Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:2639

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
02-800887-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor het met een ander aanwezig hebben van hennep en wapens. Het beroep op uitsluiting van bewijs dat is verkregen naar aanleiding van het binnentreden en de doorzoeking, omdat zich onrechtmatigheden hebben voorgedaan, wordt verworpen. Naar aanleiding van MMA-meldingen is onderzoek ingesteld. De resultaten van dat onderzoek behoeven geen bewijs te bevatten, doch slechts de MMA-meldingen te versterken. Op basis van het ontstane vermoeden kon tot een doorzoeking worden overgegaan. De machtiging tot binnentreden was afgegeven voor het perceel van verdachte, maar de loods gelegen achter de woning behoorde daar niet toe, zodat volgens de verdediging sprake is van onrechtmatig binnentreden. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een verschoonbare fout, omdat uit de feitelijke situatie ter plaatse niet kon worden afgeleid dat de loods niet bij de woning hoorde, aangezien de percelen van verdachte en van de naastgelegen woning niet zichtbaar afgebakend waren. Bovendien is hierdoor geen nadeel voor verdachte ontstaan. Aan het ontbreken van een schriftelijke (vastlegging van) de machtiging tot doorzoeking worden geen rechtsgevolgen verbonden. Voor het gewicht van de hennep wordt conform de Opiumwet uitgegaan van de totale hoeveelheid (verzwaarde) hennep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800887-13

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 april 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1968 te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. M.A. Buntsma, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 31 maart 2014, waarbij de officier van justitie, mr. Koning, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat:

1.

hij op of omstreeks 25 september 2013 te St. Willebrord, gemeente Rucphen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een

hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 17,97 kilo hennep(planten/toppen) en/of delen

daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal

bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van

die wet;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1-8-2013 t/m

25-09-2013 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te

weten een vuurwapen little Joe .22 en/of een vuurwapen CZ 6.35 kaliber en/of

een vuurwapen magnum .357 kaliber model 83/96, en/of munitie van categorie 3,

te weten .22 en/of 6.35 en/of 7.65 en/of .357, voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de bij de doorzoeking aangetroffen goederen en de verklaring van verdachte dat hij de hennep en wapens in zijn bezit had.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman sluit zich aan bij hetgeen door de raadsman van de medeverdachte naar voren is gebracht. Hij is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, omdat er sprake is van een reeks van onrechtmatigheden in de bewijsgaring.

De beslissing om binnen te treden is genomen op basis van Meld Misdaad Anoniem (MMA)-meldingen, een warmtemeting en een Codam-meting. Er is geen toetsing mogelijk van de uitslag van de uitgevoerde warmtemeting en de Codam-meting, omdat het dossier geen concrete meetgegevens bevat. Dat niet uit het dossier blijkt dat uit de Codam-meting een henneppatroon te ontwaren is geweest, vormt juist een contra-indicatie voor verder onderzoek.

De hulpofficier van justitie heeft nagelaten om kritische vragen te stellen, alvorens hij de machtiging gaf om binnen te treden. Bovendien valt niet na te gaan op basis van welke informatie de machtiging is verleend, zodat toetsing achteraf onmogelijk is. Bovendien was er geen reden om in de loods achter de woning te gaan kijken.

Het resultaat van de indicatieve test van de vloeistof in de jerrycans bleek onjuist te zijn, maar ligt wel aan de basis van de beslissing om tot een doorzoeking over te gaan.

Ten slotte is er door de rechter-commissaris geen proces-verbaal opgemaakt van de mandatering aan de officier van justitie van de bevoegdheid tot doorzoeking, zodat toetsing daarvan niet mogelijk is. Gelet op deze gebreken moet het bewijs dat vergaard is bij het binnentreden en de doorzoeking, worden uitgesloten.

Er resteert gelet op dit alles geen bewijs zodat verdachte moet worden vrijgesproken.

Indien de rechtbank van oordeel is dat zich bij de doorzoeking geen onrechtmatigheden hebben voorgedaan, wijst de raadsman er op dat zijn cliënt heeft gedwaald ten aanzien van de rechtmatigheid van het bezit van het alarmpistool Little Joe. Ten aanzien van feit 1 is de raadsman van mening dat uitsluitend het bezit van hennep kan worden bewezen, terwijl het daarbij gaat om een geringere hoeveelheid, aangezien de hennep was verzwaard.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of sprake is geweest van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek en zo ja, of dat vormverzuim er toe moet leiden dat de resultaten van dat onderzoek, die door het verzuim zijn verkregen, ingevolge het bepaalde in artikel 359a lid 1, aanhef en onder b Wetboek van Strafvordering, niet mogen bijdragen aan het bewijs van de tenlastegelegde feiten.

Uit het dossier volgt dat in de periode van april 2010 tot en met augustus 2013 negen MMA-meldingen zijn gedaan met betrekking tot de handel in verdovende middelen vanuit en het drogen van hennep in de woning van verdachte.

In tegenstelling tot wat de raadsman lijkt te betogen, behoeft de informatie die naar voren komt uit het onderzoek dat wordt ingesteld naar aanleiding van een MMA melding, geen bewijs te bevatten, doch slechts een versterking van de MMA melding.

Na de MMA meldingen is er in dit geval een warmtemeting bij de woning van verdachte uitgevoerd en heeft een zogenaamde Codam-meting plaatsgevonden. De uitkomsten van deze metingen, waarover is gerelateerd in de processen-verbaal van bevindingen, hebben bijgedragen aan de versterking van het vermoeden dat in die woning strafbare feiten werden gepleegd en wel in zodanige mate dat voldoende verdenking is ontstaan om verder opsporingsonderzoek te verrichten. Dat de exacte meetresultaten niet in het dossier zijn opgenomen en dat niet uit het dossier blijkt dat uit de Codam-meting een zogenaamd “henneppatroon” kan worden opgemaakt, doet daaraan niet af.

De onderzoeksresultaten versterkten het sterke vermoeden dat op grond van de negen MMA-meldingen reeds was ontstaan in voldoende mate om op basis daarvan tot doorzoeking over te gaan.

Op basis van hetgeen in de processen-verbaal van bevindingen is neergelegd, mag ervan uitgegaan worden dat de hulpofficier van justitie deugdelijk geïnformeerd was alvorens hij een machtiging tot binnentreden heeft verleend. Voor het standpunt van de verdediging, dat de hulpofficier van justitie (ten onrechte) zou hebben nagelaten kritische vragen te stellen over de omstandigheden die tot de verdenking hebben geleid, kan in het dossier geen aanknopingspunt worden gevonden.

Nadat met gebruikmaking van de machtiging in de woning van verdachte was binnengetreden, is het onderzoek uitgebreid naar de achter de woning gelegen loods. Het was de verbalisanten op basis van de machtiging toegestaan om, nadat in de ruimte waarvan men vermoedde iets strafbaars aan te treffen, niets werd aangetroffen, de zoeking uit te breiden en ook de overige tot de woning behorende ruimtes te betreden. De hiervoor genoemde loods maakt deel uit van het perceel van de woning, gelegen aan de [adres perceel behorende bij loods]. Waar de verdediging heeft aangevoerd dat daarmee sprake is van vormverzuim dat moet leiden tot bewijsuitsluiting – omdat de machtiging tot het binnentreden is verleend voor de woning aan de [adres] – is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een verschoonbare fout, waaraan geen rechtsgevolgen verbonden dienen te worden. Uit de plattegrond bij het proces-verbaal van bevindingen van de latere doorzoeking (pagina 243 van het eindproces-verbaal) blijkt dat de percelen van de woning van verdachte (nummer 53) en de daarnaast gelegen woning (nummer 51) niet zichtbaar afgebakend zijn. Achter het woonhuis van verdachte bevindt zich een tuin, waarin onder meer de loods is gelegen. Daarmee wordt de indruk gewekt dat de loods één geheel vormt met het woonhuis. Dat de loods zich feitelijk op het perceel van het daarnaast gelegen pand bevindt, is voor de verbalisanten daarom niet kenbaar geweest. Bovendien kan niet gezegd worden dat het vormverzuim nadeel voor verdachte heeft veroorzaakt. Er is weliswaar een voorschrift geschonden, maar dat strekt er niet toe het belang van verdachte te beschermen, maar slechts dat van de bewoner van de woning waar zonder machtiging is binnengetreden.

Met betrekking tot het ontbreken van een schriftelijke (vastlegging van de) machtiging tot doorzoeking van de woning wordt als volgt overwogen. Gelet op hetgeen de officier van justitie daarover ter terechtzitting heeft verklaard, wordt als vaststaand aangenomen dat de rechter-commissaris de officier van justitie mondeling de in artikel 97 Wetboek van Strafvordering bedoelde machtiging heeft verleend. Hoewel een mondelinge machtiging op een later moment alsnog schriftelijk dient te worden vastgelegd en het ontbreken van een dergelijke schriftelijke vastlegging een vormverzuim oplevert, worden daaraan geen rechtsgevolgen verbonden (ECLI:NL:2012:BT6962).

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, luidt de conclusie dat zich in het voorbereidend onderzoek weliswaar vormverzuimen hebben voorgedaan, maar dat daaraan geen rechtsgevolgen worden verbonden.

Feit 1

De rechtbank acht het aanwezig hebben van 17,97 kilogram hennep bewezen op grond van:

- het proces-verbaal van doorzoeking1;

- het proces-verbaal van bevindingen2, waarin een overzicht is opgenomen van de bij de doorzoeking aangetroffen zaken;

- het proces-verbaal van bevindingen3, met daarin de uitslagen van de indicatieve MMC Narco-testen;

- de bekennende verklaring van verdachte4.

Op grond van vaste jurisprudentie wordt uitgegaan van het gewicht van het middel in de staat waarin dit is aangetroffen, zijnde 1797 gram. Een middel is ingevolge artikel 1, lid 1 aanhef en onder d, Opiumwet, een substantie of een preparaat (zijnde een mengsel van substanties). Voor de toepassing van de Opiumwet wordt, indien sprake is van een preparaat, het totale gewicht van het preparaat in aanmerking genomen. Daarom treft het gevoerde verweer, dat de aangetroffen hennep zou zijn verzwaard en dat de hennep in feite slechts de helft weegt van het aangetroffen preparaat, geen doel.

Feit 2

De rechtbank acht het tenlastegelegde feit bewezen op grond van:

- het proces-verbaal van doorzoeking5;

- het proces-verbaal van bevindingen6, waarin een overzicht is opgenomen van de bij de doorzoeking aangetroffen zaken;

- het proces-verbaal van bevindingen7 met betrekking tot de bij de doorzoeking aangetroffen wapens en munitie;

- het proces-verbaal van het Regionaal Bureau Wapens en Munitie8;

- de processen-verbaal IBIS onderzoek vuurwapens en munitie9;

- de bekennende verklaring van verdachte10.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte het alarmpistool “Little Joe” samen met zijn echtgenote [medeverdachte] in het bezit heeft gehad, omdat dit vuurwapen in de slaapkamer van [verdachte] en zijn echtgenote is aangetroffen. Ten aanzien van de overige wapens, die zijn aangetroffen in een container in de loods achter de woning, is de rechtbank van oordeel dat alleen het bezit door verdachte bewezen verklaard kan worden, daar uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de echtgenote van verdachte de aanwezigheid van die wapens kende of had kunnen kennen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op of omstreeks 25 september 2013 te St. Willebrord, gemeente Rucphen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres][adres][adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 17,97 kilo hennep(planten/toppen) en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van

die wet;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1-8-2013 t/m

25-09-2013 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te

weten een vuurwapen little Joe .22 en/of een vuurwapen CZ 6.35 kaliber en/of

een vuurwapen magnum .357 kaliber model 83/96, en/of munitie van categorie 3 III,

te weten .22 en/of 6.35 en/of 7.65 en/of .357, voorhanden heeft gehad

en

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1-8-2013 t/m

25-09-2013 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te

weten een vuurwapen little Joe .22 en/of een vuurwapen CZ 6.35 kaliber en/of

een vuurwapen magnum .357 kaliber model 83/96, en/of munitie van categorie 3 III,

te weten .22 en/of 6.35 en/of 7.65 en/of .357, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald ten aanzien van de rechtmatigheid van het bezit van het alarmpistool Little Joe.

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen afwezigheid van alle schuld wegens rechtsdwaling, omdat de informatie die verdachte op de website van de politie over de (on)rechtmatigheid van het bezit van een alarmpistool heeft gevonden, geen uitsluitsel daarover biedt, en de informatie die verdachte op andere websites heeft ingewonnen, niet van een zodanig gezaghebbend persoon of instantie afkomstig is, dat hij in redelijkheid mocht afgaan op de deugdelijkheid van die informatie. Nu voorts niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit, is verdachte strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte een gevangenisstraf van 12 maanden en een geldboete van € 10.170,- op te leggen. De hoogte van de boete is gebaseerd op het in de woning aangetroffen en in beslag genomen contante geldbedrag.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de raadsman bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van zijn cliënt, in het bijzonder met zijn gezondheidssituatie. Hij is van mening dat een voor zijn cliënt draagbare variant in de vorm van een werkstraf gecombineerd met een geldboete, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van gelijke duur als het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf, passend is. Tevens verzoekt hij een eventueel op te leggen geldboete te verminderen met het bedrag dat onder de dochter van zijn cliënt in beslag is genomen en bedoeld was voor de aanschaf van een paard, te weten € 6.550,-.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een aanzienlijke hoeveelheid hennep en een drietal vuurwapens met munitie. Het betreft ernstige feiten. Softdrugs, zoals hennep, bevatten stoffen die verslavend werken en die bij langdurig gebruik de gezondheid kunnen aantasten. Verdachte is als geen ander bekend met de vernietigende werking van vuurwapens en het wordt hem dan ook zwaar aangerekend dat hij drie wapens, waarvan twee werkende vuurwapens met scherpe munitie in zijn bezit had. Bij dergelijk feiten past een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur. De rechtbank houdt bij het bepalen van de op te leggen straf voorts rekening met het rapport dat de reclassering over verdachte heeft opgesteld. De reclassering adviseert om bij een bewezenverklaring aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of taakstraf op te leggen. Zij ziet geen meerwaarde in reclasseringstoezicht.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden passend en geboden.

7 Het beslag

7.1

De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat feit 2 met betrekking tot deze voorwerpen is begaan.

Verder zijn deze voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

7.2

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3, 11, 13 en 14 van de Opiumwet en de artikelen 26, 55, 56 en 60 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van negen maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 4 tot en met 9;

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1 tot en met 3 en 10 tot en met 28.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Weide, voorzitter, mr. Kooijman en mr. Bollen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Graumans, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 april 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer PL201M-2013150418 van politie Midden- en West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 450. Proces-verbaal van doorzoeking, pagina’s 237 en 238 van voornoemd eindproces-verbaal.

2 Proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, pagina’s 239 tot en met 246 van voornoemd eindproces-verbaal.

3 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 311 van voornoemd eindproces-verbaal.

4 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 31 maart 2014.

5 Proces-verbaal van doorzoeking, pagina’s 237 en 238 van voornoemd eindproces-verbaal.

6 Proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, pagina’s 239 tot en met 246 van voornoemd eindproces-verbaal.

7 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 249 van voornoemd eindproces-verbaal.

8 Proces-verbaal van het Regionaal Bureau Wapens en Munitie, pagina’s 335 tot en met 342 van voornoemd eindproces-verbaal.

9 Processen-verbaal IBIS onderzoek vuurwapens en munitie, pagina’s 343 tot en met 347 van voornoemd eindproces-verbaal.

10 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 31 maart 2014.