Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:3822

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
03-07-2014
Zaaknummer
AWB-13_4464
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:2762, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid.

Artikel 7, tweede lid van het Uitvoeringsbesluit invorderingswet 1990. Melden betalingsonmacht niet meer mogelijk.

Een werknemer van de BV maakte veel fouten in de administratie. Op basis van deze administratie heeft de BV onjuiste aangiftes OB ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank had het bestuur van de BV de controlerende taak te bezien of haar werknemers hun werkzaamheden naar behoren uitoefenden. Nu het bestuur van de BV haar controlerende taak in onvoldoende mate uitvoerde, staat vast dat de naheffingsaanslag, die opgelegd is als gevolg van de te lage aangiftes OB, is te wijten aan grove schuld van (het bestuur van) de BV.

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1365
V-N 2014/38.24.11
FutD 2014-1561
mr. M.C.J. Kop annotatie in NTFR 2014/2325
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 13/4464

Uitspraak van 28 mei 2014

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [plaats X],

belanghebbende,

en

de ontvanger van de Belastingdienst,

de ontvanger.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de ontvanger van 1 augustus 2013 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking aansprakelijkstelling met kenmerk [aanslagnummer].AS12002.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2014 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, [A], enig aandeelhouder en bestuurder van belanghebbende, bijgestaan door [B], alsmede de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Nijmegen, en namens de ontvanger, [verweerder]. Daar zijn gezamenlijk behandeld de zaken met de procedurenummers AWB 13/4463 tot en met AWB 13/4466.

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar, behoudens de beslissing omtrent de proceskostenvergoeding;

  • -

    vermindert de beschikking aansprakelijkstelling tot een bedrag van € 121.099;

- veroordeelt de ontvanger in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 365,25;

- gelast dat de ontvanger het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 318 aan deze vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende is bestuurder van [A BV] (de BV).

2.2.

Op 9 januari 2012 heeft bij de BV een boekenonderzoek omzetbelasting over de jaren 2006 tot en met 2010 plaatsgevonden.

2.3.

In het rapport van 30 juli 2012 dat is opgemaakt naar aanleiding van het boekenonderzoek welke bij de BV heeft plaatsgevonden is aangegeven dat een werknemer van de BV dusdanig veel fouten heeft gemaakt bij het boeken van de administratie in het boekhoudprogramma Navision, dat de administratie van de BV geen leidraad kan zijn voor het doen van aangiften omzetbelasting. Tevens is aangegeven dat er over de jaren 2007 tot en met 2009 te weinig omzetbelasting is afgedragen en dat dit het gevolg is van opzet.

2.4.

Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur met dagtekening 28 augustus 2012 aan de BV een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de tijdvakken 1 januari 2007 tot en met 31 december 2009 van € 121.099, alsmede een in hetzelfde geschrift vervatte boetebeschikking van € 40.000 en tevens een beschikking heffingsrente van € 13.449.

2.5.

Na het uitblijven van betaling door de BV heeft de ontvanger belanghebbende per brief met dagtekening 14 januari 2013 aansprakelijk gesteld voor de nog openstaande belastingschulden van de BV (inclusief heffingsrente) van totaal € 140.736, bestaande uit:

- de naheffingsaanslag omzetbelasting over de tijdvakken 1 januari 2007 tot en met 31 december 2009 ten bedrage van € 121.099, alsmede de daarbij in hetzelfde geschrift in rekening gebrachte heffingsrente van € 13.449;

- de naheffingsaanslag loonheffing over het tijdvak mei 2012 ten bedrage van € 474;

- de naheffingsaanslag loonheffing over het tijdvak juni 2012 ten bedrage van

€ 5.714.

2.6.

In de uitspraak op bezwaar heeft de ontvanger het bezwaar deels gegrond verklaard en het bedrag waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld verminderd met de loonbelastingschulden over mei en juni 2012 tot € 134.548.

2.7.

Ter zitting heeft de ontvanger aangegeven akkoord te gaan het bedrag van de aansprakelijkstelling te verminderen met de in rekening gebrachte heffingsrente van

€ 13.449. In zoverre is het beroep gegrond. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht op grond van artikel 36 van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) aansprakelijk is gesteld voor de nog openstaande belastingschulden van de BV over de tijdvakken 1 januari 2007 tot en met 31 december 2009 ten bedrage van € 121.099. De ontvanger beantwoordt de in geschil zijnde vraag bevestigend, belanghebbende ontkennend.

2.8.

Ingevolge artikel 36, tweede lid, van de IW is een lichaam verplicht om onverwijld nadat is gebleken dat het niet tot betaling van onder meer omzetbelasting in staat is, daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de ontvanger (de meldingsplicht). Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de meldingsplicht. Voldoet het lichaam niet op juiste wijze aan deze plicht dan is een bestuurder ingevolge artikel 36, vierde lid, aansprakelijk, met dien verstande dat wordt vermoed dat de niet betaling van belastingschulden aan hem te wijten is. Tot de weerlegging van dat vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat het lichaam niet aan zijn meldingsplicht heeft voldaan.

2.9.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 (Uitvoeringsbesluit) kan de betalingsonmacht ten aanzien van een naheffingsaanslag slechts succesvol gemeld worden, indien het niet aan opzet of grove schuld van de BV te wijten is dat de naheffingsaanslag is opgelegd.

2.10.

De ontvanger heeft zich op het standpunt gesteld dat het in het onderhavige geval aan opzet dan wel grove schuld van de BV te wijten is dat de naheffingsaanslag is opgelegd. De ontvanger heeft daartoe gesteld dat de BV over de betreffende jaren onjuiste aangiftes (naar te lage verschuldigde bedragen) omzetbelasting heeft gedaan en heeft hierbij verwezen naar het rapport van 30 juli 2012 inzake het bij de BV plaatsgevonden boekenonderzoek.

2.11.

Belanghebbende heeft gesteld dat het in het onderhavige geval niet aan opzet dan wel grove schuld van de BV te wijten is dat de naheffingsaanslag aan de BV is opgelegd. Belanghebbende heeft ter zitting aangegeven dat er weliswaar onjuistheden in de administratie van de BV zaten, maar dat dit belanghebbende niet kan worden aangerekend. Belanghebbende heeft aangegeven dat een voormalig werknemer van de BV de administratie foutief verwerkt heeft in het boekhoudprogramma Navision. Op basis van de in Navision (foutief) verwerkte gegevens heeft de BV de aangiftes gedaan. Vervolgens zijn de gegevens zoals deze in Navision zijn verwerkt doorgegeven aan de accountant. De accountant heeft op zijn beurt de aangedragen gegevens verwerkt in de jaarrekening. De onjuistheden in de administratie van de BV zijn daarbij door de accountant niet verbeterd, dan wel niet opgemerkt. Belanghebbende is uitgegaan van de door de accountant opgestelde jaarrekening en is zich niet bewust geweest van de daarin aanwezige onjuistheden. Belanghebbende heeft aangegeven zich enkel en alleen bezig te houden met de verkoop van jassen, niet met de financiën van de BV. Daarvoor heeft belanghebbende immers een accountant ingeschakeld, aldus belanghebbende. Belanghebbende heeft ter zitting aangegeven niet te weten wat er precies in de administratie is misgegaan.

2.12.

Naar het oordeel van de rechtbank is het aan grove schuld van de BV te wijten dat de naheffingsaanslag omzetbelasting aan de BV is opgelegd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat tussen partijen vaststaat dat de BV zelf zorg droeg voor het voeren van haar administratie, dat deze administratie onjuistheden bevatte en dat de BV op basis van deze administratie zelf, zonder dat de accountant daarbij betrokken was, haar aangiften omzetbelasting indiende. De constateringen van belanghebbende dat een werknemer van de BV de administratie onjuist heeft verwerkt en deze onjuistheden niet zijn opgemerkt door de accountant van de BV kunnen hier geen verandering in brengen. Het is immers de BV die zelf haar aangiften indiende en die in haar hoedanigheid als werkgever de controlerende taak had te bezien of haar werknemers hun werkzaamheden naar behoren uitoefenden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de BV haar controlerende taak in onvoldoende mate uitgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee vast dat de naheffingsaanslag, die opgelegd is als gevolg van de te lage aangiftes omzetbelasting, is te wijten aan grove schuld van de BV.

2.13.

Nu het opleggen van de naheffingsaanslag, naar het oordeel van de rechtbank, te wijten is aan grove schuld van de BV is het ingevolge artikel 7, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit niet mogelijk succesvol de betalingsonmacht te melden. Dat tussen partijen vaststaat dat de BV in de loop van 2012 al melding had gemaakt van haar betalingsonmacht doet aan het vorenstaande niet af.

2.14.

Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat de regeling van artikel 7, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit terzijde geschoven dient te worden, omdat belanghebbende uit de informatie zoals die is vermeld in de van de Belastingdienst afkomstige brochure “Aansprakelijkheid van bestuurders” het vertrouwen heeft ontleend dat de bovengenoemde regeling in het onderhavige geval geen toepassing vindt. Uit de brochure valt op te maken dat ook indien de naheffingsaanslag te wijten is aan opzet dan wel grove schuld van de BV, een melding betalingsonmacht mogelijk is. Nu de melding op grond van de brochure mogelijk is en tevens correct is gedaan, heeft belanghebbende de mogelijkheid tegenbewijs te leveren tegen het vermoeden dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur, aldus nog steeds belanghebbende.

2.15.

De rechtbank stelt voorop dat de door de Belastingdienst uitgegeven brochures over het algemeen slechts een informatief en voorlichtend karakter hebben, die een uitleg van de geldende regels in algemene zin bevatten en niet zien op specifieke situaties en geen specifieke toezeggingen inhouden. In slechts zeer uitzonderlijke gevallen zal informatie afkomstig uit een brochure wegens opgewekt vertrouwen voorrang genieten op een wettelijke regeling.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende uit de brochure bovendien redelijkerwijs niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat het melden van betalingsonmacht mogelijk was, indien de naheffingsaanslag te wijten was aan opzet dan wel grove schuld van de BV. De rechtbank verwijst hierbij naar hetgeen vermeld staat onder 4.2. van de brochure:

Let op!

Als de naheffingsaanslag is te wijten aan opzet of grove schuld van de onderneming, kunt u geen betalingsonmacht meer melden.”

Nu de brochure expliciet aangeeft dat het melden van betalingsonmacht in een dergelijk geval niet meer mogelijk is, faalt ook in dit opzicht, naar het oordeel van de rechtbank, belanghebbendes beroep op het opgewekt vertrouwen. Dit betekent tevens dat een al gedane melding van betalingsonmacht geen betekenis heeft voor een dergelijke naheffingsaanslag.

2.16.

Ook belanghebbendes beroep op door de Leidraad Invordering 2008 opgewekt vertrouwen wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de volgende in 36.5 van voornoemde Leidraad opgenomen passage, waarin expliciet is opgenomen dat in een situatie als de onderhavige geen melding van betalingsonmacht kan worden gedaan:

“De melding van betalingsonmacht kan niet worden gedaan voor zover het betreft een naheffingsaanslag die is opgelegd vanwege de omstandigheid dat de verschuldigde belasting meer beloopt dan die welke overeenkomstig de aangifte is dan wel had moeten worden afgedragen of voldaan, waarbij die omstandigheid is te wijten aan opzet of grove schuld van het lichaam.”

2.17.

Nu het beroep op het opgewekt vertrouwen faalt, is het ingevolge artikel 7, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit niet mogelijk voor de onderhavige, aan de BV opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting een melding betalingsonmacht te doen. Daarmee staat tevens vast dat belanghebbende geen tegenbewijsmogelijkheid heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de ontvanger de beschikking aansprakelijkstelling terecht genomen.

2.18.

Gelet op hetgeen vermeld is in 2.7 dient het bedrag van de aansprakelijkstelling echter te worden verminderd en is het beroep gegrond verklaard.

2.19.

De rechtbank vindt aanleiding de ontvanger te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Ter zitting zijn de zaken met de procedurenummers AWB 13/4463 tot en met AWB 13/4466 gezamenlijk behandeld. De rechtbank beschouwt deze zaken als samenhangende zaken en zal voor al deze zaken eenmaal een proceskostenvergoeding toekennen. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 974 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1) maal een factor 1,5 wegens meer dan drie samenhangende zaken is

€ 1.461. Aan belanghebbende wordt hiervan een vierde vergoed, te weten € 365,25.

Deze uitspraak is gedaan op 28 mei 2014 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr.drs. M.M. de Werd en mr.drs. M.M. Breij, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.A. de Paepe, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.