Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:3169

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-05-2014
Datum publicatie
16-05-2014
Zaaknummer
AWB- 13_4816
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom tot het doen beëindigen van de permanente bewoning van een recreatiewoning op Parc Patersven gericht aan de verhuurder van de woning. Nu de huurders de woning hebben verlaten en de last specifiek op hen gericht was, is geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling. Beroep is niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 13/4816 GEMWT

uitspraak van 15 mei 2014 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats 1], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam derde partij], te [woonplaats 2],

gemachtigde: mr. M.M. Breukers.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2013 (bestreden besluit), verzonden op 26 juli 2013, heeft het college eiser gelast het gebruik anders dan voor verblijfsrecreatie door bewoners van de recreatiewoning op kavel 281 van Parc Patersven te doen beëindigen, onder oplegging van een dwangsom van € 25.000,- indien niet tijdig aan de last wordt voldaan.

Eiser heeft beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 11 april 2014.

Eiser is verschenen, vergezeld door mr.[naam persoon]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door[naam vertegenwoordiger] en mr. [naam vertegenwoordiger]. Derde-partij is verschenen.

Overwegingen

1.

Het bestreden besluit vloeit voort uit een verzoek van derde partij van 8 september 2010 om handhavend optreden tegen het permanent bewonen van recreatiewoningen op “Parc Patersven”, [adres] te [plaatsnaam]. Dit verzoek is door het college bij besluit van 9 november 2010 afgewezen.

Bij besluit van 9 augustus 2011 heeft het college het door derde partij daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, maar dit besluit is door de rechtbank bij uitspraak van 16 december 2011 (procedurenummer 11/4611) vernietigd.

Vervolgens heeft het college bij besluit van 1 mei 2012 het bezwaar van derde partij opnieuw gegrond verklaard, het besluit van 9 november 2010 herroepen en aangegeven dat het handhavingstraject binnen de door de gemeenteraad gestelde termijn van twee jaar gestalte zal krijgen.

Bij uitspraak van 22 januari 2013 (procedurenummer 12/3085) heeft de rechtbank het door derde partij daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 mei 2012 vernietigd en bepaald dat het college - kort gezegd - handhavingsbeslissingen dient te nemen overeenkomstig het door het college opgestelde “Plan van aanpak Parc Patersven”.

De rechtbank heeft vervolgens op 21 november 2013 uitspraken gedaan op een aantal beroepen tegen concrete handhavingsbesluiten (ECLI:NL:RBZWB:2013:8461/8466/8469).

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 5 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:735) uitspraak gedaan op hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank van 16 december 2011 en 22 januari 2013.

Voor een uitgebreidere samenvatting van de voorgeschiedenis met betrekking tot Parc Patersven, verwijst de rechtbank naar (overweging 1 van) haar uitspraken van 21 november 2013.

2.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank voorts uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is eigenaar van de recreatiewoning op kavel 281 op Parc Patersven. Eiser verhuurt de woning aan derden die er permanent wonen. Bij brief van 4 april 2013 heeft het college aan eiser laten weten dat hij in verband met de permanente bewoning van de recreatiewoning door de huurders voornemens is om aan eiser een last onder dwangsom op te leggen. Van de mogelijkheid om daarover zijn zienswijze kenbaar te maken, heeft eiser geen gebruik gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft het college eiser gelast het gebruik van de recreatiewoning op kavel 281 op Parc Patersven door de bewoners anders dan voor verblijfsrecreatie als bedoeld in het bestemmingsplan ‘Recreatiecentrum Patersven’ te doen beëindigen. Eiser verbeurt een dwangsom van € 25.000,- per bewoner, indien hij het illegale gebruik van de recreatiewoning door de bewoners niet binnen de gestelde termijn heeft doen beëindigen.

3.

Zoals de rechtbank ook heeft overwogen in de eerder genoemde uitspraken van 21 november 2013 is het bestreden besluit aan te merken als een beslissing op bezwaar waartegen beroep bij de rechtbank kan worden ingesteld. De rechtbank neemt in verband daarmee aan dat het college met het bestreden besluit tevens heeft beoogd om het bezwaar van derde partij tegen het besluit van 9 november 2010, waarin zijn handhavingsverzoek is afgewezen, (opnieuw) gegrond te verklaren, alsmede om dat besluit te herroepen en te vervangen door besluiten tot toewijzing van het handhavingsverzoek van derde partij.

4.

Voordat de rechtbank kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep, dient eerst (ambtshalve) te worden beoordeeld of het beroep ontvankelijk is. Een beroep is niet ontvankelijk, wanneer het procesbelang daarbij voor de eiser ontbreekt.

Volgens vaste jurisprudentie is slechts sprake van voldoende procesbelang, indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.

Eiser heeft ter zitting gesteld en het college heeft niet weersproken dat die bewoners waarop de last onder dwangsom zag de recreatiewoning voor het verstrijken van de begunstigingstermijn hebben verlaten. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de last onder dwangsom zoals die aan eiser is opgelegd is uitgewerkt.

Niet gebleken is dat eiser nog procesbelang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

5.

Omdat eiser onvoldoende procesbelang heeft bij het beroep, zal het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak. Nu het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, rechter, in aanwezigheid van

W.J. Steenbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.