Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:3174

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-05-2014
Datum publicatie
16-05-2014
Zaaknummer
AWB- 13_6517
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom tot het doen beëindigen van de permanente bewoning van een recreatiewoning op Parc Patersven gericht aan de verhuurder van de woning. Eiseres heeft een professionele verhuurbemiddelingsmaatschappij ingeschakeld. Eiseres kan niet worden aangemerkt als degene die het te handhaven voorschrift heeft geschonden en die het in haar macht heeft om aan de overtreding een eind te maken. Ten onrechte is zij als overtreder aangemerkt. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het oorspronkelijke handhavingsverzoek ten aanzien van eiseres alsnog af te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 13/6517 GEMWT

uitspraak van uiterlijk 15 mei 2014 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam derde partij], te [woonplaats],

gemachtigde: mr. M.M. Breukers.

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2013 (bestreden besluit), verzonden 17 oktober 2013, heeft het college, onder oplegging van een dwangsom, eiseres gelast de permanente bewoning van haar recreatiewoning op kavel 205 op Parc Patersven te beëindigen, onder oplegging van een eenmalige dwangsom van € 25.000,- indien niet tijdig aan de last wordt voldaan. Deze lastgeving heeft betrekking op de vijf personen die ingeschreven staan per 27 oktober 2011 en 21 november 2011. De termijn waarbinnen aan de last voldaan moet zijn is daarbij bepaald op 12 weken na verzending van de lastgeving.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 15 april 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar partner. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door[naam vertegenwoordiger]en mr. [naam vertegenwoordiger]. Derde partij en zijn gemachtigde zijn eveneens verschenen.

Overwegingen

1.

Het bestreden besluit vloeit voort uit een verzoek van derde partij van 8 september 2010 om handhavend optreden tegen het permanent bewonen van recreatiewoningen op “Parc Patersven”, [adres] te [plaatsnaam]. Dit verzoek is door het college bij besluit van 9 november 2010 afgewezen.

Bij besluit van 9 augustus 2011 heeft het college het door derde partij daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, maar dit besluit is door de rechtbank bij uitspraak van 16 december 2011 (procedurenummer 11/4611) vernietigd.

Vervolgens heeft het college bij besluit van 1 mei 2012 het bezwaar van derde partij opnieuw gegrond verklaard, het besluit van 9 november 2010 herroepen en aangegeven dat het handhavingstraject binnen de door de gemeenteraad gestelde termijn van twee jaar gestalte zal krijgen.

Bij uitspraak van 22 januari 2013 (procedurenummer 12/3085) heeft de rechtbank het door derde partij daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 mei 2012 vernietigd en bepaald dat het college - kort gezegd - handhavingsbeslissingen dient te nemen overeenkomstig het door het college opgestelde “Plan van aanpak Parc Patersven”.

De rechtbank heeft vervolgens op 21 november 2013 uitspraken gedaan op een aantal beroepen tegen concrete handhavingsbesluiten (ECLI:NL:RBZWB:2013:8461/8466/8469).

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft op 5 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:735) uitspraak gedaan op hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank van 16 december 2011 en 22 januari 2013.

Voor een uitgebreidere samenvatting van de voorgeschiedenis met betrekking tot Parc Patersven, verwijst de rechtbank naar (overweging 1 van) haar uitspraken van 21 november 2013.

2.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank voorts uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is eigenaar en verhuurder van de recreatiewoning op kavel 205 op Parc Patersven. Tijdens een controle ter plaatse is gebleken dat de recreatiewoning een bewoonde indruk maakt en zijn personen aangetroffen in de recreatiewoning van eiseres. Zij hebben verklaard de woning te huren.

Bij brief van 23 september 2013 heeft het college aan eisers laten weten dat naar aanleiding van de controle en aanvullend intern onderzoek - in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) - is gebleken dat belanghebbende de woning verhuurt aan c.q. laat gebruiken door personen die de woning permanent bewonen. Tevens is meegedeeld dat het college voornemens is om met betrekking tot het illegale gebruik van de recreatiewoning een last onder dwangsom op te leggen die betrekking heeft op de 5 personen die in de GBA staan ingeschreven. Het betreft [naam persoon], [naam persoon], [naam persoon], [naam persoon] en [naam persoon]. Van de mogelijkheid om daarover een zienswijze kenbaar te maken, heeft eiseres gebruik gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft het college eiseres gelast de permanente bewoning in haar recreatiewoning op Parc Patersven te staken. Daarbij heeft het college bepaald dat eiseres een dwangsom van € 25.000,- verbeurt, indien zij niet binnen 12 weken na verzending van de aan haar gerichte lastgeving de illegale bewoning door 5 voornoemde personen van haar recreatiewoning beëindigt.

3.

Zoals de rechtbank ook heeft overwogen in de eerder genoemde uitspraken van 21 november 2013 is het bestreden besluit aan te merken als een beslissing op bezwaar waartegen beroep bij de rechtbank kan worden ingesteld. De rechtbank neemt in verband daarmee aan dat het college met het bestreden besluit tevens heeft beoogd om het bezwaar van derde partij tegen het besluit van 9 november 2010, waarin zijn handhavingsverzoek is afgewezen, (opnieuw) gegrond te verklaren, alsmede om dat besluit te herroepen en te vervangen door besluiten tot toewijzing van het handhavingsverzoek van derde partij.

4.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat de relatie tussen haar en haar partner is stuk gelopen en dat zij gezamenlijk eigenaar waren van de woning op kavelnummer 205. Eiseres was genoodzaakt haar partner uit te kopen. Omdat de lasten niet alleen te dragen waren, is met de toenmalige - en nu met de huidige - beheerder een overeenkomst gesloten om de woning te verhuren. Aangezien uitsluitend recreatief verhuur was toegestaan, is eiseres ervan uitgegaan dat de woning voor recreatieve doeleinden verhuurd zou worden. Ten onrechte is haar zienswijze over het hoofd gezien. De gemeente Zundert heeft telefonisch aangegeven dat de woning op 10 januari 2014 ontruimd zou moeten zijn. Dit zou betekenen dat zij haar eigen huurwoning niet meer kan betalen en niet op Parc Patersven kan wonen en dus dakloos wordt. Eiseres vindt het vreemd dat dat de gemeente controles uitvoert terwijl zij zelf de besluitvorming over het park hebben teruggegeven aan de Provincie. Daarnaast is de situatie al jaren gedoogd en dat heeft bij veel mensen verwachtingen gewekt.

5.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang. De bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang wordt op grond van artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet uitgeoefend door het college, indien de toepassing van de bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

In artikel 5:1, eerste lid, van de Awb is bepaald dat in deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

Ingevolge artikel 5:1, tweede lid, van de Awb wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

In artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb is bepaald dat bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn wordt gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

6.

Ingevolge artikel 3, lid C, onder I, van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Recreatiecentrum Patersven”, is het verboden de tot “verblijfsrecreatieve voorzieningen” bestemde gronden en opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met deze bestemming.

Op grond van artikel 3, lid C, onder II, sub 2, van deze planvoorschriften, wordt onder strijdig gebruik als bedoeld onder I ten minste verstaan het gebruik van de grond voor permanent wonen.

In artikel 1 van dit bestemmingsplan is bepaald dat onder verblijfsrecreatie wordt verstaan: verblijf buiten de eerste woning - voor recreatieve doeleinden - waarbij tenminste één overnachting wordt gemaakt, met uitzondering van overnachtingen bij familie of kennissen.

7.

De rechtbank stelt vast dat de huurders van de recreatiewoning van eiseres geen beroep hebben ingesteld tegen de aan hen afzonderlijk gerichte besluiten. Niet in geschil is dat deze huurders ten tijde van de lastgevingen de recreatiewoning van eiseres permanent bewoonden, althans anders gebruikten dan voor verblijfsrecreatie, hetgeen in strijd is met het in artikel 3, lid c, onder I van de planvoorschriften neergelegde gebruiksverbod. De bij het bestreden besluit gestelde begunstigingstermijn is intussen verstreken. Partijen hebben echter geen uitsluitsel kunnen geven over het antwoord op de vraag of de huurders de woning voor het verstrijken van de begunstigingstermijn hebben verlaten, zodat niet kan worden vastgesteld of sprake is van een situatie waarin de last is uitgewerkt. Bij gebrek aan wetenschap hierover neemt de rechtbank aan dat eiseres nog een procesbelang heeft.

8.

De vraag die vervolgens voorligt en die partijen verdeeld houdt, is of eiseres als overtreder kan worden aangemerkt. Volgens vaste rechtspraak moet als overtreder worden aangemerkt degene die het te handhaven voorschrift heeft geschonden en het in zijn macht heeft om de overtreding te beëindigen.

De rechtbank stelt vast dat eiseres haar recreatiewoning verhuurt met tussenkomst van een professionele verhuurbemiddelingsmaatschappij, te weten ’t Paterke VOF. Zij heeft ter zitting toegelicht dat zij de zowel de administratieve als de feitelijke gang van zaken met betrekking tot de verhuur tegen betaling van een commissie geheel uit handen heeft gegeven aan ’t Paterke VOF, zodat zij geen enkele bemoeienis heeft met de personen die de woning huren. Zij ontvangt via ’t Paterke VOF de huurinkomsten. Uit de verhuurbemiddelingsovereenkomst blijkt dat eiseres aan ’t Paterke VOF de volmacht heeft gegeven om haar recreatiewoning op het park te verhuren en namens haar een huurovereenkomst te tekenen. Onder deze omstandigheden is geen sprake van een situatie waarin eiseres het pand direct verhuurt ten behoeve van een met het bestemmingsplan strijdig gebruik (vergelijk de uitspraak van de AbRS van 9 november 2011, ECLI:NL:ABRS:2011:BU3757). Uit het voorgaande volgt dat eiseres niet kan worden aangemerkt als degene die het te handhaven voorschrift heeft geschonden en die het in haar macht heeft om aan de overtreding een eind te maken. Evenmin kan zij als medepleger worden aangemerkt.

9.

Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres ten onrechte als overtreder is aangemerkt. Het college is niet bevoegd een dwangsom aan eiseres op te leggen.

Het beroep van eiseres is dus gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat het verzoek van derde partij van 8 september 2010 om handhavend optreden ten aanzien van eiseres alsnog wordt afgewezen. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde bestreden besluit.

10.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten, zodat een proceskostenveroordeling achterwege blijft.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat het verzoek van derde partij van 8 september 2010 om handhavend optreden ten aanzien van eiseres alsnog wordt afgewezen;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 160,- aan eiseres te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.M. van Lanen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H.C.W. Vonk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.