Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:3253

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-05-2014
Datum publicatie
20-05-2014
Zaaknummer
AWB-13_7096
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafontslag politieambtenaar wegens diefstal. Strafontslag is niet onevenredig aan de door eiser aangevoerde (persoonlijke) omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 13/7096 AW

uitspraak van 12 mei 2014 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te[woonplaats] (B), eiser,

en

de korpschef van politie, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 4 november 2013 (bestreden besluit) van de korpschef inzake de oplegging van de disciplinaire straf van ontslag.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 23 april 2014. Eiser is verschenen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. [naam vertegenwoordiger].

Overwegingen

1.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser was sinds 1976 in dienst bij de politie, laatstelijk in de functie van wijkagent. Eiser is op 14 januari 2013 door beveiligingsmedewerkers van een bouwmarkt op heterdaad aangehouden in verband met winkeldiefstal. De korpschef heeft eiser op 14 januari 2013 buitengewoon verlof verleend. Op 15 januari 2013 is door het bureau interne onderzoeken van de politie een disciplinair onderzoek gestart naar aanleiding van de winkeldiefstal en het daarbij misbruik maken van het politielegitimatiebewijs door eiser. Daarnaast heeft de korpschef eiser geschorst en hem de toegang tot onder meer de dienstgebouwen ontzegd. De bevindingen van het disciplinaire onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 23 januari 2013.

Bij brief van 25 februari 2013 heeft de korpschef eiser laten weten dat hij van plan is om hem met onmiddellijke ingang de straf op te leggen van ontslag. Eiser heeft op dit voornemen zijn mondelinge zienswijze naar voren gebracht.

Eiser is op 28 mei 2013 wegens diefstal veroordeeld tot een boete van € 200,-. Eiser is vrijgesproken van (poging tot) misbruik van gezag.

Bij besluit van 28 mei 2013 (primair besluit) heeft de korpschef aan eiser met onmiddellijke ingang de straf van ontslag opgelegd.

Bij het bestreden besluit heeft de korpschef de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. De korpschef heeft daarbij verwezen naar het advies van de bezwarenadviescommissie.

2.

De korpschef stelt zich in het bestreden besluit, samengevat, op het volgende standpunt. Uit onderzoek is vast komen te staan dat eiser op 14 januari 2013 op heterdaad is aangehouden toen hij diverse goederen in zijn kleding had verborgen en hiermee vervolgens de bouwmarkt probeerde te verlaten, zonder deze goederen bij de kassa af te rekenen. Daarnaast is uit onderzoek gebleken dat eiser zijn politielegitimatiebewijs heeft getoond aan de beveiligingsmedewerkers, in de hoop dat hij alsnog kon betalen en er geen aangifte zou worden gedaan. Eiser heeft deze gedraging ook erkend. Eiser heeft zich daarmee niet gedragen zoals van een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden mag worden verwacht. Er is sprake van zeer ernstig plichtsverzuim. Er is niet gebleken van zodanige omstandigheden dat het plichtsverzuim niet aan eiser kan worden toegerekend. Gelet op de aard en ernst van het plichtsverzuim kan een disciplinair ontslag niet als disproportioneel worden aangemerkt. Daarnaast dient het belang van een integer en geloofwaardig politiekorps te prevaleren boven eisers belangen.

3.

Eiser voert in beroep, samengevat, het volgende aan. De opgelegde straf is onevenredig aan het geconstateerde plichtsverzuim. Daarnaast staat de opgelegde straf niet in verhouding tot de veroorzaakte schade aan het aanzien van de politie. Verder is er bij het opleggen van de straf onvoldoende rekening gehouden met eisers staat van dienst, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de buitenproportionele gevolgen van dat besluit.

4.

In artikel 76, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) is bepaald dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair kan worden gestraft.

Op grond van het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

In artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp is bepaald dat ontslag een van de straffen is die kan worden opgelegd.

5.

Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij niet meer terug wil naar de politie, maar dat er sprake is van financiële belangen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser door deze financiële belangen een procesbelang bij de voortzetting van deze beroepsprocedure.

6.

De rechtbank stelt vast dat de korpschef eiser disciplinair heeft ontslagen, omdat eiser zich schuldig zou hebben gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim. Uit het bestreden besluit blijkt dat de korpschef eiser verwijt dat hij een winkeldiefstal heeft gepleegd en dat hij zijn politielegitimatiebewijs aan de beveiligingsmedewerkers heeft getoond om te voorkomen dat er aangifte tegen hem zou worden gedaan wegens deze winkeldiefstal.

Deze gedragingen zijn tussen partijen niet (langer) in geschil en ook de rechtbank stelt vast dat eiser deze gedragingen heeft begaan. Naar het oordeel van de rechtbank levert dit zeer ernstig plichtsverzuim op. Evenmin is gebleken dat het plichtsverzuim eiser niet ten volle kan worden toegerekend. De korpschef was dus bevoegd om aan eiser een disciplinaire straf op te leggen.

7.

De rechtbank staat vervolgens voor de vraag of de opgelegde straf van ontslag onevenredig is aan de aard en de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Partijen verschillen hierover van mening.

8.1

Gelet op de aard en ernst van het plichtsverzuim en gegeven de op een politieagent rustende taken, is de rechtbank van oordeel dat adequaat functioneren van eiser als executief politieambtenaar niet langer mogelijk kan worden geacht. Alhoewel de gedragingen waaraan eiser zich schuldig heeft gemaakt zich in de privésfeer hebben afgespeeld, kan niet uit het oog worden verloren dat een politieambtenaar een voorbeeldfunctie vervult. In deze voorbeeldfunctie hield eiser zich bezig met taken als toezicht houden en het handhaven van orde en regels in de maatschappij. Het uitvoeren van deze taken komt ongeloofwaardig over indien de politieagent zich in de privésfeer schuldig maakt aan ongeoorloofde gedragingen, zoals (in dit geval) diefstal. Iedere politieambtenaar moet immers beseffen dat diefstal betekent dat betrokkene handelt in strijd met de essentie van de dienstbetrekking en daardoor niet meer als betrouwbaar kan worden aangemerkt. De korpschef gaat er naar het oordeel van de rechtbank terecht van uit dat de integriteit van het politiekorps van het hoogste belang is en dat dit uitgangspunt maakt dat er terecht hoge eisen gesteld worden aan de betrouwbaarheid van de politiemedewerkers.

8.2

De rechtbank ziet geen aanleiding om de door eiser aangevoerde (persoonlijke) omstandigheden van doorslaggevend belang te achten bij de beoordeling van de (on)evenredigheid van het opgelegde strafontslag. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Eiser heeft aangevoerd dat de strafrechter aan hem een ‘normale’ boete heeft opgelegd, waarbij het strafverzwarende element van het zijn van politieambtenaar niet is meegenomen. De rechtbank overweegt dat de bestuursrechter een eigen verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van de vaststelling en de waardering van de voorliggende feiten en omstandigheden. Hij is daarbij niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter, omdat het oordeel van de strafrechter ziet op een andere rechtsvraag. De omstandigheid dat de strafrechter geen strafverzwarende elementen heeft laten meewegen bij de oplegging van de boete, betekent dan ook niet dat eisers functie als politieambtenaar bij de beoordeling van het strafontslag eveneens buiten beschouwing dient te blijven.

Eiser heeft verder aangevoerd dat hij – ondanks zijn strafrechtelijke veroordeling – een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) heeft gekregen, omdat zijn belangen dienden te prevaleren boven het belang van de beperking van de risico’s voor de samenleving. De rechtbank is echter van oordeel dat de verstrekking van een VOG aan eiser geen rol van betekenis kan spelen in deze procedure. Ten eerste is de VOG verstrekt door een ander bestuursorgaan (Dienst Justis), zodat niet kan worden gezegd dat de korpschef zelf afwijkend heeft geoordeeld ten aanzien van hetzelfde feitencomplex. Ten tweede is er sprake van een ander toetsingskader. Bij de verstrekking van de VOG is eisers belang afgewogen tegen het algemeen belang van de samenleving. Bij de beoordeling van het strafontslag gaat het om de vraag of eiser kan worden gehandhaafd als politieambtenaar, waarbij er een afweging heeft plaatsgevonden tussen het belang van een integer en geloofwaardig politiekorps en eisers belang.

Voor zover eiser in beroep heeft aangevoerd dat de districtsleiding geen twijfel heeft over zijn integriteit en functioneren, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft ter ondersteuning van zijn stelling enkele brieven van districtschef [naam persoon] overgelegd. Dit betreft een getuigschrift van 30 september 2013, waarin (onder meer) staat dat eiser tot op de laatste dag naar tevredenheid functioneerde, en een brief van 24 oktober 2013, waarin staat dat er geen formele bezwaren bestaan tegen een beëdiging van eiser als bijzonder opsporingsambtenaar in de eenheid Zeeland-West-Brabant. De rechtbank stelt echter vast dat de korpschef bij brief van 18 maart 2014 nadrukkelijk afstand heeft genomen van de inhoud van de brief van 24 oktober 2013. Nu het ontslagbesluit is genomen door de korpschef als bevoegd bestuursorgaan, en de korpschef het standpunt heeft ingenomen dat eiser binnen het korps niet langer kan worden gehandhaafd wegens een ernstige integriteitsschending, kan aan de brieven van de districtsleiding niet die waarde worden toegekend die eiser hieraan toegekend wenst te zien.

8.3

Volgens eiser staat de opgelegde straf niet in verhouding tot de veroorzaakte schade aan het aanzien van de politie. Zo heeft eiser aangevoerd dat de politie het feit zelf onder de aandacht van de media heeft gebracht, dat het gepleegde feit niet dusdanig is dat mensen zich daar druk om zullen maken en dat er in de media andere zaken hebben gespeeld die meer schade hebben aangericht.

De rechtbank overweegt dat eiser een diefstal heeft gepleegd bij een bouwmarkt. Eiser is door beveiligingsmedewerkers aangehouden, aan wie hij zijn politielegitimatiebewijs heeft laten zien. Personen buiten de politieorganisatie zijn dus op de hoogte geraakt van het feit dat een politieambtenaar een diefstal had gepleegd. De rechtbank acht het dan ook begrijpelijk dat de korpsleiding een persbericht heeft laten uitgaan, om te voorkomen dat het incident op een andere wijze naar buiten zou worden gebracht en de politie zou worden beticht van een ‘doofpotaffaire’. Eiser miskent daarnaast dat elke misstap van een politieambtenaar een aantasting oplevert van het aanzien van de politie als ambtelijk orgaan. De stelling van eiser dat er sprake is van een relatief gering feit, kan niet worden gevolgd. De rechtbank wijst er daarbij op dat het plegen van de diefstal (en in mindere mate het tonen van het politielegitimatiebewijs) door de korpschef is aangemerkt als zeer ernstig plichtsverzuim. De omstandigheid dat het plegen van een diefstal door een politieambtenaar mogelijk snel in de vergetelheid zal geraken, betekent niet dat daarom een lagere disciplinaire straf in de rede ligt.

8.4

Eiser heeft ten slotte aangevoerd dat de korpschef onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers staat van dienst, de omstandigheden waaronder het feit gepleegd is en de zware gevolgen die het strafontslag voor eiser heeft.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de korpschef in het bestreden besluit deze zaken heeft benoemd en meegewogen. De omstandigheid dat dit niet tot een voor eiser gunstig resultaat heeft geleid, wil nog niet zeggen dat de korpschef hier onvoldoende rekening mee heeft gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef er voldoende blijk van gegeven dat de omstandigheden van het geval zijn betrokken bij de beoordeling.

Voor zover eiser heeft bedoeld dat deze omstandigheden tot een andere disciplinaire straf hadden moeten leiden, overweegt de rechtbank als volgt. De door eiser genoemde omstandigheden doen niet af aan het feit dat eiser heeft gehandeld in strijd met de in het politiekorps geldende strenge eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid. Gezien de aard en ernst van de gedragingen en de betekenis hiervan voor het functioneren van eiser binnen de politiedienst heeft eiser er blijk van gegeven zich onvoldoende bewust te zijn van de grenzen die uit de aard van zijn functie voortvloeien. Gelet op de aard en de ernst van het plichtsverzuim acht de rechtbank derhalve de opgelegde straf van onvoorwaardelijk strafontslag niet onevenredig aan dit verzuim.

9.

Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

10.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.M. van Bergen, voorzitter, en mr. F.P.J. Schoonen en mr. D.H. Hamburger, leden, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.