Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:2142

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-03-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
AWB-13_3939
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:9, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet aannemelijk is gemaakt dat terugbetaling van afgedragen loonheffingen op grond van een correctiebericht heeft plaatsgevonden. De inspecteur kan de teruggaaf niet met een naheffingsaanslag corrigeren.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/932
FutD 2014-1118 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2014/1902 met annotatie van mr. J. Kastelein
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 13/3939

uitspraak van 28 maart 2014

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende]BV, gevestigd te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 een naheffingsaanslag loonheffingen (aanslagnummer [aanslagnummer]) opgelegd. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 juni 2013 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 22 juli 2013, ontvangen bij de rechtbank op 23 juli 2013, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 318.

1.3.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2014 te Eindhoven.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende in de personen van [A], directeur, en [B], hoofdadministratie, vergezeld van de gemachtigde [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] van belanghebbende, en namens de inspecteur, [verweerder]. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur. Verder zijn de facturen van de gemachtigde met betrekking tot de gemaakte kosten van rechtsbijstand in deze zaak overgelegd. De inspecteur heeft tegen overlegging hiervan geen bezwaar. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift tegelijk met deze uitspraak aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende voert een loonadministratie waarbij het loontijdvak 4 weken bedraagt en heeft de loonadministratie uitbesteed aan [A BV] te Rotterdam.

2.2.

Voor het tijdvak van 21 mei 2007 tot en met 17 juni 2007 (hierna: periode 6) diende de aangifte uiterlijk 17 juli 2007 ingediend te worden. Voor periode 6 zijn binnen de aangiftetermijn ten minste de volgende berichten aan de belastingdienst verzonden en bij de belastingdienst ontvangen:

  • -

    op 15 juni 2007 de eerste aangifte loonheffingen over periode 6 op grond waarvan belanghebbende € 36.948 aan loonheffingen diende af te dragen

  • -

    op 7 juli 2007 de tweede aangifte loonheffingen op grond waarvan belanghebbende een bedrag van € 36.421 aan loonheffingen af diende te dragen.

2.3.

Belanghebbende heeft op 13 juli 2007 € 36.948 afgedragen aan de belastingdienst. Nu op de laatste aangifte een bedrag van € 527 minder belasting verschuldigd was, heeft de ontvanger van de belastingdienst op 21 december 2007 dit bedrag terugbetaald.

2.4.

Voor het tijdvak 18 juni tot en met 15 juli 2007 (periode 7) diende de aangifte uiterlijk 15 augustus 2007 ingediend te worden. Voor periode 7 zijn binnen de aangiftetermijn de volgende drie berichten verzonden en bij de belastingdienst ontvangen:

  • -

    op 5 juli 2007, de eerste aangifte over de periode op grond waarvan belanghebbende een bedrag van € 37.954 aan loonheffingen diende af te dragen;

  • -

    op 6 juli 2007 een nihilaangifte;

  • -

    op 10 juli 2007 een tweede aangifte op grond waarvan belanghebbende een bedrag van € 37.941 diende af te dragen.

2.5.

Op 13 augustus 2007 heeft belanghebbende een bedrag van € 37.954 afgedragen aan de belastingdienst. Het te veel betaalde, zijnde € 13, is op 19 juni 2008 door de ontvanger van de belastingdienst aan belanghebbende teruggestort.

2.6.

De ontvanger deelt belanghebbende bij brief van 16 januari 2008 mee dat “DE BETALING OP DE AANGIFTE LOONHEFFING 7E PER 2007 nummer [aanslagnummer].L.01.7770 TEN BEDRAGE VAN € 3.965,00 (..) € 3.965 IS VERREKEND MET AANGIFTENUMMER [aanslagnummer]L.01.7820 LOONHEFFING 12E PER 2007”. De ontvanger van de belastingdienst heeft aan belanghebbende op 18 januari 2008 een bedrag van € 32.003 met vermelding als betalingskenmerk “TEVEEL [aanslagnummer.L01770]” overgemaakt. Belanghebbende heeft de belastingdienst bij brief van 21 januari 2008 verzocht aan te geven waarom dit bedrag is teruggestort en op welke wijze zij het bedrag kan terugbetalen. Naar aanleiding van vragen van de inspecteur gesteld bij brief van 25 februari 2008 en een telefoongesprek heeft belanghebbende bij brief van 4 maart 2008 kopieën overgelegd van de loonaangiftegegevens en de betalingsbewijzen. Op 9 mei 2008 wordt aan belanghebbende een bedrag van € 4.958 met betalingskenmerk “TEVEEL [aanslagnummer.L017820]” overgemaakt.

2.7.

Op 22 en 23 maart 2012 heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden met betrekking tot de loonheffingen. De reikwijdte van dit onderzoek is door de belastingdienst in het controlerapport als volgt omschreven:

  • -

    loonheffingen over het tijdperk 1 januari 2007 tot en met 31 december 2011;

  • -

    privégebruik auto 2007 tot en met 2011.

In het rapport van het boekenonderzoek, dat is besproken op 23 maart 2012 en waarvan een ongedateerd exemplaar aan belanghebbende is verzonden, is – voor zover relevant – in onderdeel 3.3.1. de volgende passage opgenomen: ‘De aangegeven loonbelasting en premies volksverzekeringen stemmen overeen met de bedragen die op het loon van de werknemers zijn ingehouden en die zijn afgedragen aan de Belastingdienst’.

2.8.

Bij brief van 5 november 2012 deelt de inspecteur belanghebbende mee dat hij met betrekking tot het jaar 2007 een verschil heeft geconstateerd tussen de door de belastingdienst ontvangen afdrachten aan loonheffing en het volgens de aangiften loonheffing verschuldigde bedrag. Hij vraagt aan belanghebbende dit te controleren en eventueel te verklaren. Belanghebbende heeft bij brief van 14 november 2012 de inspecteur een overzicht van de aangiften en de bankafschriften van de afgedragen bedragen toegezonden. Bij brief van 23 november 2012 reageert de inspecteur hierop. Op 13 december 2012 geeft belanghebbende nog een reactie op de stelling van de inspecteur betreffende de toepassing van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Op 19 december 2012 heeft de inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag tot een bedrag van € 36.961 opgelegd in verband met te weinig door belanghebbende afgedragen loonheffingen. Na bezwaar is de naheffingsaanslag, als zijnde een terugname van een teruggaaf op een correctiebericht, in stand gebleven.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd ter zitting en in de van hen afkomstige stukken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende voert aan dat naheffing van de loonheffingen op grond van artikel 20, eerste lid van de AWR niet mogelijk is. Alle aangegeven bedragen zijn immers tijdig afgedragen en zij heeft geen verzoek om teruggaaf gedaan. Het door de ontvanger betaalde bedrag is zonder grondslag terugbetaald. Bovendien kon belanghebbende vertrouwen ontlenen aan hetgeen in het controlerapport door de inspecteur is opgeschreven. Hierin staat dat belanghebbende alle loonheffingen heeft voldaan.

4.2.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende een correctiebericht als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB) over periode 6 heeft ingediend. Dit correctiebericht is volgens de inspecteur ingediend bij de nihilaangifte over periode 7, met aanmaakdatum 5 juli 2007. Het bericht is ontvangen door de belastingdienst op 9 juli 2007. Ten bewijze hiervan heeft de inspecteur een uitdraai van een zogenaamd XML-bestand overgelegd waarin de volgende regels als onderdeel van een grote reeks van regels kennelijk betreffende periode 7 voorkomen:

“- <Loonaangifte

xmlns= http://xml.belastingdienst.nl/schemas/Loonaangifte/2007/01”

version= ”1.0” >

(…)

- <SaldoCorrectiesVoorgaandTijdvak>

<DatAanvTv> 2007-05-21 </DatAanvTv>

<DatEindTv> 2007-06-17 </DatEindTV>

<Saldo> -000036948 </TotGen>

<SaldoCorrectiesVoorgaandTijdvak>

,TotGen> -000036948</TotGen>

<CollectieveAangifte>

- (…)”

Het correctiebericht kan volgens de inspecteur worden aangemerkt als een ‘ingevolge de belastingwet gedaan verzoek’, als bedoeld in artikel 20, eerste lid van de AWR, zodat naheffing op grond van dat artikel mogelijk is. Aan het controlerapport kan belanghebbende volgens de inspecteur geen vertrouwen ontlenen nu door de controleambtenaar niet expliciet de betaling van loonheffingen over het jaar 2007 is gecontroleerd.

4.3.

Artikel 20, eerste lid, van de AWR luidt als volgt:

"1. Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen. Met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding van belasting dan wel teruggaaf van belasting is verleend."

Artikel 28a van de Wet LB (tekst 2007) luidt als volgt:

"1. Indien de inhoudingsplichtige met betrekking tot een aangifte binnen vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin het tijdvak is aangevangen waarover die aangifte is gedaan constateert dat hij een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan, is hij verplicht gelijktijdig met de eerstvolgende aangifte, of de daarop volgende aangifte door middel van een correctiebericht alsnog de juiste en volledige gegevens te verstrekken.

2. Indien de inspecteur met betrekking tot een aangifte binnen vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin het tijdvak is aangevangen waarover die aangifte is gedaan constateert dat die aangifte onjuist of onvolledig is, kan hij de inhoudingsplichtige verplichten gelijktijdig met een aangifte door middel van een correctiebericht alsnog de juiste en volledige gegevens te verstrekken.

3. De inhoudingsplichtige is gehouden de gegevens bedoeld in het eerste en tweede lid op dezelfde wijze en in dezelfde vorm te verstrekken als van de aangifte.

4. Bij ministeriële regeling kunnen van de vorige leden afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot de verplichting voor de inhoudingsplichtige tot het indienen van een correctiebericht, daaronder begrepen regels over de wijze waarop en de termijn waarbinnen een correctiebericht moet worden ingediend.

5. Een correctiebericht is geen bezwaarschrift in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

6. Indien bij de aangifte een correctiebericht is ingediend en het saldo van de te betalen belasting van de aangifte en het correctiebericht positief is, is de inhoudingsplichtige, in zoverre in afwijking van artikel 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, gehouden dit saldo aan de ontvanger te betalen. Voorzover het bedrag van het correctiebericht in mindering wordt gebracht op de bij de aangifte te betalen belasting, wordt heffingsrente vergoed overeenkomstig hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, met dien verstande dat het tijdvak waarover de heffingsrente wordt berekend, eindigt op de dag van ontvangst van het correctiebericht. De inspecteur stelt het bedrag van de heffingsrente vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.

7. Bij toepassing van het vorige lid wordt een betaling zoveel mogelijk toegerekend aan het correctiebericht.

8. Voor toepassing van de artikelen 20 en 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, wordt met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn van belasting die op aangifte behoort te worden afgedragen gelijkgesteld het geval waarin naar aanleiding van een ingediend correctiebericht te veel is gesaldeerd of teruggegeven.

9. In aanvulling op artikel 20, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vervalt, indien te veel is gesaldeerd, de bevoegdheid tot naheffing door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de saldering heeft plaatsgevonden."

Artikel 80a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (tekst 2007) luidt als volgt:

"Artikel 80a. Afwijkende regels met betrekking tot de verplichting tot het indienen van een correctiebericht

1.Indien degene die is opgehouden inhoudingsplichtige te zijn binnen de in artikel 28a, eerste lid, van de wet bedoelde termijn van vijf jaren constateert dat hij een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan, is hij verplicht binnen acht weken na deze constatering door middel van een correctiebericht alsnog de juiste en volledige gegevens te verstrekken.

2.Indien de inspecteur ten aanzien van degene die is opgehouden inhoudingsplichtige te zijn binnen de in artikel 28a, tweede lid, van de wet bedoelde termijn van vijf jaren constateert dat deze een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan, kan hij deze verplichten binnen een door hem te stellen termijn door middel van een correctiebericht alsnog de juiste en volledige gegevens te verstrekken.

3.Voor de inhoudingsplichtige voor wie het tijdvak waarover de loonbelasting moet worden betaald een kalenderhalfjaar of kalenderjaar is, geldt in afwijking in zoverre van artikel 28a, eerste lid, van de wet dat het correctiebericht met de juiste en volledige gegevens binnen acht weken na de constatering van de onjuistheid of onvolledigheid moet worden verstrekt.

4.Ten aanzien van de inhoudingsplichtige voor wie het tijdvak waarover de loonbelasting moet worden betaald een kalenderhalfjaar of kalenderjaar is, geldt in afwijking in zoverre van artikel 28a, tweede lid, van de wet dat het correctiebericht met de juiste en volledige gegevens binnen een door de inspecteur te stellen termijn moet worden verstrekt.

5.Indien een correctiebericht betrekking heeft op een aangifte over een tijdvak in een verstreken kalenderjaar kan:

a. de inhoudingsplichtige, in afwijking van artikel 28a, eerste lid, van de wet, dat correctiebericht binnen acht weken na de constatering van de onjuistheid of onvolledigheid los van een aangifte aan de inspecteur toezenden;

b. de inspecteur, in afwijking van artikel 28a, tweede lid, van de wet, de inhoudingsplichtige verplichten dat correctiebericht al dan niet gelijktijdig met een aangifte binnen een door hem te stellen termijn aan hem toe te zenden."

4.4.

De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur op grond van artikel 20, eerste lid, van de AWR loonheffingen kan naheffen indien er sprake is van een ingevolge de belastingwet gedaan verzoek en er naar aanleiding van dat verzoek ten onrechte een teruggaaf van belasting is verleend. Op de inspecteur rust de bewijslast dat er sprake is van een dergelijk verzoek door belanghebbende. De inspecteur beroept zich hierbij op het in 4.2 genoemde bericht. Belanghebbende, bij monde van een medewerker van [A BV], ontkent een correctiebericht te hebben ingediend betreffende periode 6. Wel heeft een medewerker van [A BV] volgens de verklaring van [A BV], na het indienen van de eerste aangifte voor periode 6 een bericht gestuurd waarbij de aangiftegegevens over periode 6 op nihil werden gesteld in verband met een latere correctie van die aangifte binnen de aangiftetermijn. Daarna is de gecorrigeerde aangifte voor periode 6 binnen de aangiftetermijn gedaan. Opmerkelijk hierbij is dat het bericht waarbij de gegevens betreffende periode 6 op nihil zijn gesteld volgens de gegevens van [A BV] wel is verzonden naar de belastingdienst maar niet is voorzien van een ontvangstbericht van de belastingdienst terwijl dat wel is gebeurd voor eenzelfde bericht betreffende periode 7 dat negen seconden later was verzonden.

4.5.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur, tegenover de gemotiveerde betwisting van belanghebbende, niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende een correctiebericht, zijnde een ingevolge de belastingwet gedaan verzoek om teruggaaf, heeft ingediend. De rechtbank neemt daarbij het volgende in overweging.

4.5.2.

Het systeem voor de heffing van loonbelasting over een bepaald tijdvak, welk systeem overigens geldt voor de gehele loonheffing, is de afdracht op aangifte waarbij de afdracht binnen 1 maand na het einde van het tijdvak moet zijn voldaan. Hierin ligt besloten dat ook de aangifte binnen die termijn moet zijn gedaan. Uit de stukken van het geding en de verklaringen ter zitting leidt de rechtbank af dat binnen de termijn voor het doen van de aangifte die aangifte kan worden herzien of aangevuld door die aangifte gecorrigeerd opnieuw in te dienen. Softwarematig wordt dit dan ook zo verwerkt bij de belastingdienst.

4.5.3.

Het correctiebericht als bedoeld in artikel 28a van de Wet LB is bedoeld en volgens de tekst van dat artikel ook zo geregeld, om aangiftegegevens te corrigeren buiten de termijn waarin die aangifte moest worden gedaan. Een correctiebericht binnen de aangiftetermijn is dan naar het oordeel van de rechtbank geen correctiebericht in de zin van artikel 28a voornoemd. Indien binnen de aangiftetermijn een nieuwe aangifte wordt ingediend is immers sprake van een herziene aangifte of een aanvulling op de aangifte. De rechtbank is daarom van oordeel dat met betrekking tot periode 6 de feiten vermeld onder 2.3 en 2.4 leiden tot de conclusie dat de loonbelasting over die periode op aangifte is voldaan en over die periode geen ingevolge de belastingwet gedaan verzoek om teruggaaf kan zijn gedaan door het indienen van een correctiebericht in de zin van artikel 28a voornoemd. Van enig ander correctiebericht heeft de inspecteur niets gesteld.

4.5.4.

Wat er ook zij van het bericht dat geleid heeft tot de registratie bij de belastingdienst volgens het zogenaamde XML-bestand en weergegeven in 4.2, kan een dergelijk bericht naar het oordeel van de rechtbank op grond van het in 4.5.3 overwogene niet worden aangemerkt als een correctiebericht in de zin van artikel 28a van de Wet LB. Evenmin kan het anderszins als een ingevolge de belastingwet gedaan verzoek om teruggaaf worden aangemerkt. Artikel 20 van de AWR voorziet dan niet in de mogelijkheid de teruggaaf van € 36.961 te corrigeren met een naheffingsaanslag (vergelijk Hoge Raad 16 januari 2009, nr. 08/02766, ECLI: NL:HR:2009:BG9883). Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het bericht waarbij de gegevens over periode 6 op nihil zijn gesteld redelijkerwijs niet kan worden aangemerkt als een verzoek om teruggaaf omdat belanghebbende van mening zou zijn dat hij over periode 6 geen loonheffing verschuldigd is (vergelijk Hoge Raad 16 januari 2009, nr. 07/10527, ECLI:NL:HR:2009:BG9874). Hij was immers wel van mening dat hij loonheffing verschuldigd was en heeft die op aangifte afgedragen.

4.6.

Op grond van bovenstaande is een oordeel van de rechtbank over het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel niet meer nodig.

4.7.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

5.1.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten die belanghebbende vergoed kan krijgen zijn op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.703,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 243, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punten voor het indienen van een conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1).

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat geen bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2.3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het: Besluit) aannemelijk zijn gemaakt zodat er geen aanleiding is de integrale proceskostenvergoeding te vergoeden.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de naheffingsaanslag;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van
€ 1.703,50;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 318 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 28 maart 2014 door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.C. van Hooft, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.