Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:2264

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-04-2014
Datum publicatie
22-07-2014
Zaaknummer
AWB 13_5106 TUSSENUITSPRAAK
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Scootermobielpool bruikbaar en voldoende compenserend? Geen onderzoek naar de beperkingen van betrokkene, haar persoonskenmerken en vervoersbehoefte. Verder is er geen onderzoek naar de bruikbaarheid van de scootermobielpool voor eiseres. Bestuurlijke lus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 13/5106 WMO

tussenuitspraak van 3 april 2014 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres], te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: [naam gemachtigde],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 2 augustus 2013 (bestreden besluit) van het college inzake de beëindiging van een individuele vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in de vorm van een scootermobiel en het in aanmerking brengen voor een scootermobielpool.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 25 februari 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam vertegenwoordiger1] en [naam vertegenwoordiger2].

Overwegingen

1.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 31 mei 2011 heeft het college aan eiseres een voorziening in natura verstrekt in de vorm van een scootermobiel (Trophy 6).

In december 2012 heeft het college schriftelijk aan eiseres meegedeeld dat een scootermobielpool zal worden opgezet en dat geen individuele scootermobielen meer worden verstrekt.

Bij brief van 28 januari 2013 geeft het college aan de met eiseres tijdens het gesprek, dat zij had met de Wmo-consulent op 24 januari 2013, gemaakte afspraken te bevestigen. Het college geeft voorts aan dat hij geen gevolg kan geven aan de wens van eiseres om de bestaande situatie te handhaven. Wel is haar de gelegenheid geboden om voor 1 maart 2013 aan te geven of zij de scootermobiel alsnog wil kopen.

Eiseres heeft tegen deze brief op 8 februari 2013 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 maart 2013 heeft het college de individuele vervoersvoorziening van eiseres in de vorm van een scootermobiel beëindigd en haar in aanmerking gebracht voor deelname aan de scootermobielpool in haar wooncomplex.

Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het college beschouwt het bezwaar van eiseres als te zijn gericht tegen het besluit van 28 maart 2013. Het college stelt dit besluit op goede gronden te hebben genomen. De scootermobiel Trophy die eiseres heeft is een scootermobiel uit het voorkeursassortiment van het college en is standaard uitgevoerd met geïntegreerd handgas en extra vering. Het stuur kan standaard door de gebruiker worden versteld. De scootermobiel is niet voorzien van speciale aanpassingen voor eiseres. Het college merkt voorts op dat met de beheerder van de scootermobielpool is afgesproken dat eiseres altijd de eerst aangewezene is om de Trophy te gebruiken. In het wooncomplex staat overigens nog eenzelfde scootermobiel. Volgens het college frustreren de door eiseres genoemde uitvoeringsproblemen met betrekking tot het beheer van de scootermobielpool de compensatieplicht van de Wmo niet. Het college heeft derhalve in redelijkheid kunnen wijzen op een algemene voorziening als bedoeld in artikel 1, lid 9, juncto artikel 15, lid 3 en 4 van de Verordening Wmo [woonplaats](de Verordening).

2.

Eiseres stelt dat zij met verschillende medische aandoeningen kampt, zoals osteoporose en artrose, en daardoor slechts zo’n 10 meter kan lopen en dan alleen nog met krukken. Eiseres is – anders dan de medebewoners die af en toe eens gebruik willen maken van de scootmobiel – dan ook volledig afhankelijk van haar scootermobiel. Dat blijkt ook uit de verklaring van behandelend arts[naam arts]. Volgens deze arts is eiseres afhankelijk van haar scootermobiel om haar sociale contacten te onderhouden en voor haar dagelijkse beweging. Door ontneming van de scootermobiel en verplichte deelname aan de scootermobielpool wordt eiseres haar zelfstandigheid ontnomen en wordt zij zeer ernstig belemmerd in haar zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Zij kan geen huishouden voeren, zich niet verplaatsen in en om haar woning, zich lokaal niet verplaatsen en geen medemensen ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aangaan. Een algemene voorziening, zoals de scootermobielpool, is daarvoor onvoldoende. Eiseres stelt dat het college in strijd heeft gehandeld met artikel 4 van de Wmo. Het college heeft de omstandigheden onvoldoende meegewogen in zijn besluit. Voorts merkt eiseres op dat zij niet in staat is om een scootermobiel zelf te bekostigen. Eiseres doet in ieder geval een beroep op de hardheidsclausule van artikel 29 van de Verordening.

3.

Artikel 4 van de Wmo bepaalt:

1.

Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:

a. een huishouden te voeren;

b. zich te verplaatsen in en om de woning;

c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

2.

Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, waaronder verandering van woning in verband met wijziging van leefsituatie, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, onderdeel 5° en 6° van de Wmo wordt onder maatschappelijke ondersteuning verstaan:

5° het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem;

6° het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer.

Op grond van artikel 5 van de Wmo stelt de gemeenteraad bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet regels over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en over de voorwaarden waaronder personen die een aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

Ingevolge artikel 1, negende lid, van de Verordening wordt onder algemene voorziening verstaan: een voorliggende voorziening die weliswaar niet bestemd is voor, noch te gebruiken is door alle personen als bedoeld in artikel 4 lid 1 van de wet, maar die anderzijds door iedereen waarvoor de voorziening wel bedoeld is op eenvoudige wijze te

verkrijgen of te gebruiken is, zonder een ingewikkelde aanvraagprocedure.

Onder collectieve voorziening wordt ingevolge het elfde lid verstaan: een voorziening die individueel wordt verstrekt maar die door meerdere personen tegelijk wordt gebruikt, in casu het collectief vraagafhankelijk vervoer.

Een individuele voorziening is ingevolge het bepaalde in het veertiende lid: een voorziening die door het college ten behoeve van één persoon op basis van artikel 4 Wmo wordt verstrekt.

Artikel 8 van de Verordening bepaalt:

1.

Bij het beoordelen welke voorzieningen getroffen gaan worden, neemt het college het verslag van het gesprek, indien aanwezig, als uitgangspunt. Het college gaat uit van de behoeften en persoonskenmerken van de belanghebbende. Daarbij zal onderzoek gedaan worden naar de noodzaak en mogelijkheid tot leveren van maatwerk ten aanzien van het te bereiken resultaat.

2.

Alle voorliggende, algemeen gebruikelijke en collectieve voorzieningen die beschikbaar en bruikbaar zijn, worden, als ze al niet tot een oplossing hebben geleid in het gesprek, of als er geen gesprek heeft plaatsgevonden, eerst beoordeeld.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Verordening bestaat het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich verplaatsen in en om de woning uit het in staat zijn de woonkamer, het slaapvertrek en/of de slaapvertrekken, het toilet en de douche, de berging, de tuin of het balkon kunnen bereiken en er zich zodanig kunnen redden dat normaal functioneren mogelijk is.

Artikel 15 van de Verordening bepaalt:

1.

Het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel bestaat uit het kunnen doen van dagelijkse boodschappen, het kunnen bezoeken van familie,

kennissen en het doen van gewenste activiteiten, alles binnen de directe woon- en

leefomgeving.

2.

Met het oog op het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel, kan een individuele

voorziening worden getroffen ten aanzien van het verplaatsen over de korte afstand rond de

woning en het verplaatsen over de langere afstand binnen de directe woon en leefomgeving.

3.

Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige en bruikbare

scootermobielpool of van collectief vraagafhankelijk vervoer van deur tot deur die in de

individuele situatie van de belanghebbende kan leiden tot het te bereiken resultaat worden

deze mogelijkheden eerst beoordeeld.

4.

Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden beschikbaar en bruikbaar zijn

worden ten aanzien van die onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Verordening bestaat het te bereiken resultaat ten aanzien van de mogelijkheid om medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale contacten aan te gaan uit het zo mogelijk kunnen afleggen van gewenste bezoeken en het deelnemen aan gewenste activiteiten.

In de Beleidsregels Wmo Terneuzen (de Beleidsregels) is in paragraaf ‘Resultaat 7: lokaal verplaatsen per vervoermiddel’ bij het ‘afwegingskader’ onder meer vermeld:

- Als het college dient te compenseren zal allereerst gekeken worden waar de

vervoersbehoefte van de aanvrager/betrokkene uit bestaat.

- Aan de hand van deze vervoersbehoefte zal het college beoordelen of deze behoefte bij

een persoon met een maximale loopafstand van 800 meter ingevuld kan worden met een

systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer. Hierbij houdt het college rekening met de

persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager/betrokkene.

- Bij personen met een loopafstand van minder dan 100 meter zal het college beoordelen

of naast een voorziening als collectief vervoer ook nog een voorziening verstrekt moet

worden voor de zeer korte afstand.

- Ook bij personen met een loopafstand van meer dan 100 meter, maar minder dan 800

meter, zal het college beoordelen of een voorziening voor de zeer korte afstand

noodzakelijk is.

4.

Voorop staat dat de intrekking van de aan eiseres toegekende individuele vervoersvoorziening (in de vorm van een scootermobiel) een voor haar belastend besluit betreft. Dit brengt met zich dat het aan het college is om de nodige kennis te vergaren over de relevante feiten en omstandigheden en dat het aan hem is om aannemelijk te maken dat die feiten en omstandigheden zo’n intrekking rechtvaardigen.

De rechtbank stelt voorts vast dat in de Verordening het systeem van een scootermobielpool het primaat heeft boven andere individuele vervoersvoorzieningen. Deze voorziening moet in het individuele geval wel aanwezig en bruikbaar zijn. Het ligt op de weg van het college om aannemelijk te maken dat deelname aan de scootermobielpool, ter vervanging van de individuele vervoersvoorziening, voor eiseres een voldoende compenserende voorziening is. Daarbij geldt dat artikel 4 van de Wmo het college, wat betreft de rechtsplicht om in elk concreet geval een voorziening te treffen die zich kwalificeert als compensatie van beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en participatie, de plicht oplegt om een resultaat te bereiken dat als compensatie mag gelden. Een dergelijk besluit dient in het individuele geval maatwerk te zijn. Onder omstandigheden kan dit ertoe leiden dat algemene keuzen die de gemeenteraad en het college ter uitvoering van de artikelen 3, 4, 5 en 6 hebben gemaakt in het concrete, individuele geval niet kunnen worden toegepast wegens strijd met de compensatieplicht.

Mede gelet op de Beleidsregels is de rechtbank van oordeel dat het college bij het onderzoek naar de feiten en omstandigheden zal dienen te betrekken welke beperkingen eiseres ondervindt, haar persoonskenmerken en de vraag hoe groot haar vervoersbehoefte is. Ook zal in kaart moeten worden gebracht in hoeverre de scootermobielpool op de wijze zoals die in het wooncomplex van eiseres is ingericht, voor haar bruikbaar is.

De rechtbank leidt uit het dossier af dat een zodanig onderzoek niet heeft plaatsgevonden. Niet duidelijk is waarop het standpunt dat de scootermobielpool voor eiseres bruikbaar en compenserend is, is gebaseerd. Het dossier bevat slechts een gedateerd indicatierapport dat ten grondslag lag aan de toekenning van de individuele voorziening. Er is kennelijk een gesprek geweest met de Wmo-consulent, maar een verslag daarvan ontbreekt.

Het college heeft ter zitting aangevoerd dat eiseres nooit te kennen heeft gegeven dat het voor haar onmogelijk is om gebruik te maken van de scootermobielpool, zodat hij geen aanleiding heeft gezien voor het doen van onderzoek. De rechtbank acht deze reden voor het achterwege laten van een onderzoek naar de feiten en omstandigheden, mede in het licht van het feit dat het hier een belastend besluit betreft, niet houdbaar. Daarbij komt dat dat de medische situatie van eiseres en de daaruit voortvloeiende beperkingen op zichzelf niet in geschil zijn. Door het achterwege laten van (ergonomisch) onderzoek is niet duidelijk of een scootermobielpool voor eiseres, gelet op haar beperkingen en vervoersbehoefte, voldoende compenserend is of dat zij blijft aangewezen op de haar eerder toegekende individuele vervoersvoorziening in de vorm van een scootermobiel.

Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Het beroep is om die reden gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

5.

Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeheten 'bestuurlijke lus'. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal het onderzoek heropenen. Het college wordt in de gelegenheid gesteld om alsnog de beperkingen van eiseres in kaart te brengen, evenals haar persoonskenmerken en vervoersbehoefte. Aan de hand daarvan zal het college moeten beoordelen of de scootermobielpool zoals die in het wooncomplex feitelijk is ingericht voldoende compenserend is. De rechtbank zal daarna beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.

6.

De rechtbank zal de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen bepalen op 6 weken. Als het college hiervan geen gebruik wil maken, dan dient het college dit binnen 2 weken aan de rechtbank mee te delen. Als het college wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen 2 weken te reageren op de herstelpoging van het college. Daarna zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting einduitspraak doen.

7.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak. Dat laatste betekent ook dat zij over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank stelt het college in de gelegenheid om het zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek in het bestreden besluit te herstellen binnen 6 weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen.

Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. J.J.M. van Lanen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Dat kan worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.