Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:336

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-01-2014
Datum publicatie
27-01-2014
Zaaknummer
C/02/262781 / HA ZA 13-279
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:1484
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

“Schending mededelingsplicht ex artikel 7:928 BW door verzekerde in het kader van een overlijdensrisicoverzekering”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 2, p. 104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/262781 / HA ZA 13-279

Vonnis van 22 januari 2014

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat: mr. J.L.A.M. van Os,

tegen

de naamloze vennootschap

NATIONALE-NEDERLANDEN LEVENSVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V. als rechtsopvolger van ING LEVENSVERZEKERING RETAIL N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat: mr. D. Knottenbelt.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Nationale Nederlanden genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 7 augustus 2013 met de daarin vermelde stukken,

  • -

    de bij akte van 20 december 2013 van de zijde van [eiseres] in het geding gebrachte producties genummerd 17 t/m 20,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie gehouden op 7 januari 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiseres] vordert:
1. voor recht te verklaren dat Nationale Nederlanden gehouden is de

overlijdensrisicoverzekering met polisnummer L30938132 na te komen;
2. bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Nationale Nederlanden te veroordelen tot

betaling van de verzekerde som van € 120.000,-- aan de begunstigde van de overlijdensrisicoverzekering met polisnummer L30938132, dan wel tot betaling van de verzekerde som van € 120.000,-- aan [eiseres], vermeerderd met rente en kosten.

2.2.

Nationale Nederlanden voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

De volgende feiten staan in rechte vast:
- [eiseres] is gehuwd geweest met de op 4 oktober 2011 overleden heer [naam X] (hierna: [naam X]).
- Op 31 mei 2010 heeft [naam X] zijn huisarts telefonisch verzocht om een verwijzing naar een medisch specialist in verband met een verdikking op zijn hoofd. De huisarts heeft [naam X] doorverwezen naar een medisch specialist; de huisarts heeft hem niet lichamelijk onderzocht.
- op 3 juni 2010 hebben [eiseres] en [naam X] een aanvraagformulier voor een overlijdensrisicoverzekering bij ING Levensverzekering Retail N.V. (hierna: ING) ondertekend. Op het aanvraagformulier staat als offertedatum 21 mei 2010 vermeld. [eiseres] en [naam X] hebben het aanvraagformulier ingevuld en ondertekend. Op pagina 4 van het aanvraagformulier staat onder meer het volgende vermeld:

“(…)
Ik heb alle gegevens naar waarheid ingevuld. Wanneer u dit aanvraagformulier niet juist of onvolledig invult, voldoet u niet aan uw mededelingsplicht (verzwijging). ING Levensverzekering Retail N.V. kan zich dan beroepen op de artikelen 7:928-7:930, 7:982 en 7:983 Burgerlijk Wetboek en hieraan de gevolgen verbinden, zoals het opzeggen van de verzekering, het weigeren van de uitkering of het beperken van de hoogte van de uitkering.(…)”

- Op 3 juni 2010 heeft [naam X] daarnaast een gezondheidsverklaring voor de bewuste overlijdensrisicoverzekering bij ING ondertekend waarop wordt gevraagd naar zijn gezondheidstoestand. Op de eerste pagina van de gezondheidsverklaring staat voor zover hier van belang het volgende vermeld:

“(…)

Het is zeer belangrijk dat u alle vragen juist en volledig beantwoordt.…

Vermeld al uw klachten, ook als u denkt dat deze niet belangrijk zijn of als geen arts heeft bezocht. Wanneer u deze gezondheidsverklaring niet juist of onvolledig invult, is er sprake van verzwijging. Dit kan betekenen dat de verzekering vernietigbaar is en dat de verzekeraar een verzoek om premievrijstelling afwijst of een uitkering bij arbeidsongeschiktheid of overlijden weigert.(…)”

Vraag 3 van het betreffende gezondheidsformulier luidt onder meer als volgt:

“(…)

3 Uw gezondheidstoestand

Heeft u hieronder een of meer categorieën aangekruist? Vul dan voor elke aandoening, ziekte of gebrek ook de vragen op de bijlage bij vraag 3 in, bijvoorbeeld over raadpleging huisarts/specialist, blijvend letsel of arbeidsongeschiktheid.


Lijdt u of heeft u geleden aan ᴏ A t/I …
een of meer van de volgende
aandoeningen, ziekten en/of
gebreken (hier vallen ook
klachten onder)?

Let op!
U moet ook een rubriek
aankruisen als u
- een huisarts, hulpverlener of arts
heeft geraadpleegd;

ᴏ H goed-of kwaadaardige zwelling of tumor, kwaadaardige aandoeningen, bloedziekte, bloedarmoede?
ᴏ J huidaandoeningen, spataderen, open been, fistels, trombose (…)”

Bij voormelde vraag heeft [naam X] categorie J aangekruist en in de bij vraag 3 behorende bijlage ingevuld dat hij in 2007 last heeft gehad van een fistel. Op de laatste pagina heeft [naam X] de gezondheidsverklaring ondertekend met als datum 3 juni 2010. Hierbij staat onder meer vermeld:

“(…)

Ondergetekende verklaart dat hij/zij kennis heeft genomen van de bij dit formulier behorende Toelichting op de gezondheidsverklaring, dat de antwoorden op bovenstaande vragen en de eventuele bijgevoegde bijlage (n) door hem/haar zijn gegeven en naar waarheid en volledig zijn vermeld, dat hij/zij zich ervan bewust is dat een onjuistheid of onvolledigheid in deze gezondheidsverklaring kan leiden tot verval van de rechten uit de overeenkomst(…)”

- De overlijdensrisicoverzekering bij ING is afgesloten met ingang van 2 juni 2010 met als einddatum 2 juni 2040. De premie per maand bedroeg € 29,51 per maand. Het polisblad vermeldt [naam X] als verzekerde en [eiseres] als verzekeringnemer en begunstigde. Aan de begunstigde komt bij overlijden van de verzekerde vóór de einddatum van het contract een bedrag vrij van € 120.000,--. Dit kapitaal daalt jaarlijks conform een aflossingsschema.

- Op 10 augustus 2010 is de verdikking op het hoofd van [naam X] in het ziekenhuis onderzocht en op 11 augustus 2011 operatief verwijderd. Na onderzoek is omstreeks 18 augustus 2010 gediagnosticeerd dat de betreffende verdikking op het hoofd van [naam X] een kwaadaardige vorm van huidkanker (maligne melanoom) betrof.

- Op 4 oktober 2011 is [naam X] aan de gevolgen van een maligne melanoom overleden.

- [eiseres] heeft het overlijden van [naam X] gemeld bij Nationale Nederlanden, zijnde de rechtsopvolger van ING als verzekeraar van de betreffende overlijdensrisicoverzekering.

- Bij brief van 1 december 2011 heeft Nationale Nederlanden [eiseres] medegedeeld dat het geringe tijdsverloop tussen de ingangsdatum van de overlijdensrisicoverzekering en het overlijden van [naam X] aanleiding is voor haar om nader advies in te winnen bij haar medisch adviseur.

- Bij brief van 28 februari 2012 heeft Nationale Nederlanden aan [eiseres] medegedeeld dat zij de door [eiseres] ingevulde en ondertekende vragenlijst heeft ontvangen en dat zij aan de Toetsingscommissie Gezondheidsgegevens (hierna: de Toetsingscommissie) heeft verzocht een onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van de claim van [eiseres] op de afgesloten overlijdensrisicoverzekering.

- Bij brief van 7 mei 2012 heeft de Toetsingscommissie aan [eiseres] onder meer geschreven dat [naam X] op de gezondheidsverklaring d.d. 3 juni 2010 geen volledige informatie heeft gegeven door slechts aan te geven dat hij in 2007 heeft geleden aan een fistel omdat hij in juli 2008 geopereerd is aan een tumor op het hoofd en hij in mei 2010 op eigen verzoek door zijn huisarts is verwezen naar een dermatoloog omdat de zwelling op zijn hoofd weer groeide. Daarnaast schrijft de Toetsingscommissie dat [naam X] gezien de voorgeschiedenis had moeten begrijpen dat hij van de huisartsconsultatie met het verzoek om verwijzing naar de dermatoloog melding had moeten maken, ook al was toen de ernst van de situatie wellicht nog niet duidelijk. De Toetsingscommissie beslist dat [naam X] jegens de verzekeringsmaatschappij in gebreke is geweest door zijn op
3 juni 2010 afgelegde gezondheidsverklaring niet naar waarheid in te vullen en daarin van de huidaandoening die al in 2008 bekend was geen mededeling te doen.

- Bij brief van 21 mei 2012 heeft [eiseres] de Toetsingscommissie verzocht haar standpunt te herzien omdat dit volgens [eiseres] - kort gezegd - is gebaseerd op onjuiste en/of onvolledige gegevens.

- Bij brief van 7 juni 2012 heeft Nationale Nederlanden aan [eiseres] medegedeeld dat de claim onder de polis wordt afgewezen omdat haar informatie is onthouden die voor een juiste beoordeling van het te verzekeren risico van belang was en dat zij om die reden bij de acceptatie van de verzekering geen verantwoorde afweging van het aangeboden risico heeft kunnen maken. Nationale Nederlanden beroept zich daarbij op het bepaalde in artikel 2 sub 2.2. van de polisvoorwaarden en artikel 7:930 BW.

- Bij brief van 29 juni 2012 deelt de Toetsingscommissie aan [eiseres] mede dat zij haar beslissing inhoudende dat [naam X] de gezondheidsverklaring niet volledig en naar waarheid heeft ingevuld handhaaft; zij erkent dat de informatie met betrekking tot de medische geschiedenis uit 2008 onjuist was. De Toetsingscommissie concludeert op basis van alle beschikbare gegevens dat [naam X] de zwelling op zijn hoofd niet als een eenvoudige wrat had mogen beschouwen toen hij op 3 juni 2010 zijn gezondheidsverklaring invulde. Naar het oordeel van de Toetsingscommissie had [naam X] in de bewuste gezondheidsverklaring bij vraag 3 onder letter H resp. letter J de zwelling moeten vermelden, zeker omdat hij ten al om een verwijzing naar een dermatoloog had verzocht. Zij handhaaft dus haar afwijzing.

- Bij brief van 27 september 2012 heeft [eiseres] Nationale Nederlanden bericht zich niet te kunnen verenigen met door Nationale Nederlanden ingenomen standpunt bij brief van 7 juni 2012. Nationale Nederlanden heeft daarop bij brief van 2 november 2012 haar standpunt herhaald.

- Bij brief van 14 januari 2013 heeft een door [eiseres] ingeschakelde medisch adviseur
([naam Y]) geconcludeerd dat [naam X] de gezondheidsverklaring naar waarheid heeft ingevuld omdat [naam X] als leek de wrat waarvan hij geen klachten ondervond niet op het gezondheidsformulier diende te vermelden nu het niet de bedoeling kan zijn alle onschuldige probleempjes op de gezondheidsverklaring aan te geven.

- Bij brief van 20 februari 2013 heeft Nationale Nederlanden haar standpunt gehandhaafd. Nationale Nederlanden is niet tot uitkering onder de overlijdensrisicoverzekering overgegaan.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat Nationale Nederlanden aan haar als begunstigde op grond van de bewuste overlijdensrisicoverzekering het verzekerd bedrag van € 120.000,-- dient uit te keren nu [naam X] is overleden voor de einddatum van de verzekering. In de visie van [eiseres] heeft [naam X] het gezondheidsformulier naar waarheid ingevuld omdat de verdikking op het hoofd van [naam X] naar diens opvatting een wrat was die geen klachten veroorzaakte. Volgens [eiseres] bestaat bij ontevredenheid over een bepaald deel van het lichaam geen (medische) noodzaak voor het raadplegen van een specialist en kan de ontevredenheid van [naam X] over de wrat en de wens om deze te laten verwijderen niet worden gezien als een klacht, zodat hij het verzoek aan zijn huisarts voor een doorver-wijzing naar een medisch specialist niet op de gezondheidsverklaring hoefde aan te geven. Daarnaast stelt [eiseres] dat het niet geloofwaardig en voorstelbaar is dat Nationale Nederlanden de verzekering niet zou hebben gesloten, indien [naam X] de wrat wel op de gezondheidsverklaring had vermeld, omdat op het moment van toezending van de gezondheidsverklaring en totstandkoming van de verzekering ervan uit diende te gaan dat het een normale wrat betrof.

3.3.

Nationale Nederlanden stelt dat er sprake is van verzwijging ex artikel 7:928 BW en artikel 2.2. van de polisvoorwaarden en betwist dat zij uit hoofde van de betreffende verzekering gehouden is om over te gaan te uitkering. Nationale Nederlanden voert verder aan dat zij bij kennis van de ware stand van zaken geen overlijdensrisicoverzekering zou hebben gesloten.

3.4.

Als uitgangspunt geldt dat in artikel 7:928 lid 1 BW is bepaald dat een verzekering-nemer verplicht is vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen. In de Memorie van Antwoord is over het kennis-vereiste in dit artikellid opgemerkt dat omtrent de mate van objectivering die in het begrip 'behoort te kennen' en 'behoort te begrijpen' tot uitdrukking wordt gebracht, in algemene zin kan worden opgemerkt dat bij de beoordeling van de vraag welke feiten een verzekering-nemer behoort te kennen of wat hij behoort te begrijpen, moet worden uitgegaan van een behoorlijk en zorgvuldig verzekeringnemer en dat daarbij alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen. Ten aanzien van het kenbaarheidsvereiste geldt dat de mededelingsplicht beperkt is tot de feiten waarvan de verzekeringnemer weet, of waarvan hij behoort te begrijpen dat zij voor de verzekeraar van belang (kunnen) zijn. Aan de hand van de vragenlijst die door de verzekeraar is toegezonden, weet of behoort de verzekering-nemer te weten welke punten de verzekeraar interesseren en van belang acht. De verzeke-raar zal in beginsel afgaan op de juistheid en volledigheid van de antwoorden op de gestelde vragen. Tevens dient rekening te worden gehouden met de persoon en de omstandigheden van de verzekeringnemer. Artikel 7:930 BW en artikel 2.2. van de polisvoorwaarden bepalen de rechtsgevolgen van het niet nakomen van de mededelingsplicht voor het recht op uitkering.

3.5.

Gelet op het vorenstaande is relevant hetgeen Nationale Nederlanden aan [naam X] heeft gevraagd ten aanzien van zijn gezondheidstoestand. In de inleidende opmerkingen op de eerste pagina van de bewuste door [naam X] ingevulde gezondheidsverklaring is, onder het kopje 'Invullen van de vragen' onder meer opgemerkt: "Het is zeer belangrijk dat u alle vragen juist en volledig beantwoordt. (...) Vermeld al uw klachten, ook als u denkt dat deze niet belangrijk zijn of als u geen arts heeft bezocht. (...)".

Verder staat bij vraag 3 het volgende: Let op! U moet ook een rubriek aankruisen als u een huisarts, hulpverlener of arts heeft geraadpleegd.(…).

Bij de in voormelde vraag opgesomde rubrieken heeft [naam X] rubriek H goed-of kwaadaardige zwelling of tumor, kwaadaardige aandoeningen, bloedziekte, bloedarmoede niet aangekruist. [naam X] heeft rubriek J huidaandoeningen, spataderen, open been, fistels, trombose wel aangekruist en de toelichting gegeven dat hij in 2007 last heeft gehad van een fistel.

3.6.

De rechtbank is van oordeel dat [naam X] zijn mededelingsplicht als bedoeld in artikel 7:928 BW heeft geschonden. Vast staat immers dat [naam X] vóór ondertekening van de gezondheidsverklaring op 3 juni 2010 op 31 mei 2010 aan zijn huisarts een door verwijzing heeft gevraagd naar een medisch specialist voor verwijdering van de later gediagnosticeerde melanoom. Vast staat verder dat [eiseres] ter comparitiezitting heeft verklaard dat de door haar als wrat aangeduide huidaandoening op het hoofd van [naam X] er al een aantal maanden zat en wel iets was gegroeid. Gelet op de expliciete opmerkingen van Nationale Nederlanden ter zake het volledig en naar waarheid invullen van de gezondheids-verklaring, had [naam X] als behoorlijk en zorgvuldig verzekerde kunnen en behoren te weten dat de vraag naar eventuele consulten bij een huisarts van belang zou kunnen zijn voor Nationale Nederlanden. Het ging hier immers om een overlijdensrisicoverzekering, zodat hij naar het oordeel van de rechtbank bij vraag 3 van de bewuste gezondheidsverklaring melding had moeten maken van het telefonische consult met zijn huisarts op 31 mei 2010. Hieraan doet niet af dat [eiseres] aanvoert dat zowel [naam X] als zij in de veronderstelling verkeerde dat het een onschuldige wrat betrof en dat een bevriende huisarts (een klant van [naam X]) eveneens zou hebben gezegd dat het een wrat was die eenvoudig te verwijderen was, alsmede dat de wens tot verwijdering van de bewuste wrat voor [naam X] esthetisch van aard was. Het gaat hier immers om de beoordeling van het risico die Nationale Nederlanden als verzekeraar zou hebben gemaakt indien zij kennis zou hebben gehad van de juiste informatie. Hetzelfde geldt voor de door [eiseres] gegeven verklaring dat de gezondheids-verklaring door [naam X] was ingevuld vóórdat hij zijn huisarts op 31 mei 2010 telefonisch om een doorverwijzing naar een medisch specialist heeft verzocht. Voor het aannemen van schending van de mededelingsplicht is immers niet doorslaggevend wanneer [naam X] de betreffende gezondheidsverklaring heeft ingevuld of wanneer deze klachten relevant zijn geworden. Relevant is hetgeen [naam X] op 3 juni 2010 heeft behoren te begrijpen omtrent de huidaandoening op zijn hoofd die hij toen reeds bij zichzelf had waargenomen, in relatie tot de opmerkingen en de vragen in de gezondheidsverklaring. Van [naam X] wordt bovendien als behoorlijk en zorgvuldig verzekerde verwacht dat hij instaat voor volledigheid en actualiteit van gegevensverstrekking op de datum van ondertekening van de betreffende formulieren.

3.7.

[eiseres] stelt verder dat het niet geloofwaardig en voorstelbaar is dat Nationale Nederlanden de verzekering niet zou hebben gesloten, indien [naam X] de huidaandoening wèl op de gezondheidsverklaring had vermeld, omdat op het moment van toezending van de gezondheidsverklaring en totstandkoming van de verzekering het ervoor gehouden moest worden dat het een normale wrat betrof. Deze stelling wordt gepasseerd als zijnde onvoldoende concreet gemotiveerd onderbouwd, nu [eiseres] niet heeft gesteld noch anderszins heeft aangegeven of toegelicht waarom een wrat voor Nationale Nederlanden geen beletsel zou hebben gevormd om een verzekering te sluiten, terwijl door Nationale Nederlanden voorts is aangegeven dat kennis van de betreffende wrat/moedervlek uiterst relevant was voor de acceptatiebeslissing en dat zij, bij kennis van de ware stand van zaken, geen verzekeringsovereenkomst met [naam X] en [eiseres] zou hebben gesloten; dan wel de beslissing over de acceptatie of de condities van acceptatie zou hebben uitgesteld tot een later moment. Ook overigens heeft [eiseres] geen voldoende concrete omstandigheden gesteld die kunnen afdoen aan de stellingname van Nationale Nederlanden dat bekendheid met de ware stand van zaken aan de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst in de weg zou hebben gestaan.

3.8.

De conclusie luidt op basis van al het vorenoverwogene dan ook dat Nationale Nederlanden terecht en op goede gronden uitkering onder de betreffende verzekerings-overeenkomst heeft geweigerd. De door [eiseres] gevorderde verklaring voor recht en veroordeling van Nationale Nederlanden tot uitkering van de verzekerde som op basis van de overlijdensrisicoverzekering wordt dan ook afgewezen. Gezien het vorenstaande komen de nevenvorderingen evenmin voor toewijzing in aanmerking.

3.9.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden aan de zijde van Interpolis tot op heden begroot op:

- griffierecht: € 3.715,00

- salaris advocaat € 2.842,00 (2 x tarief V ad € 1.421,00)

Totaal € 6.557,00

Met het oog op een redelijke termijn voor nakoming als bedoeld in artikel 6:82 lid 1 BW, zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten eerst vanaf veertien dagen na de dag van betekening van dit vonnis toewijzen. De door Nationale Nederlanden gevorderde nakosten, vermeerderd met rente, zijn niet weersproken en zullen als vermeld in het dictum worden toegewezen. De (proces)kostenveroordeling zal, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijst de vorderingen van [eiseres] af;

4.2.

veroordeelt [eiseres] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Nationale Nederlanden tot op heden begroot op een bedrag van € 6.557,00, te voldoen binnen
14 dagen na betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

4.3.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen - onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden - met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de
explootkosten van betekening van de uitspraak, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

4.4.

verklaart de (proces)kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2014.