Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:4086

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-06-2014
Datum publicatie
16-06-2014
Zaaknummer
AWB- 14_2985
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom op goede gronden opgelegd. Verzoek voorlopige voorziening afgewezen. Begunstigingstermijn ambtshalve verlengd tot 13 juni 2014.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 14/2985 GEMWT VV

uitspraak van 12 juni 2014 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

1.

[naam verzoekster1] en [naam verzoeker1]

2.

[naam verzoekster2].,

wonende en gevestigd te [plaatsnaam], verzoekers,

gemachtigde: ing. [naam gemachtigde],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalburg, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam derde partij], te [woonplaats],

gemachtigde: [naam gemachtigde].

Procesverloop

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 februari 2014 (bestreden besluit) van het college inzake het opleggen van een last onder dwangsom. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om hangende het bezwaar een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 5 juni 2014. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam vertegenwoordiger] en mr. [naam vertegenwoordiger]. Derde partij is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

1.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekers sub 1 zijn eigenaar van de percelen gelegen achter het perceel aan [adres] te [plaatsnaam], kadastraal bekend gemeente Aalburg, Sectie F, nummer 3607 (perceel F3607) en nummer 56 (perceel F56). Verzoeker sub 2 gebruikt het perceel F3607 voor bedrijfsmatige activiteiten.

Bij controle van 19 februari 2007 heeft een medewerker van Bouw- en Woningtoezicht geconstateerd dat op perceel F3607 bouwwerkzaamheden plaatsvonden, te weten de bouw van een loods, zonder dat voor deze werkzaamheden een bouwvergunning was verleend op grond van de Woningwet. Dit heeft geleid tot het besluit van het college van 20 februari 2007 inzake stillegging van de bouwwerkzaamheden (bouwverbod) met daaraan gekoppeld de oplegging van een last onder dwangsom. Het door verzoekers sub 1 daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank Breda ongegrond verklaard bij uitspraak van 16 april 2008 (ECLI:NL:RBBRE:2008:1222).

Bij brief van 16 oktober 2012 heeft belanghebbende, die woont op het perceel aan [adres] te[plaatsnaam], het college verzocht om handhavend op te treden tegen de niet legaal aanwezige bebouwing op beide percelen en het gebruik van beide percelen in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

Bij controles van 11 juni 2013 en 30 januari 2014 hebben gemeentelijke toezichthouders onder meer geconstateerd dat op het perceel F3607 de loods, waarvoor in 2007 een bouwstop is opgelegd, verder is afgebouwd en wordt verhuurd aan [naam verzoekster2]., de kweektunnel wordt gebruikt voor opslag van privéspullen en de gronden van het perceel worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten van [naam verzoekster2] voor onder meer de opslag van materialen en machines. Verder is geconstateerd dat op het perceel F56 een overkapping is gebouwd, waarvoor geen vergunning is verleend, en de gronden van het perceel worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten voor onder meer voor de opslag van materialen en machines.

Bij het bestreden besluit heeft het college aan[naam verzoekster1] een last onder dwangsom opgelegd. In het besluit is zij gelast om:

  1. de loods op het perceel F3607 binnen een termijn van dertien weken na de dag van verzending van het besluit volledig te (doen) verwijderen en verwijderd te (doen) houden. Dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per maand dat wordt geconstateerd dat niet wordt voldaan aan de last, met een maximum van € 100.000,-;

  2. het gebruik van het perceel F3607 voor activiteiten die geen relatie hebben met agrarische bedrijfsdoeleinden binnen een termijn van dertien weken na de dag van verzending van het besluit te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden. Het gaat hierbij om het gebruik van de gronden van dit perceel, maar ook het gebruik van de kweektunnel op dit perceel. Dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per maand dat wordt geconstateerd dat niet wordt voldaan aan de last, met een maximum van € 100.000,-;

  3. de overkapping op het perceel F56 binnen termijn van dertien weken na de dag van verzending van het besluit volledig te (doen) verwijderen en verwijderd te (doen) houden. Het gaat hierbij om de overkapping van 13,5 meter bij 12,5 meter met een hoogte van circa 3,5 tot 4 meter. Dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per maand dat wordt geconstateerd dat niet wordt voldaan aan de last, met een maximum van € 100.000,-;

  4. het gebruik van het perceel F56 voor opslag van materialen en machines voor niet agrarische bedrijfsactiviteiten binnen een termijn van dertien weken na de dag van verzending van het besluit volledig te (doen) verwijderen en verwijderd te (doen) houden. Dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per maand dat wordt geconstateerd dat niet wordt voldaan aan de last, met een maximum van € 50.000,-.

Verzoekers sub 1 hebben daartegen bezwaar gemaakt.

2.

Verzoekers hebben, samengevat, aangevoerd dat het college ten onrechte de last onder dwangsom heeft opgelegd. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting richt het verzoek zich met name tegen het verwijderen van de loods op het perceel F3607, de opgelegde last onder 1). Volgens verzoekers had het college van handhavend optreden moeten afzien, nu er sprake is van concreet zicht op legalisering van de loods. Bovendien mochten verzoekers erop vertrouwen dat van handhaving zou worden afgezien als gevolg van de gedane toezeggingen en gewekte verwachtingen. Hiertoe voeren verzoekers aan dat reeds in 2008 door het college is toegezegd dat een ruimtelijke procedure zou worden opgestart om de loods op het perceel F3607 te legaliseren. Nu een nieuw bestemmingsplan in procedure is gebracht had het college de legalisering van de loods in dit nieuwe bestemmingsplan moeten meenemen. Verzoekers hebben daarom een inspraakreactie op het voorontwerpbestemmingsplan ingediend met het verzoek alsnog de opgenomen agrarische bestemming te wijzigen naar een bestemming die bedrijfsmatige, niet-agrarische, activiteiten toestaat. Dit overeenkomstig de in 2008 gedane toezeggingen en gewekte verwachtingen, aldus verzoekers.

Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.

3.

De voorzieningenrechter beoordeelt allereerst of verzoeker sub 2 kan worden ontvangen in zijn verzoek om voorlopige voorziening.

Gelet op het bepaalde in artikel 8:81, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen hangende een bezwaarschriftprocedure alleen de indieners van het bezwaarschrift een verzoek om een voorlopige voorziening doen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat in dit geval verzoeker sub 2 geen bezwaar heeft gemaakt tegen het bestreden besluit. Als gevolg hiervan moet verzoeker sub 2 in haar verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk worden verklaard.

Nu verzoekers sub 1 wel ontvankelijk zijn in hun verzoek, komt de voorzieningenrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

4.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank, die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

5.

Op grond van artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang. Op grond van het tweede lid wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Artikel 5:32, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in de plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen.

Op grond van artikel 5:31d, aanhef en onder a en b, van de Awb wordt onder een last onder dwangsom verstaan: de herstelsanctie, inhoudende een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding en de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) – voor zover hier van belang – is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit (a) het bouwen van een bouwwerk en (c) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

6.

De percelen F3607 en F56 zijn gelegen binnen het bestemmingsplan “Wijk en Aalburg”. Op beide percelen rust de bestemming ‘Agrarisch kernrandgebied’.

Op grond van artikel 9, onder A, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan – voor zover hier van belang – zijn de gronden aangewezen voor ‘Agrarisch kernrandgebied’ bestemd voor agrarische bedrijfsdoeleinden met de daarbij behorende bebouwing en voorzieningen, waterlopen, schouwpaden, kleinschalig bos en groen met een afschermende werking.

Artikel 9, onder B, van de voorschriften – voor zover hier van belang – bepaalt dat op de tot ‘Agrarisch kernrandgebied’ bestemde gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd tot een hoogte van maximaal 2,50 meter.

7.

De voorzieningenrechter dient te beoordelen of het college op goede gronden de last onder dwangsom aan verzoekers heeft opgelegd. In dat kader moet allereerst de vraag worden beantwoord of het college in dit geval bevoegd is om handhavend op te treden.

Tussen partijen is niet in geschil en ook de voorzieningenrechter stelt vast dat op de percelen F3607 en F56 vergunningplichtige bouwwerkzaamheden, te weten de bouw van een loods en de bouw van een overkapping, zijn verricht zonder een daartoe strekkende vergunning en zijn gerealiseerd in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Wijk en Aalburg”. Eveneens is het gebruik van de bouwwerken en de gronden van de percelen voor niet agrarische bedrijfsdoeleinden in strijd met het geldende bestemmingsplan.

Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het college bevoegd is om handhavend op te treden tegen verzoekers wegens overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo.

8.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS, zie onder meer de uitspraak van 28 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:959) zal – gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving – in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om handhavend op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan dit niet doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat daarom van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

9.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is geen sprake van concreet zicht op legalisering.

Hierbij is in de eerste plaats van belang dat verzoekers daartoe geen formele aanvraag hebben ingediend. Het betoog van verzoekers, dat de brief van 27 juni 2008 van mr. [naam persoon], waarbij een schetsplan voor de loods is ingediend, als aanvraag moet worden aangemerkt en het college daarop nog niet heeft besloten, kan niet slagen. Bij brief van 15 oktober 2008 heeft het college gereageerd op deze brief, inhoudende dat het op dat moment nog niet mogelijk was om een uitspraak te doen over de haalbaarheid van het bouwplan. Verder is door verzoekers betoogd dat in het verleden, nog voor het jaar 2008, een aanvraag is ingediend. Het college heeft ter zitting verklaard dat deze bouwaanvraag niet in de archieven is aangetroffen. Evenmin hebben verzoekers aannemelijk gemaakt dat deze aanvraag is ingediend.

Voorzover verzoekers stellen dat op grond van het nieuwe voorontwerpbestemmingsplan sprake is van concreet zicht op legalisering is van belang dat, volgens vaste rechtspraak van AbRS, pas sprake kan zijn van concreet zicht op legalisering indien ten minste een daartoe strekkend ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd. Nu tijde van het nemen van het bestreden besluit nog geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage was gelegd, en momenteel nog steeds niet, kan daar door verzoekers geen beroep op worden gedaan. Bovendien worden in het voorontwerpbestemmingsplan de illegale situaties op de percelen niet gelegaliseerd en is vooralsnog niet aannemelijk dat dit in het ontwerpbestemmingsplan, naar aanleiding van de door verzoekers ingediende inspraakreactie, wordt gewijzigd.

10.

Wat betreft de beoordeling of sprake is van bijzondere omstandigheden die zich tegen handhavend optreden verzetten, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is, volgens vaste rechtspraak van de AbRS (zie bijvoorbeeld 4 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1029), nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

Daar is in dit geval niet van gebleken. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat in de jaren 2007 en 2008 met verzoekers is gesproken en gecorrespondeerd over de mogelijkheid tot legalisering van de loods. Dit heeft echter niet geleid tot legalisering van de loods.

Uit de brieven van 12 december 2007 en 15 oktober 2008 blijkt dat het college richting verzoekers duidelijke voorbehouden gemaakt wat betreft de legalisering van de loods. Gelet hierop is geen sprake van een concrete, ondubbelzinnige toezegging, waaraan verzoekers rechtens te honoreren verwachtingen aan konden ontlenen dat het college niet handhavend zou gaan optreden en de loods zou gaan legaliseren.

Zo is in de brief van 12 december 2007 aangegeven dat het recente verleden, herhaaldelijk, heeft uitgewezen dat de gemeente en de provincie geen bedrijvigheid voorstaan aan [straatnaam] en dit beleid ongewijzigd van kracht is. Voorts is in de brief van 15 oktober 2008 aangegeven dat het niet mogelijk is om al een uitspraak te doen over de haalbaarheid van het bouwplan van verzoekers, dat ziet op legalisering van de loods, en dat pas ten tijde van een definitieve procedure hierover duidelijkheid kan worden verkregen.

11.

Gelet op het voorgaande heeft het college, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, de last onder dwangsom op goede gronden opgelegd. Het verzoek van verzoekers sub 1 wordt afgewezen. Om verzoekers alsnog in de gelegenheid te stellen om aan de lasten te voldoen, bepaalt de voorzieningenrechter ambtshalve dat de begunstigingstermijn van de lasten wordt verlengd tot 13 juni 2014. Dit betekent dat verzoekers, gelet op het feit dat de dwangsommen per maand worden verbeurd, tot 13 juli 2014 hebben om aan de lasten te voldoen, alvorens zij dwangsommen verbeuren.

12.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker sub 2 niet-ontvankelijk;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekers sub 1 af;

  • -

    bepaalt ambtshalve dat de begunstigingstermijn wordt verlengd tot 13 juni 2014.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.M.A. Laheij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.