Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:2641

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
16-05-2014
Zaaknummer
AWB-13_3418
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is houdster van 11 onderappartementsrechten die ieder het recht geven op het uitsluitend gebruik van een hotelkamer. Aan belanghebbende is voor elk onderappartementsrecht een aanslag rioolrecht opgelegd. De rechtbank oordeelt dat deze aanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd, nu sprake is van ‘zelfstandige’ gedeelten. De rechtbank sluit voor de uitleg van het begrip ‘zelfstandige’ gedeelten aan bij het spraakgebruik en de context van de verordening.

Wetsverwijzingen
Verordening rioolheffing Schouwen-Duiveland 2014, geldigheid: 2014-05-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1179
V-N Vandaag 2014/952
V-N 2014/30.18.12

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummers AWB 13/3418 t/m 13/3424 en 13/3426 t/m 13/3429

uitspraak van 15 april 2014

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[eiser] B.V., gevestigd te [plaats X],

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Schouwen-Duiveland,

de heffingsambtenaar.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de heffingsambtenaar van 5 juni 2013 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde aanslagen rioolheffing 2013.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2014 te Middelburg.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende [A] en namens de heffingsambtenaar [verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende is houdster van 11 onderappartementsrechten die ieder het recht geven op het uitsluitend gebruik van een hotelkamer in hotelcomplex [hotelcomplex] (het hotel). Het hotel is bij de bouw gefinancierd door de uitgifte van onderappartementsrechten aan beleggers, waaronder belanghebbende. Bij de akte van levering heeft belanghebbende zich verplicht om voor de kamers een verhuurbemiddelingsovereenkomst en een beheerovereenkomst te sluiten met de exploitant van het hotel (de exploitant). De houder van het onderappartementsrecht mag zijn hotelkamer niet buiten de exploitant om in gebruik geven aan een derde.

2.2.

De inrichting van de kamers is centraal bepaald. In elke kamer staan een tweepersoonsbed, twee stoelen, een tafeltje, een kast en er is een badkamer met wastafel, toilet en douche. Er is geen kookgelegenheid. Enkele kamers hebben een balkon waarop twee stoelen staan.

2.3.

Aan belanghebbende is voor elk onderappartementsrecht een aanslag rioolrecht opgelegd van € 173,39.

2.4.

Ingevolge artikel 1a van de Verordening rioolheffing Schouwen-Duiveland 2013 (hierna: de Verordening) wordt rioolrecht geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Artikel 1 van de Verordening bepaalt dat onder perceel wordt verstaan: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan.

2.5.

Belanghebbende meent dat geen sprake is van een onroerende zaak noch van een zelfstandig gedeelte daarvan nu slechts sprake is van onderappartementsrechten en de hotelkamers, wegens het ontbreken van kookgelegenheid, niet zelfstandig bewoonbaar zijn. Volgens de heffingsambtenaar brengt reeds het gegeven dat per kamer een appartementsrecht geldt met zich dat elke kamer een “zelfstandig gedeelte” van de onroerende zaak is.

2.6.

De mogelijkheid om een onroerende zaak te splitsen in (onder)appartementsrechten en de gevolgen daarvan zijn geregeld in titel 9 van Boek 5 (zakelijke rechten) van het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 5:106 BW luidt als volgt:

“1 Een eigenaar, erfpachter of opstaller is bevoegd zijn recht op een gebouw met toebehoren en op de daarbij behorende grond met toebehoren te splitsen in appartementsrechten.

2 Een eigenaar, erfpachter of opstaller is eveneens bevoegd zijn recht op een stuk grond te splitsen in appartementsrechten.

3 Een appartementsrecht is op zijn beurt voor splitsing in appartementsrechten vatbaar. Een appartementseigenaar is tot deze ondersplitsing bevoegd, voor zover in de akte van splitsing niet anders is bepaald.

4 Onder appartementsrecht wordt verstaan een aandeel in de goederen die in de splitsing zijn betrokken, dat de bevoegdheid omvat tot het uitsluitend gebruik van bepaalde gedeelten van het gebouw die blijkens hun inrichting bestemd zijn of worden om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Het aandeel kan mede omvatten de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van bepaalde gedeelten van de bij het gebouw behorende grond. In het geval van lid 2 omvat het aandeel de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van bepaalde gedeelten van het stuk grond, die blijkens hun inrichting of aanduiding bestemd zijn of worden om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt.

5 Onder appartementseigenaar wordt verstaan de gerechtigde tot een appartementsrecht.

6 Onder gebouw wordt in deze titel mede verstaan een groep van gebouwen die in één splitsing zijn betrokken.”

2.7.

De appartementsrechten van belanghebbende zijn rechten als bedoeld in artikel 5:106, derde lid, BW. Voor splitsing in onderappartementsrechten geldt, net als voor splitsing in appartementsrechten, dat het aandeel blijkens zijn inrichting bestemd is om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt (artikel 5:106, vierde lid BW).

2.8.

Het hotelgebouw als zodanig is een onroerende zaak. Door de splitsing in appartementsrechten wordt het eigendomsrecht van de onroerende zaak opgesplitst over de gerechtigden tot de appartementsrechten. Dat maakt de hotelkamer als zodanig echter niet tot een (zelfstandige) onroerende zaak. Voor het begrip onroerende zaak moet immers worden uitgegaan van de civielrechtelijke betekenis van dat begrip (Hoge Raad 30 september 2005, nr. 40 315, ECLI:NL:HR:AU3550). De rechtbank acht aannemelijk dat de hotelkamers niet onafhankelijk van de rest van het hotel te gebruiken zijn en dus niet vatbaar zijn voor verticale en horizontale splitsing. De hotelkamer is dan een gedeelte van de onroerende zaak.

2.9.

De vraag die dan moet worden beantwoord is, of sprake is van “zelfstandige” gedeelten, zoals vereist is voor de heffing van rioolrecht. Nu het begrip “zelfstandig gedeelte” van een onroerende zaak niet als zodanig civielrechtelijk is gedefinieerd, dient voor de uitleg van dat begrip aangesloten te worden bij het spraakgebruik en bij de context van de verordening. De rechtbank is van oordeel dat appartementsrechten naar het normale spraakgebruik zelfstandige gedeelten van de onroerende zaak zijn; zo worden zij immers in het maatschappelijk verkeer ervaren doordat zij afzonderlijk overdraagbaar zijn. Die uitleg past ook in de context van artikel 1a van de Verordening dat er van uit gaat dat de zakelijk gerechtigde rioolheffing verschuldigd is. De enige zakelijk gerechtigden tot het hotel zijn de houders van de appartementsrechten. Het gelijk is aan de heffingsambtenaar.

2.10.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.11.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 15 april 2014 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L. Arts, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.