Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:2175

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
01-04-2014
Zaaknummer
02/811500-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Achtervolging politie en schietpartij te Prinsenbeek. Wapens, munitie en ruim 100 kg softdrugs in gestolen auto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/811500-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 april 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

raadsvrouw mr. M.M. Helmers, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 februari 2014, waarbij de officier van justitie, mr. Koolen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is nader omschreven overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat

1.

hij op of omstreeks 19 juli 2011 te Prinsenbeek en/of Breda en/of Papendrecht, althans in de provincie Zuid-Holland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten:

  • -

    een vuurwapen, (merk Glock) en/of

  • -

    een vuurwapen (merk Zastava) en/of

  • -

    een gas-/alarmpistool (Valtro, type OSS 117) en/of

munitie van categorie III, te weten

  • -

    2 patronen (GFL 9mm KNALL) en/of

  • -

    42 patronen (Sellier & Bellot, type 9 mm PARA) en/of

  • -

    19 patronen (GFL 9mm LUGER), althans een hoeveelheid patronen, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Art. 26 jo art. 55 Wet wapens en munitie

2.

hij op of omstreeks 19 juli 2011 te Prinsenbeek en/of Breda en/of Papendrecht, althans in de provincie Zuid Holland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 100 kilo hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Art. 3 jo art.11 Opiumwet

3.

hij in of omstreeks de periode van 27 mei 2011 tot en met 19 juli 2011 te Papendrecht en/of te Amsterdam en/of te Almere, in elk geval in Nederland een motorvoertuig, te weten een Volkswagen Transporter (kleur grijs; VIN: wv2zzz7hz8h056011) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemd motorvoertuig wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Art. 416 / 417bis WvSr

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van wapens en munitie (feit 1), het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 100 kilogram hennep (feit 2) en de heling van de Volkswagen Transporter (hierna: de VW) (feit 3).

De officier van justitie acht bewezen dat verachte aanwezig is geweest bij de diefstal c.q. de roof van de hennepplanten en daaraan zijn bijdrage heeft geleverd. Daarmee heeft het hele gezelschap de geoogste hennepplanten gezamenlijk onder hun beschikking gekregen, waarna de hoeveelheid werd vervoerd richting Breda.

Ten aanzien van het voorhanden hebben van de wapens en munitie geldt dat het DNA op de Glock erop wijst dat verdachte dat wapen in zijn handen heeft gehad. Verdachte geeft dat zelf ook wel toe, zij het op een ongeloofwaardige wijze met name ten aanzien van plaats en tijdstip.

Gelet op de aanwezigheid van het politie-uniform en -holster en zijn rol bij de henneproof als politieagent, gelet op de georganiseerdheid en de kennelijke voorbereiding van de roof, acht de officier van justitie het voorhanden hebben van de wapens en munitie wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van de heling is van belang dat er DNA van verdachte op het stuur van de VW is aangetroffen, dat verdachte verklaard heeft wel eens in de VW te hebben gereden, en de omstandigheid dat verdachte zich zonder zich van de nodige autopapieren te voorzien in de VW heeft gereden, terwijl hij gelet op de manipulatie aan het contactslot had moeten merken dat het niet pluis was. Dit levert naar de mening van de officier van justitie minimaal voorwaardelijk opzet op. Naar zijn mening kan de opzetheling wettig en overtuigend worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de 3 tenlastegelegde feiten kan komen en wijst daarbij op het volgende.

Ten aanzien van feit 1 stelt de verdediging dat er geen enkele bewijsmiddel is dat verdachte de wapens en munitie voorhanden heeft gehad. De DNA-sporen op de kast van het Glock-pistool en het handvat van de Toyota-tas hebben geen wetenschappelijke bewijswaarde. Vast is komen te staan dat verdachte niet op 19 juli 2011 in de VW heeft gezeten. Dit is ook van belang voor feit 2, de in de VW aangetroffen hennep. Alleen de verklaring van de getuige [getuige 1] zou kunnen duiden op betrokkenheid van verdachte bij een mogelijke henneproof. Er is echter geen DNA van verdachte aangetroffen op de henneptassen of in de werkhandschoenen die de verklaring van [getuige 1] zou kunnen ondersteunen. De raadsvrouw wijst voorts ten aanzien van feit 2 op de verklaring van verdachte die zij bestempelt als plausibel.

Wat feit 3 betreft staat vast dat de VW op 7 juli 2011 is gestolen. Hoe de mannen die in de VW zaten aan deze VW zijn gekomen, blijft onduidelijk. Verdachte kan aan de VW gelinkt worden, maar uit de omstandigheden die hem aan de VW linken (handpalmafdruk, DNA, jas en sleutelbos, eigen verklaring) kan niet volgen dat verdachte de VW heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en dat hij daarbij de wetenschap had dan wel redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de VW van diefstal afkomstig was.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feiten 1 en 2

Aanleiding onderzoek en vaststaande feiten

Op dinsdag 19 juli 2011 heeft er een achtervolging plaatsgevonden tussen een dienstvoertuig van de politie en een VW op de autosnelweg A16. Bij afrit 17 richting Breda-Noord/Prinsenbeek verliet de VW de A16 en reed verder richting Prinsenbeek, gemeente Breda. Op enig moment werden er door de achterruit van de VW schoten gelost. De dreigende situatie vormde voor de verbalisanten reden om te stoppen om vervolgens de achtervolging op grotere/veiligere afstand voort te zetten. Uiteindelijk hebben de verbalisanten de achtervolging vanwege hun eigen veiligheid moeten staken en is de VW uit het zicht geraakt.

Korte tijd later werd de VW verlaten teruggevonden in het Gentiaanblauwtje in de wijk Westerpark in Breda.1 Op de vluchtroute van de uit de VW gevluchte personen, waarover door meerdere getuigen is verklaard, werden op de bodem van een vuilniscontainer, die stond aan de openbare weg ter hoogte van perceel Groentje 17, twee vuurwapens aangetroffen.2 Het betrof een revolver, merk Zastava, en een pistool, merk Glock. Het pistool was doorgeladen en er zat één patroon in de kamer. In de cilinder van de revolver zaten zes stuks afgevuurde munitie (lege hulzen).3 De Zastava revolver is microscopisch onderzocht op de aanwezigheid van glasdeeltjes, waarbij 9 van dergelijke deeltjes werden aangetroffen. In de verpakking waarin het vuurwapen was aangeleverd, werden nog 8 glasdeeltjes aangetroffen.4

Van de in totaal 17 glasdeeltjes werden er 13 willekeurig geselecteerd om te worden vergeleken met het glas van de achterruit van de VW.

De conclusie van het onderzoek luidt dat voor ten minste 6 van de 13 onderzochte glasdeeltjes vanaf de revolver en vanaf het verpakkingsmateriaal geldt, dat de resultaten van het glasvergelijkend onderzoek veel waarschijnlijker zijn wanneer deze deeltjes afkomstig zijn van de doorschoten achterruit waartoe het referentieglas heeft behoord, dan wanneer ze afkomstig zijn van een willekeurige andere ruit of glazen voorwerp.5

Tijdens een nader sporenonderzoek in de VW zijn in de laadruimte onder meer acht zwartkleurige tassen gevuld met hennepplanten aangetroffen.6 De hennepplanten hadden een bruto totaal gewicht van ongeveer 102 kilogram. Het betroffen planten die kennelijk kort boven de grond en op een grove wijze waren afgeknipt. Tussen die planten bevonden zich namelijk delen van plastic slangetjes, waarvan bekend is dat deze worden gebruikt om de planten in hennepkwekerijen te bevloeien/bevochtigen. De planten waren nog vers en vochtig, de afgeknipte uiteinden van de stelen waren nog niet ingedroogd en de henneptoppen in die planten voelden kleverig aan.

Verder werden in de laadruimte onder andere de volgende goederen aangetroffen7:

  • -

    Twee portofoons;

  • -

    Een reistas (Toyota) met daarin een plastic zak met munitie;

  • -

    Tiewraps, die per paar op een dusdanige manier aan elkaar waren gemaakt dat ze gebruiksklaar waren om personen op een snelle manier te kunnen boeien aan handen en/of voeten;

  • -

    Een politie uniformjas met een insigne van de Regiopolitie Flevoland en in de jaszakken werkhandschoenen;

  • -

    Een politieholster met daaraan een KLPD pistoolholster;

  • -

    Drie paar en vier losse werkhandschoenen. Deze handschoenen welke in de politiejas en op de vloer van de laadruimte van het voertuig werden aangetroffen, bleken allen vochtig. Ze waren besmeurd met hennepplantresten en voelden kleverig aan. Deze handschoenen roken sterk naar de geur van hennep;

  • -

    Een gaspistool (Valtro, type OSS 117);

  • -

    Drie heggenscharen.

Tussenconclusie rechtbank

Aan de hand van de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden gaat de rechtbank er evenals de officier van justitie van uit dat er op 19 juli 2011 sprake is geweest van een gewelddadige beroving van een hennepkwekerij, oftewel een ripdeal. In dat verband neemt de rechtbank ook in aanmerking de verklaring van verdachte, nu deze heeft verklaard dat hij weet dat de aangehouden verdachten ergens geknipt hebben en naar Breda zouden gaan om dingen te doen.8

Betrokkenheid verdachte

In eerste instantie is verdachte door het Openbaar Ministerie aangemerkt als één van de verdachten die in de VW heeft gezeten en zich schuldig zou hebben gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag dan wel een bedreiging van de verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Verdachte is in beeld gekomen door dactyloscopische sporen op de buitenzijde van de VW.9 De dienst IPOL, afdeling dactyloscopie te Zoetermeer heeft geconcludeerd dat deze vingerafdrukken toebehoren aan verdachte.10

Op de hendel van de richtingaanwijzer is een DNA-spoor veiliggesteld, dat herleid kon worden naar verdachte.11 Het NFI heeft geconcludeerd dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard.12 De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat dit DNA-spoor te linken is aan verdachte.

Ten slotte is de blauwkleurige Armani jas met daarin een sleutelbos met daaraan onder meer een sleutel van een door verdachte gebruikte Volkswagen Golf in de laadruimte van de VW-bus aangetroffen.1314

Gelet op telecomgegevens van 19 juli 2011, waaruit blijkt dat de momenten waarop de mobiele telefoon van verdachte is gebruikt niet te verenigen zijn met een verblijf van verdachte tussen 14.30 uur en 15.00 uur in (de buurt van) Breda, heeft het Openbaar Ministerie beslist tot het niet verder vervolgen van verdachte terzake het medeplegen van een poging doodslag door te schieten op de achtervolgende verbalisanten.

Hoewel niet kan worden vastgesteld dat verdachte tijdens de vlucht in de VW heeft gezeten, kan naar het oordeel van de rechtbank wel genoegzaam uit het dossier worden afgeleid dat verdachte betrokken is geweest bij datgene wat aan de vlucht en het schietincident vooraf is gegaan, te weten een ripdeal. Hiertoe wordt als volgt overwogen. Verdachte is aan de hand van verschillende goederen en sporen in de VW te plaatsen. Verdachte heeft ook bekend dat hij wel eens in de VW heeft gezeten15, maar geeft aan dat dit op een andere dag is geweest dan op 19 juli 2011.

Uit telecomgegevens blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1], dat in gebruik was bij verdachte, om 15.22 uur vanuit Amsterdam ruim 3 minuten contact heeft gehad met het nummer [telefoonnummer 2] dat in gebruik was bij medeverdachte [medeverdachte] die zich op dat moment in Breda bevond.16 Om 15.27 uur heeft [medeverdachte] met dat laatste nummer vanuit Breda ruim 2 minuten met verdachte gebeld. Opvallend is voorts dat het toestel van verdachte juist op 19 juli 2011 vanaf 22.10 uur naar het zuiden is afgereisd om vervolgens van 22.57 uur tot 00.24 uur onder de dekking te vallen van zendmasten in Breda die uitgerekend de buurt van het Gentiaanblauwtje en de Weigeliastraat bedienen.17 Verdachte heeft hier geen verklaring voor willen geven.

Zoals reeds eerder overwogen, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat er voorafgaand aan de vlucht voor de politie een ripdeal heeft plaatsgevonden. In de bus bevonden zich namelijk – naast de hennepplanten – vuurwapens en munitie, tiewraps die waren geprepareerd als handboeien, een politie-uniformjas, politiekoppel met holster en portofoons.

Daarbij is opmerkelijk dat verdachte bij zijn aanhouding op 8 september 2011 gekleed was in een politie-uniform18 en waarover hij een naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardige verklaring heeft afgelegd: aanvankelijk gaf verdachte nog als uitleg dat dit zijn tenue was voor zijn werk als beveiliger, terwijl hij later verklaarde hij dat het een uniform van een stripclub was.

Voorts acht de rechtbank van betekenis dat verdachte zijn Armani jas met daarin zijn sleutels waaronder een autosleutel in de VW had achtergelaten. De rechtbank gaat er van uit dat verdachte, gelet op de aanwezigheid van die sleutels, zijn jas kort voor de schietpartij in de VW moet hebben achtergelaten. Bovendien heeft verdachte verklaard dat hij op 19 juli 2011 werd gebeld door medeverdachte [medeverdachte], die vertelde wat er in Breda gebeurd was en die hem ook vertelde dat ze zijn jas en sleutels in de VW hadden achtergelaten.19

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat een zekere “Appie” het busje gebruikte en dat hij een paar dagen vóór 19 juli 2011 met die “Appie” weliswaar in die bus heeft gezeten, maar zeker niet had gereden, ongeloofwaardig. Dit gelet op de onvindbaarheid van deze “Appie” en daarmee de oncontroleerbaarheid van het verhaal van verdachte, de omstandigheid dat verdachte later op deze verklaring is teruggekomen en verklaard heeft dat hij in de bus heeft gereden maar zeker niet als laatste20, en het feit dat zijn jas met daarin een sleutelbos waaronder een autosleutel van een door verdachte gebruikte auto op 19 juli 2011 in de VW is aangetroffen.

Voorts overweegt de rechtbank dat de betrokkenheid van verdachte bij de ripdeal wordt gesteund door de voor hem belastende verklaring van de getuige [getuige 1].21 Zij heeft immers verklaard dat verdachte tijdens de ripdeal gekleed was in een politie-uniform, dat de bij de ripdeal betrokken verdachten de bij de hennepkwekerij aangetroffen vader en zoon hadden geboeid met tiewraps en dat verdachte bij de vader en zoon is achtergebleven, terwijl de hennep door anderen werd geknipt.

Alles afwegende kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte, voorafgaand aan de vlucht van zijn mededaders voor de politie, betrokken is geweest bij de ripdeal, en daarbij gelet op het politie-uniform ook een rol heeft gespeeld. Derhalve acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een overtreding van artikel 3 onder C van de Opiumwet. Anders dan bij zijn medeverdachten acht de rechtbank het vervoer van de hennep niet bewezen, nu niet vastgesteld is kunnen worden dat verdachte gedurende de rit naar Breda in de VW heeft gezeten.

Gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en door de rechtbank getrokken conclusies, houdt de rechtbank verdachte tevens verantwoordelijk voor hetgeen in de laadruimte van de VW (een gas-/alarmpistool merk Valtro, 63 patronen) en in de vuilcontainer (een pistool merk Glock en een revolver merk Zastava) is aangetroffen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte – voor zover hij al niet geweten heeft dat er bij de ripdeal wapens zijn gebruikt en hij daarmee opzet heeft gehad – op zijn minst willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat er wapens in het spel zouden zijn.

De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat er bij ripdeals doorgaans wapens worden gebruikt of in ieder geval voorhanden zijn.

Derhalve acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Wet wapens en munitie.

Feit 3

Onder 3 wordt verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de opzet- dan wel schuldheling van de VW. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier voldoende blijkt dat de VW is gestolen en dat verdachte op enig moment in deze VW heeft gereden en deze heeft bestuurd, gelet op het op de stuurhendels aangetroffen DNA dat aan verdachte te linken is. De rechtbank is uit het dossier echter niet voldoende gebleken dat iedere gebruiker van de VW, gelet op de manipulatie aan het contactslot, had kunnen en moeten merken dat er iets niet in de haak was, zoals door de officier van justitie wordt gesteld.

Gelet hierop zal de rechtbank verdachte vrijspreken van feit 3.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op of omstreeks 19 juli 2011 te Prinsenbeek en/of Breda en/of Papendrecht, althans in de provincie Zuid-Holland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten:

  • -

    een vuurwapen, (merk Glock) en/of

  • -

    een vuurwapen (merk Zastava) en/of

  • -

    een gas-/alarmpistool (Valtro, type OSS 117) en/of

munitie van categorie III, te weten

  • -

    2 patronen (GFL 9mm KNALL) en/of

  • -

    42 patronen (Sellier & Bellot, type 9 mm PARA) en/of

  • -

    19 patronen (GFL 9mm LUGER), althans een hoeveelheid patronen, voorhanden heeft gehad.

2.

hij op of omstreeks 19 juli 2011 te Prinsenbeek en/of Breda en/of Papendrecht, althans in de provincie Zuid Holland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 100 kilo hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II. dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van

12 maanden met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de persoonlijke omstandigheden van verdachte geschetst en de rechtbank verzocht hiermee in de strafmaat rekening te houden. Verder verzoekt de verdediging de rechtbank om bij de strafmaat rekening te houden met een overschrijding van de redelijke termijn van 5 maanden. Voor zover de rechtbank komt tot wettig en overtuigend bewijs voor de feiten 2 en 3 verzoekt de verdediging verdachte een gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich op 19 juli 2011 samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 100 kilogram hennep en een overtreding van de Wet wapens en munitie.

De oriëntatiepunten van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren (het LOVS) geven alleen al voor het aanwezig hebben van het pistool en de revolver als richtlijn een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van in totaal 6 maanden. De rechtbank ziet geen reden om van deze oriëntatiepunten af te wijken.

In de lokale oriëntatiepunten zijn daarnaast uitgangspunten voor straftoemeting opgenomen voor het opzettelijk aanwezig hebben van hennep. Bij een hoeveelheid van 50 tot 100 kilogram worden doorgaans gevangenisstraffen opgelegd van 6 tot 8 maanden en bij hoeveelheden boven de 100 kilogram gevangenisstraffen van 8 maanden tot maximaal 6 jaar, afhankelijk van de exacte hoeveelheid. De rechtbank gaat in dit geval uit van een gevangenisstraf van 6 maanden, nu verdachte de hennep in tegenstelling tot zijn mededaders niet heeft vervoerd.

Anders dan de verdediging is de rechtbank dan ook van oordeel dat de tot op heden door verdachte ondergane voorlopige hechtenis geen recht doet aan de ernst van de feiten.

Hoewel de officier van justitie heeft gerequireerd tot een bewezenverklaring van alle feiten, en de rechtbank verdachte vrijspreekt van feit 3, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde straf voldoende recht doet aan de feiten. Hetgeen verdachte onder 3 feit werd verweten, legt naar het oordeel van de rechtbank immers veruit het minste gewicht in de schaal.

Rekening houdend met de ernst van de feiten en het strafblad van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn met een periode van ongeveer 5 maanden. Bij wijze van compensatie zal de rechtbank 2 weken in mindering brengen op genoemde gevangenisstraf. Dit leidt ertoe dat de rechtbank aan verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 50 weken, met aftrek van voorarrest.

7 De benadeelde partijen

De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vorderen ieder een schadevergoeding van € 733,-. Het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan, staat niet langer op de tenlastelegging van verdachte, die is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.

8 Het beslag

8.1

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8.2

De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat deze voorwerpen bij het onderzoek naar de tenlastegelegde feiten zijn aangetroffen, terwijl deze voorwerpen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. Bovendien zijn deze voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 36d, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26, 55, 56 en 60 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 3, 11, 13 en 14 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 3 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een wapen van categorie III, meermalen gepleegd, en munitie van categorie III;

feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 50 weken;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 371792, 371797 en 371799;

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 371841, 371843, 371856, 371858 en 371859;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat die vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht;

- veroordeelt voornoemde benadeelde partijen in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil. (BP.15)

Dit vonnis is gewezen door mr. Bakx, voorzitter, mr. Veldhuizen en mr. Dekker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Korsten, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op

1 april 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld zaaksdossier 1 van het eindproces-verbaal met dossiernummer 20110927.1542.2227 van het Korps Landelijke Politiediensten, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (niet doorgenummerd, maar onderscheiden in zaaksdossiers en bijlagen). Het proces-verbaal van bevindingen, bijlage 23, pagina’s 177 en 178 van voornoemd eindproces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier 1B, bijlage 16, pagina 101 van voornoemd eindproces-verbaal.

3 Het proces-verbaal omschrijving pistool en revolver, zaaksdossier 1B, bijlage 18, pagina’s 106 en 107 van voornoemd eindproces-verbaal.

4 Het deskundigenverslag van het NFI van 30 augustus 2011, bijlage 47, pagina 295 van voornoemd eindproces-verbaal.

5 Het deskundigenverslag van het NFI, inhoudende het vergelijkend glasonderzoek van 10 oktober 2011, bijlage 48, pagina’s 298, 300 en 301 van voornoemd eindproces-verbaal.

6 Het proces-verbaal sporenonderzoek, bijlage 39, pagina 246 van voornoemd eindproces-verbaal.

7 Het proces-verbaal sporenonderzoek, bijlage 39, pagina 242 tot en met 249 van voornoemd eindproces-verbaal.

8 Het proces-verbaal van bevindingen n.a.v. het 5e verhoor van verdachte [verdachte], bijlage 128, pagina 326 van voornoemd eindproces-verbaal.

9 Het proces-verbaal identificatie van dactyloscopische sporen, bijlage 40, pagina 251 van voornoemd eindproces-verbaal.

10 Het deskundigenverslag van de dienst IPOL afdeling dactyloscopie te Zoetermeer van 16 augustus 2011, bijlage 40, pagina 255 van voornoemd eindproces-verbaal.

11 Het proces-verbaal sporenonderzoek, bijlage 39, pagina 242 van voornoemd eindproces-verbaal.

12 Het deskundigenverslag van het NFI, inhoudende het onderzoek naar biologische sporen van 2 september 2011, bijlage 51, pagina 331 van voornoemd eindproces-verbaal.

13 Het proces-verbaal sporenonderzoek, bijlage 39, pagina 243 van voornoemd eindproces-verbaal.

14 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], bijlage 102, pagina 242 van voornoemd eindproces-verbaal.

15 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], bijlage 102, pagina’s 241 en 242 van voornoemd eindproces-verbaal.

16 Het proces-verbaal van bevindingen, bijlage 99, pagina’s 212 en 214 van voornoemd eindproces-verbaal.

17 Het proces-verbaal van bevindingen, bijlage 135, pagina’s 341 en 342 van voornoemd eindproces-verbaal.

18 Het proces-verbaal van relaas, pagina 48 van voornoemd eindproces-verbaal.

19 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], bijlage 127, pagina 321 van voornoemd eindproces-verbaal.

20 Het proces-verbaal van bevindingen tijdens het 5e verhoor, bijlage 128, pagina 324 van voornoemd eindproces-verbaal.

21 Het proces-verbaal van bevindingen aangaande de getuige [getuige 1], bijlage 32 van de 3e aanvulling, pagina 334 van voornoemd eindproces-verbaal.