Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:3951

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-06-2014
Datum publicatie
03-07-2014
Zaaknummer
AWB-13_5656
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Motorrijtuigenbelasting: matiging verzuimboete omdat belanghebbende voor twee soortgelijke verzuimen (niet voldoen aan voorwaarden van de handelaarsregeling) binnen een week is gestraft.

Wetsverwijzingen
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1364
V-N 2014/40.26.23
FutD 2014-1562
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummers AWB 13/5656 en AWB 13/5657

uitspraak van 4 juni 2014

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

Met betrekking tot procedurenummer AWB 13/5656:

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 20 september 2013 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en de bij beschikking opgelegde boete (aanslagnummer: [aanslagnummer].Y.2.90001)

Met betrekking tot procedurenummer AWB 13/5657:

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 20 september 2013 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en de bij beschikking opgelegde boete (aanslagnummer: [aanslagnummer].Y.2.90002).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2014.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende,[A] en namens de inspecteur, [verweerder].

1 Beslissing

Zaak AWB 13/5656:

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Zaak AWB 13/5657:

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de boete gegrond;

- vernietigt de boetebeschikking en de uitspraak op bezwaar tegen de boetebeschikking;

- stelt de boete vast op € 208;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- gelast dat verweerder het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 318 aan haar vergoedt.

2 Gronden

2.1.

De personenauto van het merk Dodge met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) was in de periode van 11 januari 2013 tot en met 15 mei 2013 opgenomen in de bedrijfsvoorraad van belanghebbende. Een klant mocht de auto voor een proefperiode van 19 maart 2013 tot en met 30 maart 2013 meenemen en heeft daarbij met de chef van de werkplaats afgesproken om de auto (tijdig) op diens naam te zetten. De klant heeft dat echter niet gedaan.

2.2.

Volgens het bij het verweerschrift gevoegde “controleformulier Bedrijfsvoorraad” is op 19 maart 2013 geconstateerd dat met de voormelde auto gebruik werd gemaakt van de weg, zijnde de Rijksweg A16 ter hoogte van hectometerpaal 68,5 (nabij Industrieterrein Hazeldonk/knooppunt Galder te Rijsbergen/Breda) zonder dat daarbij handelaarskentekenplaten (hierna: handelaarsplaten) werden gevoerd. Vanwege deze constatering heeft de inspecteur op grond van artikel 69, eerste lid van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB) op 25 juli 2013 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd over de periode van 20 maart 2012 tot en met 19 maart 2013 naar een bedrag van € 416. Gelijktijdig heeft de inspecteur bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 416. De inspecteur heeft het tegen deze naheffingsaanslag en verzuimboete gerichte bezwaar ongegrond verklaard. Het beroep tegen die uitspraken op bezwaar is bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer AWB 13/5656.

2.3.

Volgens het bij het verweerschrift gevoegde “controleformulier Bedrijfsvoorraad” is op 25 maart 2013 geconstateerd dat met de voormelde auto gebruik werd gemaakt van de weg, zijnde de Rijksweg A16 ter hoogte van hectometerpaal 69,9 (nabij Industrieterrein Hazeldonk/knooppunt Galder te Rijsbergen/Breda) zonder dat daarbij handelaarskentekenplaten (hierna: handelaarsplaten) werden gevoerd. Vanwege deze constatering heeft de inspecteur op grond van artikel 69, eerste lid van de Wet MRB op 25 juli 2013 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd over de periode van 26 maart 2012 tot en met 25 maart 2013 naar een bedrag van € 416. Gelijktijdig heeft de inspecteur bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 416. De inspecteur heeft het tegen deze naheffingsaanslag en verzuimboete gerichte bezwaar ongegrond verklaard. Het beroep tegen die uitspraken op bezwaar is bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer AWB 13/5657.

2.4.

De auto is op 11 mei 2013 verkocht aan de klant. De overschrijving in het Kentekenregister heeft plaatsgevonden op 16 mei 2013.

2.5.

In geschil is het antwoord op de vraag of de onderhavige naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting terecht zijn opgelegd en of terecht en naar het juiste bedrag verzuimboetes zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

Ten aanzien van de naheffingsaanslagen

2.6.

Ten aanzien van motorrijtuigen die op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet MRB behoren tot de bedrijfsvoorraad geldt dat bij gebruik van de weg op grond van artikel 37 Wegenverkeerswet en artikel 44, derde lid, van het Kentekenreglement de zogenoemde handelaarsplaten moeten worden gevoerd. Indien niet wordt voldaan aan de krachtens artikel 1, tweede lid, van de Wet MRB gestelde voorwaarden kan de belasting op grond van artikel 69, eerste lid van de Wet MRB worden nageheven. In het tweede lid van artikel 69 van de Wet MRB is bepaald dat geheven wordt over een tijdsduur van twaalf maanden waarbij de laatste dag gelijk is aan de dag waarop wordt geconstateerd dat de auto in strijd met de voormelde voorwaarden gebruik maakt van de weg.

2.7.

Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat uit de bijgevoegde foto ’s niet kan worden afgeleid dat het om haar auto gaat. De rechtbank overweegt hierover dat op de foto ’s het kenteken van de auto van belanghebbende duidelijk zichtbaar en herkenbaar is en dat belanghebbende overigens niets heeft aangevoerd op grond waarvan aangenomen zou moeten worden dat het niet de auto van belanghebbende betreft. Op dit punt is het gelijk aan de inspecteur.

2.8.

Niet in geschil is dat de auto ten tijde van de controle niet voorzien was van geldige handelaarsplaten. Door het rijden met de auto op de openbare weg is mitsdien, alleen al om die reden, gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 44 van het Kentekenreglement. Gelet op het vorenoverwogene is met de auto gebruik gemaakt van de weg zonder dat voldaan is aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet MRB en is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Dat de klant de bestuurder was van de auto en met de klant was afgesproken dat hij de auto op zijn naam zou overschrijven doet aan die conclusie niet af. Belanghebbende blijft verantwoordelijk voor de auto zolang die op haar naam staat. In die zin kan niet worden gezegd dat zij het gebruik van de auto redelijkerwijze niet heeft kunnen voorkomen. De naheffingsaanslagen zijn terecht aan belanghebbende, als de houder van het kenteken, opgelegd.

2.9.

Voor zover belanghebbende zich beklaagt over het feit dat over dezelfde periode twee naheffingsaanslagen zijn opgelegd, overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AV1717) mogen ingevolge artikel 69, tweede lid Wet MRB bij constateringen van gebruik van de weg op verschillende kalenderdagen verschillende naheffingsaanslagen worden opgelegd. Dat betekent dat heffingsperioden elkaar daardoor mogen overlappen.

2.10.

Gelet op het vorenoverwogene is het beroep met betrekking tot de naheffingsaanslagen ongegrond verklaard.

Ten aanzien van de verzuimboetes

2.11.

De inspecteur heeft in overeenstemming met het bepaalde in artikel 70 juncto artikel 37 van de wet MRB alsmede artikel 67c van de AWR en paragraaf 34, onderdeel 2, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB) verzuimboetes opgelegd van 100% van het bedrag van de naheffingsaanslag.

2.12.

Belanghebbende stelt dat de boetes moeten worden vernietigd omdat hetzelfde feit nu tweemaal wordt bestraft. Daarmee gaat belanghebbende echter voorbij aan het feit dat de verzuimboetes worden opgelegd ter zake van het niet voldoen aan de voorwaarden van het gebruik van de handelaarsplaten. Dit betekent dat twee verschillende feiten zijn beboet, namelijk het niet voldoen aan de voorwaarden van de handelaarsregeling op 19 maart 2013 èn 25 maart 2013.

2.13.

Het opleggen van een verzuimboete kan achterwege blijven indien er sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). Belanghebbende stelt hiertoe dat de directeur ten tijde van de constateringen van het gebruik van de openbare weg in het buitenland was en daardoor niet kon toezien op naleving van de voorwaarden van de handelaarsregeling. Bovendien had de directeur met de klant afgesproken dat die de auto tijdelijk op diens naam zou zetten. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Van belanghebbende mag als autohandelaar worden verwacht dat zij bekend is met de relevante wet- en regelgeving omtrent de motorrijtuigenbelasting. Belanghebbende moet dan ook weten dat zij als houder van de auto verantwoordelijk is voor het naleven van die wet- en regelgeving. Dat de directeur van belanghebbende ten tijde van de proefperiode in het buitenland was en dat de klant de gemaakte afspraken niet is nagekomen, maakt die conclusie niet anders. Belanghebbende blijft verantwoordelijk voor de auto zolang die op haar naam staat. Zoals reeds eerder overwogen kan niet worden gezegd dat hij het gebruik van de auto redelijkerwijze niet heeft kunnen voorkomen. Van avas is aldus geen sprake, zodat terecht verzuimboetes zijn opgelegd.

2.14.

Ingevolge paragraaf 7, vierde lid van het BBBB kan een verzuimboete worden gematigd indien sprake is van verzachtende omstandigheden. Daarbij is onder meer van belang of het verzuim is ontstaan door gebeurtenissen die buiten de (directe) invloedssfeer van belanghebbende lagen en in hoe verre belanghebbende maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van dat verzuim. Vast staat dat de directeur van belanghebbende met zijn chef werkplaats had afgesproken dat de klant de auto op zijn naam zou laten zetten om zo te voorkomen dat in strijd met de handelaarsregeling gebruik zou worden gemaakt van de auto. Ter zitting heeft de directeur van belanghebbende gesteld dat hij vanwege zijn verblijf in het buitenland niet bij machte was om op de naleving van die afspraak toe te zien. Naar het oordeel van de rechtbank vormt het voorgaande geen reden tot matiging van de boete. Immers, belanghebbende is eigenaar van een autobedrijf en in die hoedanigheid wordt hij geacht op de hoogte te zijn van het feit dat hij zelf verantwoordelijk blijft voor de handelingen die met de auto worden verricht. Wel ziet de rechtbank in de omstandigheid dat belanghebbende voor twee soortgelijke verzuimen binnen een week gestraft is, reden voor matiging van de boete ter zake van het op 25 maart 2013 begane verzuim tot € 208 (50%). De rechtbank acht die boete en de boete van € 416 voor het verzuim op 19 maart 2013 passend en geboden.

2.15.

Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de naheffingsaanslagen en boetes moeten worden vernietigd aangezien de naheffingsaanslag die is opgelegd als gevolg van de constatering van gebruik van de openbare weg van 30 maart 2013, wèl zijn vernietigd. De rechtbank merkt dit aan als een beroep op het gelijkheidsbeginsel en overweegt daarover als volgt. Ter zitting is vast komen te staan dat de desbetreffende naheffingsaanslag en verzuimboete bij de uitspraak op bezwaar van 20 september 2013 zijn vernietigd omdat niet kon worden vastgesteld of de handelaarsplaten al dan niet waren gevoerd. Nu in het onderhavige geval wèl vast staat dat de auto ten tijde van de controle niet voorzien was van geldige handelaarsplaten, is van gelijke gevallen geen sprake en kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel reeds om die reden niet slagen.

2.16.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard.

2.17.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, nu niet gebleken is dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Deze uitspraak is gedaan op 4 juni 2014 door mr.drs. M.M. de Werd, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. Hermus, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.