Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:3168

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-05-2014
Datum publicatie
16-05-2014
Zaaknummer
AWB- 13_6511
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:2496, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom tot het staken van het gebruik van een recreatiewoning op Parc Patersven anders dan voor verblijfsrecreatie. Eisers betwisten dat zij de recreatiewoning permanent bewonen. Voor de rechtbank staat vast dat het huidige gebruik van de recreatiewoning het gebruik voor verblijfsrecreatie overstijgt. Een begunstigingstermijn gerelateerd aan de duur van de overtreding is in strijd met artikel 5:32a, tweede lid, Awb. De begunstigingstermijn van 10 jaar is te lang; de rechtbank voorziet zelf en bepaalt de begunstigingstermijn op zes maanden na verzending uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

Zaaknummers: BRE 13/6511, 13/6512, 14/976, en 14/977

uitspraak van 15 mei 2014 van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

1 [naam eiser1] en[naam eiser2], te [woonplaats],

eisers in de zaken met nummers 13/6511 en 13/6512,

tevens derde partij in de zaken met nummers 14/976 en 14/977,

gemachtigde: mr. H.A. Gooskens,

2 A.J.L. Kools, te Wernhout, eiser in de zaken met nummers 14/976 en 14/977,

tevens derde partij in de zaken met nummers 13/6511 en 13/6512,

gemachtigde mr. M.M. Breukers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert, verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 1 oktober 2013 (bestreden besluiten), verzonden op 4 oktober 2013, heeft het college [naam eiser1] en [naam eiser2] (eisers sub 1) gelast het gebruik van de recreatiewoning op kavel 42 van Parc Patersven anders dan voor verblijfsrecreatie uiterlijk 10 jaar na verzending van deze besluiten te staken en gestaakt te houden, onder oplegging van een eenmalige dwangsom aan ieder van € 25.000,- indien niet tijdig aan de last wordt voldaan.

Eisers sub 1 hebben beroep ingesteld.

Ook eiser sub 2 heeft beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting, waar de beroepen gevoegd zijn behandeld, heeft plaatsgevonden in Breda op 3 april 2014. Eisers sub 1 zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Eiser sub 2 is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam vertegenwoordiger] en [naam vertegenwoordiger].

Overwegingen

1. De bestreden besluiten vloeien voort uit een verzoek van eiser sub 2 van 8 september 2010 om handhavend optreden tegen het permanent bewonen van recreatiewoningen op “Parc Patersven”, [adres] te [plaatsnaam]. Dit verzoek is door het college bij besluit van 9 november 2010 afgewezen.

Bij besluit van 9 augustus 2011 heeft het college het door eiser sub 2 daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, maar dit besluit is door de rechtbank bij uitspraak van 16 december 2011 (procedurenummer 11/4611) vernietigd.

Vervolgens heeft het college bij besluit van 1 mei 2012 het bezwaar van eiser sub 2 opnieuw gegrond verklaard, het besluit van 9 november 2010 herroepen en aangegeven dat het handhavingstraject binnen de door de gemeenteraad gestelde termijn van twee jaar gestalte zal krijgen.

Bij uitspraak van 22 januari 2013 (procedurenummer 12/3085) heeft de rechtbank het door eiser sub 2 daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 mei 2012 vernietigd en bepaald dat het college - kort gezegd - handhavingsbeslissingen dient te nemen overeenkomstig het door het college opgestelde “Plan van aanpak Parc Patersven”.

De rechtbank heeft vervolgens op 21 november 2013 uitspraken gedaan op een aantal beroepen tegen concrete handhavingsbesluiten (ECLI:NL:RBZWB:2013:8461/8466/8469).

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft op 5 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:735) uitspraak gedaan op hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank van 16 december 2011 en 22 januari 2013.

Voor een uitgebreidere samenvatting van de voorgeschiedenis met betrekking tot Parc Patersven, verwijst de rechtbank naar (overweging 1 van) haar uitspraken van 21 november 2013.

2. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank voorts uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eisers sub 1 zijn eigenaar van de recreatiewoning op kavel 42 op Parc Patersven. Bij brieven van 22 juli 2013 heeft het college aan eisers sub 1 laten weten dat het voornemens is om met betrekking tot permanente bewoning een last onder dwangsom op te leggen. Van de mogelijkheid om daarover hun zienswijzen kenbaar te maken, hebben eisers sub 1 gebruik gemaakt.

Bij de bestreden besluiten heeft het college eisers sub 1 gelast het gebruik van de recreatiewoning op Parc Patersven anders dan voor verblijfsrecreatie als bedoeld in het bestemmingsplan ‘Recreatiecentrum Patersven’ te staken en gestaakt te houden. Daarbij heeft het college bepaald dat eisers sub 1 elk een dwangsom van € 25.000,- verbeuren, indien zij niet binnen 10 jaar na verzending van de aan hen gerichte lastgevingen het illegale gebruik van de recreatiewoning hebben gestaakt.

3. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen in de eerder genoemde uitspraken van 21 november 2013 zijn de bestreden besluiten aan te merken als beslissingen op bezwaar waartegen beroep bij de rechtbank kan worden ingesteld. De rechtbank neemt in verband daarmee aan dat het college met de bestreden besluiten tevens heeft beoogd om het bezwaar van eiser sub 2 tegen het besluit van 9 november 2010, waarin zijn handhavingsverzoek is afgewezen, (opnieuw) gegrond te verklaren, alsmede om dat besluit te herroepen en te vervangen door besluiten tot toewijzing van het handhavingsverzoek van eiser sub 2. Ter zitting is dit door het college bevestigd.

4. De bestreden besluiten zijn gedateerd 1 oktober 2013. Eiser sub 2 heeft op 2 januari 2014 beroep ingesteld. Ter zitting is vastgesteld dat de bestreden besluiten pas op 12 februari 2014 aan eiser sub 2 zijn uitgereikt, zodat de beroepstermijn voor hem vanaf die datum begon te lopen. Hieruit volgt dat het beroep van eiser sub 2 prematuur is, maar gelet op artikel 6:10, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wel ontvankelijk is, nu de besluiten ten tijde van het instellen van beroep wel reeds tot stand waren gekomen.

5. Eisers sub 1 hebben in beroep aangevoerd dat er in hun ogen geen sprake is van permanente bewoning, aangezien zij ook een woning hebben in Sri Lanka en daar ongeveer vijf maanden per jaar verblijven. Voor zover wel sprake is van permanente bewoning is die er al vanaf 2002. In dat geval komen eisers sub 1 in aanmerking voor een persoonsgebonden omgevingsvergunning. Voorts stellen eisers sub 1 dat de ‘Beleidsregels handhaving gebruik recreatiewoningen Parc Patersven gemeente Zundert’ (Beleidsregels) onredelijk zijn en een begunstigingstermijn van 10 jaar niet redelijk is. Zij doen een beroep op het vertrouwensbeginsel. Verder stellen zij dat er zicht op legalisering is. Er zijn bijzondere omstandigheden op grond waarvan van handhaving moet worden afgezien. Tot slot verzoeken eisers sub 1 om een proceskostenvergoeding.

6. Eiser sub 2 betoogt dat een begunstigingstermijn van 3 maanden of langer in ieder geval niet in overeenstemming is met artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb, omdat blijkens de toelichting op deze bepaling de termijn voor het beëindigen van de overtreding zo kort mogelijk moet worden gesteld. De in de bestreden besluiten gehanteerde begunstigings-termijn van 10 jaar leidt er volgens eiser sub 2 toe dat er hier geen sprake is van handhavend optreden tegen het permanent bewonen van recreatiewoningen op Parc Patersven, maar van het langdurig gedogen van die situatie. Tot slot verzoekt ook eiser sub 2 om een proceskostenvergoeding.

7. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang. De bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang wordt op grond van artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet uitgeoefend door het college, indien de toepassing van de bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

In artikel 5:1, eerste lid, van de Awb is bepaald dat in deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

Ingevolge artikel 5:1, tweede lid, van de Awb wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

In artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb is bepaald dat bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn wordt gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

8. Ingevolge artikel 3, lid C, onder I, van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Recreatiecentrum Patersven”, is het verboden de tot “verblijfsrecreatieve voorzieningen” bestemde gronden en opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met deze bestemming.

Op grond van artikel 3, lid C, onder II, sub 2, van deze planvoorschriften, wordt onder strijdig gebruik als bedoeld onder I ten minste verstaan het gebruik van de grond voor permanent wonen.

In artikel 1 van dit bestemmingsplan is bepaald dat onder verblijfsrecreatie wordt verstaan: verblijf buiten de eerste woning – voor recreatieve doeleinden - waarbij tenminste één overnachting wordt gemaakt, met uitzondering van overnachtingen bij familie of kennissen.

9. Volgens vaste jurisprudentie van de AbRS moet het bestuursorgaan in beginsel handhavend optreden tegen overtreding van een wettelijk voorschrift, gelet op het algemeen belang dat met handhaving is gediend. In dit kader heeft de AbRS reeds vele malen overwogen dat het bestuursorgaan slechts onder bijzondere omstandigheden van handhaving mag afzien, en dat zo’n situatie kan zich voordoen (a) indien concreet zicht op legalisering bestaat of (b) handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Het is dan ook onjuist noch onredelijk te achten dat het college in gevallen als het onderhavige geval, in het belang van de handhaving van wettelijke voorschriften en het voorkomen van precedentwerking, in beginsel is uitgegaan van het opleggen van een last onder dwangsom. Dit geldt hier temeer omdat door een derde belanghebbende is verzocht om handhaving van de wettelijke voorschriften.

10. Eisers sub 1 hebben betwist dat zij de recreatiewoning op kavel 42 permanent bewonen. De rechtbank is echter met het college van oordeel dat eisers sub 1 de recreatiewoning gebruiken anders dan voor verblijfsrecreatie.

Hierbij neemt de rechtbank allereerst in aanmerking dat eisers sub 1 sinds 18 december 2006 in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Zundert (GBA) op het adres [adres] K42 staan ingeschreven. Dit gegeven rechtvaardigt het vermoeden dat eisers sub 1 ter plaatse hun hoofdverblijf (in de zin van artikel 1:10, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek) hebben. Weliswaar heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de stelling van eisers sub 1 dat zij vijf maanden per jaar in het buitenland verblijven in hun woning aldaar, maar voor de rechtbank staat vast dat het huidige gebruik van de recreatiewoning op Patersven, gezien de omvang daarvan en de inschrijving in de GBA, het gebruik voor verblijfsrecreatie overstijgt.

Voorts is niet in geschil dat gebruik anders dan voor verblijfsrecreatie in strijd is met de regels van het bestemmingsplan “Recreatiecentrum Patersven” zodat het college bevoegd is om daartegen op te treden.

11. Eisers sub 1 betogen dat het college geen gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid omdat concreet zicht bestaat op legalisering. Eisers sub 1 wijzen hierbij op het nieuwe plan van de Vereniging van Eigenaren (VvE) van Patersven “Een leefbaar Patersven voor iedereen”. In dat plan is sprake van een dubbelbestemming, inhoudende dat er naast recreatie ook permanente bewoning mogelijk is. Daarnaast hebben eisers sub 1 gewezen op de brief van het college aan provinciale staten van Noord-Brabant van 15 oktober 2013 waarin het college heeft verzocht om mee te werken aan legalisering van de situatie op Parc Patersven door middel van een aanpassing van de Verordening Ruimte.

Voorts is ter zitting gesproken over de brief van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 10 februari 2014, waarin gedeputeerde staten aangeven een positieve grondhouding te hebben ten aanzien van het mogelijk maken van permanente bewoning op Parc Patersven en dat zij daartoe voorstellen zullen gaan doen aan provinciale staten van Noord-Brabant.

De rechtbank overweegt dat in situaties als de onderhavige volgens vaste jurisprudentie pas sprake kan zijn van concreet zicht op legalisering indien ten minste een daartoe strekkend ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd.

Daarvan was geen sprake toen de bestreden besluiten werden genomen, en daarvan is momenteel nog steeds geen sprake. Op 13 maart 2013 is een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd waarin juist niet is voorzien in permanente bewoning op Parc Patersven. Het nieuwe plan van de VvE Patersven en de huidige positieve grondhouding van gedeputeerde staten maken dit niet anders en dateren overigens van na het nemen van de bestreden besluiten.

12. Voor zover eisers sub 1 menen dat zij in aanmerking komen voor een persoonsgebonden omgevingsvergunning voor het bewonen van de recreatiewoning als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder 10, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, is de rechtbank van oordeel dat nu daartoe geen aanvraag is ingediend, dit geen grond kan vormen om uit te gaan van concreet zicht op legalisering.

13. Als bijzondere omstandigheid dat de illegale bewoning gedoogd zou moeten worden, hebben eisers sub 1 gewezen op het reeds gedurende vele jaren gedogen van de bewoning en alle inspanningen die van gemeentewege zijn verricht om dit gelegaliseerd te krijgen. Dit zou de verwachting hebben gewekt dat de illegale bewoning ook thans nog voortgezet mag worden. Eisers sub 1 hebben in dit verband ook nog aangevoerd dat zij hebben vertrouwd op de statuten van de VvE Patersven.

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig is dat aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de AbRS van 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9520.

Voorts overweegt de rechtbank dat blijkens de overgelegde stukken gedurende vele jaren van gemeentewege is getracht om permanente bewoning van de recreatiewoningen op Parc Patersven mogelijk te maken, maar dat die pogingen om uiteenlopende redenen nooit zijn geslaagd. De legaliseringspogingen kenden in 2007 een vervolgstap met de intentieovereenkomst tussen de gemeente Zundert, de VvE Patersven en projectontwikkelaar VolkerWessels, gericht op de omvorming van recreatiepark naar woonwijk. Bij de vast stelling van het Plan van Aanpak Herstructurering Parc Patersven is uitdrukkelijk bepaald dat bij mislukking van de transformatie er geen andere mogelijkheid openstaat dan handhaving. Medio 2011 heeft VolkerWessels zich teruggetrokken uit het project. Er is niet gebleken dat door daartoe bevoegde personen de rechtens te honoreren verwachting is gewekt dat een legaliserend bestemmingsplan er zeker zou komen. Het legaliseringsproces is uiteindelijk formeel beëindigd met het besluit van de gemeenteraad van Zundert van 15 december 2011. Dit was ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten een gegeven voor het college als het bevoegde bestuursorgaan in handhavingszaken als de onderhavige.

Voor zover eisers sub 1 zich hebben beroepen op mededelingen door anderen (VvE, medebewoners etc.) is geen sprake van toezeggingen door een daartoe bevoegd persoon, zodat dit niet aan het college kan worden tegengeworpen.

14. Eisers sub 1 hebben niet aannemelijk gemaakt dat de bestreden besluiten voor hen zulke ernstige nadelige financiële consequenties hebben, dat in hun geval om die reden handhavend optreden achterwege zou moeten blijven. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat door eisers sub 1 in het geheel geen gegevens over hun financiële situatie over zijn gelegd.

15. Voor zover eisers sub 1 het college verwijten dat het hen niet heeft geïnformeerd over het verbod om recreatiewoningen op Parc Patersven permanent te bewonen, vormt dit geen reden om handhavend optreden onrechtmatig te achten, wat er van die klacht ook zij. Er valt namelijk niet te wijzen op een wettelijk voorschrift waaruit zo’n vergaande informatieplicht voor het college kan worden afgeleid. Bovendien blijft een koper van een gebouw een eigen verantwoordelijkheid houden om zich voorafgaand aan de koop op de hoogte te stellen van de planologische mogelijkheden van het gebouw dat hij/zij wil kopen. Zoals uit het voorgaande blijkt is gebruik anders dan voor verblijfsrecreatieve doeleinden op Parc Patersven van meet af aan verboden geweest en eisers sub 1 wisten dit of hadden dit kunnen weten.

Eisers sub 1 hebben gesteld dat het college hen bij de inschrijving in de GBA had behoren te wijzen op het feit dat permanente bewoning op Parc Patersven niet is toegestaan. Hoewel het naar het oordeel van de rechtbank het college had gesierd als dergelijke mededelingen wel waren gedaan, geldt ook hiervoor dat er geen wettelijk voorschrift is dat het college daartoe verplicht.

De rechtbank concludeert dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhaving had dienen af te zien.

16. Artikel 3 van de Beleidsregels handhaving bepaalt dat met betrekking tot bewoners die eigenaar zijn van een recreatiewoning en deze recreatiewoning zijn gaan bewonen na 31 oktober 2003 maar voor de datum van bekendmaking van deze beleidsregels, een handhavingstraject zal worden opgestart en dat, indien dit leidt tot het opleggen van een last onder dwangsom, deze bewoners een begunstigingstermijn van 10 jaar krijgen. Deze termijn vangt aan na verzending van de last onder dwangsom. Het college heeft blijkens de Beleidsregels handhaving de begunstigingstermijn voor eigenaren die hun recreatiewoning na 31 oktober 2003 permanent zijn gaan bewonen, bepaald op 10 jaar omdat het voor deze personen moeilijk is de woning een andere bestemming te geven én tijdig vervangende woonruimte te vinden.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb verplicht tot het gunnen van een termijn voor het beëindigen van de overtreding en dat op grond van zowel de toelichting als de jurisprudentie op deze bepaling deze termijn niet langer hoeft te zijn dan noodzakelijk om de overtreding ongedaan te maken. Gelet hierop heeft het college beoordelingsruimte bij het bepalen van de lengte van een begunstigingstermijn en staat het hem vrij daar beleidsregels voor op te stellen. Het college heeft in de Beleidsregels handhaving de lengte van de begunstigingstermijn gerelateerd aan de duur van de overtreding, maar niet valt in te zien waarom iemand meer tijd nodig zou moeten hebben om een overtreding te beëindigen om de enkele reden dat de overtreding langer heeft geduurd. Deze beleidsregel is naar het oordeel van de rechtbank niet in overeenstemming met de strekking van artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb dat de termijn zo kort mogelijk moet zijn en dient derhalve buiten beschouwing te blijven.

Aan eisers sub 1 is een begunstigingstermijn verleend van 10 jaar. Niet in te zien valt waarom een dergelijke termijn gegund is voor het vinden van vervangende woonruimte. Eisers sub 1 hebben een woning gekocht met recreatieve bestemming. Dat zij daar niet in mogen wonen, moet voor hun rekening en risico blijven en het recreatieve gebruik van de woning blijft mogelijk.

In de eerder genoemde uitspraken van deze rechtbank van 21 november 2013 heeft de rechtbank in die zaken zelf in de zaak voorzien en de begunstigingstermijn vastgesteld op een jaar na de datum van die uitspraak. De rechtbank zal in de onderhavige zaak ook zelf in de zaak voorzien, maar in zekere zin afwijken van de uitspraken van 21 november 2013 en bepalen dat de begunstigingstermijn eindigt zes maanden na verzending van de onderhavige uitspraak. De rechtbank overweegt hiertoe dat inmiddels een deel van de aangeschreven bewoners de permanente bewoning in Parc Patersven heeft beëindigd, zodat het aantal personen dat gelijktijdig op zoek is naar vervangende woonruimte is afgenomen. Voorts hebben eisers sub 1 niet onderbouwd dat, ondanks inspanningen daartoe, het niet lukt om feitelijk een einde te maken aan de permanente bewoning van hun recreatiewoning, omdat zij geen vervangende woonruimte kunnen vinden.

In hetgeen eiser sub 2 heeft aangevoerd met betrekking tot de duur van de begunstigings-termijn, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in dit geval een kortere begunstigingstermijn is aangewezen.

17. De rechtbank komt tot de conclusie dat de door eisers sub 1 tegen de bestreden besluiten aangevoerde gronden niet slagen. Daarom zal de rechtbank hun beroepen ongegrond verklaren. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

18. De rechtbank komt tot de conclusie dat de door eiser sub 2 tegen de bestreden besluiten aangevoerde grond slaagt. Daarom zal de rechtbank zijn beroepen gegrond verklaren. Deze gegrondverklaring heeft tot gevolg dat de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en bepalen dat de begunstigingstermijn eindigt zes maanden na verzending van de onderhavige uitspraak.

19. Nu de beroepen van eiser sub 2 gegrond worden verklaard is er aanleiding om het college te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Voor het door eiser sub 2 zelf indienen van het beroepschrift kan geen punt worden toegekend.

Voorts is van belang dat bij de beroepen inzake Parc Patersven sprake is van een groot aantal zaken die zeer nauw verband met elkaar houden. Voor een groot deel betreft het samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb, zodat deze zaken wat betreft de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand moeten worden beschouwd als één zaak. Strikt genomen geldt dit niet ten aanzien van beroepen tegen besluiten uit de drie verschillende segmenten, omdat de beroepen niet nagenoeg gelijktijdig zijn ingediend. Inhoudelijk is evenwel sprake van (nagenoeg) gelijke zaken. Verder is van belang dat de beroepen, gezien het omvangrijke aantal, op verschillende zittingen c.q. dagdelen zijn behandeld. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank sprake van bijzondere omstandigheden om, op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb, af te wijken van de forfaitaire regeling in de bijlage bij het Bpb. De rechtbank zal voor het verschijnen ter zitting 1 punt per dagdeel toekennen, ongeacht het aantal zaken dat daar is behandeld, met een waarde per punt van € 487, en wegingsfactor 1.

Voor deze zaken betekent dit dat de rechtbank de door eiser sub 2 gemaakte proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vaststelt op € 487,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting op 3 april 2014).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen van eisers sub 1 ongegrond;

  • -

    verklaart de beroepen van eiser sub 2 gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten voor zover daarbij de aan eisers sub 1 geboden begunstigingstermijn is gesteld op een periode van 10 jaar na de verzending van de bestreden besluiten;

  • -

    stelt de termijn waarbinnen eisers sub 1 het gebruik van de recreatiewoning anders dan voor verblijfsrecreatie moeten hebben gestaakt op zes maanden, te rekenen vanaf de dag van verzending van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de bestreden besluiten;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiser sub 2 tot een bedrag van € 487,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.