Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:3256

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-05-2014
Datum publicatie
19-05-2014
Zaaknummer
02-800970-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Steken met mes in halsslagader, belemmeren ademhaling. Lichaam begraven in het bos. Doodslag bewezen. Naast TBS met dwangverpleging vanwege sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid ook een gevangenisstraf van 4 jaren opgelegd. Geen inzage persoonlijkheidsrapportages voor nabestaanden ingevolge 51b Wetboek van Strafvordering. Vordering benadeelde partij (vader van het slachtoffer) toewijsbaar met uitzondering van de immateriële schade (shockschade).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800970-13

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 mei 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1986, te [geboorteplaats],

thans verblijvende in de [adres verblijfplaats],

raadsman mr. Klaver, advocaat te Bergen op Zoom.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 april 2014, waarbij de officier van justitie, mr. Koning, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek is gesloten op de zitting van 12 mei 2014.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het wetboek van strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat:

hij in of omstreeks de periode van 6 oktober 2013 tot en met 17 oktober 2013 te Halsteren, gemeente Bergen op Zoom, in ieder geval in Nederland, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans met een scherp voorwerp, een of meer keren in het gezicht en/of in de hals en/of in de keel en/of in de (rechter)halsslagader van die [slachtoffer] gesneden en/of gestoken en/of in een bandvormig voorwerp met kracht om/tegen de hals aangebracht en gehouden en/of met dit bandvormige voorwerp en/of met zijn hand(en) de keel en/of de hals door middel van het uitoefenen van druk (langdurig) heeft dichtgeknepen en/of de ademhaling (langdurig) heeft belemmerd door neus en/of mond te bedekken met zand en/of aarde en/of bladeren, tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag en baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van verdachte, de verklaringen van en gegevens verstrekt door het personeel van Vrederust, de verklaringen van getuigen, de rapportages van de unit Forensisch Technisch Onderzoek (FTO) en het sectierapport van het slachtoffer [slachtoffer].

De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen nu blijkens het sectierapport van het slachtoffer geen duidelijke doodsoorzaak naar voren is gekomen, dat de aanwezigheid van het geneesmiddel pipamperon in het lichaam van het slachtoffer van invloed kan zijn geweest op de dood van het slachtoffer, en dat er daarom onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat het slachtoffer door het handelen van verdachte om het leven is gekomen.

De verdediging is voorts van mening dat verdachte ten tijde van het delict als geheel ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feiten

Verdachte meldt zich op 17 oktober 2013 bij de politie en verklaart dat hij twee weken daarvoor op een zondag ene [verdachte] heeft gedood. Hij heeft [verdachte] achtergelaten in het bos op het terrein van Vrederust in Halsteren.1 Verdachte is die dag ook zelf gewond geraakt aan zijn vinger.2 Een verpleegkundige van Vrederust heeft in een logboek genoteerd dat verdachte zich op 6 oktober 2013 om 10.45 uur met een wond in zijn hand heeft gemeld en deze door de dienstdoende arts ter plaatse is gehecht.3 Op 11 oktober 2013 is [slachtoffer] ([slachtoffer]) bij de politie als zijnde vermist opgegeven.4

De politie doet naar aanleiding van de verklaring van verdachte nader onderzoek. In het bos in Halsteren wordt een stoffelijk overschot gevonden in een grafkuil. Bij het lichaam worden diverse goederen aangetroffen, waaronder een mes, een coaxkabel, een aansteker, sleutels en rookwaar.5 Door middel van een vingerafdrukvergelijking van de linker wijsvinger van het stoffelijk overschot met de vingerafdruk op het paspoort van [slachtoffer], dat op het lichaam lag, wordt vastgesteld dat het aangetroffen lichaam het stoffelijk overschot is van [slachtoffer].6 Op het terrein van Vrederust, bij het pompgemaal, wordt een tas aangetroffen met daarin twee documentmappen, toebehorende aan [slachtoffer].7 Op een documentmap uit deze tas wordt een bloedspoor aangetroffen. Het bloedspoor is veiliggesteld onder nummer AAGM1479NL#01.8 Dit bloedspoor is vergeleken met het DNA-profiel van verdachte. Deze vergelijking leverde op dat dit DNA spoor matcht met het DNA-profiel van verdachte. De kans dat deze vergelijking ook zou passen bij een willekeurig ander persoon is kleiner dan 1 op 1 miljard.9

Volgens het sectierapport kan, indien de letsels bij leven zijn ontstaan, het intreden van de dood goed worden verklaard op grond van letsel aan de hals rechts. Er is een klieving van de rechterhalsslagader geconstateerd, hetgeen doorgaans met substantieel bloedverlies gepaard gaat. Het intreden van de dood kan goed verklaard worden enerzijds door algehele weefselschade ten gevolge van bloedverlies als gevolg van perforerend geweld op de hals en anderzijds door verstikking door geweld en/of aspiratie van aarde, elk op zich dan wel in combinatie.10

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij met [slachtoffer] op een boomstronk zat en met hem over religie heeft gesproken. Volgens zijn verklaring is hij opgestaan, heeft hij [slachtoffer] van achteren aangevallen, op de grond gegooid, in de hals en in zijn gezicht gestoken en heeft hij vervolgens geprobeerd [slachtoffer] te wurgen met zijn handen. [slachtoffer] bleef spartelen en bewegen. Verdachte heeft vervolgens zand in de mond en neus van [slachtoffer] gestopt. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] eerst begon te gillen en bleef spartelen en bewegen, maar dat hij na de door verdachte verrichte handelingen niet meer bewoog. Verdachte is nog enige tijd bij [slachtoffer] gebleven toen hij niet meer bewoog, heeft wat gedronken, is een schepje gaan halen bij de tuinderij van Vrederust en heeft een kuil gegraven en daarin het lichaam van [slachtoffer] gelegd. Hij heeft goederen bij het lichaam van [slachtoffer] achtergelaten, waaronder het door hem gebruikte mes, de kabel en de shag. Verdachte heeft verklaard de tas van [slachtoffer] bij het gemaal te hebben weggegooid.11

Verdachte heeft voorts de plaats aangewezen waar hij [verdachte] heeft achtergelaten en heeft verklaard dat hij op die plaats tevens het door hem gebruikte mes, een coaxkabel en rookwaar heeft achtergelaten. Al deze zaken zijn daar ook aangetroffen.

Tussenconclusie

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen, te weten de bekennende verklaring van verdachte, de verklaring van de verpleegkundige dat verdachte zich op 6 oktober 2013 meldde met een wond aan zijn hand in combinatie met de verklaring van verdachte dat hij bij het doden van [slachtoffer] zijn hand heeft verwond, en het aantreffen van het DNA van verdachte op de documentmap in de tas van [slachtoffer], concludeert de rechtbank dat het verdachte is geweest die op 6 oktober 2013 [slachtoffer] heeft gedood. Verdachte heeft [slachtoffer] om het leven gebracht door hem met een mes te steken in de hals en in het gezicht, waarbij onder meer de rechter halsslagader zodanig is geraakt dat fors bloedverlies is opgetreden. Vervolgens heeft verdachte [slachtoffer] proberen te wurgen door zijn handen op de keel en de mond van [slachtoffer] te houden, en heeft hij bij het slachtoffer zand in zijn neus en mond gestopt. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] daarna niet meer bewoog. De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op de inhoud en conclusies van het sectierapport, deze handelingen afzonderlijk dan wel in combinatie met elkaar de dood van [slachtoffer] hebben veroorzaakt.

Opzet

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, gelet op zijn verklaring ter terechtzitting dat hij [slachtoffer] meermalen met een mes in de nekstreek heeft gestoken, hem heeft getracht te wurgen en hem het ademhalen wilde beletten door zand in neus en mond te stoppen, de opzet gehad op de dood van [slachtoffer].

Verweer raadsman

De raadsman heeft aangevoerd dat de doodsoorzaak uit het sectierapport niet onomstotelijk vast is komen te staan en het slachtoffer onder invloed van de stof pipamperon was, hetgeen betekent dat er onvoldoende wettig bewijs is dat verdachte [slachtoffer] heeft gedood.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank legt daaraan ten grondslag dat in het sectierapport wordt weergegeven dat er sprake was van klieving van de rechterhalsslagader, waarvan algemeen bekend is dat het klieven daarvan tot ernstig bloedverlies en de dood kan leiden. Daarnaast is in het sectierapport gesteld dat het intreden van de dood goed verklaard kan worden door algehele weefselschade ten gevolge van bloedverlies als gevolg van perforerend geweld op de hals en anderzijds door verstikking door geweld en/of aspiratie van aarde, elk op zich dan wel in combinatie. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer] eerst heeft gestoken in de hals en het gezicht, hem vervolgens heeft gewurgd en hem zand in de neus en mond gedaan heeft. Verdachte heeft [slachtoffer] begraven nadat hij enige tijd bij hem had gezeten en hij niet meer bewoog. De verklaring van verdachte past derhalve bij de bevindingen van het sectierapport. Dat niet exact is vast te stellen of de dood uiteindelijk is ingetreden door het ernstige bloedverlies, dan wel door verstikking, doet niet af aan het gegeven dat verdachte beide handelingen heeft verricht en daardoor [slachtoffer] heeft gedood.

Voorts overweegt de rechtbank dat in het sectierapport weliswaar is opgenomen dat een mogelijke bijdrage van de stof pipamperom aan het overlijden volgens de toxicoloog niet kan worden uitgesloten, maar dat vervolgens in dit rapport is opgenomen dat dit niet waarschijnlijk lijkt. Gelet op deze verklaring in relatie tot de inhoud van het sectierapport, het daarin genoemde geconstateerde letsel door messteken en het aantreffen van aarde in de neus en mond van [slachtoffer], is er geen ruimte om te veronderstellen dat [slachtoffer] niet door het handelen van verdachte, maar door de inwerking van de stof pipamperon zou zijn overleden.

Voorbedachte raad?

De rechtbank zal verdachte, zoals ook door de officier van justitie is gevorderd, vrijspreken van het met voorbedachten rade van het leven beroven van [slachtoffer]. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit kan volgen dat verdachte met voorbedachten rade [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Noch uit de verklaring van verdachte, noch uit het forensische bewijs, noch anderszins kan uit het dossier worden afgeleid dat verdachte tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven, zoals bij voorbedachte raad noodzakelijk is. Daarom dient verdachte vrijgesproken te worden van moord.

Conclusie

De rechtbank acht derhalve de doodslag op [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij in of omstreeks de periode van op 6 oktober 2013 tot en met 17 oktober 2013 te Halsteren, gemeente Bergen op Zoom, in ieder geval in Nederland, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans met een scherp voorwerp, een of meer keren in het gezicht en/of in de hals en/of in de keel en/of in de (rechter)halsslagader van die [slachtoffer] gesneden en/of gestoken en/of in een bandvormig voorwerp met kracht om/tegen de hals aangebracht en gehouden en/of met dit bandvormige voorwerp en/of met zijn hand(en) de keel en/of de hals door middel van het uitoefenen van druk (langdurig) heeft dichtgeknepen en/of de ademhaling (langdurig) heeft belemmerd door neus en/of mond te bedekken met zand en/of aarde en/of bladeren, tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

In cursief is aangegeven een aanvulling op het tenlastegelegde. Verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1

Strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5.2

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de rapportages van de psycholoog, psychiater en het opgemaakte reclasseringsrapport kunnen worden gevolgd, waarin eensluidend is gerapporteerd dat verdachte, gelet op zijn persoonlijkheidsstoornissen, weliswaar sterk verminderd toerekeningsvatbaar is, maar niet volledig ontoerekeningsvatbaar is.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte, gelet op zijn geestestoestand tijdens het plegen van het delict, als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Mate van toerekenbaarheid

Uit de rapportage van de psycholoog volgt dat verdachte lijdt aan een schizoaffectieve stoornis van het bipolaire type en dat hij incidenteel misbruik maakt van cocaïne. Daarnaast is sprake van een lichte verstandelijke handicap. Voor de psycholoog staat vast dat deze stoornissen ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde hevig op elkaar inwerkten. De psycholoog komt tot de conclusie dat verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Uit de rapportage van de psychiater volgt dat verdachte lijdt aan een autismespectrum-stoornis, een aandachtstekortstoornis, een psychotische stoornis NAO en afhankelijkheid van verschillende middelen, welke afhankelijkheid thans, in detentie, in gedwongen remissie is. Ook heeft hij een licht verstandelijke beperking met een IQ van ongeveer 60. Deze stoornissen beïnvloedden verdachte ook ten tijde van het plegen van het delict. De psychiater noemt de psychiatrische problematiek van verdachte ernstig. Desondanks kon van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde toch het algemene normbesef verwacht worden dat een dergelijke daad niet geoorloofd was. Verdachte wordt door de psychiater als sterk verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd.

De verdediging heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd aangegeven waarom verdachte als geheel ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. De omstandigheid dat verdachte zegt dat hij vanuit ‘een waas’ heeft gehandeld, is daartoe niet voldoende. De rechtbank stelt vast dat zowel de psychiater als de psycholoog gemotiveerd hun conclusies hebben weergegeven waarbij beiden hebben geconcludeerd dat er bij verdachte sprake is van sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid. De deskundigen hebben de ‘waas’ waarover verdachte spreekt in hun oordeel betrokken en hebben niet vastgesteld dat sprake is van een zodanige waas of psychose dat elke vorm van toerekenbaarheid is uitgesloten.

De rechtbank volgt derhalve voornoemde conclusies van de rapporteurs, inhoudende dat er bij verdachte sprake is van sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid en derhalve niet van volledige ontoerekeningsvatbaarheid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte strafbaar is, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en TBS met dwangverpleging.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de verdediging betoogd dat verdachte als geheel ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat aan verdachte TBS met dwangverpleging dient te worden opgelegd. Indien er daarnaast nog een straf dient te worden opgelegd, heeft de raadsman betoogd deze niet langer te laten zijn dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag. Door [slachtoffer] meermalen te steken, vervolgens te wurgen en hem zand in de mond en neus te stoppen, is [slachtoffer] op gruwelijke wijze komen te overlijden. Verdachte heeft daardoor [slachtoffer] het meest fundamentele recht ontnomen: het recht op leven. Dit heeft voor de nabestaanden van [slachtoffer] onherstelbaar leed en verdriet gebracht. De zus van [slachtoffer] heeft op zitting op indringende wijze verteld hoeveel verdriet zij en haar ouders nog altijd hebben van het overlijden van haar broer en hun zoon en hoe haar wereld in elkaar is gestort. Aan te nemen valt dat zij het leed nog lang, mogelijk de rest van haar leven, zal ervaren. Het doden van [slachtoffer] en de wijze waarop verdachte dit heeft gedaan, dragen een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengen in de samenleving in het algemeen, en de persoonlijke omgeving van [slachtoffer] in het bijzonder, gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Motief

De nabestaanden van [slachtoffer] blijven achter met de ‘waarom-vraag’: hoe heeft dit kunnen gebeuren; waarom heeft verdachte dit gedaan? Verdachte heeft bij de politie en ter zitting een verklaring afgelegd over de gebeurtenissen op 6 oktober 2013 die hebben geleid tot de dood van het [slachtoffer]. Desgevraagd kon verdachte niet aangeven waarom hij [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Hij heeft verklaard dat er een waas over hem heen kwam en dat hij zich er weinig van kan herinneren. Volgens zijn verklaring kan hij niet aangeven waarom hij het ene moment met [slachtoffer] een sigaretje is gaan roken en het andere moment [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.

De psycholoog heeft in zijn rapport van 3 januari 2014 op grond van de beschikbare informatie proberen aan te geven hoe de ziekelijke stoornissen van verdachte hebben geleid tot de gedragskeuzen en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde. Hij komt tot het scenario dat verdachte al langer rond liep met gevoelens van ontevredenheid over de behandeling bij de instelling waar verdachte verbleef, en mogelijk tot de slotsom is gekomen dat hij iets moest doen om de aandacht op zichzelf te vestigen. Uit het onderzoek is volgens de psycholoog naar voren gekomen dat er veel woede in verdachte was en dat verdachte ontregeld raakt als deze woede naar buiten komt. Mede door zijn verstandelijke handicap beschikt hij over weinig cognitief vermogen inhoudelijke gedachtevorming in betere banen te leiden en kan hij zich bij confrontaties met stressvolle gebeurtenissen nauwelijks in bedwang houden. De psycholoog veronderstelt dat het zou kunnen zijn dat het slachtoffer inderdaad tegen hem heeft gezegd er niet meer te willen zijn, dat verdachte zijn innerlijke woede niet meer kon tegenhouden en hem in blinde woede begon te steken.

De psychiater heeft in zijn rapportage van 17 april 2014 aangegeven op de vraag waarop de ziekelijke stoornissen en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte van invloed zijn geweest op de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde, dat verdachte tijdens onderzoek consistent zijn aversie omtrent contact met mensen buiten zijn vertrouwde kring heeft aangegeven. Deze aversie werd sterk gevoed vanuit zijn onvermogen om zich aan zijn omgeving of derden aan te passen, congruent met zijn autismespectrum-stoornis. Vanuit die stoornis had hij tevens moeite om anderen als subjecten te ervaren, met eigen noden, verlangens en aspiraties. Door derden als objecten te ervaren, was het voor hem gemakkelijker dan een ander om zijn woede op een toevallige voorbijganger af te reageren. Door zijn verstandelijke beperking had verdachte meer dan anderen moeite om zijn frustraties te nuanceren of te rationaliseren. Mogelijk dat verdachte door zijn ADD ook meer dan een ander impulsief handelde en hij door zijn (religieuze) psychotische belevingen op een irrationele wijze een rechtvaardigingsgrond voor zijn handelen kon genereren, aldus de psychiater.

De rechtbank overweegt dat de door de psycholoog en de psychiater geschetste scenario’s op zich aannemelijke verklaringen zijn voor het motief dat verdachte had bij het om het leven brengen van [slachtoffer]. Echter, de enige die echt inzicht zou kunnen bieden in het waarom van zijn handelen, is verdachte zelf. De rechtbank kan zich indenken dat de nabestaanden deze vraag graag beantwoord zouden zien, omdat het antwoord hen mogelijk kan helpen bij de verwerking van de dood van hun zoon en broer. Uit de aangehaalde rapportages, de verklaringen van verdachte bij de politie en ter terechtzitting komt naar voren dat verdachte niet in staat lijkt te zijn inzicht te kunnen bieden in de reden van zijn handelen. Deze omstandigheid moet voor de nabestaanden, naast het verlies van hun zoon en broer, moeilijk te verwerken zijn.

Straf

Doodslag behoort tot de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en is in beginsel naar zijn aard een misdrijf dat oplegging van een gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt.

Bij de beslissing over de straf en maatregel die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan, het strafblad van verdachte en de persoon van verdachte, zoals uit de rapportages van psychiater en psycholoog zijn gebleken.

Psycholoog Van Kemenade heeft – zoals hiervoor onder 5.2 reeds is overwogen – in de rapportage van 3 januari 2014 vastgesteld dat er bij verdachte sprake is van een schizoaffectieve stoornis van het bipolaire type. Hij heeft een IQ van 60 en is aldus te beschouwen als licht verstandelijk gehandicapt. Er is bij verdachte veel innerlijke woede aanwezig en hij kan zichzelf bij confrontaties met stressvolle gebeurtenissen nauwelijks in bedwang houden. Dit is ook aan de orde geweest ten tijde van het plegen van het delict. Verdachte vormt een gevaar voor anderen. Er is een hoge kans op herhaling. Verdachte is door de GGZ behandeld, maar dit is niet afdoende gebleken, evenals een eerdere plaatsing in de Woenselse Poort te Eindhoven. Voor een TBS onder voorwaarden is het gevaar dat verdachte oplevert, te groot. Gelet hierop adviseert de psycholoog TBS met dwangverpleging.

Psychiater Van Hoecke heeft in de rapportage van 17 april 2014 vastgesteld dat er bij verdachte sprake is van verschillende ziekelijke stoornissen, in het bijzonder een autismespectrumstoornis, een aandachtstekortstoornis, een psychotische stoornis NAO en afhankelijkheid van verschillende middelen, welke thans gedwongen in remissie zijn. Daarnaast heeft verdachte een licht verstandelijke beperking met een IQ van 60. Verdachte werd ten tijde van het delict ook beïnvloed door deze stoornissen. Gelet op de ernstige problematiek van verdachte en het blijvend karakter van deze beperkingen is er een hoog recidiverisico en wordt TBS met voorwaarden als ontoereikend gezien. Derhalve adviseert de psychiater TBS met dwangverpleging.

Zoals onder het hoofdstuk strafbaarheid (5.2 strafbaarheid van verdachte) reeds is besproken, is verdachte volgens de psycholoog en de psychiater sterk verminderd toerekeningsvatbaar en wordt deze conclusie door de rechtbank gevolgd. De rechtbank houdt hiermee in het bijzonder rekening bij het bepalen van de strafmaat.

Gelet op de inhoud van de rapporten, de ernst van de feiten en het strafblad van verdachte is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een TBS noodzakelijk is.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:

- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;

- op het gepleegde misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld;

- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.

De rechtbank acht, gelet op de ernst van de problematiek en het gevaar dat verdachte voor anderen oplevert, ook dwangverpleging noodzakelijk.

De rechtbank overweegt voorts dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd terzake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Voor een TBS met voorwaarden ziet de rechtbank geen ruimte, omdat blijkens de hiervoor aangehaalde rapportages van de psycholoog en psychiater eerdere opnames bij een

GGZ-instelling verdachte er niet van hebben kunnen weerhouden dit ernstige feit te plegen en blijkens beide rapportages TBS met voorwaarden onvoldoende waarborgen biedt voor de veiligheid van de maatschappij.

Nu verdachte niet volledig ontoerekeningsvatbaar is, is er ruimte voor het opleggen van een straf. Bij de bepaling van de duur van die straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar is enerzijds en de impact die het feit op de samenleving heeft gehad anderzijds.

Alles afwegende zal de rechtbank naast de TBS met dwangverpleging een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest, opleggen. Daarbij heeft de rechtbank tevens een afweging gemaakt tussen het door de raadsman aangehaalde belang van verdachte om zo spoedig mogelijk de TBS met dwangverpleging te laten ingaan en anderzijds het maatschappelijk belang om op een zeer ernstig misdrijf, zoals hier aan de orde, straf te laten volgen in een mate die recht doet aan de toerekenbaarheid van de dader.

7 De benadeelde partij

Verstrekken persoonlijkheidsrapportages van verdachte aan de benadeelde partij

Namens de benadeelde partij is voorafgaande aan de zitting aan de officier van justitie verzocht om een afschrift van het strafdossier, zodat de slachtoffers zich kunnen voorbereiden op de strafrechtelijke procedure, ten behoeve van indienen van de vordering benadeelde partij en het opstellen van een verklaring voor het uitoefenen van het spreekrecht. Ook de stukken die betrekking hebben op de verdachte, waaronder de bekennende verklaring van verdachte en/of psychiatrische en psychologische rapportages zouden moeten worden verstrekt. De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie weliswaar gereageerd heeft op dit verzoek, namelijk bij brief van 7 april 2014, maar niet op de in artikel 51b, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) genoemde wijze.

Het verzoek tot het verstrekken van afschriften van de persoonlijkheidsrapportages is ter terechtzitting gehandhaafd. Aangevoerd is dat voor de verwerking van het verlies van hun zoon en broer door de nabestaanden en de eventuele therapeutische behandeling van de nabestaanden het van groot belang is om inzicht te krijgen in de persoon van de verdachte door kennisneming van de persoonlijkheidsrapportages. Volgens de benadeelde partij heeft zij een groter belang bij verkrijging van deze rapporten dan het belang dat verdachte heeft bij bescherming van zijn privacy.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ter zake de vraag of afschriften van de persoonlijkheidsrapportages worden verstrekt het waarborgen van de persoonlijke levenssfeer van verdachte en het maatschappelijk belang zwaarder wegen dan de belangen van de nabestaanden.

Blijkens de parlementaire geschiedenis heeft de minister een lijn getrokken waarbij dergelijke stukken in beginsel niet verstrekt zouden moeten worden. De officier van justitie heeft voorts betoogd dat, op het moment dat informatie die referenten in vertrouwen vertellen over de hen bekende verdachte, openbaar wordt, dat referenten af zal schrikken nog informatie te verstrekken. Dan kan niet meer worden vertrouwd op de volledigheid en juistheid van de informatie. Ook verdachten zullen geneigd zijn niet mee te werken aan rapportages omtrent hun persoon uit vrees voor schending van hun privacy indien het praktijk wordt dat anderen dan professioneel bij de strafrechtspleging betrokkenen, kennis kunnen nemen van die rapportages.

Ingevolge artikel 51b, eerste lid, Sv verleent de officier van justitie op verzoek van het slachtoffer toestemming om kennis te nemen van de processtukken die voor het slachtoffer van belang zijn. Tijdens het onderzoek op de terechtzitting is de rechtbank bevoegd op een dergelijk verzoek te beslissen.

Ingevolge artikel 51b, zesde lid, Sv kan het slachtoffer van de stukken waarvan hem de kennisneming is toegestaan, ter griffie afschrift krijgen.

De rechtbank houdt het ervoor dat het verzoek om kennisname van de persoonlijkheids-rapportages is ingediend namens de nabestaanden van [slachtoffer], te weten de vader, de moeder en de zus van het slachtoffer. De rechtbank stelt vast dat de vader, de moeder en de zus van [slachtoffer] zijn aan te merken als slachtoffer als bedoeld in voornoemd artikel 51b Sv. Zij zijn immers aan te merken als een persoon die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden. Zij zijn dan ook bevoegd een verzoek om inzage in dan wel afschriften van de rapportages als bedoeld in artikel 51b Sv in te dienen.

De rechtbank stelt vast dat zij op grond van artikel 51b, eerste lid, Sv bevoegd is over het verzoek tot kennisneming van de rapportages te beslissen. De rechtbank zal zich eerst buigen over de vraag of voornoemde nabestaanden inzage dient te worden verleend in de persoonlijkheidsrapportages. Deze rapportages zijn opgesteld ter voorlichting van de rechtbank over de persoon van de verdachte, ten behoeve van de door haar te nemen beslissingen in het kader van de in de artikel 348 en 350 Sv geformuleerde vragen. Zij zijn derhalve aan te merken als processtukken als bedoeld in artikel 51b Sv.

De rechtbank stelt voorts vast dat de in artikel 51b, derde lid, Sv genoemde weigerings-gronden niet aan de orde zijn. Dit betekent dat de vraag of inzage verleend wordt in de rapportages betreffende de persoonlijkheid van verdachte, zich toespitst op de vraag of kennisneming van de rapportages voor het slachtoffer van belang is.

De rechtbank overweegt dat het recht op kennisneming en het verstrekken van afschriften van processtukken primair ten doel heeft dat het slachtoffer in staat wordt gesteld zijn of haar rechten als slachtoffer en benadeelde partij uit te oefenen. Hierbij moet met name worden gedacht aan de mogelijkheden tot onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding en de uitoefening van het spreekrecht als bedoeld in artikel 51d Sv. Voorts kan uit de wetsgeschiedenis ter zake artikel 51b Sv worden afgeleid dat het wetsvoorstel beoogt kennisneming van de processtukken die voor het slachtoffer van belang zijn, toe te staan, maar dat die stukken niet per definitie uit het gehele dossier bestaan. De minister van justitie geeft aan dat de positie van het slachtoffer een fundamenteel recht is dat in een behoorlijke procesvoering aan de orde moet komen, waarbij het van belang is om de goede verbinding te leggen, waarbij hij doelt op het evenwicht ten opzichte van de schending van privacyrechten van de verdachte. Het is niet de bedoeling dat klakkeloos het gehele procesdossier aan de slachtoffers worden verstrekt, aldus de minister van justitie (Verslag van een wetgevingsoverleg, Kamerstukken II, 2007-2008 30 143, nr. 28, pagina’s 20 en 21). De psychiatrische rapportage behoort niet tot de documenten waarover het slachtoffer zal kunnen beschikken. Hij voegt hieraan toe dat er misschien uitzonderlijke situaties voorstelbaar zijn waarin het slachtoffer wel over de psychiatrische rapportage kan beschikken, maar dat dat een afwijking van de hoofdregel is.

De rechtbank stelt vast dat de slachtoffers reeds gebruik hebben gemaakt van de hun toekomende rechten van het indienen van een vordering benadeelde partij en de uitoefening van het spreekrecht. Voor de uitoefening van deze aan de slachtoffers toekomende rechten kan kennisneming van de verzochte rapportages naar het oordeel van de rechtbank niet meer dienen.

De raadsman van de slachtoffers heeft ook leedverwerking aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. De rechtbank acht het voorstelbaar dat kennisneming van persoonlijkheids-rapportages tevens van belang kan zijn met het oog op leedverwerking of herstel. Dit wordt in wetsgeschiedenis en literatuur ook benoemd. De rechtbank tekent daarbij wel aan dat dit een grond is die in een verder verwijderd verband staat van de primaire grond voor opname van de regeling in het Wetboek van Strafvordering; het regelen van de processuele rechten van benadeelde partijen en slachtoffers. De rechtbank stelt vast dat tijdens de terechtzitting van 24 april 2014 delen van de verzochte rapportages aan verdachte zijn voorgehouden en met hem zijn besproken. De slachtoffers waren bij de terechtzitting aanwezig en hebben van deze bespreking en de informatie die daaruit naar voren kwam, kennis kunnen nemen. Voorts zijn in het vonnis delen van de rapportages opgenomen.

In het licht van voornoemde wetsgeschiedenis is naar het oordeel van de rechtbank het belang voor de slachtoffers, om naast de ter zitting naar voren gekomen informatie en de in dit vonnis opgenomen informatie uit de rapportages, toe te staan dat in verband met de leedverwerking kennis genomen wordt van de gehele persoonlijkheidsrapportages, onvoldoende onderbouwd. Het verzoek om kennisneming van deze rapportages moet dan ook worden afgewezen. Dit geldt eveneens voor het verzoek om verstrekking van afschriften ervan.

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [vader slachtoffer], [adres vader slachtoffer], vordert een schadevergoeding van € 20.518,40. Het betreft de vader van de omgebrachte [slachtoffer].

De vordering behelst de navolgende posten:

- begrafeniskosten totaal € 4.118,40, bestaande uit een bedrag van € 438,40 (negatief saldo extra kosten na uitkering Monuta verzekeringen) en € 3.680,-- voor een nog te plaatsen gedenksteen volgens offerte;

- immateriële schade voor een bedrag van € 15.000,--, bestaande uit shockschade;

- proceskosten voor een bedrag van € 1.152,--;

- wettelijke rente € 248,-- p.m.

De vordering van de benadeelde partij, voor zover die materiële schade betreft, is volledig toewijsbaar. De vordering ziet op de kosten van de lijkbezorging van de omgebrachte zoon van de benadeelde. De wet voorziet in de bepalingen betreffende onrechtmatige daad in artikel 6:108, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) rechtstreeks in een grondslag voor vergoeding van die schade.

Het saldo van de hier bedoelde reeds gemaakte kosten, verminderd met de ontvangen vergoedingen uit hoofde van de uitvaartverzekering, beloopt € 438,40. De rechtbank zal dit onbestreden gebleven bedrag, met de gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van overlijden, 6 oktober 2013 zijnde de datum van de onrechtmatige daad, toewijzen.

Voor toewijzing van rente over een hoger bedrag of met ingang van een vroegere datum is geen aanleiding nu voornoemd saldo aan kosten uiteraard niet eerder kan zijn geleden.

Toewijsbaar zijn voorts de toekomstige kosten van de grafsteen van € 3.680,-- waarvoor geldt dat gesteld noch gebleken is dat die in omvang niet in overeenstemming zouden zijn met de omstandigheden van de overledene. Over die kosten zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen vanaf 14 dagen na de datum van de uitspraak, zijnde 2 juni 2014.

Tenslotte zijn ook kosten van rechtsbijstand ter verkrijging van voldoening van schade, toewijsbaar.

De rechtbank zal daarvoor het liquidatietarief rechtbanken met een waarde van € 384,-- per punt als uitgangspunt nemen, zoals gevorderd.

Toewijsbaar is dan een bedrag van € 768,-- corresponderend met twee punten voor pleidooi. Afgewezen wordt het meerdere derde punt nu de rechtbank het rekenen van één punt “zitting rechtbank” beschouwt als een dubbeltelling. De wettelijke rente zal ook ten aanzien van deze post worden toegewezen vanaf 2 juni 2014.

Tenslotte zal de rechtbank ten aanzien van voornoemde bedragen de schadevergoedings-maatregel als bedoeld in artikel 36f Sv opleggen, echter met uitzondering van de laatstgenoemde kosten van rechtsbijstand nu die volgens vaste rechtspraak (HR 19 maart 2002, NJ 2002, 413) niet kunnen worden betrokken bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Anders oordeelt de rechtbank voor wat betreft de immateriële schade, gegrond op de stelling dat de vader van [slachtoffer] geschokt is geraakt door de confrontatie met het lichaam van zijn zoon ettelijke weken na het overlijden. Hoezeer ook begrijpelijk is van welk een onuitwisbare en gruwelijke ervaring hier sprake moet zijn, toch maakt het restrictieve wettelijke stelsel hier dat deze schade niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Denkbaar is dat een dader van doodslag niet alleen onrechtmatig jegens de mens die door hem is gedood handelt maar ook jegens anderen.

Denkbaar is dat door het waarnemen van het feit of de directe confrontatie met de gevolgen daarvan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit. Dit zal zich met name kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ongeval is gedood, zoals hier het geval is.

Van waarneming van het ombrengen van [slachtoffer] door zijn vader is geen sprake. Van een directe confrontatie met de gevolgen daarvan – in de betekenis die daaraan door de Hoge Raad in diens vaste rechtspraak (Hoge Raad 22 februari 2002, NJ 2002,240 en Hoge Raad 21 oktober 2010, NJ 2010,387) wordt gegeven, echter evenmin.

Deze confrontatie kan weliswaar ook plaatsvinden (kort) nadat de gebeurtenis die tot de dood van een ander heeft geleid, heeft plaatsgevonden maar de aard van deze schade brengt mee dat deze schade in het algemeen slechts voor vergoeding in aanmerking komt indien (ⅰ) de betrokkene rechtstreeks wordt geconfronteerd met de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden en, (ⅱ) deze confrontatie bij de betrokkene een hevige schok teweeggebracht heeft. Aan de eerste voorwaarde is hier niet voldaan nu de confrontatie met het lichaam van [slachtoffer] niet direct na het delict en niet op de plaats waar de doodslag is begaan heeft plaatsgevonden maar eerst meerdere weken nadien in het mortuarium. Om die redenen dient de vordering op dit onderdeel te worden afgewezen.

Of voldaan is aan de tweede voorwaarde om de gevorderde immateriële schade uit hoofde van artikel 6:106, eerste lid onder b, BW voor vergoeding in aanmerking te kunnen laten komen: dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld – zoals aangevoerd maar bestreden door de raadsman van verdachte – kan dan buiten beschouwing blijven.

Dit betekent dat de vordering tot immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 37a, 37b, 38e en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

-spreekt verdachte vrij van de impliciet primair ten laste gelegde moord;

Bewezenverklaring

- verklaart het impliciet subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van in totaal € 4.886,40 ter zake van materiële schade, waarvan:

* een bedrag van € 438,40 aan begrafeniskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2013;

* een bedrag van € 3.680,-- aan toekomstige kosten voor een grafsteen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na datum uitspraak, te weten 2 juni 2014;

* een bedrag van € 768,40 aan kosten rechtsbijstand, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na datum uitspraak, te weten 2 juni 2014.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- wijst de vordering voor het overige gedeelte af;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [vader slachtoffer], € 4.118,40 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 51 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2013 voor het bedrag van € 438,40 en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2014 voor het bedrag van € 3.680,--;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Weert, voorzitter, mr. Kok en mr Van der Weide, rechters, in tegenwoordigheid van Schuurmans, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 mei 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt daarmee, tenzij anders vermeld, bedoeld het onderdeel van het eindproces-verbaal met proces-verbaalnummer 2013206930 van de politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 376. Het proces-verbaal bevindingen d.d. 18 oktober 2013, pagina 112 en 113.

2 De verklaring van verdachte bij de politie, pagina 92.

3 De verklaring van getuige [getuige], pagina 223

4 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 oktober 2013, pagina 252 en 253.

5 Het forensisch archeologisch onderzoek aangaande een begraven stoffelijk overschot in ’t Wasven te Halsteren d.d. 27 november 2013, pagina 29 tot en met 45 van de map unit Forensisch Technisch Onderzoek (FTO)

6 Het proces-verbaal van identificatie slachtoffer d.d. 31 januari 2014, pagina 50 en 51 van de map unit FTO.

7 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 oktober 2013, pagina 318.

8 Het proces-verbaal aanvraag DNA-onderzoek sporen en benoeming DNA deskundige d.d. 14 november 2013, pagina 109 en 110 van de map unit FTO.

9 Het rapport onderzoek naar biologische sporen en (aanvullend) DNA onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] op 17 oktober 2013, pagina 99 en 100 van de map unit FTO.

10 Het proces-verbaal naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood door arts/patholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe d.d. 13 februari 2014, pagina 58 en 60 map unit FTO.

11 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 april 2014.