Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:3135

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
12-09-2014
Zaaknummer
C/02/262865 / HA ZA 13-286
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bank vordert schadevergoeding van ontslagen medewerker die gegevens van cliënten had doorverkocht. De verweren van de medewerker dat hij door derden werd bedreigd verworpen. Causaal verband tussen zijn handelen en schade aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/663
RAR 2014/167

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht


Zittingsplaats: Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/262865 / HA ZA 13-286

Vonnis van 26 februari 2014

in de zaak van

naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. H.J.Th. Biemond te Amsterdam

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.G.L. Dorrestein te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ING en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek

  • -

    akte uitlating producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is op 15 september 2007 in dienst getreden bij ING, sinds 15 september 2008 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [gedaagde] was werkzaam op het kantoor van ING in Bergen op Zoom in de functie van “Adviseur Kantoren A”. [gedaagde] was uit hoofde van die functie verantwoordelijk voor productadvies aan particuliere en zakelijke klanten. Zijn werkzaamheden bestonden voorts ondermeer uit het openen van nieuwe rekeningen, de afhandeling van buitenlandse valuta en grote bedragen en kaswerkzaamheden zoals het verzorgen van stortingen en opnames.

2.2.

ING is naar aanleiding van frauduleuze overboekingen in het najaar van 2012 van een bankrekening van een klant van Kantoor Bergen op Zoom en creditcardfraude met klantgegevens van Kantoor Bergen op Zoom een intern onderzoek gestart. Het onderzoek is uitgevoerd door de Afdeling Veiligheidszaken van ING – verder Veiligheidszaken – en door de afdeling Corporate Security & Investigations van ING – verder CSI –. Het onderzoek leidde tot de conclusie dat de fraude alleen met behulp van medewerkers van ING kon hebben plaatsgevonden omdat alleen medewerkers van ING beschikten over de gegevens die nodig waren voor het plegen van de fraude. In het kader van het onderzoek is het vermoeden ontstaan dat [gedaagde] bij de frauduleuze handelingen betrokken was. [gedaagde] is op 21 november 2012 in het kader van het onderzoek geïnterviewd. Op die datum was er onvoldoende bewijs voor de betrokkenheid van [gedaagde]. ING heeft [gedaagde] vervolgens tijdens een gesprek op 27 maart 2013 – verder het interview – met de onderzoeksbevindingen geconfronteerd. [gedaagde] heeft tijdens het interview zijn betrokkenheid bij (een aantal van) de fraudezaken erkend. ING heeft op 28 maart 2013 bij de politie aangifte gedaan van de fraude door [gedaagde]. Bij brief van 29 maart 2013 heeft ING [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade die ING ten gevolge van de door [gedaagde] gepleegde fraude had geleden en nog zou lijden. Op 29 maart 2013 heeft ING conservatoir beslag doen leggen op meerdere bankrekeningen van [gedaagde]. [gedaagde] is door ING vervolgens op staande voet ontslagen. [gedaagde] heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.

3 Het geschil

3.1.

ING vordert samengevat – primair [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 898.233,91 en, ter zake van buitengerechtelijke kosten, tot betaling van een bedrag van € 5.160,00, en [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, de nakosten en de kosten van beslaglegging daaronder begrepen, alle bedragen vermeerderd met wettelijke rente. ING stelt daartoe het navolgende.

3.2.

[gedaagde] heeft ING schade toegebracht door fraude te plegen en daarvan te profiteren. [gedaagde] heeft, zonder dat hij daartoe gerechtigd was, gegevens van ING klanten verzameld en gebruikt voor persoonlijk gewin en heeft die gegevens tevens aan derden verstrekt. [gedaagde] heeft hiervoor ook betaald gekregen. [gedaagde] heeft hierdoor gehandeld in strijd met de op hem van toepassing zijnde bepaling van de ING Gedragscode met de volgende inhoud:

Medewerkers die over Vertrouwelijke Informatie beschikken, behandelen deze informatie strikt vertrouwelijk en mogen deze informatie uitsluitend doorgeven als dat noodzakelijk is voor de normale uitoefening van hun werk, beroep of functie en is toegestaan conform in- en externe regelgeving. Medewerkers zullen nimmer Vertrouwelijke Informatie (bijvoorbeeld klantenbestanden) aanwenden ten behoeve van privé gebruik.

ING heeft schade geleden omdat zij verplicht is de schade die haar klanten als gevolg van frauduleuze betalingstransacties lijden te vergoeden. [gedaagde] is, nu hij opzettelijk klantgegevens heeft verzameld, gebruikt en aan derden heeft verstrekt, op grond van artikel 7:661 BW gehouden de schade die ING daardoor geleden heeft en nog zal lijden te vergoeden. [gedaagde] heeft in strijd met artikel 273 van het Wetboek van Strafrecht gehandeld. [gedaagde] heeft dus ook onrechtmatig jegens ING en haar klanten gehandeld en is jegens ING ook op grond daarvan aansprakelijk voor de schade die zij als gevolg daarvan heeft geleden. ING stelt dat de schade zonder de fraude van [gedaagde] nooit plaats had kunnen vinden omdat hij de enige was die de gegevens van de klanten waarmee kon worden gefraudeerd kon achterhalen. [gedaagde] was de onmisbare schakel in de omvangrijke fraude. De schade onstaan door de in hoofdstuk 6 van de dagvaarding genoemde schadegevallen bedraagt volgens ING € 758.405,55. ING stelt voorts gemotiveerd dat niet uit te sluiten valt dat de schade in de toekomst nog zal oplopen. [gedaagde] is volgens ING voorts gehouden de kosten die ING heeft moeten maken voor het onderzoek naar de frauduleuze handelingen, welk onderzoek zowel diende ter vaststeling van de schade en de aansprakelijkheid als ter voorkoming en beperking van schade, te vergoeden. De kosten van het onderzoek bedragen volgens ING € 139.828,36.

ING bestrijdt gemotiveerd dat de schade niet toerekenbaar zou zijn omdat [gedaagde] door derden zou zijn bedreigd. Dit levert geen rechtvaardigingsgrond en/of schulduitsluitingsgrond op. Het was aan [gedaagde] geweest om, indien en voorzover hij daadwerkelijk werd bedreigd, hiervan aangifte te doen bij de politie of hiervan binnen ING via de daarvoor openstaande wegen, eventueel anoniem, melding te maken. ING betwist voorts gemotiveerd dat het causaal verband tussen het handelen van [gedaagde] en de schade niet kan worden aangenomen nu het onderzoeksrapport niet is overgelegd. ING heeft uit de beschikbare onderzoeksinformatie in de dagvaarding per schadegeval de relevante feiten en bewijzen aangevoerd. Daaruit blijkt dat [gedaagde] klantgevens aan derden heeft verstrekt, onrechtmatig klantgegevens heeft afgeluisterd en gewijzigd, en zonder instructie van de klant ING bankproducten heeft aangevraagd. ING heeft voorts per schadegeval het relevante citaat van [gedaagde] uit het interview van 27 maart 2013 aangehaald. Voorts verwijst ING naar het proces-verbaal van het verhoor van [gedaagde] door de Regiopolitie Midden- en West Brabant en naar de als Bijlage I bij de conclusie van repliek gevoegde tabel waarin de pagina’s zijn opgenomen uit dit proces-verbaal die zien op de in de dagvaarding genoemde schadegevallen. ING betwist gemotiveerd de door [gedaagde] bij zijn conclusie van antwoord aangevoerde mogelijke oorzaken van de schade die gelegen zouden zijn in onvoldoende beveiliging van klantgegevens bij ING. ING betwist voorts gemotiveerd, waarbij zij verwijst naar door haar in het geding gebrachte producties, dat zij de benadeelde klanten niet schadeloos zou hebben gesteld. ING betwist dat [gedaagde] zelf geen financieel voordeel van de fraude zou hebben gehad. ING stelt voorts gemotiveerd dat de onderzoekskosten, mede gelet op het bruto fraudebedrag van ruim € 1.500.000,00, waarvan zij slechts een deel heeft gevorderd, de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan en specificeert de onderzoeksverrichtingen. Zij betwist onder verwijzing naar het Reglement ING personeelsvolg- en informatiesysteeem in samenhang met de Algemene Gedragscode ING Nederland dat de surveillance van [gedaagde] onrechtmatig was. ING kan de BTW op de onderzoekskosten niet verrekenen. Zij is bereid de vordering van [gedaagde] ter zake van 359,5 uur niet opgenomen vakantieuren te verrekenen met het bedrag dat zij van [gedaagde] te vorderen heeft.

ING betwist gemotiveerd dat haar vordering voor matiging in aanmerking komt.

3.3.

[gedaagde] erkent dat hij, in strijd met de Gedragscode en richtlijnen van ING in meerdere gevallen gegevens van klanten van ING aan derden heeft verstrekt en dat daarmee in een aantal gevallen frauduleuze handelingen zijn verricht waarvan klanten van ING (mogelijk) nadeel hebben (kunnen) ondervinden. [gedaagde] erkent dat het verstrekken van gegevens van ING aan derden onrechtmatig is geweest. [gedaagde] betwist dat dit gedrag hem (volledig) kan worden toegerekend. Hij stelt dat hij daartoe door derden zwaar onder druk is gezet. Volgens [gedaagde] is hij met de dood bedreigd en stond ook de veiligheid van zijn gezin op het spel. [gedaagde] stelt tevergeefs geprobeerd te hebben om zich aan de op hem uitgeoefende druk te onttrekken door het opzettelijk verstrekken van onbruikbare c.q. onjuist informatie. [gedaagde] heeft van zijn handelingen geen noemenswaardig (financieel) profijt gehad.

[gedaagde] betwist gemotiveerd dat de schade die ING stelt te hebben geleden als gevolg van de in hoofdstuk 6 van de dagvaarding genoemde schadegevallen in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van [gedaagde] berust dat deze hem als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Gelet daarop dient de vordering volgens [gedaagde] te worden afgewezen.

[gedaagde] betwist eveneens de vordering ter zake van de onderzoekskosten. Het enkele overleggen van facturen die niet voorzien zijn van een deugdelijke onderbouwing of concretisering van de beweerdelijk bestede tijd en kosten is onvoldoende als bewijs van geleden schade omdat er geen betalingsbewijzen zijn overgelegd. [gedaagde] betwist dat ruim 900 uur aan onderzoek noodzakelijk en/of redelijk is geweest. ING heeft ook onvermeld gelaten wat er precies aan werkzaamheden is verricht. [gedaagde] betwist voorts de hoogte van het opgevoerde uurtarief. Het tarief is volgens [gedaagde] buitensporig omdat de werkzaamheden intern zijn verricht. De opgevoerde BTW is volgens [gedaagde] geen schadepost omdat ING de verschuldigde BTW in vooraftrek kan brengen. Surveillance van [gedaagde] buiten ING en buiten werktijd is volgens [gedaagde] onrechtmatig. De kosten hiervoor zijn daarom niet toewijsbaar en ook niet omdat dat onderzoek niet noodzakelijk was om de schade vast te kunnen stellen. Aangenomen moet worden dat een deel van de kosten niet is gemaakt ten behoeve van het onderzoek naar de frauduleuze handelingen van [gedaagde]. ING stelt zelf dat een deel van de onderzoekskosten betrekking heeft op maatregelen om het vertrouwen in de integriteit van de financiële sector te bewaren. De onderzoekskosten kunnen de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaan. Indien en voor zover onderzoekskosten toewijsbaar zijn dan is volgens [gedaagde] een bedrag van € 37.900,00 zijnde 5% van de gevorderde hoofdsom, redelijk.

[gedaagde] maakt aanspraak op verrekening van het bedrag dat hij nog van ING tegoed heeft ter zake van niet opgenomen vakantiedagen, bruto € 7.050,00.

[gedaagde] betwist gemotiveerd de vordering van ING ter zake van buitengerechtelijke kosten.

[gedaagde] is van mening dat gelet op het tijdsverloop tussen het moment dat ING op de hoogte was, althans moet zijn geweest, van de resultaten van onderzoek door Veiligheidszaken in oktober 2012 en maart 2013, ING in gebreke is gebleven haar schade te beperken. Volgens [gedaagde] komt mede op grond hiervan zijn schadevergoedingsplicht voor matiging in aanmerking. Matiging van de te vergoeden schade tot een bedrag van € 200.000,00 en compensatie van de proceskosten is volgens [gedaagde] voorts op zijn plaats gelet op de verminderde toerekenbaarheid van [gedaagde] vanwege de bedreigingen, zijn psychische problematiek, de directe erkenning en bereidheid tot terugbetalen, het tekortschieten van interne controle binnen ING en de draagkracht van beide partijen. Toekenning van het gehele gevorderde bedrag zou voor [gedaagde] tot onaanvaardbare gevolgen leiden.

4 De beoordeling

4.1.

Als onbestreden en door [gedaagde] erkend staat vast dat [gedaagde] binnen de uitoefening van zijn functie bij het ING Kantoor Bergen op Zoom fraude heeft gepleegd. [gedaagde] betwist niet dat hij heeft gehandeld in strijd met de op hem van toepassing zijnde bepalingen uit de ING Gedragscode. De rechtbank is van oordeel dat gelet daarop vaststaat dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst en dat hij, gelet op de aard van de tekortkoming, ook onrechtmatig jegens ING heeft gehandeld. [gedaagde] is, nu gelet op de aard van de tekortkoming vaststaat dat er bij [gedaagde] sprake is geweest van opzet, gehouden om de schade die als gevolg van zijn handelen voor ING is ontstaan te vergoeden.

4.2.

[gedaagde] beroept zich er op dat het hem verweten handelen hem niet, althans niet geheel, toegerekend kan worden omdat hij zijn handelingen uitvoerde uit angst voor jegens hem door derden geuite bedreigingen. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat [gedaagde] kennelijk door derden is benaderd om frauduleuze handelingen te plegen en daaraan heeft toegegeven voor zijn rekening en risico komt en aan de toerekenbaarheid van zijn handelen niet in de weg staat. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om direct op het moment dat hij benaderd werd, en voordat hij ook maar enige handeling verrichtte op grond waarvan betrokken derden de indruk zouden kunnen krijgen dat hij mee zou werken aan hun voorstellen en/of geïntimideerd was door hun handelen, daar intern melding van te maken en/of, eventueel in samenspraak met zijn werkgever, de politie in te schakelen. Kennelijk, althans zo is door ING onbestreden gesteld had [gedaagde], nu hij stelt uit angst niet te hebben gemeld, ook anoniem een melding kunnen doen. ING en/of de politie, zou in dat geval in staat geweest zijn om te voorkomen dat [gedaagde] terecht kwam in de situatie waarin hij uiteindelijk terecht is gekomen. Dat [gedaagde] in de door hem geschetste situatie terecht is gekomen waarin hij zich genoodzaakt achtte om onder invloed van bedreigingen frauduleuze handelingen te verrichten is een gevolg van het handelen van [gedaagde] zelf en de keuzes die hij heeft gemaakt. De rechtbank passeert dan ook het beroep op het niet (geheel) toerekenbaar zijn van zijn daden aan [gedaagde].

4.3.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het verweer van [gedaagde] dat er geen causaal verband bestaat tussen zijn handelingen en de schade als volgt. Het door ING ter zake van schadevergoeding gevorderde bedrag is gebaseerd op zes, in hoofdstuk 6 van de dagvaarding, besproken schadegevallen. In hoofdstuk 6 is per schadegeval door ING concreet aangegeven op welke wijze er is gefraudeerd. In het geval van [schadegeval 1] heeft de heer [naam gedupeerde] in het kader van het onderzoek het signalement van de medewerker van het Kantoor Bergen op Zoom gegeven die hem bij zijn bezoek geholpen heeft dat overeenkomt met het uiterlijk van [gedaagde], in het geval van [schadegeval 2] was [gedaagde] betrokken bij het openen van een profijtrekening in 2009, in het geval van [schadegeval 3] was [gedaagde] betrokken bij de heraanvraag voor inlogcodes voor “Mijn ING” van de heer [naam gedupeerde] en in het geval van [schadegeval 4] was het ING account via welke werd gefraudeerd door [gedaagde] geopend en had [gedaagde] “Mijn ING” aangevraagd. In de gevallen van [schadegeval 1] en [schadegeval 5], [schadegeval 6], [schadegeval 2], [schadegeval 3] en [schadegeval 4] heeft [gedaagde] voorts in het kader van het interview gehouden op 27 maart 2013 verklaard op welke wijze de fraude heeft plaatsgevonden, althans wat zijn aandeel daarin was. Dit blijkt ook uit de door ING als productie 23 bij de Conclusie van Repliek in het geding gebrachte processen-verbaal van verhoor van [gedaagde] door de Regiopolitie Midden- en West Brabant en dan met name uit de door ING in Bijlage 1 bij voornoemde conclusie opgenomen relevante passages. De rechtbank passeert gelet op het vorenstaande het verweer van [gedaagde] dat geen causaal verband kan worden aangenomen omdat (verifieerbare) stukken zoals bijvoorbeeld verklaringen van de klanten ontbreken. Dat geldt ook voor het verweer van [gedaagde] dat hij in een aantal gevallen heeft verklaard dat het mogelijk zou zijn dat hij (enige) gegevens of informatie aan derden heeft verstrekt maar dat dat nog niet wil zeggen dat hij dat gedaan heeft en voorts niet dat met die gegevens ook daadwerkelijk fraude is gepleegd. [gedaagde] heeft voorts, ter betwisting van het causale verband, verwezen naar een drietal gevallen in december 2010, 2011 en 2013, met betrekking tot de kwetsbaarheid van het systeem van internetbankieren van ING en aangevoerd dat niet onaannemelijk is dat de schadegevallen als gevolg daarvan zijn ontstaan. Ook dit verweer passeert de rechtbank. Nog afgezien van het feit dat het laatste genoemde geval ziet op fraude via Marktplaats en niet op een gebrek in het systeem van ING, was het aan [gedaagde] geweest om nader te onderbouwen op welke wijze genoemde schadegevallen (mede) veroorzaakt zouden kunnen zijn door deze door [gedaagde] aangehaalde voorvallen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. De rechtbank is voorts van oordeel dat gelet op de aard van de aansprakelijkheid van [gedaagde] en de aard van de opgetreden schade voor [gedaagde] ten tijde van zijn handelen voorzienbaar was dat de klanten van ING, en als gevolg daarvan ING, (aanzienlijke) vermogensschade zouden lijden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het causaal verband tussen het frauduleuze gedrag van [gedaagde] en de schade voor ING is komen vast te staan.

4.4.

Met betrekking tot het beroep op matiging door [gedaagde] stelt de rechtbank voorop dat uitgangspunt dient te zijn dat de door de benadeelde geleden schade in zijn geheel wordt vergoed door de aansprakelijke persoon. De schadevergoeding komt voor matiging in aanmerking indien toekenning van de volledige schadevergoeding tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Bij de beantwoording van de vraag of daarvan sprake is moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen.

[gedaagde] voert in het kader van zijn beroep op matiging aan dat ING nalatig zou zijn geweest in het beperken van haar schade althans onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en dat sprake is (geweest) van een gebrek aan interne controle bij ING. Wat daar ook van zij, omstandigheden op grond waarvan aangenomen zou moeten worden dat de schade mede door de benadeelde is veroorzaakt zijn geen omstandigheden die tot matiging kunnen leiden. Die dienen aan de orde te komen in het kader van het vaststellen van de aansprakelijkheid en bij het vaststellen van de omvang van de schadevergoedingsverplichting die aan de (eventuele) toepassing van het matigingsrecht vooraf gaat. Dat geldt ook voor de toerekenbaarheid van de fraude. Ook de aard van de aansprakelijkheid geeft in het onderhavige geval geen aanleiding voor matiging evenmin als de tussen partijen bestaande rechtsverhouding. Ten aanzien van de financiële positie van partijen overweegt de rechtbank dat er van uit moet worden gegaan dat ING de door haar als gevolg van het handelen van [gedaagde] geleden schade kan dragen zonder daarvan noemenswaardige financiële hinder te ondervinden terwijl aannemelijk is dat [gedaagde] in ieder geval op dit moment in (zeer) slechte financiële omstandigheden verkeert. Door [gedaagde] is niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een psychische problematiek op grond waarvan aangenomen moet worden dat hij binnen afzienbare termijn niet in staat zal zijn om inkomsten te genereren. Dit wordt door ING bestreden en het blijkt niet uit de ten bewijze hiervan als productie 7 overgelegde verklaring van Mentaalbeter. Aannemelijk is wel dat [gedaagde], gelet op de aanleiding voor de beëindiging van zijn dienstverband met ING, niet gemakkelijk opnieuw werk zal vinden. Niet te verwachten valt dat zijn financiële situatie op korte termijn in positieve zin zal veranderen. [gedaagde] heeft deze situatie aan zichzelf te wijten nu hij opzettelijk frauduleuze handelingen heeft verricht. Hij heeft hierdoor het vertrouwen van zijn werkgeefster beschaamd en de mogelijkheden op nieuw werk beperkt. Anderzijds is door ING niet weersproken dat [gedaagde] door derden onder druk is gezet en dat vooralsnog aannemelijk is dat die derden aanzienlijk meer dan [gedaagde] hebben geprofiteerd. Alle omstandigheden afwegende zal de rechtbank de vordering van ING ter zake van de schade ontstaan als gevolg van de fraude matigen en een bedrag van € 500.000,00 toewijzen omdat aangenomen moet worden dat toewijzen van het hele gevorderde bedrag in de onderhavige omstandigheden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zal leiden.

4.5.

Met betrekking tot de door de ING ter zake van de kosten van het onderzoek gevorderde bedrag overweegt de rechtbank als volgt. Toen geconstateerd werd dat er fraude werd gepleegd was ING gehouden daarnaar onderzoek te verrichten en maatregelen te treffen ter voorkoming van (meer) schade als gevolg daarvan of beperking van schade. Vast staat ook dat ING als gevolge van de frauduleuze handelingen genoodzaakt was onderzoek te doen naar de als gevolg daarvan reeds opgetreden en nog eventueel te verwachten schade en wie daarvoor aansprakelijk was. Voor dat onderzoek heeft ING kosten moeten maken die voor vergoeding in aanmerking komen. Voor toewijzing van de vordering die ziet op de onderzoekskosten moet beoordeeld worden of de genomen maatregelen én de daaraan verbonden kosten redelijk waren en of de werkzaamheden zijn uitgevoerd in het kader van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust. Naar aanleiding van de betwisting door [gedaagde] van deze vordering heeft ING bij repliek haar vordering nader onderbouwd. Zij heeft onder punt 6.2 b tot en met l een aantal werkzaamheden opgesomd en meegedeeld 12 fraudezaken onderzocht te hebben die aan [gedaagde] zijn toe te rekenen. Zij deelt mee dat het onderzoek door zowel interne medewerkers als externe partijen is verricht. ING stelt voorts dat de kosten bij het uitbesteden aan externe partijen niet lager zouden hebben gelegen, hetgeen blijkt uit de hogere prijzen voor de delen van het onderzoek die zijn uitgevoerd door derde partijen. Voorts betwist ING gemotiveerd dat de uitgevoerde surveillance onrechtmatig zou zijn. De rechtbank overweegt dat het vorenstaande door ING op geen enkele wijze met nadere bescheiden of (uren) specificaties die terug te leiden zijn naar de diverse werkzaamheden wordt onderbouwd. Dat had wel op de weg van ING gelegen nu de vordering gemotiveerd wordt betwist. Door ING zijn ter zake van de gemaakte kosten 7 facturen in het geding gebracht die volgens ING zien op het interne onderzoek en waarop alleen het aantal uren is vermeld. De daarop vermelde werkzaamheden, met uitzondering van de laatste factuur, zijn slechts gespecificeerd als “technisch onderzoek” en op de factuur van februari 2013 is daarnaast vermeld “technische installatie” en op de factuur van maart 2013 ook “technische installatie” en “werkvoorbereiding”. Niet valt aan de hand van de facturen vast te stellen of de door ING gedeclareerde uren alle daadwerkelijk zijn besteed ter voorkoming of beperking van de schade als gevolg van de fraude door [gedaagde] en ter vaststelling van de als gevolg daarvan geleden schade en van de aansprakelijkheid en of, gelet op de daaraan verbonden werkzaamheden, het ook redelijk is dat daaraan meer dan 900 uur is besteed. De rechtbank zal gelet op het vorenstaande het door [gedaagde] ter zake van onderzoekskosten te betalen bedrag begroten. De rechtbank neemt daarbij, naast het vorenstaande, in aanmerking dat ING stelt dat het onderzoek 12 fraudegevallen door [gedaagde] betrof terwijl de vordering op 6 schadegevallen is gebaseerd. De rechtbank zal de op [gedaagde] te verhalen onderzoekskosten in redelijkheid vaststellen op € 70.000,00. De rechtbank passeert het verweer van [gedaagde] dat de facturen niet beschouwd kunnen worden als bewijs van geleden schade omdat er geen betalingsbewijzen van de diverse facturen zijn overgelegd. Gelet op hetgeen vorenstaand is overwogen is aannemelijk dat ING kosten heeft moeten maken tot het vorenstaand begrote bedrag en ING deze kosten ook heeft voldaan.

4.6.

[gedaagde] heeft een beroep op verrekening gedaan van het door ING aan hem nog ter zake van 359.53 uur niet genoten vakantie uren verschuldigde bedrag van volgens [gedaagde] € 7.050,00 bruto. ING betwist de vordering van [gedaagde] niet en heeft zich bereid verklaard deze vordering van [gedaagde] te verrekenen met het bedrag dat ING van [gedaagde] te vorderen heeft. De rechtbank zal dan ook bepalen dat dit bedrag verrekend dient te worden.

4.7.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. ING heeft niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die voor vergoeding als buitengerechtelijke kosten in aanmerking komen.

4.8.

De rechtbank zal [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordelen, de kosten ter zake van beslag en nakosten daaronder begrepen. De omstandigheid dat [gedaagde] zich bereid heeft verklaard tot terugbetalingsafspraken en hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn beroep op matiging zijn onvoldoende grond om te komen tot het oordeel dat de proceskosten gecompenseerd dienen te worden. In het onderhavige geval is begrijpelijk dat ING teneinde haar rechten veilig te stellen over een executoriale titel wil kunnen beschikken. De kosten aan de zijde van ING worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 94,79

  • -

    griffierecht (griffierecht beslag daaronder begrepen) € 3.715,00

  • -

    beslagexploit € 430,55

  • -

    salaris advocaat inclusief beslagrekest € 9.030,00 (3,5 punten x tarief

Totaal € 13.270,34 . € 2.580,00)

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan ING van een bedrag van € 570.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

5.2.

bepaalt dat ING met haar vordering op [gedaagde] een bedrag van € 7.050,00 dient te verrekenen;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van ING tot op heden begroot op € 13.270,34 te vermeerderen met de nakosten begroot op € 131,00, en op € 199,00 indien [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, te voldoen binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan zowel de proceskosten als de nakosten worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2014.

MdB