Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:2740

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-04-2014
Datum publicatie
19-05-2014
Zaaknummer
AWB-13_3795
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag opgelegd in verband met niet verantwoorde inkomsten uit beveiligingswerkzaamheden. Nu er in dit geval geen aangifte is uitgereikt kan er geen sprake zijn van het niet doen van de vereiste aangifte en van omkering van de bewijslast. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de door hem verdedigde omvang van de inkomsten niet aannemelijk heeft gemaakt. Voor belanghebbende, die wel heeft erkend dat hij inkomsten heeft genoten, geldt hetzelfde. De rechtbank stelt vervolgens de omvang van de inkomsten aan de hand van de stukken van het geding schattenderwijs vast en verlaagt de navorderingsaanslag. Voorts wordt ook de boete verminderd.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001, geldigheid: 2014-05-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1213
V-N Vandaag 2014/951
V-N 2014/35.19.33

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 13/3795

uitspraakdatum van 18 april 2014

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 8 december 2012 over het jaar 2007 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [aanslagnummer].H77) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.638, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 4.627 opgelegd en € 1.736 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij brief van 13 december 2012. De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 3 juni 2013 de navorderingsaanslag en de gelijktijdig daarmee opgelegde beschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 11 juli 2013, ontvangen bij de rechtbank op 12 juli 2013, beroep ingesteld. Het beroepschrift is gemotiveerd bij brief van 28 augustus 2013. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 44.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2014 te Eindhoven.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van een toehoorder en van zijn gemachtigde [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Haarlem, en namens de inspecteur [verweerder].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende woonde in 2007 in [plaats X] ([gemeente X]) en genoot in 2007 ter hoogte van een bedrag van € 2.650 een bijstandsuitkering van de [gemeente X]. Voorts heeft belanghebbende in het onderhavige jaar voor een bedrag van € 8.731 inkomsten uit dienstbetrekking genoten. Het betrof een dienstbetrekking bij het re-integratiebureau [re-integratiebureau].

2.2

Belanghebbende woonde in het onderhavige jaar samen met [A]. Laatstgenoemde ontving eveneens in de eerste helft van 2007 een bijstandsuitkering van de [gemeente X]. Daarna is zij in 2007 in loondienst geweest van [B BV] in Kerkrade (hierna: [B BV]).

2.3

Aan belanghebbende is geen aangiftebiljet IB/PV over 2007 uitgereikt, noch heeft hij zelf verzocht om uitreiking daarvan.

2.4.

Naar aanleiding van een intern onderzoek bij het [B-concern], dat door een forensisch accountant is verricht, zijn diverse onregelmatigheden aan het licht zijn gekomen (hierna: het onderzoek). Van dit onderzoek heeft de accountant – [accountant] – een onderzoeksrapport opgesteld. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat door [B BV] uitgaven zijn gedaan in verband met beveiligingswerkzaamheden. De accountant heeft hierover, onder andere, het volgende geschreven in zijn rapport:

Costs of surveillance/security

Payments have been made to [belanghebbende], who is employed by the municipality of [gemeente X]. As far as we know [belanghebbende] lives in [plaats X], the same town as [C]. Payments have been made for daily surveillance assignments that were executed by [belanghebbende] and other (…). Based on skeleton reports we estimate that the surveillance took at least 20 hours a week on average.”

2.5.

In de administratie van [B BV] zijn surveillancerapporten van beveiligingswerkzaamheden aangetroffen waarop steeds een urenverantwoording is vermeld. Naast het bemiddelen bij het tot stand komen van de beveiligingsopdracht heeft ook betaling van de hiermee gemoeid zijnde uitgaven plaatsgevonden door de toenmalige CEO van [B BV], [C] (hierna: [C]). In de administratie van [B BV] zijn declaratieformulieren van [C] aangetroffen waarop zij voor beveiligingsmaatregelen voor het jaar 2007 een totaalbedrag van € 25.257,50 heeft gedeclareerd. Voormeld bedrag is door [B BV] per bank aan [C] overgemaakt. [C] is thans niet meer werkzaam bij [B BV].

2.6.

De onregelmatigheden hebben volgens [B BV] geleid tot onjuiste aangiften vennootschapsbelasting. Om die reden heeft [B BV] omstreeks april 2011 contact gezocht met de Belastingdienst. In vervolg hierop heeft de inspecteur op 31 mei 2012 een onderzoek ingesteld naar de verwerking van de financiële gegevens in de administratie van [B BV]. Uit dit onderzoek blijkt dat [B BV] in het jaar 2007 een bedrag van € 25.157,50 heeft geboekt als kosten van beveiligingswerkzaamheden en als zodanig heeft doorbelast aan [B Inc] (het moederbedrijf in de Verenigde Staten, hierna: [B Inc]). In de jaren 2008 en 2009 zijn door [B BV] respectievelijk bedragen van € 43.145 en € 23.550 doorbelast aan [B Inc] ter zake van beveiligingswerkzaamheden. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende – onder andere – in 2007 inkomsten uit beveiligingswerkzaamheden heeft genoten. Voor de hoogte van de inkomsten in 2007 heeft de inspecteur aansluiting gezocht bij het bedrag dat [B BV] in 2007 heeft doorbelast aan [B Inc] en aan [C] heeft betaald, te weten het genoemde bedrag van € 25.157,50.

2.7.

Met dagtekening 2 oktober 2012 is aan belanghebbende medegedeeld dat de inspecteur voornemens is een navorderingsaanslag IB/PV over 2007 met een vergrijpboete wegens opzet op te leggen, waarbij alsnog, aldus de inspecteur, rekening zal worden gehouden met de inkomsten ter zake van beveiligingswerkzaamheden ad € 25.257. Met dagtekening 8 december 2012 is de onderhavige navorderingsaanslag met een boete van 50% van de te weinig betaalde IB/PV opgelegd overeenkomstig deze mededeling. Anders dan in de mededeling is op het aanslagbiljet vermeld dat belanghebbende grove schuld wordt verweten.

3 Geschil

3.1.

Belanghebbende heeft ter zitting erkend dat hij in het onderhavige jaar beveiligingswerkzaamheden voor [B BV] heeft verricht en dat hij daarvoor inkomsten heeft ontvangen die aan de heffing van IB/PV zijn onderworpen. In geschil is alleen nog de hoogte van het resultaat uit overige werkzaamheden en in verband hiermee de hoogte van de boete en de heffingsrente.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vermindering van de correctie vanwege resultaat uit overige werkzaamheden tot een bedrag van € 3.000 en dienovereenkomstige vermindering van de vergrijpboete en de bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep voor zover het de navorderingsaanslag en beschikking heffingsrente betreft, gegrondverklaring van het beroep voor zover het de boete betreft en vermindering van de boete tot 25% van de te weinig betaalde IB/PV.

3.3.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd.



4.Beoordeling van het geschil

4.1.

Ter zitting heeft de inspecteur erkend hij zich in eerste instantie ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in het onderhavige geval sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast vanwege het niet doen van de vereiste aangifte. Aan belanghebbende is immers geen aangifte uitgereikt. Nu evenmin sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking, dient, naar het oordeel van de rechtbank, de inspecteur de door hem bepleite omvang van het resultaat uit overige werkzaamheden aannemelijk te maken.

4.2.

De inspecteur heeft aansluiting gezocht bij de bescheiden die in de administratie van [B BV] zijn aangetroffen. Het betreft hier surveillancerapporten en de maandelijks door [C] ondertekende declaratieformulieren, waarop stond welk bedrag in die maand was gemoeid met de beveiligingswerkzaamheden. Op het declaratieformulier is een uurtarief genoemd van € 20 en voorts per rit een reiskostenvergoeding van € 10. Voorts heeft ook [C], aldus de inspecteur, desgevraagd verklaard dat zij € 20 netto per uur betaalde voor de beveiligingswerkzaamheden. De inspecteur heeft voorts onweersproken gesteld dat de urenverantwoordingen op de surveillancerapporten in combinatie met het uurtarief overeenkomen met de bedragen die [B BV] ter zake van beveiligingswerkzaamheden heeft betaald en als doorbelaste kosten in aanmerking heeft genomen.

4.3.

De rechtbank constateert dat de ‘paper trail’ zoals partijen dat ter zitting zelf hebben verwoord, stopt bij [C]. De door [B BV] onder de noemer van ‘beveiligingswerkzaamheden’ gedane betalingen zijn verricht aan [C] en niet rechtstreeks aan belanghebbende. Tegenover de betwisting door belanghebbende is de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank, niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat [C] vorenbedoelde aan haar betaalde bedragen volledig aan belanghebbende heeft doorbetaald of dat belanghebbende jegens [C] aanspraak had op een vergoeding overeenkomstig de door [C] gedeclareerde bedragen. Dat, naar niet in geschil is, belanghebbende de aan de declaraties ten grondslag liggende beveiligingswerkzaamheden, heeft verricht of heeft laten verrichten, acht de rechtbank onvoldoende voor het in aanmerking nemen van de door de inspecteur bepleite omvang van het door belanghebbende genoten resultaat uit overige werkzaamheden. Zo staat het volgens [C] gehanteerde uurtarief van € 20, naar het oordeel van de rechtbank, niet in verhouding tot de aard van de verrichte werkzaamheden en is het belang dat [C] in deze heeft tegengesteld aan dat van belanghebbende. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat [C] niet meer werkzaam is voor [B BV], de Belastingdienst een onderzoek naar haar is gestart en belanghebbende ter zitting onweersproken heeft verklaard dat [C] recentelijk is aangehouden op verdenking van fraude. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat zij uit de handelwijze van [B BV] ten aanzien van de ingediende aangifte vennootschapsbelasting (zie 2.6) opmaakt dat [B BV] meent opgelicht te zijn, althans van mening is dat zij kosten in aftrek heeft gebracht voor een prestatie die niet is verricht of niet zakelijk was.

4.4.

Nu de inspecteur niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of de belanghebbende de door hem verdedigde omvang van het resultaat uit overige werkzaamheden aannemelijk heeft gemaakt. Vergelijk HR 10 april 2009, nr. 42 862, ECLI:NL:HR:2009:BI0570 over de bewijslastverdeling bij waardevaststellingen.

4.5.

Belanghebbende erkent dat hij de surveillancerapporten heeft ingediend bij [C], doch deze zouden naderhand door [C] zijn aangepast. De op de surveillancerapporten handgeschreven vermelde gewerkte uren zijn, aldus belanghebbende, niet door hem aangebracht. Ook de getypte tijdsaanduidingen ontbraken naar zijn zeggen in de door hem aangeleverde surveillancerapporten. De gerapporteerde werkzaamheden zijn wel verricht, door hemzelf of, indien hij verhinderd was, door iemand die belanghebbende daarvoor inschakelde. Belanghebbende heeft gesteld dat hij bevriend was met [C] en dat daarom tegenover zijn werkzaamheden voor [B BV] slechts een geringe vergoeding stond. Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat hij in verband met de beveiligingswerkzaamheden in 2007 ten hoogste een bedrag van € 3.000 uitbetaald heeft gekregen van [C] en dat dit contant is gebeurd.

4.6.

De rechtbank constateert dat de werkzaamheden gedurende een aantal jaren zijn verricht en vaak plaatsvonden in het weekend of in de nacht. Voorts heeft belanghebbende erkend dat hij urenverantwoordingsstaten indiende en heeft hij ter zitting verklaard dat hij indien hij zelf verhinderd was, personen uit zijn netwerk inschakelde voor het verrichten van de beveiligingsmaatregelen. De combinatie van dit alles - het structurele karakter, de tijdstippen, de formalisering en de coördinerende rol - ligt niet voor de hand bij een vriendendienst, zoals belanghebbende zijn werkzaamheden zelf heeft omschreven. Dat belanghebbende, zoals hij stelt, niet degene is geweest die aan zijn werkzaamheden het in de surveillancerapporten vermelde tijdsbeslag heeft gekoppeld, staat er niet aan in de weg dat de urenverantwoording realistisch kan zijn. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat met de verrichte werkzaamheden (veel) minder tijd is gemoeid dan in de urenverantwoording is aangegeven, gelet op de aard en omvang van de werkzaamheden en de minimaal benodigde reistijd om de genoemde locaties te kunnen bereiken. De rechtbank hecht tevens weinig waarde aan de door de secretaris van ‘[D]’ opgestelde verklaring. Deze secretaris verklaart dat belanghebbende het merendeel van de weekenden in 2007 voor een aanzienlijk aantal uren werkzaamheden heeft verricht voor de vereniging. Deze verklaring is echter opgesteld jaren nadat de feiten hebben plaatsgevonden en laat tevens onverlet dat belanghebbende in staat was om daarnaast beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Voorts hecht de rechtbank geen waarde aan de werkbriefjes van de [gemeente X] die belanghebbende heeft overgelegd. Deze hebben betrekking op het jaar 2009 en niet op het onderhavige jaar. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het niet aannemelijk dat belanghebbende voor zijn werkzaamheden slechts een bedrag van € 3.000 zou hebben ontvangen.

4.7.

De rechtbank komt tot de conclusie dat geen der partijen de door hen bepleite hoogte van het inkomen van belanghebbende in 2007 aannemelijk heeft gemaakt. Gelet op hetgeen partijen in de stukken over en weer hebben aangevoerd en hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd, stelt de rechtbank de hoogte van de inkomsten die belanghebbende met de beveiligingswerkzaamheden heeft verdiend schattenderwijs vast op € 10.000. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende tot dit bedrag inkomsten uit overige werkzaamheden heeft genoten. Het belastbare inkomen uit werk en woning moet dan vastgesteld worden op:

Uitkering [gemeente X] € 2.650

[re-integratiebureau] € 8.731

Resultaat uit overige werkzaamheden € 10.000

Belastbaar inkomen uit werk en woning € 21.381

Boete

4.8.

Bij de aankondiging van de vergrijpboete heeft de inspecteur medegedeeld dat hij van mening is dat gelet op de feiten en omstandigheden van het geval er sprake is van opzet van de zijde van belanghebbende. Ingevolge de voorschriften van Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB), dient dan, aldus de inspecteur, een boetepercentage gehanteerd te worden van 50%. Op het beschikkingsbiljet staat echter bij de toelichting dat belanghebbende grove schuld wordt verweten. Wel is het boetepercentage van 50% gehanteerd. Ter zitting heeft de inspecteur desgevraagd verklaard dat gelet op de toelichting op het beschikkingsbiljet belanghebbende thans niet langer opzet wordt verweten en het beroep in zoverre gegrond is. De inspecteur bepleit thans een boete van 25% van de te weinig betaalde IB/PV wegens grove schuld.

4.9.

Ingevolge paragraaf 25, eerste en tweede lid, BBBB legt de inspecteur indien sprake is van grove schuld, een vergrijpboete op van 25%. Van grove schuld is sprake bij een onachtzaamheid die zo ernstig is, dat zij in laakbaarheid aan opzet grenst. Bij grove schuld gaat het dan om gevallen waarin de belastingplichtige niet bewust een fout heeft gemaakt en evenmin bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een fout maakt, maar de gemaakte fout is te wijten aan een grove, dat wil zeggen: een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid van de belastingplichtige. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan sprake. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, mede gelet op de omvang van de inkomsten, moet hebben geweten dat over de inkomsten uit de beveiligingswerkzaamheden IB/PV betaald moest worden en dat hij van die inkomsten aangifte had moeten doen, ook indien – zoals hier – de inspecteur geen initiatief tot uitreiking van een aangifte heeft genomen. Zie daarvoor artikel 6 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang gelezen met artikel 2 Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen. Door van die inkomsten desalniettemin geen aangifte te doen, heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank dermate lichtvaardig gehandeld dat het aan zijn grove schuld is te wijten is dat daardoor geen belasting is geheven. Gelet op de omstandigheden van het geval, en met in achtneming dat het inkomen schattenderwijs is vastgesteld, acht de rechtbank een boete van € 700, gelet op de ernst van het vergrijp, passend en geboden.

4.10.

Gelet op de rechtbank hiervoor onder 4.7 tot en met 4.9 heeft overwogen dient de vergrijpboete verminderd te worden tot een bedrag van € 700.

Heffingsrente

4.11.

Belanghebbende heeft tegen de heffingsrente geen zelfstandige grieven aangevoerd. Niet is gebleken dat de beschikking heffingsrente onjuist is berekend. Wel dient de beschikking heffingsrente overeenkomstig de vermindering van de aanslag (zie 4.6) te worden verminderd.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

Ter zitting is komen vast te staan dat geen aanspraak kan worden gemaakt op vergoeding van proceskosten ter zake van de bezwaarfase. Nu het beroep gegrond is verklaard, vindt de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank beschouwt daarbij de zaken met procedurenummers 13/3795 en 14/2423 als samenhangend als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Deze kosten zijn op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 974 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1). Voor de overige door belanghebbende genoemde proceskosten, te weten reiskosten van belanghebbende wordt de inspecteur, eveneens met toepassing van het Besluit, veroordeeld deze te vergoeden tot een bedrag van € 32,40. In totaal bedragen de te vergoeden proceskosten dan € 1.006,40. Nu in beide samenhangende zaken het beroep gegrond is, zal in de onderhavige zaak de helft daarvan toegekend worden.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.381;

  • -

    vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    vermindert de vergrijpboete tot een bedrag van € 700;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 503,20;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 44 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 18 april 2014 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Jansen, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.