Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:4249

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-06-2014
Datum publicatie
24-06-2014
Zaaknummer
02/800052-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:3109, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag baby Fritzie door toepassen uitwendig/mechanisch geweld en/of krachtig schudden. Alternatief scenario (de moeder heeft het geweld toegepast) wordt uitgesloten op grond van het rapport van de deskundige en de verklaringen van verdachte en de medeverdachte. Geen vrijwillige terugtred. Gevangenisstraf 7 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800052-13

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 juni 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Grave

raadsman mr. W. Remie, advocaat te Tilburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 mei 2014, waarbij de officier van justitie, mr. Gudde, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek is gesloten op de zitting van 10 juni 2014.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01

november 2012 tot en met 14 december 2012 te Tilburg tezamen en in vereniging

met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of

zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (geb. [geboortedatum slachtoffer]

2011) van het leven te beroven met dat opzet (telkens) een of meer

vormen van uitwendig en/of mechanisch geweld op en/of tegen het hoofd en/of

het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft toegepast en/of die voornoemde [slachtoffer]

(met kracht) heen en weer heeft geschud, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 november

2012 tot en met 14 december 2012 te Tilburg tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon, (te weten [slachtoffer]

(geb. [geboortedatum slachtoffer] 2011)), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten:

hersenletsel), heeft toegebracht, door opzettelijk (telkens) een of meer

vorm(en) van uitwendig en/of mechanisch geweld op en/of tegen het hoofd en/of

het lichaam van voornoemde [slachtoffer] toe te passen en/of die voornoemde [slachtoffer]

(met kracht) heen en weer te schudden;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie neemt de conclusies van deskundige Karst van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) over. Uit de bevindingen over het geconstateerde letsel en het ontstaan en de datering van dit letsel in samenhang met de verklaringen van verdachte en medeverdachte [naam moeder], de moeder van [slachtoffer], over hetgeen zich op 14 december 2012 in de woning van [naam moeder] heeft afgespeeld, leidt de officier van justitie af dat het verdachte is geweest die op 14 december 2012 kort voordat [slachtoffer] haar hoofd achterover gooide en het bewustzijn verloor, heftig, zeer krachtig geweld op [slachtoffer] moet hebben uitgeoefend. Uit het dossier is niet gebleken dat verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer]. Zij leidt dit mede af uit de handelingen die verdachte nadien heeft verricht: hij zou [slachtoffer] nog gereanimeerd hebben en heeft haar meegenomen naar de dokter. De officier van justitie acht dan ook onvoldoende bewijs aanwezig voor de primair tenlastegelegde poging tot doodslag. Wel is zij van mening dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het subsidiair tenlastegelegde opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Alleen al uit de kracht die volgens deskundige Karst gebruikt moet zijn bij het toebrengen van het letsel kan naar de mening van de officier van justitie worden afgeleid dat verdachte de handelingen opzettelijk heeft uitgevoerd. Voor wat betreft het zwaar lichamelijk letsel heeft de officier van justitie opgemerkt dat [slachtoffer] halfzijdig verlamd en slechtziend is geworden. Dit letsel kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat er gerede twijfels zijn over de exacte oorzaak van de letsels, de exacte datering van het ontstaan van de verschillende letsels en over de persoon die deze letsels heeft veroorzaakt. Een andere dader dan verdachte kan volgens de verdediging niet worden uitgesloten en bovendien blijft onduidelijk welk geweld in dat geval is toegepast en welke gedraging bewezen kan worden. Aangezien deze zaken en een mogelijke rol van verdachte daarin onvoldoende wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, dient verdachte te worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging.

Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de gedragingen geen poging tot doodslag opleveren, aangezien niet bewezen kan worden dat verdachte kwaad opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer]. Naar de mening van de verdediging is er ook onvoldoende bewijs voorhanden dat verdachte met enig handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood heeft aanvaard. De ondernomen actie, zoals het reanimeren en het onmiddellijk zoeken van spoedeisende hulp, past ook niet in het beeld van de tenlastegelegde poging tot doodslag, maar wijst eerder op het tegenovergestelde: verdachte heeft de niet ingetreden gevolgen juist willen voorkomen. Ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling geldt wat betreft de verdediging hetzelfde met betrekking tot het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet. Indien bewezen kan worden dat verdachte het letsel heeft veroorzaakt, kan niet worden vastgesteld dat hij dit willens en wetens heeft gedaan dan wel bewust de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard.

Meer subsidiair wordt geconcludeerd tot ontslag van alle rechtsvervolging van het primair tenlastegelegde. Het gevolg is uiteindelijk niet ingetreden als gevolg van het onmiddellijk handelen van verdachte. In dat kader wordt een beroep gedaan op vrijwillige terugtred ex artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

In de ochtend van 14 december 2012 werd de toen 13 maanden oude [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2011) met spoed door verdachte en medeverdachte [naam moeder] (de moeder van [slachtoffer]) bij de huisarts gebracht. De huisarts zag een bleek en slap kind dat nauwelijks ademde.1 Zij schakelde met spoed de hulpdiensten in. [slachtoffer] werd diezelfde dag opgenomen op de Intensive Care van het Universitair Medisch Centrum St. Radboud in Nijmegen met een zeer verlaagd bewustzijn en een vermoeden op levensgevaarlijke drukverhoging in de hersenen.2

Over het bij [slachtoffer] aangetroffen letsel is een deskundigenrapport opgesteld door de heer Karst, werkzaam als forensisch arts bij het NFI. Uit dit rapport komt naar voren dat bij [slachtoffer] sprake is van ernstig hersenletsel (bloeduitstorting onder het harde hersenvlies aan de rechterzijde en de rechterachterzijde, en aan de linkervoorzijde) en uitgebreide netvliesbloedingen.3 Deze combinatie van bevindingen is passend bij toegebracht schedelhersenletsel door heftig schudden, door forse impact of door de combinatie van beide.4 Er zijn geen medische aandoeningen geconstateerd die de combinatie van bevindingen kunnen verklaren. De geconstateerde letsels zijn niet ontstaan door eigen toedoen of gedragingen van [slachtoffer], bij normaal uitgevoerde verzorgingshandelingen (inclusief het eventueel hardhandig aantrekken van een jas voorafgaande aan de gang naar de huisarts op 14 december 2012), of bij de bevalling.

Om aan te geven welke kracht nodig is voor het ontstaan van de klinische verschijnselen in combinatie met de medische bevindingen stelt Karst in zijn rapportage dat “vallen van beperkte hoogte (tot circa 1,5 meter) van jonge kinderen zeer zelden leiden tot ernstige of fatale letsels in het hoofd. Met name een studie naar valincidenten vanaf speeltoestellen laat zien dat zelfs potentieel wat meer gecompliceerde vallen zelden tot nooit tot ernstig (fataal) hersenletsel leiden”.5 Voor een bloeding onder het harde hersenvlies is veel kracht nodig. Krachten die ontstaan bij vallen van beperkte hoogte (1 of 2 meter) en bij normale huis-, tuin- en keukenongevallen, en daarmee ook bij gebruikelijke verzorgingshandelingen, zijn onvoldoende voor het oplopen van een bloeding onder het harde hersenvlies”.

Karst concludeert in zijn rapport omtrent de medische bevindingen en de samenhang met het geconstateerde letsel het volgende: “de combinatie van het hersenletsel, de bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies, de netvliesbloedingen en de huidletsels is zeer veel waarschijnlijker bij een niet-accidentele toedracht dan bij een accidentele toedracht of medische aandoening.”6 Karst heeft ter zitting van 13 maart 2014 verklaard dat er binnen zijn vakgebied geen hogere mate van waarschijnlijkheid bestaat dan “zeer veel waarschijnlijker”.7

Over de datering van het letsel heeft Karst verklaard dat het traumatische incident juist vóór (ordergrootte: seconden) het ontstaan van de klinische verschijnselen zoals bijvoorbeeld een onmiddellijke daling van het bewustzijnsniveau, onregelmatige ademhaling, moeilijkheden bij het ademen of ademstilstand moet hebben plaatsgevonden. Uitgaande van een normaal functioneren op 14 december 2012 in de ochtend, zal sprake zijn geweest van een veroorzakend mechanisme ná het laatste moment van normaal functioneren nadien.8 Een veroorzakend incident zal gezien de noodzakelijke heftigheid waarschijnlijk tegelijkertijd tot de netvliesbloedingen en de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies hebben geleid.9

De rechtbank neemt de conclusies van deskundige Karst over en leidt daaruit af dat [slachtoffer] de ochtend van 14 december 2012 ernstig moet zijn mishandeld. Kort voordat [slachtoffer] het bewustzijn verloor, moet er sprake zijn geweest van heftig en zeer krachtig geweld uitgeoefend jegens [slachtoffer]. Er zijn geen aanwijzingen dat het letsel van [slachtoffer] op een andere wijze is ontstaan. De door verdachte en medeverdachte [naam moeder] naar voren gebrachte mogelijkheid dat [slachtoffer] in de periode voorafgaand aan 14 december 2012 door een of meer valincidenten al (een gedeelte van) het geconstateerde hersenletsel heeft opgelopen, is door deskundige Karst ter zitting uitdrukkelijk uitgesloten.10

De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld op welk moment het laatste moment van normaal functioneren is vast te stellen en daarmee op welk moment en door wie het letsel aan [slachtoffer] is toegebracht. Nu naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast is komen te staan dat [slachtoffer] door een ander letsel is toegebracht en dat uit de – hierna genoemde – verklaringen van verdachte en medeverdachte [naam moeder] blijkt dat [slachtoffer] de ochtend van 14 december 2012 aanvankelijk normaal functioneerde en verdachten – naast [slachtoffer] zelf – die bewuste ochtend de enige twee personen zijn geweest die in de woning in Tilburg aanwezig waren, kan er naar het oordeel van de rechtbank sprake zijn van slechts twee scenario’s: het letsel is veroorzaakt door verdachte, dan wel is het letsel veroorzaakt door medeverdachte [naam moeder]. De vraag is thans of het scenario uit te sluiten valt dat medeverdachte [naam moeder] degene is geweest die [slachtoffer] die bewuste ochtend heeft mishandeld.

De rechtbank stelt daartoe het navolgende vast.

De ochtend van 14 december 2012 ging het voor het eerst sinds langere tijd weer goed met [slachtoffer]. Zij was niet suf, was vrolijk aan het brabbelen en had normaal gegeten en gedronken.11 Na het ontbijt heeft medeverdachte [naam moeder] [slachtoffer] in de box gezet en is vervolgens naar de badkamer gegaan om haar tanden te poetsen. Verdachte was op dat moment alleen met [slachtoffer] in de woonkamer.12 Op enig moment heeft medeverdachte [naam moeder] verdachte gevraagd om [slachtoffer] alvast haar jasje aan te trekken aangezien zij die ochtend een afspraak bij de huisarts hadden. Toen verdachte [slachtoffer] uit de box had gepakt en in zijn armen had, begon zij slijm op te geven, stopte zij met ademen, draaide zij haar ogen weg en viel zij met haar hoofd naar achteren.

Nu verdachte stellig ontkent dat hij de dader is geweest, zou dit moeten betekenen dat [naam moeder], die eveneens ontkent, de dader is geweest. Het scenario zou dan, de lezing van verdachte volgend, moeten zijn dat [naam moeder] het letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht en [slachtoffer] vervolgens in de box heeft gelegd. Verdachte zou vervolgens uitvalsverschijnselen bij [slachtoffer] hebben waargenomen op het moment dat hij bezig is geweest [slachtoffer] haar jasje aan te trekken, nadat hij haar daartoe uit de box had gehaald.

Dit scenario wordt naar het oordeel van de rechtbank echter uitgesloten door de rapportage van deskundige Karst. Uitgaande van het geschetste scenario dat medeverdachte [naam moeder] het letsel heeft toegebracht en [slachtoffer] daarna in de box heeft gezet, zou verdachte al direct uitvalsverschijnselen, als een onmiddellijke daling van het bewustzijnsniveau, onregelmatige ademhaling etc, hebben moeten waarnemen op het moment dat hij [slachtoffer] uit de box pakte, aldus Karst.13 Dit type uitvalsverschijnselen is direct waarneembaar nadat het veroorzakend mechanisme is ingetreden. Een normaal functioneren is daarna niet meer mogelijk en dit is voor een ieder duidelijk waarneembaar, zo heeft Karst verklaard.

De rechtbank stelt vast dat verdachte op geen enkel moment heeft verklaard dat hij uitvalsverschijnselen heeft waargenomen op het moment dat hij [slachtoffer] uit de box oppakte, ook niet nadat verdachte hierover door de rechtbank ter zitting nogmaals is ondervraagd. Dat [slachtoffer] op dat moment al uitvalsverschijnselen vertoonde lijkt te meer niet waarschijnlijk, nu verdachte heeft verklaard dat hij, nadat hij [slachtoffer] uit de box pakte, bezig is geweest [slachtoffer] haar jasje aan te trekken. De rechtbank gaat er van uit dat verdachte dat niet gedaan zou hebben indien [slachtoffer] op dat moment al uitvalsverschijnselen vertoonde. Deskundige Karst heeft opgemerkt dat het dan zou aanvoelen alsof een slappe, levenloze pop wordt aangekleed.14 Verdachte heeft daarover in geen enkele van zijn (wisselende) verklaringen melding gemaakt. Verdachte heeft slechts verklaard dat hij gezien zou hebben dat [slachtoffer] slijm opgaf op het moment dat hij haar uit de box pakte, dan wel dat zij al in de box had gespuugd en/of slijm had opgegeven. Deskundige Karst heeft echter verklaard dat het opgeven van slijm niet in verband kan worden gebracht met het toegebrachte letsel.

Resumerend komt de rechtbank op grond van het voorgaande tot de volgende conclusies:

  • -

    Het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel is haar door een ander toegebracht;

  • -

    Het letsel is [slachtoffer] toegebracht op het moment dat alleen [naam moeder] en verdachte met [slachtoffer] in de woning waren;

  • -

    Op basis van de verklaringen van [naam moeder] en verdachte moet worden uitgesloten dat het letsel door [naam moeder] is toegebracht;

  • -

    De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat het niet anders kan dan dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] het letsel heeft toegebracht. Verdachte heeft hiertoe ook de mogelijkheid gehad. Immers, onmiddellijk voorafgaand aan het moment waarop verdachte uitvalsverschijnselen bij [slachtoffer] waarnam en het letsel volgens deskundige Karst moet zijn toegebracht, zijnde het moment waarop verdachte bezig was [slachtoffer] haar jasje aan te trekken, bevond verdachte zich samen met [slachtoffer] alleen in de woonkamer. [naam moeder] was haar tanden aan het poetsen in de badkamer, van waar zij geen zicht had op hetgeen zich op dat moment afspeelde in de woonkamer.

De vraag is vervolgens hoe het bewezenverklaarde is te kwalificeren.

De huisarts heeft reanimatiehandelingen verricht, omdat [slachtoffer] niet meer of nauwelijks ademde. In het licht van het nadien geconstateerde hersenletsel, waarbij bleek dat hersenweefsel was afgestorven door zuurstoftekort, kan gesteld worden dat medisch ingrijpen op dat moment noodzakelijk was en het overlijden zeer waarschijnlijk heeft voorkomen.15

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er aan de zijde van verdachte geen sprake is geweest van kwaad opzet op de dood van [slachtoffer]. Uit het handelen van verdachte na de uitvalverschijnselen bij [slachtoffer], te weten het reanimeren en het zich zo spoedig mogelijk naar de huisarts begeven, is de rechtbank voldoende gebleken dat verdachte niet daadwerkelijk gewild heeft dat [slachtoffer] zou komen te overlijden.

Met dezelfde redenering hebben de officier van justitie en de verdediging betoogd dat er daarom ook geen sprake zou zijn geweest van voorwaardelijk opzet op de dood.

De rechtbank is hier echter een ander oordeel toegedaan. Deskundige Karst heeft geconcludeerd dat er voor het toebrengen van het letsel bij [slachtoffer] grote kracht c.q. buitengewoon heftig botsend geweld nodig is geweest en dat het toebrengen van hersenletsel bij kleine kinderen door middel van schudden en/of impact, dusdanig heftig is dat getuigen de handeling direct als gevaarlijk zouden kwalificeren.16

De rechtbank stelt op grond daarvan vast dat verdachte handelingen moet hebben verricht die naar hun aard geschikt zijn om dodelijk letsel teweeg te brengen: handelingen die, gelet op de conclusie van deskundige Karst, buitengewoon veel geweld of grote kracht vergden. Gezien het geweld dat is toegepast, moet verdachte de – naar algemene ervaringsregelen als aanmerkelijke te achten – kans dat [slachtoffer], een heel jong en derhalve kwetsbaar kind, als gevolg van dat geweld zou overlijden, bewust hebben aanvaard. De reactie van verdachte na het incident mag dan een juiste zijn geweest, het betreft wel een reactie achteraf. De rechtbank acht daarmee de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat bewezen kan worden dat verdachte gepoogd heeft [slachtoffer] van het leven te beroven door opzettelijk uitwendig geweld op [slachtoffer] toe te passen. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit samen met iemand anders heeft gepleegd, zodat zij verdachte van het medeplegen zal vrijspreken.

De rechtbank zal verdachte voorts vrijspreken van hetgeen hem is tenlastegelegd in de aan 14 december 2012 voorafgaande periode van 1 november 2012 tot en met 13 december 2012, nu voldoende wettig en overtuigend bewijs hiervoor naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt.

Door de verdediging is ten aanzien van het primair tenlastegelegde een beroep gedaan op vrijwillige terugtred. De rechtbank dient hiertoe te beoordelen hoe waarschijnlijk het is dat het gevolg (de dood van [slachtoffer]) zou zijn ingetreden ná de uitvoeringshandelingen van verdachte (het toepassen van geweld jegens [slachtoffer]) maar vóór de gedragingen waarop het beroep op vrijwillige terugtred is gebaseerd (het reanimeren van [slachtoffer] en het zich zo spoedig mogelijk met haar naar de huisarts begeven). Daarbij geldt de stelregel dat hoe waarschijnlijker een dergelijk intreden van het gevolg is, des te minder het in de rede ligt om vrijwillige terugtred aan te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank waren de door verdachte uitgevoerde handelingen, namelijk het toepassen van een of meer vormen van mechanisch geweld, reeds verricht en op zichzelf voldoende om tot de dood van [slachtoffer] te kunnen leiden. Verdachte kon zijn handelen dan ook niet meer ongedaan maken. Hij heeft de gevolgen ervan weliswaar willen beperken, maar deze handelingen zijn op een zodanig moment verricht dat het intreden van het gevolg – het overlijden van [slachtoffer] – reeds zeer waarschijnlijk was.

De rechtbank acht derhalve bewezen dat er sprake is van een voltooide poging die niet meer ongedaan te maken was, hetgeen aan een geslaagd beroep op vrijwillige terugtred in de weg staat. De rechtbank verwerpt derhalve het beroep op vrijwillige terugtred.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01

november 2012 tot en met 14 december 2012 te Tilburg tezamen en in vereniging

met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of

zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (geb. [geboortedatum slachtoffer]

2011) van het leven te beroven met dat opzet (telkens) een of meer

vormen van uitwendig en/of mechanisch geweld op en/of tegen het hoofd en/of

het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft toegepast en/of die voornoemde [slachtoffer]

(met kracht) heen en weer heeft geschud, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Zoals onder 4.3 is gemotiveerd, volgt de rechtbank het beroep van verdachte op vrijwillige terugtred niet. Er zijn derhalve geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van drie jaar met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een vergelijk getrokken met soortgelijke zaken waarbij geen onvoorwaardelijke gevangenisstraffen dan wel veel lagere straffen zijn opgelegd. Verder is van belang dat verdachte na het incident van 14 december 2012 adequaat heeft gehandeld en ten slotte dat hij geen geweldsdelicten op zijn strafblad heeft staan.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich op 14 december 2012 schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op de – op dat moment – 13 maanden oude [slachtoffer], het kindje van zijn toenmalige vriendin [naam moeder]. Verdachte heeft een ernstige mate van geweld toegepast op een zeer jong, kwetsbaar en weerloos kindje. Door de handelingen van verdachte is [slachtoffer] halfzijdig verlamd geraakt en slechtziend geworden. Door het handelen van verdachte is [slachtoffer] de mogelijkheid ontnomen om op een normale manier op te groeien en zich te ontwikkelen tot een gezonde en zelfstandige volwassene. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het hier gaat om een zeer ernstig feit. Dit wordt nog eens versterkt door de omstandigheid dat het slachtoffer [slachtoffer] een zeer jong en hulpeloos kind was en verdachte mede de zorg over haar had.

Over verdachte zijn verschillende rapportages uitgebracht.

Psychiater Van Braeckel heeft op 4 juli 2013 een rapportage over verdachte uitgebracht. Hij komt tot de conclusie dat verdachte lijdt aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Verdachte gebruikt middelen, maar misbruik of afhankelijkheid kan niet worden vastgesteld. Er kan geen uitspraak worden gedaan over de toerekenbaarheid van de tenlastegelegde feiten nu verdachte heeft ontkend. Wel heeft de rapporteur vastgesteld dat verdachte redelijke copingvaardigheden heeft, en dat er geen aanwijzingen voor intellectuele beperkingen zijn. De rapporteur heeft verder de indruk dat verdachte zich in een beter daglicht heeft willen stellen.

Psycholoog Van Nunen heeft op 13 juli 2013 over verdachte gerapporteerd. Hij stelt vast dat weinig grip op verdachte te krijgen is. Er is geen sprake van een persoonlijkheidsstoornis. Wel is er sprake van enige persoonlijkheidsproblematiek. Verdachte komt naar voren als een weinig gedifferentieerde man met weinig zicht op de eigen en andermans grenzen, met een geringe impulscontrole, een wat lacunaire gewetensfunctie en de neiging om onder stress innerlijke spanningen naar buiten toe af te reageren. Onder relatief “normale” levensomstandigheden is verdachte in staat om een redelijk stabiel psychisch evenwicht te bewaren. Hoogstens onder stress en dit met name op het intieme vlak is er een mogelijkheid dat verdachte naar buiten toe (agressief) afreageert. Over de toerekenbaarheid en het recidive risico is geen uitspraak gedaan.

Verdachte heeft van 24 oktober 2013 tot 12 december 2013 in het Pieter Baan Centrum verbleven. Geconstateerd is dat verdachte aanvankelijk weigerde mee te werken en in een later stadium beperkt heeft meegewerkt. Omdat het onderzoek beperkt is gebleven, kon niet worden vastgesteld of er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. Verdachte komt naar voren als een weinig autonome man die ondanks goede intellectuele capaciteiten niet optimaal functioneert op relevante levensterreinen. Antisociale gedragskenmerken vormen vooral de buitenkant van verdachtes persoonlijkheidsproblematiek, er is onvoldoende zicht op de onderliggende persoonlijkheidsstructuur. Er is geen uitspraak gedaan over de toerekenbaarheid en het recidiverisico.

De rechtbank concludeert dat verdachte niet volledig heeft meegewerkt en deels sociaal wenselijke antwoorden heeft gegeven, waardoor de deskundigen geen uitspraken hebben kunnen doen over de mate van toerekeningsvatbaarheid. De rechtbank dient er als gevolg van deze opstelling van verdachte derhalve van uit te gaan dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van het feit.

Voorts heeft verdachte door zijn ontkenning geen volledige openheid van zaken gegeven. Verdachte heeft geen inzicht willen geven in het waarom van zijn handelen. De rechtbank acht dan ook geen redenen aanwezig die verdachte zouden kunnen verontschuldigen of die mogelijk tot een beter begrip van het door hem gepleegde feit hadden kunnen leiden. De rechtbank zal verdachte dan ook ten volle verantwoordelijk houden voor hetgeen hij [slachtoffer] heeft aangedaan.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de omstandigheid dat verdachte weliswaar een strafblad heeft, maar dat daarop geen geweldsdelicten staan.

De officier van justitie heeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geëist van drie jaar.

Zij is daarbij uitgegaan van een bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling. Mede gelet op de omstandigheid dat de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag, is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank neemt in aanmerking dat in de jurisprudentie doorgaans voor een voltooide doodslag als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaar wordt gehanteerd. Aangezien het slachtoffer in dit geval een zeer jong en weerloos kindje betreft dat in de huiselijke kring ernstig is mishandeld, zal de rechtbank echter als uitgangspunt nemen een gevangenisstraf van tien jaar. Voor een niet voltooid delict dient een straf te worden opgelegd die één derde lager uitvalt dan wanneer het delict voltooid zou zijn geweest. De rechtbank zal in dit specifieke geval echter niet deze volledige aftrek in rekening brengen gelet op de ernstige medische gevolgen voor [slachtoffer]. De verwachting is immers dat zij de gevolgen van verdachtes handelen voor de rest van haar leven zal moeten dragen. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Primair: poging tot doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kok, mr. Struijs en mr. De Weert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Korsten, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op

24 juni 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer 2012266979 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 1504. Het geschrift, te weten het medische dossier van huisarts Woudenberg d.d. 27 december 2012, pagina 796 van voornoemd eind-proces-verbaal.

2 Het deskundigenverslag, te weten het rapport inhoudende het medisch-forensisch onderzoek door de heer Karst van het NFI d.d. 12 maart 2014, opgenomen in de ordner van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek en behorend bij voornoemd eind-proces-verbaal, pagina 61.

3 Het deskundigenverslag, te weten het rapport inhoudende het medisch-forensisch onderzoek door de heer Karst van het NFI d.d. 12 maart 2014, opgenomen in de ordner van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek en behorend bij voornoemd eind-proces-verbaal, pagina 71.

4 Het deskundigenverslag, te weten het rapport inhoudende het medisch-forensisch onderzoek door de heer Karst van het NFI d.d. 12 maart 2014, opgenomen in de ordner van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek en behorend bij voornoemd eind-proces-verbaal, pagina 72.

5 Het deskundigenverslag, te weten het rapport inhoudende het medisch-forensisch onderzoek door de heer Karst van het NFI d.d. 12 maart 2014, opgenomen in de ordner van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek en behorend bij voornoemd eind-proces-verbaal, pagina’s 72 en 73.

6 Het deskundigenverslag, te weten het rapport inhoudende het medisch-forensisch onderzoek door de heer Karst van het NFI d.d. 12 maart 2014, opgenomen in de ordner van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek en behorend bij voornoemd eind-proces-verbaal, pagina 74.

7 De verklaring van deskundige de heer W.A. Karst, afgelegd op de zitting van 13 maart 2014.

8 Het deskundigenverslag, te weten het rapport inhoudende het medisch-forensisch onderzoek door de heer Karst van het NFI d.d. 12 maart 2014, opgenomen in de ordner van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek en behorend bij voornoemd eind-proces-verbaal, pagina 74.

9 Het deskundigenverslag, te weten het rapport inhoudende het medisch-forensisch onderzoek door de heer Karst van het NFI d.d. 12 maart 2014, opgenomen in de ordner van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek en behorend bij voornoemd eind-proces-verbaal, pagina 75.

10 De verklaring van deskundige de heer W.A. Karst, afgelegd op de zitting van 13 maart 2014.

11 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, pagina 100 van voornoemd eind-proces-verbaal en de processen-verbaal van verhoor van medeverdachte [naam moeder], pagina’s 149 en 185 van voornoemd eind-proces-verbaal.

12 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [naam moeder], pagina 185 van voornoemd eind-proces-verbaal.

13 De verklaring van deskundige de heer W.A. Karst, afgelegd op de zitting van 27 mei 2014.

14 De verklaring van deskundige de heer W.A. Karst, afgelegd op de zitting van 27 mei 2014.

15 Het deskundigenverslag, te weten het rapport inhoudende het medisch-forensisch onderzoek door de heer Karst van het NFI d.d. 12 maart 2014, opgenomen in de ordner van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek en behorend bij voornoemd eind-proces-verbaal, pagina 73.

16 Het deskundigenverslag, te weten het rapport inhoudende het medisch-forensisch onderzoek door de heer Karst van het NFI d.d. 12 maart 2014, opgenomen in de ordner van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek en behorend bij voornoemd eind-proces-verbaal, pagina 73.