Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:2174

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
01-04-2014
Zaaknummer
02/811464-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:2685, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Achtervolging politie en schietpartij te Prinsenbeek. Wapens, munitie en ruim 100 kg softdrugs in gestolen auto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/811464-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 april 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op[geboortedatum] te[geboorteplaats]

wonende te[adres]

uit anderen hoofde gedetineerd in PI Noord Holland Noord, Zuyder Bos

raadsman mr. J.M. Keizer, advocaat te Amsterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 februari 2014, waarbij de officier van justitie, mr. Koolen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is nader omschreven overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat

1.

hij op of omstreeks 19 juli 2011 te Prinsenbeek, gemeente Breda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk de opsporingsambtena(a)r(en) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], van het leven te beroven, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) reed/reden in een Volkswagenbusje (VW Transporter) en (op korte afstand) achtervolgd werd/werden door die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], met dat opzet vanuit dat Volkswagenbusje met een of meer vuurwapens een of meerdere schoten heeft afgevuurd op en/of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of het dienstvoertuig waarin die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Art. 287 jo art. 45 WvSr

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 juli 2011 te Prinsenbeek, gemeente Breda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, de opsporingsambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) terwijl hij/zij reed/reden in een Volkswagenbusje en terwijl hij/zij (op korte afstand) werd(en) achtervolgd door die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2], opzettelijk dreigend vanuit dat Volkswagenbusje met een of meer vuurwapens door de achterruit heen een of meerdere schoten afgevuurd op en/of in de richting van het politievoertuig waarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich bevonden, althans hoorbaar en zichtbaar voor die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2];

Art. 285 WvSr

2.

hij op of omstreeks 19 juli 2011 te Prinsenbeek en/of Breda en/of Papendrecht, althans in de provincie Zuid-Holland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten:

  • -

    een vuurwapen, (merk Glock) en/of

  • -

    een vuurwapen (merk Zastava) en/of

  • -

    een gas-/alarmpistool (Valtro, type OSS 117) en/of

munitie van categorie III, te weten

  • -

    2 patronen (GFL 9mm KNALL) en/of

  • -

    42 patronen (Sellier & Bellot, type 9 mm PARA) en/of

  • -

    19 patronen (GFL 9mm LUGER), althans een hoeveelheid patronen, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Art. 26 jo art. 55 Wet wapens en munitie

3.

hij op of omstreeks 19 juli 2011 te Prinsenbeek en/of Breda en/of Papendrecht, althans in de provincie Zuid Holland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 100 kilo hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Art. 3 jo 11 Opiumwet

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag op de verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], de onder 2 tenlastegelegde overtreding van de Wet Wapens en munitie en het onder 3 tenlastegelegde vervoer van ongeveer 100 kilogram hennep wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van alle feiten dient allereerst vastgesteld te worden welke personen er op 19 juli 2011 in de Volkswagen Transporter (hierna: de VW) hebben gezeten van waaruit op de politie geschoten is. Dat dit onder andere verdachte is geweest, leidt de officier van justitie onder meer af uit DNA-sporen van verdachte op in de laadruimte aangetroffen sigarettenpeuken en op werkhandschoenen, die vochtig waren, kleverig aanvoelden en besmeurd waren met hennepplantresten. Ook zijn er dactyloscopische sporen van verdachte aangetroffen op de buitenzijde van de VW. Na de schietpartij hebben getuigen op de mogelijke vluchtroute vier mannen gezien, waarvan het signalement overeenkomt met de uiterlijke kenmerken van verdachte. In de buurt van de plek waar de verdachten voor het laatst zijn gezien, zijn in een woning DNA-sporen op sigarettenpeuken aangetroffen die aan onder meer verdachte te linken zijn. De genoemde bewijsmiddelen worden ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige], die heeft verklaard over een ripdeal, een vlucht voor de politie en een schietpartij, waarbij onder meer verdachte betrokken zou zijn geweest.

Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het feit tegen de achtergrond van de omstandigheden van deze zaak, te weten het eerst koste wat kost proberen te ontkomen aan de politie door middel van volstrekt onverantwoord rijgedrag waarbij medeweggebruikers in gevaar zijn gebracht, en vervolgens het gebruiken van vuurwapens met de kennelijke bedoeling om de achtervolgende politieambtenaren uit te schakelen, in combinatie met de de auditu verklaring van [getuige], is volgens de officier van justitie af te leiden dat er een intentie bestond om de politieambtenaren te raken en ze daarmee uit te schakelen in de achtervolging.

Dat de verbalisanten niet zijn geraakt, is meer geluk dan wijsheid of wellicht te wijten aan het bochtige weggedeelte komende vanaf de rotonde en het heen en weer geschud van het busje waardoor het richten werd bemoeilijkt. Het feit dient volgens de officier van justitie dan ook te worden gekwalificeerd als het medeplegen van een poging tot het opzettelijk van het leven beroven van de politieambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], waarmee feit 1 primair wettig en overtuigend kan worden bewezen.

In de VW zijn tassen met vers geknipte hennep aangetroffen met een totaalgewicht van ongeveer 100 kilogram. Tevens zijn in de VW en/of in een vuilcontainer op de vluchtroute wapens en munitie aangetroffen. Nu volgens de officier van justitie kan worden vastgesteld dat de verdachten in de laadruimte van de VW hebben gezeten waar genoemde voorwerpen van afkomstig zijn, acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van wapens en munitie (feit 2) en het medeplegen van het vervoer van ongeveer 100 kilogram hennep
(feit 3).

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de zaak in essentie kan worden teruggebracht tot twee simpele vragen: is er bewijs dat verdachte ten tijde van het schieten in de VW zat en kan verdachte om die reden als medepleger worden aangemerkt. De verdediging meent dat beide vragen ontkennend dienen te worden beantwoord waardoor een integrale vrijspraak dient te volgen. De door de getuigen [getuige], [getuige 2] en [getuige 2] afgelegde verklaringen zijn onbetrouwbaar, nu zij hun eigen rol, dan wel die van hun partner, marginaliseren en voorts onduidelijk is wat de bron is van hun informatie en of die bron betrouwbaar is. Daarnaast zijn er in of op de VW zelf geen dactyloscopische of forensische sporen van verdachte aangetroffen, noch op de wapens of de munitie. De DNA-sporen op de werkhandschoenen en peuken in de VW zeggen volgens de verdediging niets over de aanwezigheid van verdachte in de VW op die specifieke dag, nu dit verplaatsbare voorwerpen zijn. Bovendien heeft verdachte een aannemelijke verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA op deze voorwerpen, namelijk een verhuizing waarbij deze VW is gebruikt. Niet kan worden vastgesteld op welk moment de handschoenen en peuken in de VW zijn achtergelaten. Mocht de rechtbank vaststellen dat verdachte in de VW heeft gezeten ten tijde van het schieten op de politie, dan kan niet worden bewezen dat verdachte geschoten heeft. Onder verwijzing naar het Nijmeegse scooterarrest kan bovendien niet de conclusie worden getrokken dat verdachte strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het feit dat een medeverdachte besluit om te gaan schieten, waardoor een bewezenverklaring van het medeplegen niet mogelijk is. Indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat verdachte wel als medepleger kan worden aangemerkt, dan volgens de verdediging in ieder geval niet voor feit 1 primair, de poging tot doodslag. Voor een poging tot doodslag is immers vereist het opzet om te doden, al dan niet in voorwaardelijke vorm. Nu uit het forensisch onderzoek niet is gebleken dat er gericht op het politievoertuig is geschoten, moet worden aangenomen dat de schutter hoogstwaarschijnlijk in de lucht heeft geschoten met als doel om aan de politie te kunnen ontkomen. Dit sluit uit dat de schutter op de koop toe heeft genomen dat de politieagenten (of omstanders) door zijn handelen zouden komen te overlijden. Wel kan dit handelen, naar de mening van de verdediging, als een bedreiging worden opgevat.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Aanleiding onderzoek en vaststaande feiten

Op dinsdag 19 juli 2011 reden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], beiden hoofdagent van politie en werkzaam bij de Dienst Verkeerspolitie van het KLPD, in uniform gekleed en met surveillance belast in een als zodanig herkenbaar dienstvoertuig op de autosnelweg A16.

[slachtoffer 1] fungeerde als bestuurder en [slachtoffer 2] als bijrijder. Rond 14.30 uur reed er ter hoogte van Zwijndrecht in de richting van Breda een VW die als gestolen gesignaleerd stond.1 [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wilden de VW laten stoppen teneinde deze te controleren. Tijdens het inhalen van de VW zagen de verbalisanten dat de achter- en zijruiten van de VW geblindeerd waren. Zij konden in de VW alleen de bestuurder zien zitten. Terwijl het er aanvankelijk op leek dat de bestuurder van de VW de politieauto op de afrit 18 zou volgen en zich zou laten controleren, ging de VW er ineens vandoor. Hierop werd de achtervolging ingezet, met gebruikmaking van optische- en geluidssignalen. De snelheid liep op tot 180 kilometer per uur, daar waar 100 kilometer per uur was toegestaan. De onderlinge afstand tussen de voertuigen bedroeg toen ongeveer 50 meter en deze afstand bleef nagenoeg gelijk.

Bij afrit 17 richting Breda-Noord/Prinsenbeek verliet de VW de A16 en reed verder richting Prinsenbeek, gemeente Breda. Voor het rode verkeerslicht stond een witte bestelauto stil.

De VW reed door de rechterberm langs die auto, raakte daarbij met de rechterzijkant een hectometerpaal en negeerde vervolgens het rode verkeerslicht. In de bocht naar links van de Backer en Ruebweg te Prinsenbeek reed de VW tegen het verkeer in met een snelheid van 80 tot 100 kilometer per uur.

Vanaf de rotonde in die weg naderde tegemoetkomend verkeer. De VW ontweek die voertuigen door links in de grasberm te gaan rijden. Via het gras en het voetpad reed de VW vervolgens de rotonde op. De VW nam de derde afslag rechtsaf de Beeksestraat in, gevolgd door de politieauto. De afstand tussen beide voertuigen bedroeg op dat moment ongeveer 15 tot 20 meter en de snelheid bedroeg ongeveer 35 tot 40 kilometer per uur.2

Op dat moment zag [slachtoffer 1] aan de linkerzijde van de VW plotseling glas wegvliegen. Hij kon niet zien waar vandaan. Direct hierna hoorde hij twee harde knallen.3 In een aanvullende verklaring heeft [slachtoffer 1] aangegeven dat de hij de gaten niet heeft zien ontstaan, maar dat hij deze later wel gezien heeft, te weten links en ongeveer in het midden onderaan de achterruit.4 [slachtoffer 1] hoorde [slachtoffer 2] roepen: “Ze schieten!”, of woorden van gelijke strekking. [slachtoffer 1] voelde angst en was bang dat hij en/of [slachtoffer 2] geraakt zouden worden.

[slachtoffer 2] heeft met betrekking tot deze situatie verklaard dat hij drie knallen hoorde uit de richting van de VW, gelijkend op schoten uit een vuurwapen.5 Gelijktijdig zag hij meerdere gaten links en rechts in de achterruit van die auto verschijnen en zag hij een soort wolk in die VW die hij herkende van de schietbaan. Volgens [slachtoffer 2] viel het eerste gat links aan de onderzijde van de achterruit van de VW en het tweede gat ook aan de onderzijde van die ruit, maar dan ongeveer in het midden.6 De VW reed op dat moment recht voor hen.

[slachtoffer 2] voelde zich op dat moment zeer ernstig bedreigd en vreesde voor zijn leven en/of dat van zijn collega [slachtoffer 1].

De dreigende situatie was voor de verbalisanten reden om te stoppen om vervolgens de achtervolging op grotere/veiligere afstand voort te zetten. Uiteindelijk hebben de verbalisanten de achtervolging vanwege hun eigen veiligheid moeten staken en is de VW uit het zicht geraakt.

In de directe omgeving van de Beeksestraat te Prinsenbeek werd zo snel mogelijk na het hierboven omschreven incident een buurtonderzoek uitgevoerd. Getuigen7 (waarvan een aantal ook een deel van de achtervolging tussen de VW en de politieauto heeft gezien) hebben verklaard dat zij knallen hebben gehoord, variërend van 2 tot 7 in aantal.

Korte tijd later werd de VW verlaten teruggevonden in het Gentiaanblauwtje in de wijk Westerpark in Breda.8 Uit een eerste sporenonderzoek9 bleek dat er in de achterruit aan de onderzijde twee gaten zaten. Tijdens het tweede sporenonderzoek10, een dag later, werd vastgesteld dat er aan de rechter onderzijde van de achterruit, ongeveer 20 centimeter rechts van het midden, een gat zat van ongeveer 5 centimeter. Aan de uiterste linker onderzijde zat een gat van ongeveer 20 centimeter.

Toen de dienstdoende verbalisanten de VW aantroffen, werden zij aangesproken door een buurtbewoner die aangaf dat hij vier donkere mannen uit die desbetreffende VW had zien komen11 en dat hij hen had zien lopen richting Groentje en Eikepage. Op dat moment berichtte de meldkamer dat er vier donkere mannen waren gezien bij de basisschool aan de Wegedoornpage. Meerdere getuigen hebben rond dat moment vier negroïde personen gezien die zich opvallend gedroegen en die vanuit het Gentiaanblauwtje via het Groentje naar de Eikepage liepen.12

Op deze route werden op de bodem van een vuilniscontainer, die stond aan de openbare weg ter hoogte van perceel Groentje 17, twee vuurwapens aangetroffen.13 Het betrof een revolver, merk Zastava, en een pistool, merk Glock. Het pistool was doorgeladen en er zat één patroon in de kamer. In de cilinder van de revolver zaten zes stuks afgevuurde munitie (lege hulzen).14 De Zastava revolver is microscopisch onderzocht op de aanwezigheid van glasdeeltjes, waarbij 9 van dergelijke deeltjes werden aangetroffen. In de verpakking waarin het vuurwapen was aangeleverd, werden nog 8 glasdeeltjes aangetroffen.15

Van de in totaal 17 glasdeeltjes werden er 13 willekeurig geselecteerd om te worden vergeleken met het glas van de achterruit van de VW.

De conclusie van het onderzoek luidt dat voor ten minste 6 van de 13 onderzochte glasdeeltjes vanaf de revolver en vanaf het verpakkingsmateriaal geldt, dat de resultaten van het glasvergelijkend onderzoek veel waarschijnlijker zijn wanneer deze deeltjes afkomstig zijn van de doorschoten achterruit waartoe het referentieglas heeft behoord, dan wanneer ze afkomstig zijn van een willekeurige andere ruit of glazen voorwerp.16

Om vast te stellen vanaf welke afstand door de achterruit van de VW was geschoten, werd een reconstructie gehouden. Uit de schietproeven kwam naar voren dat er vanaf een afstand van ongeveer één meter tot nabij de ruit doorschotopeningen ontstonden, ongeveer ter grootte van de diameter van de verschoten projectielen.17 Indien er van zeer nabij de ruit tot en met vrijwel tegen de ruit werd geschoten, ontstonden doorschotopeningen passend bij de beschadigingen welke werden aangetroffen bij de VW.

Tijdens een nader sporenonderzoek in de VW zijn in de laadruimte onder meer acht zwartkleurige tassen gevuld met hennepplanten aangetroffen.18 De hennepplanten hadden een bruto totaal gewicht van ongeveer 102 kilogram. Het betroffen planten die kennelijk kort boven de grond en op een grove wijze waren afgeknipt. Tussen die planten bevonden zich namelijk delen van plastic slangetjes, waarvan bekend is dat deze worden gebruikt om de planten in hennepkwekerijen te bevloeien/bevochtigen. De planten waren nog vers en vochtig, de afgeknipte uiteinden van de stelen waren nog niet ingedroogd en de henneptoppen in die planten voelden kleverig aan.

Verder werden in de laadruimte onder andere de volgende goederen aangetroffen19:

  • -

    Twee portofoons;

  • -

    Een reistas (Toyota) met daarin een plastic zak met munitie;

  • -

    Tiewraps, die per paar op een dusdanige manier aan elkaar waren gemaakt dat ze gebruiksklaar waren om personen op een snelle manier te kunnen boeien aan handen en/of voeten;

  • -

    Een politie uniformjas met een insigne van de Regiopolitie Flevoland en in de jaszakken werkhandschoenen;

  • -

    Een politieholster met daaraan een KLPD pistoolholster;

  • -

    Drie paar en vier losse werkhandschoenen. Deze handschoenen welke in de politiejas en op de vloer van de laadruimte van het voertuig werden aangetroffen, bleken allen vochtig. Ze waren besmeurd met hennepplantresten en voelden kleverig aan. Deze handschoenen roken sterk naar de geur van hennep;

  • -

    Een gaspistool (Valtro, type OSS 117);

  • -

    Drie heggenscharen.

Tussenconclusies rechtbank

Aan de hand van de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden gaat de rechtbank er evenals de officier van justitie van uit dat er op 19 juli 2011 sprake is geweest van een gewelddadige beroving van een hennepkwekerij, oftewel een ripdeal. In dat verband neemt de rechtbank ook in aanmerking de verklaring van medeverdachte [getuige 2], nu deze heeft verklaard dat hij weet dat de aangehouden verdachten ergens geknipt hebben en naar Breda zouden gaan om dingen te doen.20

Voorts staat voor de rechtbank vast dat er tijdens de achtervolging rond 14.30 uur in ieder geval tweemaal vanuit de laadruimte van de VW door de achterruit is geschoten, terwijl de verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op dat moment op korte afstand achter deze VW reden.

Wie zaten er in de Volkswagen Transporter?

Zoals hiervoor reeds is overwogen, hebben de verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de VW alleen de bestuurder zien zitten. Andere personen hebben zij op dat moment niet waargenomen. Buurtbewoners die schoten hebben gehoord en de VW hebben zien rijden, hebben evenmin andere personen dan de bestuurder in de VW zien zitten.

Dat er zich - naast de bestuurder – meerdere personen in de VW moeten hebben bevonden, leidt de rechtbank onder meer af uit de hiervoor reeds beschreven schietproef/reconstructie.21 Uit de schietproeven is onder andere gebleken dat er vanaf een afstand van ongeveer één meter tot nabij de ruit doorschotopeningen zijn ontstaan, ongeveer ter grootte van de diameter van de verschoten projectielen. Dit betekent dat er vanuit de laadruimte van de VW moet zijn geschoten, waardoor voldoende vast staat dat er zich ten minste nog één andere persoon in de VW moet hebben bevonden op het moment van de schietpartij, en wel in de laadruimte.

Kan nu worden vastgesteld dat verdachte en (onder meer) medeverdachte [medeverdachte 1] de personen zijn die zich in de laadruimte van de VW hebben bevonden ten tijde van de schietpartij?

Een aanwijzing daartoe vindt de rechtbank in het sporenonderzoek aangezien er sporen zijn aangetroffen op en in de VW. Zo zijn er in de rand van de vloer bij de achterklep sigarettenpeuken aangetroffen.22 Deze peuken zijn onderzocht door het NFI op de aanwezigheid van DNA-sporen. Ten aanzien van deze peuken heeft het NFI geconcludeerd dat de DNA-sporen matchen met de DNA-profielen van verdachte en van medeverdachte [medeverdachte 1]. De kans dat deze DNA-sporen tot een andere persoon zouden behoren dan [verdachte] en [medeverdachte 1] wordt kleiner geacht dan één op één miljard.23 De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat de DNA-sporen op deze peuken afkomstig zijn van de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1].

Daarnaast zijn in de laadruimte werkhandschoenen gevonden24, waarbij eveneens door het NFI een gelijkluidende conclusie is getrokken.25 De rechtbank komt ook hier tot de vaststelling dat deze werkhandschoenen gedragen zijn door de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1].

Ten slotte zijn er drie dactyloscopische sporen aangetroffen op de buitenzijde van de VW.26

De dienst IPOL, afdeling dactyloscopie te Zoetermeer heeft geconcludeerd dat deze vingerafdrukken toebehoren aan medeverdachte [medeverdachte 1].27

Zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] geven toe dat zij wel eens in de VW hebben gezeten.28 Als verklaring geven zij aan dat dit niet op 19 juli 2011 is geweest, maar dat dit op een andere dag is geweest op het moment dat zij zouden hebben meegeholpen met een verhuizing.

De rechtbank acht deze verklaring van beide verdachten echter ongeloofwaardig en onaannemelijk. De verdachten verklaren immers verschillend over wat er zou zijn verhuisd. Bovendien heeft verdachte verklaard dat er helemaal geen sprake is geweest van een verhuizing.29 Daarnaast is de rechtbank uit de tapgesprekken van medeverdachte [medeverdachte 2] van 1 en 2 december 2011 gebleken dat [medeverdachte 2] een alibi voor zijn neefje, zijnde [medeverdachte 1], had moeten regelen.30

Voorts kent de rechtbank geen beslissende waarde toe aan de door de verdediging aangehaalde verklaringen van buurtbewoners die zouden hebben gezien dat een aantal mannen bezig is geweest met een verhuizing, nu onvoldoende duidelijk is geworden wie die buurtbewoners precies zijn en wat zij exact op welk tijdstip hebben waargenomen.

Ten slotte stelt de rechtbank vast dat getuige [getuige 4] de donker getinte mannen voor het laatst heeft gezien, namelijk op het moment dat het viertal richting het kruispunt Tuinzigtlaan/Meidoornstraat liep.31 Het viertal is daarna niet meer gezien. Tijdens de doorzoeking in een appartement in de buurt, op het adres [adres doorzoeking], werden in de woonkamer sigarettenpeuken aangetroffen.32 Deze peuken zijn onderzocht door het NFI op de aanwezigheid van DNA-sporen. Ten aanzien van ook deze peuken heeft het NFI geconcludeerd dat de daarop gevonden DNA-sporen matchen met de DNA-profielen van [verdachte] en [medeverdachte 1]. De kans dat deze DNA-sporen tot een andere persoon zouden behoren dan [verdachte] en [medeverdachte 1] wordt kleiner geacht dan één op één miljard.33 De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat deze peuken afkomstig zijn van de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1].

Vorenstaande bewijsmiddelen rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat in ieder geval verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] ten tijde van de schietpartij in de laadruimte van de VW hebben gezeten en dat een derde persoon achter het stuur heeft gezeten. Onder meer de verklaringen van diverse getuigen wijzen op de mogelijkheid dat er sprake was van de aanwezigheid van een vierde persoon in de VW. De rechtbank zal in hetgeen hierna zal worden overwogen rekening houden met deze mogelijkheid.

Wie heeft er geschoten?

Uit het dossier is gebleken dat er in totaal drie wapens zijn aangetroffen: een gas-/alarmpistool in de VW en een Zastava revolver en een Glock pistool in een vuilcontainer langs de vluchtroute.

De rechtbank stelt vast dat er geen sporen op de wapens zijn aangetroffen die te linken zijn aan de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1]. Voorts zijn er geen hulzen gevonden in de VW. Wel zijn er glasresten op de revolver aangetroffen en er zaten 6 lege hulzen in de cilinder. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat er in ieder geval met de revolver is geschoten. Voorts is het mogelijk dat er ook met het Glock pistool is geschoten, hetgeen echter niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld.

De vraag wie van de verdachten geschoten heeft, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden beantwoord. Er kan, zoals uit het vorenoverwogene volgt, worden vastgesteld dat één persoon heeft gereden en dat er twee, maar mogelijk ook drie personen, achterin de VW hebben gezeten. Daardoor kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld wie van de inzittenden heeft geschoten. De rechtbank zal later ingaan op de vraag of bewezen kan worden verklaard dat er tussen de inzittenden een zodanige nauwe en bewuste samenwerking is geweest dat elk van hen als medepleger kan worden aangemerkt.

Is er sprake van een poging tot doodslag?

Het hiervoor beschreven voorval is aan verdachte onder 1 primair tenlastegelegd als het medeplegen van een poging tot doodslag op de verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Uit het forensisch onderzoek is niet gebleken dat er gericht op het politievoertuig of de verbalisanten is geschoten. Er zijn geen kogelinslagen op het politievoertuig aangetroffen, er zijn geen kogels in de buurt gevonden en men heeft geen schotbanen vast kunnen stellen. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat de voor poging doodslag vereiste opzet op de dood van (één van de) verbalisanten niet kan worden bewezen. Ook niet in voorwaardelijke zin, nu niet kan worden vastgesteld, gelet op het voorgaande, dat verdachte en zijn medeverdachte(n) de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de verbalisanten of één van hen door het handelen als is gedaan, zou komen te overlijden. De poging tot doodslag kan derhalve niet wettig en overtuigend worden bewezen, hetgeen betekent dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het aan hem onder 1 primair tenlastegelegde.

Is er sprake van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht?

Subsidiair is het voorval op 19 juli 2011 aan verdachte tenlastegelegd als het medeplegen van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Dat er sprake is van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, wordt door de verdediging niet betwist. Uit de verklaringen van de twee verbalisanten ([slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) blijkt ook dat zij bang waren dat zij geraakt zouden worden. De vraag is wel of (ook) verdachte opzet heeft gehad op deze bedreiging. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Onder verwijzing naar eerdere tussenconclusies stelt de rechtbank vast dat er eerder op de dag sprake is geweest van een ripdeal, waarbij verdachte samen met anderen betrokken is geweest.

Voorts staat voor de rechtbank vast dat er sprake is geweest van een vluchtsituatie, waarbij door de vluchtende personen getracht is om de achtervolgende politieauto af te schudden. Daarbij werden op de snelweg risico’s genomen, werd met zeer hoge snelheid gereden en werd de politieauto telkens de weg afgesneden. Na de afrit werd er door de berm gereden, werd er door rood en tegen het verkeer in gereden, moest ander verkeer uitwijken en werd wegmeubilair geraakt. Kennelijk werd alles op alles gezet om aan aanhouding te ontkomen.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte niet als medepleger van de bedreiging kan worden aangemerkt, omdat hier geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking.

Naar het oordeel van de rechtbank doet het er in het voorliggende geval niet toe wie van de verdachten in de VW er nu precies geschoten heeft. Gelet op het (vlucht)gedrag van de verdachten alsmede de goederen - onder meer drugs en vuurwapens - die in de VW zijn aangetroffen, staat voor de rechtbank vast dat het de inzittenden, waaronder dus ook verdachte, er hoe dan ook alles aan gelegen was om de achtervolgende politiemensen van zich af te schudden. De nauwe en bewuste samenwerking waar de raadsman op doelt ligt als het ware al opgesloten in genoemde feiten en omstandigheden.

Op grond van deze overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de inzittenden. Derhalve kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van de verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Feiten 2 en 3

Gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en de door de rechtbank getrokken conclusies, houdt de rechtbank verdachte mede verantwoordelijk voor hetgeen in de laadruimte van de VW (een gas-/alarmpistool merk Valtro, 63 patronen en ongeveer 100 kilogram hennep) en in de vuilcontainer (een pistool merk Glock en een revolver merk Zastava) is aangetroffen. Hiermee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Wet wapens en munitie en overtreding van artikel 3 onder B van de Opiumwet.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. subsidiair.

hij op of omstreeks 19 juli 2011 te Prinsenbeek, gemeente Breda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, de opsporingsambtenaren H.N.H. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers hebben heeft verdachte en/of zijn mededader(s) terwijl hij/zij reed/reden in een Volkswagenbusje en terwijl hij/zij (op korte afstand) werd(en) achtervolgd door die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2], opzettelijk dreigend vanuit dat Volkswagenbusje met een of meer vuurwapens door de achterruit heen een of meerdere schoten afgevuurd op en/of in de richting van het politievoertuig waarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich bevonden, althans hoorbaar en zichtbaar voor die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2].

2.

hij op of omstreeks 19 juli 2011 te Prinsenbeek en/of Breda en/of Papendrecht, althans in de provincie Zuid-Holland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten:

  • -

    een vuurwapen, (merk Glock) en/of

  • -

    een vuurwapen (merk Zastava) en/of

  • -

    een gas-/alarmpistool (Valtro, type OSS 117) en/of

munitie van categorie III, te weten

  • -

    2 patronen (GFL 9mm KNALL) en/of

  • -

    42 patronen (Sellier & Bellot, type 9 mm PARA) en/of

  • -

    19 patronen (GFL 9mm LUGER), althans een hoeveelheid patronen, voorhanden heeft gehad.

3.

hij op of omstreeks 19 juli 2011 te Prinsenbeek en/of Breda en/of Papendrecht, althans in de provincie Zuid Holland, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 100 kilo hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II. dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De tekst van de tenlastelegging is door de rechtbank cursief verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 4 jaar met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Mocht de rechtbank komen tot een bewezenverklaring van (één van) de feiten, verzoekt de verdediging aan verdachte een gevangenisstraf conform de duur van de voorlopige hechtenis op te leggen. Daarnaast dient zeer sterk rekening te worden gehouden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, nu verdachte eind 2013 is veroordeeld tot een zeer zware gevangenisstraf van 7 jaar.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich op 19 juli 2011 samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan de bedreiging van twee verbalisanten, door tijdens een achtervolging vanuit een rijdend Volkswagenbusje met een of meer vuurwapens door de achterruit heen te schieten, terwijl deze schoten hoorbaar en zichtbaar waren voor de verbalisanten. Deze verbalisanten voelden zich door het handelen van verdachte en zijn mededaders zeer ernstig bedreigd en vreesden voor hun leven. De verdachten hebben er op de bewuste dag alles aan gedaan om de verbalisanten af te schudden. Door hun handelswijze hebben de verdachten ander wegverkeer in gevaar gebracht. Ook zijn er veel getuigen geweest die in meer of mindere mate iets hebben meegekregen van de achtervolging en het schietincident. Het kan niet anders zijn dan dat dit ook voor de omstanders een heftige ervaring moet zijn geweest.

De rechtbank neemt verdachte voornoemde gang van zaken zeer kwalijk en is van oordeel dat een behoorlijke straf hiervoor op zijn plaats is.

Daarbij neemt de rechtbank in haar overweging mee dat verdachte ook nog schuldig wordt bevonden aan overtreding van de Wet wapens en munitie en dat verdachte ongeveer 100 kilogram hennep heeft vervoerd.

De oriëntatiepunten van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren (het LOVS) geven alleen al voor het aanwezig hebben van het pistool en de revolver als richtlijn een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van in totaal 6 maanden. De rechtbank ziet geen reden om van deze oriëntatiepunten af te wijken.

In de lokale oriëntatiepunten zijn daarnaast uitgangspunten voor straftoemeting opgenomen voor het vervoer van hennep. Bij een hoeveelheid van 50 tot 100 kilogram worden doorgaans gevangenisstraffen opgelegd van 6 tot 8 maanden en bij hoeveelheden boven de 100 kilogram gevangenisstraffen van 8 maanden tot maximaal 6 jaar, afhankelijk van de exacte hoeveelheid. De rechtbank gaat in dit geval uit van een gevangenisstraf van 8 maanden.

Anders dan de verdediging is de rechtbank dan ook van oordeel dat de tot op heden door verdachte ondergane voorlopige hechtenis onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten.

De officier van justitie is bij zijn eis uitgegaan van een bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde (poging tot doodslag). Nu de rechtbank slechts de subsidiair tenlastegelegde bedreiging bewezen acht, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank houdt rekening met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, nu recentelijk aan verdachte een gevangenisstraf van 7 jaren is opgelegd. Aan de andere kant heeft verdachte een omvangrijker strafblad dan zijn mededader [medeverdachte 1]. Een en ander tegen elkaar afwegend zal de rechtbank aan beide verdachten een gelijke straf zal opleggen.

Rekening houdend met de ernst van de feiten, het strafblad van verdachte en het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn met een periode van ongeveer 5 maanden. Bij wijze van compensatie zal de rechtbank 1 maand in mindering brengen op genoemde gevangenisstraf. Dit leidt ertoe dat de rechtbank aan verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 29 maanden, met aftrek van voorarrest.

7 De benadeelde partijen

De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vorderen ieder een schadevergoeding van € 733,- voor feit 1. Het betreft immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het onder

1 subsidiair bewezenverklaarde feit en acht verdachte samen met zijn mededader(s) aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat beide vorderingen zullen worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vorderingen benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 Het beslag

8.1

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan verdachte, aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

8.2

De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat deze voorwerpen bij het onderzoek naar de tenlastegelegde feiten zijn aangetroffen, terwijl deze voorwerpen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. Bovendien zijn deze voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 36d, 47, 57, 63, 91 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26, 55, 56 en 60 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 3, 11, 13 en 14 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair: medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een wapen van categorie III, meermalen gepleegd, en munitie van categorie III;

feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 29 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het voorwerp dat op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst is genummerd 371674;

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 371573 en 371671;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van

€ 733,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. (BP.20)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 733,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen; (BP.20)

Schademaatregel

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

- benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1 subsidiair), € 733,-, 14 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 1 subsidiair), € 733,-, 14 dagen hechtenis,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft; (BP04A)

- bepaalt dat voor zover deze bedragen door één of meer mededaders zijn betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bakx, voorzitter, mr. Veldhuizen en mr. Dekker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Korsten, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op

1 april 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld zaaksdossier 1 van het eindproces-verbaal met dossiernummer 20110927.1542.2227 van het Korps Landelijke Politiediensten, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (niet doorgenummerd, maar onderscheiden in zaaksdossiers en bijlagen). Het proces-verbaal van bevindingen, bijlage 1, pagina’s 110 tot en met 113 en het proces-verbaal van bevindingen, bijlage 2, pagina’s 118 tot en met 120 van voornoemd eindproces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, bijlage 1, pagina 113 van voornoemd eindproces-verbaal.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, bijlage 1, pagina 113 van voornoemd eindproces-verbaal.

4 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1], bijlage 9, pagina 143 van voornoemd eindproces-verbaal.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, bijlage 2, pagina 121 van voornoemd eindproces-verbaal.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2], bijlage 10, pagina 148 van voornoemd eindproces-verbaal.

7 De processen-verbaal van verhoor getuige, bijlagen 11 tot en met 22 van voornoemd eindproces-verbaal.

8 Het proces-verbaal van bevindingen, bijlage 23, pagina’s 177 en 178 van voornoemd eindproces-verbaal.

9 Het proces-verbaal sporenonderzoek, bijlage 24, pagina 180 van voornoemd eindproces-verbaal.

10 Het proces-verbaal sporenonderzoek, bijlage 39, pagina 241 van voornoemd eindproces-verbaal.

11 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5], bijlage 27, pagina 197 van voornoemd eindproces-verbaal.

12 De processen-verbaal van verhoor getuige, bijlagen 25 tot en met 30 en 32 tot en met 38 van voornoemd eindproces-verbaal.

13 Het proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier 1B, bijlage 16, pagina 101 van voornoemd eindproces-verbaal.

14 Het proces-verbaal omschrijving pistool en revolver, zaaksdossier 1B, bijlage 18, pagina’s 106 en 107 van voornoemd eindproces-verbaal.

15 Het deskundigenverslag van het NFI van 30 augustus 2011, bijlage 47, pagina 295 van voornoemd eindproces-verbaal.

16 Het deskundigenverslag van het NFI, inhoudende het vergelijkend glasonderzoek van 10 oktober 2011, bijlage 48, pagina’s 298, 300 en 301 van voornoemd eindproces-verbaal.

17 Het proces-verbaal van onderzoek beschadigingen in achterruit Volkswagen Transporter, bijlage 54, pagina’s 345 en 346 van voornoemd eindproces-verbaal.

18 Het proces-verbaal sporenonderzoek, bijlage 39, pagina 246 van voornoemd eindproces-verbaal.

19 Het proces-verbaal sporenonderzoek, bijlage 39, pagina 242 tot en met 249 van voornoemd eindproces-verbaal.

20 Het proces-verbaal van bevindingen n.a.v. het 5e verhoor van verdachte [getuige 2], bijlage 128, pagina 326 van voornoemd eindproces-verbaal.

21 Het proces-verbaal van onderzoek beschadigingen in achterruit Volkswagen Transporter, bijlage 54, pagina’s 345 en 346 van voornoemd eindproces-verbaal.

22 Het proces-verbaal sporenonderzoek, bijlage 39, pagina 243 van voornoemd eindproces-verbaal.

23 Het deskundigenverslag van het NFI, inhoudende het onderzoek naar biologische sporen van 2 september 2011, bijlage 51, pagina 331 van voornoemd eindproces-verbaal.

24 Het proces-verbaal sporenonderzoek, bijlage 39, pagina 243 van voornoemd eindproces-verbaal.

25 Het deskundigenverslag van het NFI, inhoudende het onderzoek naar biologische sporen van 28 juli 2011, bijlage 42, pagina’s 267 en 268 van voornoemd eindproces-verbaal.

26 Het proces-verbaal identificatie van dactyloscopische sporen, bijlage 40, pagina 251 van voornoemd eindproces-verbaal.

27 Het deskundigenverslag van de dienst IPOL afdeling dactyloscopie te Zoetermeer van 26 juli 2011, bijlage 40, pagina’s 253 en 254 van voornoemd eindproces-verbaal.

28 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1], bijlage 160, pagina 119 en het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], bijlage 176, pagina’s 185 en 186 van voornoemd eindproces-verbaal.

29 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], bijlage 176, pagina 186 van voornoemd eindproces-verbaal.

30 Het proces-verbaal van relaas, pagina 83 van voornoemd eindproces-verbaal.

31 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4], bijlage 38, pagina’s 237 en 238 van voornoemd eindproces-verbaal.

32 Het proces-verbaal doorzoeking, bijlage 213, pagina 321 van voornoemd eindproces-verbaal.

33 Het deskundigenverslag van het NFI, inhoudende het onderzoek naar biologische sporen van 24 november 2011, bijlage 214, pagina’s 329 tot en met 336 van voornoemd eindproces-verbaal.