Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:2640

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
02-800888-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor het met een ander aanwezig hebben van hennep en een wapen, omdat deze zich openlijk in haar woning bevonden. Het beroep op uitsluiting van bewijs dat is verkregen naar aanleiding van het binnentreden en de doorzoeking, omdat zich onrechtmatigheden hebben voorgedaan, wordt verworpen. Naar aanleiding van MMA-meldingen is onderzoek ingesteld. De resultaten van dat onderzoek behoeven geen bewijs te bevatten, doch slechts de MMA-meldingen te versterken. Op basis van het ontstane vermoeden kon tot een doorzoeking worden overgegaan. De machtiging tot binnentreden was afgegeven voor het perceel van verdachte, maar de loods gelegen achter de woning behoorde daar niet toe, zodat volgens de verdediging sprake is van onrechtmatig binnentreden. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een verschoonbare fout, omdat uit de feitelijke situatie ter plaatse niet kon worden afgeleid dat de loods niet bij de woning hoorde, aangezien de percelen van verdachte en van de naastgelegen woning niet zichtbaar afgebakend waren. Bovendien is hierdoor geen nadeel voor verdachte ontstaan. Aan het ontbreken van een schriftelijke (vastlegging van) de machtiging tot doorzoeking worden geen rechtsgevolgen verbonden. Voor het gewicht van de hennep wordt conform de Opiumwet uitgegaan van de totale hoeveelheid (verzwaarde) hennep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800888-13

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 april 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1974 te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. E.M.J. Thomas, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 31 maart 2014, waarbij de officier van justitie, mr. Koning, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat:

1.

zij op of omstreeks 25 september 2013 te St. Willebrord, gemeente Rucphen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 17,97 kilo hennep(planten/toppen) en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van

die wet;

2.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1-8-2013 t/m

25-09-2013 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te

weten een vuurwapen little Joe .22 en/of een vuurwapen CZ 6.35 kaliber en/of

een vuurwapen magnum .357 kaliber model 83/96, en/of munitie van categorie 3,

te weten .22 en/of 6.35 en/of 7.65 en/of .357, voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, maar uitsluitend voor zover deze zien op de hoeveelheid hennep die is aangetroffen onder de bar en het wapen dat in de ouderslaapkamer lag. Hierbij baseert de officier van justitie zich op het proces-verbaal van doorzoeking, de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] dat de hennep en wapens van hem zijn en het feit dat ervan moet worden uitgegaan dat verdachte kennis had van de spullen die zich open en bloot in hun woning bevonden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, omdat er sprake is van een reeks van onrechtmatigheden in de bewijsgaring. De beslissing om binnen te treden is genomen op basis van Meld Misdaad Anoniem (MMA)-meldingen, een warmtemeting en een Codam-meting. Er is geen toetsing mogelijk van de uitgevoerde warmtemeting en Codam-meting, omdat het dossier geen concrete meetgegevens bevat. Dat niet uit het dossier blijkt dat uit de Codam-meting een henneppatroon te ontwaren is geweest, vormt juist een contra-indicatie voor verder onderzoek. De hulpofficier van justitie heeft nagelaten om kritische vragen te stellen, alvorens hij toestemming gaf om binnen te treden. Ook valt niet na te gaan op basis van welke informatie de machtiging is verleend, zodat toetsing achteraf onmogelijk is. Bovendien was er geen reden om in de loods achter de woning te gaan kijken. Het resultaat van de indicatieve test van de vloeistof in de jerrycans bleek onjuist te zijn, maar ligt wel aan de basis van de beslissing om tot een doorzoeking over te gaan. Ten slotte is er door de rechter-commissaris geen proces-verbaal opgemaakt van de mandatering aan de officier van justitie van de bevoegdheid tot doorzoeking, zodat toetsing niet mogelijk is. Gelet op deze gebreken moet het bewijs dat vergaard is bij het binnentreden en de doorzoeking, worden uitgesloten en moet verdachte volgens de raadsman worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de hoeveelheid hennep wijst de raadsman er op dat de hennep was verzwaard, zodat het hooguit om een hoeveelheid van ongeveer 400 gram gaat. Voorts is het volgens de raadsman niet ongebruikelijk dat iemand niet weet wat er in zijn woning ligt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of sprake is geweest van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek en zo ja, of dat vormverzuim er toe moet leiden dat de resultaten van dat onderzoek, die door het verzuim zijn verkregen, ingevolge het bepaalde in artikel 359a lid 1, aanhef en onder b Wetboek van Strafvordering, niet mogen bijdragen aan het bewijs van de tenlastegelegde feiten.

Uit het dossier volgt dat in de periode van april 2010 tot en met augustus 2013 negen MMA-meldingen zijn gedaan met betrekking tot de handel in verdovende middelen vanuit en het drogen van hennep in de woning van verdachte. Vervolgens is een warmtemeting bij de woning van verdachte uitgevoerd en heeft een zogenaamde Codam-meting plaatsgevonden. De uitkomsten van deze metingen, waarover is gerelateerd in de processen-verbaal van bevindingen, dragen bij aan de versterking van het vermoeden dat in die woning strafbare feiten worden gepleegd en wel in zodanige mate dat voldoende verdenking is ontstaan om verder opsporingsonderzoek te verrichten. Dat de exacte meetresultaten niet in het dossier zijn opgenomen en dat niet uit het dossier blijkt dat uit de Codam-meting een zogenaamd “henneppatroon” kan worden opgemaakt, doet daaraan niet af. De onderzoeksresultaten vormen in dit geval immers geen bewijs, maar dienen ter versterking van het vermoeden dat op grond van de MMA-meldingen reeds was ontstaan. Op basis van hetgeen in de processen-verbaal van bevindingen is neergelegd, mag ervan uitgegaan worden dat de hulpofficier van justitie deugdelijk geïnformeerd was alvorens hij een machtiging tot binnentreden heeft verleend. Voor het standpunt van de verdediging, dat de hulpofficier van justitie (ten onrechte) zou hebben nagelaten kritische vragen te stellen over de omstandigheden die tot de verdenking hebben geleid, kan in het dossier geen aanknopingspunt worden gevonden.

Nadat met gebruikmaking van de machtiging in de woning van verdachte was binnengetreden, is het onderzoek uitgebreid naar de achter de woning gelegen loods. Het was de verbalisanten op basis van de machtiging toegestaan om, nadat in de ruimte waarvan men vermoedde iets strafbaars aan te treffen, niets werd aangetroffen, de zoeking uit te breiden en ook de overige tot de woning behorende ruimtes te betreden.

De hiervoor genoemde loods maakt deel uit van het perceel van de woning, gelegen aan de [adres perceel behorende bij loods]. Waar de verdediging heeft aangevoerd dat daarmee sprake is van vormverzuim dat moet leiden tot bewijsuitsluiting – omdat de machtiging tot het binnentreden is verleend voor de woning aan de [adres] – is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een verschoonbare fout, waaraan geen rechtgevolgen verbonden dienen te worden. Uit de plattegrond bij het proces-verbaal van bevindingen van de latere doorzoeking (pagina 243 van het eindproces-verbaal) blijkt dat de percelen van de woning van verdachte (nummer 53) en de daarnaast gelegen woning (nummer 51) niet zichtbaar afgebakend zijn. Achter het woonhuis van verdachte bevindt zich een tuin, waarin onder meer de loods is gelegen. Daarmee wordt de indruk gewekt dat de loods één geheel vormt met het woonhuis. Dat de loods zich feitelijk op het perceel van het daarnaast gelegen pand bevindt, is voor de verbalisanten daarom niet kenbaar geweest. Bovendien kan niet gezegd worden dat het vormverzuim nadeel voor verdachte heeft veroorzaakt. Er is weliswaar een voorschrift geschonden, maar dat strekt er niet toe het belang van verdachte te beschermen, maar dat van de bewoner van de woning waar zonder machtiging is binnengetreden.

Met betrekking tot het ontbreken van een schriftelijke (vastlegging van de) machtiging tot doorzoeking van de woning wordt als volgt overwogen. Gelet op hetgeen de officier van justitie daarover ter terechtzitting heeft verklaard, wordt als vaststaand aangenomen dat de rechter-commissaris de officier van justitie mondeling de in artikel 97 Wetboek van Strafvordering bedoelde machtiging heeft verleend. Hoewel een mondelinge machtiging op een later moment alsnog schriftelijk dient te worden vastgelegd en het ontbreken van een dergelijke schriftelijke vastlegging een vormverzuim oplevert, worden daaraan geen rechtsgevolgen verbonden (ECLI:NL:2012:BT6962).

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, luidt de conclusie dat zich in het voorbereidend onderzoek weliswaar vormverzuimen hebben voorgedaan, maar dat daaraan geen rechtsgevolgen worden verbonden.

Met betrekking tot de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezen verklaard kunnen worden, overweegt de rechtbank als volgt. Op 25 september 2013 zijn verbalisanten op basis van voornoemde machtiging, de woning van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] binnengetreden1. In een loods achter de woning werden jerrycans aangetroffen met daarin een vloeistof2. Monsters van deze vloeistof gaven een positieve reactie, indicatief voor GHB. Daarop heeft een doorzoeking van de woning plaatsgevonden3. Bij die doorzoeking werden onder meer een zak hennep in de bar/serre en een wapen in de ouderslaapkamer aangetroffen4. De zak die in de bar/serre is aangetroffen, bevatte een hoeveelheid van 986 gram hennep5. Het wapen dat in de ouderslaapkamer op een kluis onder het bed6 is aangetroffen, is een revolver van het merk Röhm, type “Little Joe”, geschikt voor knal- en gaspatronen in het kaliber .22, zijnde een categorie III-vuurwapen in de zin van de Wet wapens en munitie7. Hier als bewijs voor de aanwezigheid ook de verklaring van verdachte opnemen.

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen zowel het in vereniging aanwezig hebben van 986 gram hennep bewezen, als het in vereniging voorhanden hebben van het “Little Joe”-wapen. Zowel de hennep als het wapen bevonden zich openlijk in de woning van verdachte; de hennep in de bar en het wapen onder het bed in de ouderslaapkamer. Verdachte heeft geen verklaring gegeven waaruit kan worden afgeleid dat de aanwezigheid van de hennep en het wapen voor haar niet kenbaar is geweest, hetgeen gelet op de plaatsen waar deze zaken werden aangetroffen, wel van haar had mogen worden verwacht.

Met betrekking tot het standpunt van de verdediging, dat uitgegaan moet worden van verzwaarde hennep, zodat de zak slechts zo’n 400 gram hennep bevatte, overweegt de rechtbank als volgt.

Op grond van vaste jurisprudentie wordt uitgegaan van het gewicht van het middel in de staat waarin dit is aangetroffen, zijnde 986 gram. Een middel is ingevolge artikel 1, lid 1 aanhef en onder d, Opiumwet, een substantie of een preparaat (zijnde een mengsel van substanties). Voor de toepassing van de Opiumwet wordt, indien sprake is van een preparaat, het totale gewicht van het preparaat in aanmerking genomen. Daarom treft het gevoerde verweer, dat de aangetroffen hennep zou zijn verzwaard en dat de hennep in feite slechts de helft weegt van het aangetroffen preparaat, geen doel.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken voor het in vereniging aanwezig hebben van de hennep en de wapens die in de loods achter de woning zijn aangetroffen. Deze zaken waren weliswaar het bezit van haar echtgenoot en medeverdachte [medeverdachte], maar niet is gebleken dat verdachte ook gebruik maakte van deze loods, noch dat zij op de hoogte was van het feit dat zich hennep en wapens in deze loods bevonden.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

zij op of omstreeks 25 september 2013 te St. Willebrord, gemeente Rucphen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres][adres][adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 17,97 kilo 986 gram hennep(planten/toppen) en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1-8-2013 t/m

25-09-2013 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te

weten een vuurwapen little Joe .22 en/of een vuurwapen CZ 6.35 kaliber en/of

een vuurwapen magnum .357 kaliber model 83/96, en/of munitie van categorie 3 III,

te weten .22 en/of 6.35 en/of 7.65 en/of .357, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, op te leggen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 986 gram hennep en het voorhanden hebben van een vuurwapen, geschikt om knal- of gaspatronen mee af te schieten. Dit zijn ernstige feiten. Softdrugs, zoals hennep, bevatten stoffen die verslavend werken en die bij langdurig gebruik de gezondheid kunnen aantasten. Ook van een wapen dat uitsluitend geschikt is voor knal- of gaspatronen kan een dreigende werking uitgaan en aldus leiden tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent het verdachte dan ook aan dat zij ter terechtzitting geen inzicht heeft gegeven in haar houding ten opzichte van deze feiten.

Bij het bepalen van de op te leggen straf neemt de rechtbank het door de reclassering opgestelde adviesrapport in aanmerking. De reclassering heeft zich weliswaar onthouden van een strafadvies, maar zij heeft vastgesteld dat er geen contra-indicaties zijn voor het opleggen van een taakstraf.

Rekening houdende met de straffen die gewoonlijk voor soortgelijke feiten worden opgelegd, acht de rechtbank een taakstraf van 100 uren passend en geboden.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 27, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3, 11, 13 en 14 van de Opiumwet en de artikelen 26, 55, 56 en 60 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van twee uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Weide, voorzitter, mr. Kooijman en mr. Bollen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Graumans, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 april 2014.

1 Proces-verbaal binnentreden woning, pagina’s 223 en 224 van voornoemd eindproces-verbaal en proces-verbaal van bevindingen, pagina 229 van voornoemd eindproces-verbaal.

2 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 219 van voornoemd eindproces-verbaal.

3 Proces-verbaal van doorzoeking, pagina’s 237 en 238 van voornoemd eindproces-verbaal.

4 Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 239 tot en met 241 van voornoemd eindproces-verbaal.

5 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 12 van het separate proces-verbaal aanvullende stukken met dossiernummer 2013120418 van politie Zeeland-West Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 13.

6 Foto’s bij het proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 273 en 274 van voornoemd eindproces-verbaal.

7 Proces-verbaal van het Regionaal Bureau Wapens en Munitie, pagina’s 337 en 338 van voornoemd eindproces-verbaal.