Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:2426

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-04-2014
Datum publicatie
14-04-2014
Zaaknummer
AWB 13_5613
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanpassing kinderbijslag aan kostenniveau in Marokko op grond van de Wet woonlandbeginsel is in strijd met artikel 5 van het Algemene Verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Marokko.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 13/5613 AKW

uitspraak van 7 april 2014 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres], te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. F. Ergec,

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank Breda (SVB), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 26 augustus 2013 (bestreden besluit) van de SVB inzake het recht op kinderbijslag.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 24 februari 2014. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak met zaaknummer 13/4792 AKW. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.[naam persoon] en mr. [naam persoon]. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. In beide zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 1 juli 2012 is de Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid (Wwsz) in werking getreden. Deze wet heeft geleid tot een wijziging van artikel 12 van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Hierdoor bedraagt het basiskinderbijslagbedrag voor een kind dat woont buiten Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland, een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het in Nederland geldende bedrag aan kinderbijslag. Voor Marokko is dit percentage vastgesteld op 60. De SVB heeft eiseres in juli 2012 hierover geïnformeerd.

Bij besluit van 5 maart 2013 heeft de SVB aan eiseres meegedeeld dat zij vanaf het eerste kwartaal van 2013 € 520,19 aan kinderbijslag zal krijgen waarvan € 328,54 voor het kind [naam kind] dat in Marokko woont.

Bij brief van 10 april 2013 heeft de SVB opnieuw aan eiseres meegedeeld dat zij vanaf het eerste kwartaal van 2013 € 520,19 aan kinderbijslag zal krijgen waarvan € 328,54 voor het kind [naam kind] dat in Marokko woont.

Bij besluit van 12 april 2013 heeft de SVB het besluit van 5 maart 2013 ingetrokken. De SVB heeft aan eiseres meegedeeld dat zij vanaf het eerste kwartaal van 2013

€ 520,19 aan kinderbijslag (waarvan € 328,54 voor het kind[naam kind] dat in Marokko woont) en € 369,- aan kindgebonden budget zal krijgen.

Bij het bestreden besluit heeft de SVB de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Daarbij is aangegeven dat de beslissingen van 10 april 2013 en 12 april 2013 worden gehandhaafd. De SVB heeft aan eiseres een proceskostenvergoeding toegekend van € 472,- in verband met het feit dat eiseres in eerste instantie bezwaar had gemaakt tegen het besluit van 5 maart 2013 en de SVB dit besluit heeft ingetrokken omdat dit besluit niet juist was.

2.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat het besluit van de SVB in strijd is met internationale verdragen. In dat kader is onder meer gewezen op artikel 5 van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (NMV). Ook is er een beroep gedaan op uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 22 augustus 2013 (ECLI:NL:RBAMS:2013:5315) en 10 januari 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:50).

3.

Met betrekking tot de brief van 10 april 2013 overweegt de rechtbank dat deze een herhaling vormt van het besluit van 5 maart 2013. Naar het oordeel van de rechtbank roept de brief van 10 april 2013 geen ander rechtsgevolg in het leven dan die al door het eerdere besluit van 5 maart 2013 in het leven was geroepen. De brief van 10 april 2013 is dan ook geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De SVB had derhalve het bezwaar tegen de brief van 10 april 2013 niet-ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank zal het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover dit ziet op de ongegrondverklaring van het bezwaar van eiseres tegen de brief van 10 april 2013. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en het bezwaar van eiseres tegen de brief van 10 april 2013 niet-ontvankelijk verklaren.

4.

Voor zover het bestreden besluit ziet op de ongegrondverklaring van het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 12 april 2013 overweegt de rechtbank als volgt.

5.

Artikel 12, tweede lid, van de AKW luidt sinds 1 juli 2012 als volgt:

Het basiskinderbijslagbedrag bedraagt voor een kind dat woont buiten Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland, een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het bedrag, genoemd in het eerste lid. Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar het kind woonachtig is en dat van Nederland. Het percentage bedraagt maximaal 100.

In de Bijlage bij de Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012 is het percentage bedoeld in het tweede lid voor Marokko vastgesteld op 60.

6.

Artikel 5, eerste lid, van het NMV luidt als volgt:

De uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid, bij ouderdom of aan nabestaanden, de uitkeringen bij overlijden en de kinderbijslagen verkregen op grond van de wettelijke regelingen van een van de Verdragsluitende Partijen, kunnen op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende of het kind woont op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die op het grondgebied waarvan het orgaan dat de uitkering verschuldigd is, zich bevindt.

7.

Vooropgesteld moet worden dat het de wetgever vrijstaat om op grond van nieuwe en gewijzigde inzichten ervoor te kiezen om wetten zodanig te wijzigen dat het toe te kennen bedrag aan kinderbijslag wordt gerelateerd aan het kostenniveau van het land waarin het kind woont. Bij de vormgeving van dergelijke wetgeving zal echter rekening gehouden moeten worden met de verplichtingen die voortvloeien uit verdragen en andere internationale instrumenten (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:845).

8.

De rechtbank overweegt dat eiseres al kinderbijslag voor [naam kind] ontving voor de inwerkingtreding van de Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid. De kinderbijslag die aan eiseres vanaf een tijdstip voor 1 januari 2013 is toegekend, moet worden aangemerkt als kinderbijslag verkregen op grond van een wettelijke regeling van een van de Verdragsluitende Partijen, zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het NMV. Dit artikel verbiedt dat door – aangepaste – nationale wetgeving deze uitkering op grond van het wonen in Marokko op een lager bedrag wordt vastgesteld. De stelling van de SVB dat deze vermindering niet voortvloeit uit het wonen in Marokko, maar rechtstreeks uit het kostenniveau aldaar, kan de rechtbank niet overtuigen. Immers, dit kostenniveau is onlosmakelijk verbonden met het wonen in Marokko. In artikel 12, tweede lid, van de AKW wordt ook gesproken over ‘het kostenniveau van het land waar het kind woonachtig is’. Het bepalende criterium is derhalve het wonen in een ander land dan Nederland, een andere lidstaat van de EU, een andere staat die partij is bij de EER, dan wel Zwitserland. Het gaat dus om de vraag in welk land iemand woont en welk percentage van het bedrag dat in Nederland in beginsel toegekend zou worden, bij dat land hoort.

9.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de vermindering van de kinderbijslag met betrekking tot het kind [naam kind] in strijd is met artikel 5, eerste lid, van het NMV.

10.

De rechtbank ziet daarom aanleiding om het bestreden besluit ook te vernietigen voor zover dit ziet op de ongegrondverklaring van het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 12 april 2013. De rechtbank ziet voorts aanleiding om het besluit van 12 april 2013 te herroepen in zoverre dat eiseres met ingang van 1 januari 2013 aanspraak heeft op kinderbijslag naar de standaardnorm voor [naam kind].

11

Eiseres heeft verzocht de SVB te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het na te betalen bedrag. De rechtbank wijst dit verzoek toe.

12.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

13.

De rechtbank zal de SVB veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487, en een wegingsfactor 1).

14.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de proceskosten in bezwaar als volgt.

Eiseres heeft in eerste instantie bezwaar gemaakt tegen het besluit van de SVB van 5 maart 2013. Bij besluit van 12 april 2013 heeft de SVB het besluit van 5 maart 2013 ingetrokken en een nieuw besluit genomen. Naar het oordeel van de rechtbank betreft het besluit van 12 april 2013 een besluit zoals bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 5 maart 2013 heeft dan ook van rechtswege betrekking op het besluit van 12 april 2013. In verband met dit bezwaar heeft de SVB bij het bestreden besluit al een proceskostenvergoeding toegekend van € 472,-. In verband met deze toekenning zal de rechtbank het bestreden besluit niet in zijn geheel vernietigen. Deze toekenning van proceskosten blijft derhalve gehandhaafd.

Nu de rechtbank het bezwaar van eiseres tegen de brief van 10 april 2013 niet-ontvankelijk zal verklaren, bestaat voor een proceskostenveroordeling ten aanzien hiervan geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de brief van 10 april 2013;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen de brief van 10 april 2013 niet-ontvankelijk;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 12 april 2013;

  • -

    herroept het besluit van 12 april 2013 in zoverre dat eiseres met ingang van 1 januari 2013 aanspraak heeft op kinderbijslag naar de standaardnorm voor [naam kind];

  • -

    veroordeelt de SVB tot betaling aan eiseres van schadevergoeding in de zin van de wettelijke rente over de nabetaling aan eiseres;

  • -

    draagt de SVB op het betaalde griffierecht van € 44,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de SVB in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzitter, en mrs. F.P.J. Schoonen en E.S.M. van Bergen, leden, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.