Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:3344

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-05-2014
Datum publicatie
21-05-2014
Zaaknummer
280985 HA RK 14-80
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Het verzoek tot wraking in procedure AWB 13/6438 is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Locatie: Breda

Procedurenummer: 280985 HA RK 14-80

Beslissing van 16 mei 2014 inzake het wrakingsverzoek, ex artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen verzoeker,

gemachtigde, zich bekend makende als [verzoeker].

1 Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

  • -

    het op 28 maart 2014 in de hierna te noemen zaak ingekomen wrakingsverzoek; producties;

  • -

    de van verzoeker op 9 mei 2014 ingekomen schriftelijke toelichting op zijn wrakingsverzoek;

  • -

    de processtukken, waaronder het proces-verbaal van de behandeling ter zitting van 27 maart 2014, zoals opgenomen in het zaakdossier van de hierna te noemen procedure, waarin verzoeker heeft gewraakt,

  • -

    de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer op 14 mei 2014, waarbij zijn verschenen verzoeker en zijn gemachtigde, mr. D. Hund, senior rechter in deze rechtbank, en namens de inspecteur van de Belastingdienst te Breda, verweerder in na te noemen procedure, C.J.M. van Gorkum en J.W. Wohrmann, en

  • -

    de door verzoeker ter gelegenheid van die behandeling voorgelezen schriftelijke verklaring.

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van mr. Hund, voornoemd, hierna te noemen de rechter, belast met de behandeling van het door verzoeker ingestelde beroep, procedurenummer AWB 13/6438.

2.2.

De rechter berust niet in het verzoek tot zijn wraking.

3 De feiten

3.1.

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de inspecteur van de Belastingdienst te Breda, gegeven op zijn bezwaarschrift tegen de aan hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2012. Bij die beslissing is het bezwaar van verzoeker afgewezen.

3.2.

De behandeling van het beroep door de rechter heeft plaatsgevonden ter zitting van 27 maart 2014, waarbij verzoeker en zijn gemachtigde, alsook een vertegenwoordiger van de inspecteur zijn gehoord. De rechter heeft hierna het onderzoek ter zitting gesloten en meegedeeld dat binnen twee weken mondeling uitspraak zal worden gedaan.

4 De gronden van het wrakingsverzoek

4.1.

In zijn na voormelde zitting op [verzoeker] ingekomen wrakingsverzoek voert verzoeker de volgende wrakingsgronden aan.

1. De rechter doet niet aan waarheidsvinding; hij spreekt “recht vanuit zijn gevoel, vanuit fictie en niet op basis van feiten. De rechter onderzoekt niet de feiten die over de fraude met het “Natuurlijk Persoon”, een essentieel onderdeel van verzoekers pleidooi, zijn aangedragen. De Motu Proprio zegt hierover dat slechts waarheidsvinding de rechter kan behoeden voor rechtsvervolging.

2. De rechter gaat nergens inhoudelijk in op de in verzoekers dossier aangedragen belangrijke relevante informatie uit de Uniform Commercial Code (UCC), Motu Proprio en the Bill of Human Rights.

3. De rechter onderzoekt niet de feiten, maar neemt genoegen met meningen, waarbij zijn private mening duidelijk overeenkomt met die van het bestaande handelsrechtsysteem en de vertegenwoordigers van de belastingdienst.

4. Het handelsrecht inclusief de onderhavige bestuursrechtsgang verlangt, conform de UCC richtlijnen, dat de mens vrij is en dient te blijven. Het optreden van de rechter verplicht verzoeker om mee te doen in een crimineel/frauduleus systeem, terwijl de UCC juist dit oude coöperatieve systeem en dit gedachtegoed heeft afgeschaft. Waar haalt de rechter de autoriteit vandaan om de mens te negeren, terwijl de UCC-feiten hem deze autoriteit juist ontnomen hebben

5. De rechter negeert de wetgeving zeggende “dat staat niet in de wet, maar dat vindt de maatschappij zo” en “dat zou in de wet moeten staan”, om vervolgens die wettelijke feiten of het gebrek daaraan te negeren in het voordeel van het zakenrecht/belastingrecht.

6. De rechter miskent de internationale verdragen zoals de Bill of Human Rights door te stellen dat een mens verplicht is om een natuurlijk persoon te zijn ten gunste van het frauduleuze handelsrecht/belastingrecht. Hij stelt dat een “natuurlijk persoon” en een mens hetzelfde zijn. Daardoor is gerechtelijke toetsing en afweging onmogelijk.

7. De rechter maakt verzoeker, en de mens, ondergeschikt aan handelsbelangen en die handelsbelangen zijn naar zijn uitgesproken mening toevallig ook zijn private belang. Dat is een vooringenomen, zelfs partijdige positie.

4.2.

Ter gelegenheid van de behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoeker deze gronden overeenkomstig zijn ingekomen brief van 9 mei 2014 en zijn ter zitting voorgelezen verklaring, nader toegelicht.

5 Het standpunt van de rechter

De rechter stelt zich, met verwijzing naar de inhoud van het proces-verbaal van zijn behandeling van het beroepschrift van verzoeker op de zitting van 27 maart 2014, op het standpunt dat het wrakingsverzoek als ongegrond behoort te worden afgewezen.

6 Het standpunt van de inspecteur van de Belastingdienst

De vertegenwoordigers van de inspecteur concluderen eveneens tot afwijzing van het wrakingsverzoek.

7 De beoordeling en de gronden daarvoor

7.1.

Ingevolge artikel 8:15van de Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

7.2.

Daarbij moet voorop worden gesteld dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter als uitgangspunt dient, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

7.3.

Naar het oordeel van de wrakingskamer doet zich een dergelijke omstandigheid in het onderhavige geval niet voor.

7.4.

Alle door verzoeker aangevoerde wrakingsgronden zijn, naar uit zijn ter gelegenheid van de behandeling van het wrakingsverzoek en uit het proces-verbaal van de zitting van 27 maart 2014 en de daaraan aangehechte pleitnota blijkende standpunten, in de kern terug te voeren op zijn levensovertuiging van soeverein mens van vlees en bloed. Op grond daarvan aanvaardt verzoeker niet het gezag van de staat en inherent daaraan niet de rechter als rechtsprekend orgaan. Verzoeker beschouwt zich immers niet als een natuurlijk persoon in de zin van de wet en acht zich dan ook niet belastingplichtig.

7.5.

Hierin kan echter geen steun worden gevonden voor een gerechtvaardigde wrakingsgrond. Verzoekers levensovertuiging brengt immers met zich dat op grond daarvan iedere onpartijdige behandeling van zijn beroep, ongeacht door welke rechter, onmogelijk wordt gemaakt. Zou verzoeker in zijn standpunten worden gevolgd, dan betekent dit dat daarmee iedere rechter van de behandeling van zijn zaak wordt afgehouden.

7.6.

Voor zover de gronden van het wrakingsverzoek zich richten tegen de rechter zelf, zijn deze niet gefundeerd op concrete feiten en/of omstandigheden. Uit het feit dat de rechter volgens verzoeker op de zitting, zo al juist, niet is ingegaan op zijn op zijn levensovertuiging gegronde standpunten, kan geen partijdigheid van de rechter of een objectiveerbare schijn daarvoor, worden afgeleid.

7.7.

Dit betekent dat het wrakingsverzoek behoort te worden afgewezen.

8 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    wijst het verzoek tot wraking af;

  • -

    bepaalt dat de behandeling van de zaak met procedurenummer AWB 13/6438 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.

Deze beslissing is gegeven op 16 mei 2014, door mrs. Th. Peters, D. van Kralingen en M. Breeman, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van A.C.L.M. de Jong, griffier.

--