perceel [kadasternummer], te weten een bedrag van € 1.305.000,00 en ingeval van gedeeltelijke zelfrealisatie van het voorschot op 90% van de aangeboden schadeloosstelling voor de onteigening van 02.84.60 ha van voormeld perceel te weten een bedrag van € 1.284.000,00;

- het bedrag en de wijze van zekerheidsstelling indien gedaagden geen afstand doen

van zekerheidsstelling;

  • -

    het bedrag van de uiteindelijke schadeloosstelling nader bij vonnis vast te stellen met veroordeling van de Gemeente tot betaling van dat bedrag voor zover niet reeds als voorschot uitgekeerd, indien het bij dagvaarding en akte wijziging eis gedane aanbod door [gedaagde] niet wordt aanvaard;

  • -

    dat het in de procedure met zaaknummer/rolnummer C/02/273269 HA RK 13/250 uit te brengen voorlopig oordeel heeft te gelden als (concept) deskundigenrapport in de onderhavige procedure;

  • -

    van, ingevolge artikel 54j lid 2 Ow, voor zover van toepassing, de data voor nederlegging van het (concept)deskundigenrapport;

  • -

    van de nieuws- of advertentiebladen waarin het vonnis bij uittreksel door de griffier van de rechtbank zal worden geplaatst.

1.4.

[gedaagde] heeft geantwoord. Hij concludeert dat de rechtbank:

  • -

    De Gemeente niet-ontvankelijk verklaart in haar vordering tot vervroegde onteigening, althans deze aan haar te ontzeggen, althans deze af te wijzen als onbewezen en/of ongegrond;

  • -

    indien de vordering van de Gemeente tot vervroegde onteigening wordt toewezen, de in de wet voorgeschreven procedure tot vaststelling van de schadeloosstelling volgt en de Gemeente dan veroordeelt tot betaling aan [gedaagde] van de volledige schadeloosstelling ingevolge artikel 40 Ow, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van het geding, waaronder de kosten van juridische bijstand alsmede de door [gedaagde] gemaakte deskundigenkosten met de bepaling, dat indien de Gemeente over de uiteindelijke schadeloosstelling als die hoger is dan het voorschot de wettelijke rente verschuldigd zal zijn vanaf datum na het wijzen van het vonnis tot de dag van voldoening.

1.5.

De zaak is op 19 mei 2014 bepleit. Beide partijen hebben pleitnotities en producties in het geding gebracht.

2 Het geschil en de beoordeling daarvan

2.1.

De gemeenteraad van de Gemeente heeft de Kroon door middel van een besluit van 28 februari 2012 verzocht om ten name van de Gemeente over te gaan tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening op grond van artikel 77 Ow welke onroerende zaken nodig zijn voor de realisatie van het bestemmingsplan “De Contreie” en het uitwerkingsplan “De Contreie uitwerkingsplan I”. Bij brief van 16 mei 2012 hebben burgemeester en wethouders het raadsbesluit ter besluitvorming voorgedragen aan de Kroon.

2.2.

Voorafgaand aan de terinzagelegging is het ontwerp van het te nemen KB toegezonden aan belanghebbenden en de Gemeente en zijn belanghebbenden gewezen op de mogelijkheid tot het naar voren brengen van zienswijzen tegen het ontwerpbesluit. [gedaagde] heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt.

2.3.

Bij KB van 16 oktober 2013, nr. 13.002141, gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 13 november 2013, nr. 30933 zijn de gronden van onder andere [gedaagde] zoals vorenstaand opgenomen onder punt 1.3.2., aangewezen ter onteigening ten name van de Gemeente. De Gemeente vordert thans vervroegde onteigening op basis van het KB van 16 oktober 2013 omdat zij er niet in geslaagd is de gronden bij minnelijke overeenkomst, ondanks pogingen daartoe, te verkrijgen.

2.4.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] stelt dat de Gemeente in haar vorderingen niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, althans dat haar vorderingen dienen te worden afgewezen. Indien en voor zover de rechtbank de vordering toewijst dient de Gemeente veroordeeld te worden tot betaling van de volledige schadeloosstelling. De Gemeente dient voorts in de kosten van het geding veroordeeld te worden, de kosten van juridische bijstand en de door [gedaagde] gemaakte deskundigenkosten daaronder begrepen en zo de schadeloosstelling hoger is dan het voorschot te bepalen dat de Gemeente de wettelijke rente daarover verschuldigd is met ingang van de dag na het wijzen van het vonnis tot aan de dag van voldoening.

2.5.

Minnelijk overleg

2.5.1.

[gedaagde] stelt dat de Gemeente heeft gehandeld in strijd met de voor haar op grond van artikel 17 Ow bestaande verplichting om constructief te onderhandelen teneinde tot minnelijke verwerving te komen. De Gemeente heeft op het perceel waarvan zij nu de vervroegde onteigening verzoekt een voorkeursrecht gevestigd ingevolge de Wet voorkeursrecht gemeenten. De Gemeente heeft volgens [gedaagde] ten onrechte haar goedkeuring onthouden aan de door de rechtsvoorgangsters van [gedaagde] met de Woningbouwstichting Geertruidenberg (WSG) voor een bedrag van € 2.850.000,00 met betrekking tot het perceel gesloten koopovereenkomst. De Gemeente heeft in identieke gevallen, verkoop door Loonbedrijf Ginneken aan WSG en verkoop door Parochie Caritas aan Van Wanrooij, wel goedkeuring aan de koopovereenkomsten gegeven. De rechtsvoorgangsters van [gedaagde] hebben het perceel vervolgens voor hetzelfde bedrag aan de Gemeente aangeboden, maar de Gemeente was slechts bereid een bedrag van € 2.550.000,00 te betalen. De Gemeente heeft ook opvolgende door [gedaagde] voorgelegde voorstellen tot verkoop steeds afgewezen. De Gemeente heeft gehandeld in strijd met het algemeen rechtsbeginsel dat gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden. [gedaagde] wijst in dit opzicht ook op artikel 3:14 BW ingevolge welke bepaling een privaatrechtelijke bevoegdheid niet mag worden uitgeoefend in strijd met geschreven en ongeschreven regels van publiekrecht. Ook bij privaatrechtelijke rechtshandelingen is de Gemeente gebonden aan de Algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het is [gedaagde] en zijn rechtsvoorgangsters onmogelijk gemaakt om zaken te doen met een marktpartij die zich gedraagt als een redelijk handelend koper. [gedaagde] en zijn rechtsvoorgangsters hebben zich altijd bereid getoond tot constructief onderhandelen over de verkoop. De opstelling van de Gemeente, die steeds lagere bedragen bood tot uiteindelijk het thans voorliggende bod van € 1.450.000,00, heeft er toe geleid dat er geen overeenstemming tot minnelijke verwerving tot stand is gekomen, ook niet met gedeeltelijke zelfrealisatie omdat de Gemeente de exploitatiebijdrage die in dat geval door [gedaagde] moet worden betaald in de loop van de onderhandelingen exorbitant heeft verhoogd. [gedaagde] heeft van zelfrealisatie af moeten zien omdat het veel te duur werd. Keer op keer is gebleken dat de Gemeente niet bereid was om een marktconforme prijs te betalen. De onderhandelingen met de Gemeente zijn steeds overheerst door het voorkeursrecht dat de Gemeente ingevolge de Wet voorkeursrecht gemeenten op het perceel gevestigd had. De Gemeente heeft in strijd gehandeld met de goede trouw die de onderhandelingen beheerst omdat zij geen, althans onvoldoende oog heeft gehad voor de gerechtvaardigde belangen van [gedaagde] Dit blijkt alleen al uit het feit dat het thans voorliggende bod 31% lager ligt dan het aanvankelijke bod en de Gemeente weigert dit te verklaren. Indien dit het gevolg is van de neerwaartse prijsontwikkeling voor onroerende zaken sinds 2008 dient dat voor risico van de Gemeente te komen. De Gemeente heeft vanaf 2008 structureel en substantieel minder geboden dan [gedaagde] en zijn rechtsvoorgangsters van een redelijk handelend koper konden ontvangen. De in het kader van de precontractuele fase in acht te nemen redelijkheid en billijkheid staan er aan in de weg om die prijsontwikkeling voor rekening van [gedaagde] te laten komen. Indien en voor zover de vervroegde onteigening wordt toegewezen dient bij het bepalen van de schadeloosstelling dan ook uitgegaan te worden van een peildatum in 2008, althans een peildatum gelegen voordat de neerwaartse prijsontwikkeling is ingezet.

2.5.2.

De Gemeente betwist gemotiveerd dat zij biedingen heeft gedaan die onder de marktwaarde liggen. De biedingen zijn gebaseerd op taxaties verricht door een landelijk erkend taxatiebureau. Voor de taxaties is een waarde als bedoeld in artikel 40b Ow, de marktwaarde, uitgangspunt geweest. Niet valt in te zien waarom de Gemeente daarop niet mocht afgaan en de visie van [gedaagde] met betrekking tot de marktwaarde uitgangspunt zou moeten zijn. Gesteld noch gebleken, noch aannemelijk is, dat er geen sprake is geweest van serieuze pogingen om het onteigende langs minnelijke weg te verwerven. Er is alleen geen akkoord bereikt. Wat betreft het op het perceel ingevolge de Wet voorkeursrecht gemeenten gevestigde voorkeursrecht stelt de Gemeente gemotiveerd dat de besluiten tot vestiging formele rechtskracht hebben verkregen en het ervoor moet worden gehouden dat deze rechtmatig zijn. [gedaagde] heeft geen gebruik gemaakt van de in de Wet voorkeursrecht gemeenten bij gebrek aan overeenstemming omtrent het aanbod, voorziene rechtsgang. Het moet er volgens de Gemeente dan ook voor worden gehouden dat de Gemeente met het vestigen van het voorkeursrecht en de biedingen die zij heeft gedaan tijdens de duur daarvan niet heeft gehandeld in strijd met de wet of enige ongeschreven rechtsregel. Ingevolge artikel 40a Ow moet de waarde van de te verwerven zaak worden bepaald naar het moment van eigendomsovergang. Dat is steeds het uitgangspunt geweest bij de biedingen van de Gemeente. Voor zover [gedaagde] wenst dat van een andere peildatum moet worden uitgegaan kan die wens dus niet worden gehonoreerd. De Gemeente betwist gemotiveerd dat zij anderen, in een vergelijkbare positie, wel toestemming heeft verleend tot verkoop aan derden. Indien en voor zover zij toestemming heeft verleend voor een rechtshandeling is het een rechtshandeling waarbij aangeboden werd om via een ABC-constructie aan de Gemeente te leveren. Nog afgezien van het feit dat de Gemeente betwist dat sprake is geweest van een tussen [gedaagde] althans zijn rechtsvoorgangsters, afgeronde overeenkomst met WSG, is door hem niet aangeboden zijn gronden, al dan niet ABC, aan de Gemeente te leveren. Niet is sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.

2.5.3.

De rechtbank overweegt dat artikel 17 Ow de eis stelt dat de onteigenende partij de te onteigenen zaak bij minnelijke overeenkomst moet hebben getracht te verkrijgen, waarbij geldt dat er serieus moet zijn onderhandeld. Voor een juiste naleving van het bepaalde in artikel 17 Ow is vereist, dat de onteigenende partij in de periode tussen het definitief worden van het onteigeningsbesluit (i.c. 16 oktober 2013) en het uitbrengen van de dagvaarding

(i.c. 13 januari 2014) heeft getracht hetgeen ter onteigening is aangewezen in der minne te verkrijgen. Bij de beantwoording van de vraag of aan dit voorschrift is voldaan, mag tevens acht worden geslagen op hetgeen met betrekking tot de verkrijging in der minne zich voorafgaand aan het definitief worden van het onteigeningsbesluit tussen partijen heeft afgespeeld en het daaruit blijkende standpunt van de eigenaar. Door de Gemeente is onbestreden gesteld dat in het kader van de pogingen om de gronden minnelijk te verwerven in de periode oktober 2008 tot en met juni 2012 diverse malen bijeenkomsten tussen partijen hebben plaatsgevonden. Voorts is door de Gemeente onbestreden gesteld dat zij bij brieven van 7 juli 2010, 3 november 2010, 28 december 2011, 19 april 2012, 29 april 2013, 26 juni 2013, 13 september 2013 en 15 november 2013 schriftelijke aanbiedingen heeft gedaan. De onderhandelingen zijn (ruim) vóór de datum van het verzoek tot aanwijzing ter onteigening van 28 februari 2012 aangevangen en de Gemeente heeft ook nadat het besluit tot onteigening is genomen en voordat de dagvaarding tot onteigening is uitgebracht nog een bod gedaan. [gedaagde] heeft zijn stelling dat de Gemeente keer op keer niet bereid is gebleken een marktconforme prijs te betalen niet nader onderbouwd. Het feit dat de Gemeente € 300.000,00 lager bood dan de WSG die € 2.850.000,00 zou hebben geboden, het tot stand komen van die koopovereenkomst wordt overigens door de Gemeente betwist, houdt, gelet op het procentueel geringe verschil, niet in dat het bod van de Gemeente niet marktconform was. Datzelfde geldt voor de twee opvolgende biedingen die de Gemeente heeft gedaan en herhaald. De Gemeente heeft onbestreden gesteld dat haar biedingen waren gebaseerd op taxaties verricht door een landelijk erkend taxatiebureau met als uitgangspunt een waardering op onteigeningsbasis als bedoeld in artikel 40b Ow. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de Gemeente niet voldoende serieus heeft onderhandeld en in het kader van de onderhandelingen geen oog heeft gehad voor de gerechtvaardigde belangen van [gedaagde] Ter betwisting van de stellingen van [gedaagde] dat de Gemeente gehandeld zou hebben in strijd met het gelijkheidsbeginsel door verkopen van derden van gronden waarop de Gemeente ook een voorkeursrecht ingevolge de Wet voorkeursrecht gemeenten had wel goed te keuren is door de Gemeente gemotiveerd gesteld, en ook met producties onderbouwd, dat er in die gevallen bij de verkoop in een doorlevering aan de Gemeente voorzien was conform de doelstelling van de Wet voorkeursrecht gemeenten. Door de Gemeente is onbestreden gesteld dat daarvan geen sprake was bij verkoopovereenkomsten waarvoor zij [gedaagde] althans zijn rechtsvoorgangsters toestemming heeft geweigerd.

[gedaagde] stelt voorts dat hij constant onderhandeld zou hebben onder de dreiging van het op de gronden ingevolge de Wet voorkeursrecht gemeenten liggende voorkeursrecht. De rechtbank overweegt dat de Wet voorkeursrecht gemeenten de mogelijkheid biedt om de gronden aan de Gemeente te koop aan te bieden. Indien in het kader van die aanbieding geen overeenstemming over de verkoopprijs wordt bereikt bestaat de mogelijkheid die in een gerechtelijke procedure vast te doen stellen waarbij de rechtbank oordeelt met overeenkomstige toepassing van de artikel 40b tot en met 40f van de Onteigeningswet. Mitsdien moet ervan worden uitgegaan dat indien de Gemeente de gronden zou hebben verworven conform hetgeen de Wet voorkeursrecht gemeenten bepaalt, [gedaagde] niet een lagere prijs gekregen zou hebben dan in het kader van de verwerving via onteigening. Niet valt derhalve in te zien op welke wijze van de aanwijzing ingevolge de Wet voorkeursrecht gemeenten een dreiging uitging die de onderhandelingen onder druk zou hebben gezet. Ingevolge artikel 40a Ow moet de waarde van de te verwerven zaak worden bepaald op het moment van eigendomsovergang. Gelet op de neerwaartse prijsontwikkeling sinds 2008 heeft de Gemeente sindsdien haar bod verlaagd. Daarmee heeft de Gemeente gehandeld overeenkomstig de Onteigeningswet. Niet valt dan ook in te zien dat de neerwaartse ontwikkeling in de markt voor rekening en risico van de Gemeente zou moeten komen. De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de Gemeente op redelijke wijze voldoende pogingen heeft ondernomen om met [gedaagde], althans zijn rechtsvoorgangsters tot een minnelijke overeenkomst te komen en dat is voldaan aan art. 17 Ow. De omstandigheid dat partijen niet tot overeenstemming zijn kunnen komen doet daaraan niet af.

2.6.

Onteigening is prematuur

2.6.1.

[gedaagde] betwist dat de te onteigenen gronden in 2015 ontwikkeld zullen worden. De Gemeente heeft haar stelling op dat punt, zo stelt [gedaagde], niet deugdelijk onderbouwd. Niet gesteld kan worden dat binnen de termijn van vijf jaar tot ontwikkeling van de groenvoorziening, gepland op het perceel van [gedaagde], zal worden gekomen en vijf jaar is een vereist uitgangspunt om de noodzaak en de urgentie van de onteigening te kunnen verantwoorden. Woonrijp maken is de sluitpost van de ontwikkeling en een onderdeel als openbaar groen, zal pas worden ontwikkeld als de woningen kunnen worden uitgegeven. Uit de overweging van de Kroon, naar aanleiding van de bij de Kroon ingediende zienswijze met betrekking tot dit bezwaar, blijkt dat de Gemeente onderkent dat niet vaststaat dat de groenvoorzieningen volledig zullen zijn gerealiseerd binnen de termijn van vijf jaar. De Kroon overweegt immers dat verzoekster, de Gemeente, tijdens de hoorzitting onder andere meegedeeld heeft: “Er zal nog geen sprake zijn van volledige realisatie van de openbare groenvoorzieningen om schade daaraan tijdens de bouw te voorkomen”. Er is dus niet sprake van de vereiste noodzaak en urgentie bij de ontwikkelingen die de gemeente voorstaat. Dit moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring althans ontzegging van de vordering.

2.6.2.

Volgens de Gemeente behoort het ingevolge de Onteigeningswet tot de taak van de civiele rechter om, gelet op feiten die in de procedure voorafgaande aan het onteigeningsgeding tijdig naar voren zijn gebracht, te beoordelen of de Kroon in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat een noodzaak/urgentie bestaat om tot onteigening te komen. Door [gedaagde] is gesteld noch aannemelijk gemaakt, dat de Kroon op grond van hetgeen zij daartoe heeft overwogen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het oordeel dat de Gemeente binnen de termijn van vijf jaar een begin zal maken met de uitvoering van het werk en/of de werkzaamheden waarvoor onteigening noodzakelijk is. [gedaagde] miskent dat het bouwrijp maken aan het woonrijp maken vooraf gaat waartoe de Gemeente direct over de percelen dient te kunnen beschikken. [gedaagde] gaat eraan voorbij en heeft niet weersproken dat op het te onteigenen perceel niet slechts groenvoorziening is gepland, maar ook een wadi ten behoeve van de ontwatering van de achterliggende grond welk project volgens de planning vóór de zomer van 2014 moet worden aanbesteed. De Gemeente stelt gemotiveerd, onder verwijzing naar de artikelen 78 lid 8 en 61 Ow, dat binnen de termijn van vijf jaar de werkzaamheden moeten zijn gestart, maar nog niet behoeven te zijn afgerond, hetgeen [gedaagde] niet heeft weersproken.

2.6.3.

De rechtbank overweegt dat de uitvoering van het werk zodanig urgent moet zijn dat onteigening gerechtvaardigd is. Ingevolge art. 78 lid 8 OW moet de onteigenende overheid binnen twee jaar na dagtekening van het Koninklijk Besluit dagvaarden tot onteigening en ingevolge art. 61 OW moet binnen drie jaar nadat het onteigeningsvonnis gezag van gewijsde heeft gekregen met het werk een begin zijn gemaakt. Gelet op deze termijnen wordt er in de regel van uitgegaan dat wanneer binnen 5 jaar na dagtekening van het Koninklijk Besluit met de werkzaamheden wordt begonnen de uitvoering van het werk geacht moet worden zodanig urgent te zijn dat de onteigening gerechtvaardigd is. Door [gedaagde] is ter onderbouwing van zijn standpunt dat de urgentie tot onteigening ontbreekt gesteld dat uit de overwegingen van de Kroon volgt dat de Gemeente onderkent dat de groenvoorziening binnen de termijn van 5 jaar nog niet volledig zal zijn gerealiseerd. [gedaagde] miskent daarbij dat de werken binnen de termijn van 5 jaar niet volledig gerealiseerd dienen te zijn, maar dat daarmee een begin moet zijn gemaakt. Door [gedaagde] is hetgeen door de Kroon overigens ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van voldoende urgentie is aangevoerd, onbestreden gebleven. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de Kroon in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de Gemeente binnen de termijn van vijf jaar een begin zal maken met de uitvoering van het werk en/of de werkzaamheden waarvoor onteigening noodzakelijk is en dus sprake is van de voor onteigening vereiste urgentie. Het beroep op niet-ontvankelijkheid wordt dus verworpen.

2.7.

Zelfrealisatie

2.7.1.

De rechtbank overweegt dat [gedaagde] ter gelegenheid van het pleidooi heeft meegedeeld niet langer een beroep op zelfrealisatie te doen. De rechtbank komt dus niet toe aan een beoordeling van dit onderwerp.

2.8.

Zoals vorenstaand is overwogen falen de verweren tegen de onteigening. Nu voorts de bij de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, is de vordering voor toewijzing vatbaar.

2.9.

[gedaagde] heeft het aanbod tot schadeloosstelling verworpen, zodat omtrent de begroting van de schadeloosstelling een bericht van deskundigen dient te worden ingewonnen. Hiertoe zijn reeds 3 deskundigen benoemd. De descente heeft plaatsgevonden op 27 mei 2014; hier is proces-verbaal van opgemaakt.

2.10.

[gedaagde] heeft meegedeeld dat hij zich niet kan vinden in de vordering van de Gemeente om te bepalen dat het voorlopig oordeel heeft te gelden als (concept) deskundigenrapport in de onderhavige procedure. De rechtbank is ambtshalve bekend, dat ter gelegenheid van de descente die heeft plaatsgevonden op 27 mei 2014 met de rechter-commissaris met betrekking tot de te volgen procedure onder andere de afspraak is gemaakt dat de deskundigen op 30 september 2014 een voorlopig oordeel gereed zullen hebben welk oordeel als concept-rapport zal worden aangemerkt. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de vordering van de Gemeente op dit punt toewijzen.

2.11.

Met betrekking tot de vordering van de Gemeente ingevolge artikel 54j lid 2 Ow, voor zover van toepassing, de data voor de nederlegging van het (concept)deskundigenrapport vast te stellen overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge voormeld artikel stelt de rechtbank, ingeval de opneming door de deskundigen reeds heeft plaats gehad overeenkomstig Afdeling 1 van Hoofdstuk IIIa Onteigeningswet een datum vast waarop de nederlegging van het deskundigenrapport zal moeten plaatsvinden. Nu de opneming door de deskundigen reeds heeft plaatsgevonden zal de rechtbank deze vordering toewijzen. De rechtbank is ambtshalve bekend dat in het kader van de met de rechter-commissaris gemaakte procedure afspraken besproken is dat de deskundigen uiterlijk 30 november 2014 het definitieve rapport gereed zullen hebben. De rechtbank zal bij die datum aansluiten, met dien verstande dat de rechtbank als datum voor nederlegging 28 november 2014 vast zal stellen omdat 30 november 2014 op een zondag valt.

2.12.

Ten aanzien van het voorschot op de schadeloosstelling overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge artikel 54i lid 2 Ow bepaalt de rechtbank, indien partijen geen overeenstemming omtrent het voorschot op de schadeloosstelling hebben bereikt, het voorschot op 90% van de aan verweerder aangeboden schadeloosstelling. Door [gedaagde] zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan de rechtbank aanleiding ziet om hiervan af te wijken. Door de Gemeente is aan [gedaagde] een bedrag van € 1.450.000,00 ter zake van schadeloosstelling aangeboden bij verwerving van het gehele perceel ter grootte van 03.21.50 ha en een bedrag van € 1.284.000,00 bij verwerving van een oppervlakte van 02.84.60 ingeval van zelfrealisatie door [gedaagde] Aangezien [gedaagde] te kennen gegeven hebben af te zien van zelfrealisatie gaat de rechtbank bij het bepalen van het voorschot op de schadeloosstelling uit van het bedrag van € 1.450.000,00. Dit houdt in dat de rechtbank het aan [gedaagde] te betalen voorschot zal bepalen op een bedrag van € 1.305.000,00.

2.13.

[gedaagde] doet geen afstand van het recht op zekerheidsstelling. De rechtbank zal dan ook op de voet van artikel 54i lid 4 Ow voor de onteigende partij een som als zekerheid voor de voldoening van het aan hem verschuldigde schadeloosstelling bepalen. Omdat geen overeenstemming is bereikt zal de rechtbank het bedrag waarvoor zekerheid moet worden gesteld bepalen op het aan [gedaagde] ter zake van de schadeloosstelling aangeboden bedrag verminderd met het voorschot. De rechtbank zal het bedrag waarvoor de Gemeente zekerheid dient te stellen bepalen op € 145.000,00. De Gemeente dient zekerheid te stellen door dit bedrag te deponeren op de derdengeldrekening van een door [gedaagde] binnen 4 weken na datum van deze uitspraak aan te wijzen notaris en indien [gedaagde] binnen die termijn geen notaris aanwijst: van een notaris naar keuze van de Gemeente. Daarbij dient vermeld te worden dat dit bedrag tot zekerheid strekt voor de vordering van gedaagde sub 1 en sub 2 op de Gemeente.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt vervroegd uit de onteigening ten name van de Gemeente en ten algemenen nutte, vrij van alle bestaande lasten en rechten, van het perceel kadastraal bekend [kadasternummer] (totaal groot 03.21.50 ha), ter grootte van 03.21.50 ha (grondplannummer 1);

3.2.

bepaalt het bedrag van het voorschot op de schadeloosstelling te betalen aan [gedaagde] op € 1.305.000,00;

3.3.

bepaalt dat de Gemeente zekerheid dient te stellen ten behoeve van [gedaagde] voor een bedrag van € 145.000,00 door dit bedrag te deponeren op de derdengeldrekening van een door [gedaagde] binnen 4 weken na datum van deze uitspraak aan te wijzen notaris, en indien [gedaagde] binnen die termijn geen notaris aanwijst: van een notaris naar keuze van de Gemeente;

3.4.

bepaalt dat het in de procedure met zaaknummer/rolnummer C/02/273269 HA RK 13/250 uit te brengen voorlopig oordeel heeft te gelden als (concept) deskundigenrapport in de onderhavige procedure;

3.5.

stelt de datum voor nederlegging van het deskundigenrapport vast op 28 november 2014;

3.6.

wijst de BN de Stem aan als het nieuwsblad waarin een uittreksel van dit vonnis dient te worden geplaatst;

3.7.

houdt iedere verdere beslissing aan;

3.8.

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 7 januari 2015 voor akte uitlating deskundigenbericht door de Gemeente.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers, mr. S.M.J. van Dijk en mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2014.

MdB