Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:1960

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-03-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
C/02/262623 / HA ZA 13-269 en C/02/265941 / HA ZA 13-474
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Faillissementsgeschil over de vraag of opruimingskosten boedelkosten zijn. Rechtbank maakt onderscheid overeenkomstig arrest Koot Beheer/Tideman q.q. Rechtbank gaat ook in op verhouding beslissen van ABRvS en de civiele rechter met betrekking tot opruimverplichtingen.

Rechtbank motiveert waarom geen prejudiciele vraag aan HR wordt gesteld. Crediteur die vordering tegen curatoren instelt. Niet ontvankelijk verklaard (art. 69 Fw).

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 26
Faillissementswet 68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2014/87
JBO 2017/71 met annotatie van H.J. Bos
JOR 2015/18 met annotatie van mr. dr. A.J. Tekstra
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht


Middelburg

zaaknummers / rolnummers: C/02/262623 / HA ZA 13-269 en C/02/265941 / HA ZA 13-474

Vonnis van 19 maart 2014

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/02/262623 / HA ZA 13-269 van

de vennootschap naar het recht van het Groothertogdom Luxemburg

AIMG S.À.R.L.,

gevestigd te Luxemburg, Groothertogdom Luxemburg,

eiseres,

advocaat mr. A.N. Stoop te Amsterdam,

tegen

1.MR. S.M.W.L. VAN BOVEN,

wonende te Middelburg,

2. MR. R. VAN DEN BOS,

wonende te Zeist,

3. MR. F.T. HIEMSTRA,

wonende te Middelburg,

gedrieën handelend in hoedanigheid van curatoren in het faillissement van Thermphos International B.V.,

gedaagden,

advocaat mr. J.B. de Meester te Middelburg,

4. de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE ZEELAND,

zetelend te Middelburg,

gedaagde,

advocaat mr. R. van de Klashorst en mr. J.H. van der Weide te ‘s-Gravenhage,

5. de publiekrechtelijke rechtspersoon

STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. R. van de Klashorst en mr. J.H. van der Weide te ’s-Gravenhage,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/02/265941 / HA ZA 13-474 van

1 MR. R. VAN DEN BOS,

wonende te Zeist,

2. MR. S.M.W.L. VAN BOVEN,

wonende te Middelburg,

3. MR. F.T. HIEMSTRA,

wonende te Middelburg,

ten deze gedrieën handelend in hoedanigheid van curatoren in het faillissement van

Thermphos International B.V.,

gevestigd te Vlissingen,

eiseres,

advocaat mr. J.B. de Meester te Middelburg,

tegen

1. de vennootschap naar het recht van het Groothertogdom Luxemburg

AIMG S.À.R.L.,

gevestigd te Luxemburg, Groothertogdom Luxemburg,

gedaagde,

advocaat mr. A.N. Stoop te Amsterdam,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE ZEELAND,

zetelend te Middelburg,

gedaagde,

advocaten mr. R. van de Klashorst en mr. J.H. van der Weide te ‘s-Gravenhage,

3. de publiekrechtelijke rechtspersoon

STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaten mr. R. van de Klashorst en mr. J.H. van der Weide te ‘s Gravenhage,

en

de naamloze vennootschap

N.V. ZEELAND SEAPORTS,

gevestigd te Terneuzen,

gevoegde partij aan de zijde van de Provincie Zeeland en de Staat,

advocaat mr. A. van Hees te Amsterdam.

Partijen zullen hierna AIMG, de curatoren (gedaagden sub 1, 2 en 3 in de zaak met rolnummer 13-269, eisers in de zaak met rolnummer 13-474 gezamenlijk), de Provincie, de Staat en ZSP worden genoemd.

1 De procedure

In de zaak met rolnummer 13-269


1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 22 januari 2014

  • -

    de akte uitlating van de zijde van de curatoren

  • -

    het verzoek van AIMG om vonnis te wijzen, gedaan bij B-formulier ter rolle van 5 februari 2014

  • -

    het verzoek van de Provincie en de Staat gedaan bij B-formulier ter rolle van 5 februari 2014.


Bij tussenvonnis van 22 januari 2014 zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of zij een comparitie dan wel nadere conclusiewisseling wenselijk achten, dan wel kenbaar te maken dat zij in onderling overleg direct vonnis vragen.
AIMG en de Provincie en de Staat hebben verzocht vonnis te wijzen. De curatoren hebben meegedeeld, gelet op de discussie in de met onderhavige zaak gevoegde procedure, geen behoefte te hebben aan nadere proceshandelingen in onderhavige procedure en niet in te zien waarom (een van) partijen nog behoefte zou kunnen hebben aan een vonnis in onderhavige procedure met rolnummer 13-269. Zij verzetten zich echter niet tegen het wijzen van vonnis.

Nu AIMG en de Provincie en de Staat hebben verzocht vonnis te wijzen en de curatoren zich daartegen niet verzetten, zal vonnis worden gewezen in de zaak met rolnummer 13-269, welk vonnis is bepaald op heden.

In de zaak met rolnummer 13-474


1.2. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het (tussen)vonnis (in incident) van 4 september 2013

- de mondelinge behandeling van 15 oktober 2013

- de akte houdende productie van de zijde van de curatoren, genomen ter zitting van 15 oktober 2013

- het proces-verbaal van de zitting van 15 oktober 2013

- de pleitnota van de zijde van de curatoren met producties

- de pleitnota van de zijde van AIMG

- de pleitnota van de zijde van de Provincie en de Staat met producties

- de notities schriftelijk pleidooi van de zijde van ZSP.

De zaak is behandeld ter gelegenheid van het pleidooi in de incidenten in de zaak met rolnummer 13-269 op 15 oktober 2013. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling zijn procedureafspraken gemaakt. Er is onder andere overeengekomen dat partijen verder procederen door middel van het indienen van een pleitnota, waarin zij tevens reageren op elkaars standpunten, en waarmee zij afzien van re- en dupliek dan wel een comparitie na antwoord.
In afwachting van het verloop van de procedure met rolnummer 13-269, waarmee de procedure met rolnummer 13-474 is gevoegd, is het vonnis bepaald op heden.



2.De feiten



In de zaken met rolnummers 13-269 en 13-474


2.1.Thermphos International B.V. (TI) produceert fosfor voor verschillende toepassingen en drijft een fabriek op het industrieterrein Vlissingen-Oost.

2.2.

In verband met de productie van fosfor op het terrein in Vlissingen is aan TI een aantal vergunningen verleend op basis van de Wet milieubeheer en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (“de milieuvergunningen”). Daarnaast is aan TI in verband met het vrijkomen van radioactief materiaal tijdens het productieproces een vergunning verleend op basis van artikel 29 van de Kernenergiewet (de “KEW-vergunning”).

2.3.

Op 21 november 2012 is TI door deze rechtbank in staat van faillissement verklaard. Mr. Van Boven, mr. Van den Bos en mr. Hiemstra zijn tezamen benoemd als curatoren.

2.4.

Na faillissementsdatum hebben de curatoren de activiteiten van TI enige tijd voortgezet, waaronder de productie en verkoop van fosfor, en nadien de activiteiten geleidelijk afgebouwd.

2.5.

Het terrein waarop TI haar activiteiten ontplooide - fosfor produceerde - is door haar op 18 juli 2003 middels een “sale-and-lease-back” overeenkomst geleverd aan ZSP, onder voorbehoud van een recht van erfpacht en een recht van opstal.

2.6.

Het terrein is verontreinigd met een laag zware metalen. Op het terrein bevinden zich door TI aangebrachte opstallen, waaronder de productie-installaties en tanks met een grote hoeveelheid radioactief slib. In ieder geval na bedrijfsbeëindiging ontstaan verplichtingen op grond waarvan het terrein zal moeten worden ontmanteld, gesaneerd en opgeruimd, de opruimverplichtingen. De kosten die gemoeid zullen zijn met het ontmantelen en saneren van het terrein bedragen, blijkens een in opdracht van de curatoren door een extern onderzoeksbureau uitgebracht rapport, omstreeks 79-90 miljoen euro. Het vrije boedelactief is beduidend lager.

2.7.

AIMG heeft de afgelopen jaren voor circa 43 miljoen euro aan leningen aan TI verstrekt en is in die hoedanigheid op dit moment de grootste schuldeiser van TI. Haar vordering op TI bedraagt thans circa 50 miljoen euro.

2.8.

Bij brief van 26 september 2013 heeft de Minister van Economische Zaken de curatoren zijn voornemen kenbaar gemaakt tot het opleggen van een last onder dwangsom in verband met overtreding van het Besluit Stralingsbescherming.

Bij brief van 1 oktober 2013 heeft de Provincie de curatoren haar voornemen kenbaar gemaakt tot het opleggen van een last onder dwangsom in verband met niet vergunde opslag van veegzand. Bij brief van 29 oktober 2013 is het besluit tot het opleggen van de betreffende last onder dwangsom aan de curatoren meegedeeld.

Bij brief van 3 oktober 2013 heeft de Provincie de curatoren haar voornemen kenbaar gemaakt tot het opleggen van een last onder dwangsom in verband met overtredingen met betrekking tot diverse voorschriften die gelden voor de inrichting.


3.Het geschil



In de zaak met rolnummer 13-269


3.1.AIMG vordert:

I. te verklaren voor recht (via het stellen van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad)

dat de opruimkosten, in de ruimste zin des woords, waaronder wordt begrepen (i) de kosten die gedaagden sub 1 t/m 3 als curatoren in het faillissement van TI moeten maken of betalen om te voldoen aan bestuursrechtelijke aanschrijvingen en bevelen die verband houden met het bedrijfsterrein van TI, de activiteiten die daarop hebben plaatsgevonden en/of de daarop betrekking hebbende vergunningen, alsmede (ii) de bestuurlijke boetes, dwangsommen en kosten van toegepaste bestuursdwang die verband houden met het voorgaande, niet kwalificeren als boedelschulden in het faillissement van TI;

II. de curatoren te verbieden de hierboven bedoelde opruimkosten, bestuurlijke boetes, dwangsommen en kosten van toegepaste bestuursdwang te voldoen als boedelschuld,

III. de curatoren, de Provincie en de Staat hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.


3.1.1. AIMG voert aan dat er tussen partijen verschil van mening bestaat over de vraag (i) in hoeverre de curatoren, in geval van beëindiging van de bedrijfsactiviteiten van TI, gehouden zijn de opruimverplichtingen (de uit de milieuvergunningen en KEW-vergunning voortvloeiende verplichtingen tot onder meer ontmanteling van de fabrieksinstallaties en verwijdering van afvalstoffen) na te leven en (ii) of de kosten die met de opruimverplichtingen gemoeid zijn, de opruimkosten, in het faillissement al dan niet moeten worden aangemerkt als boedelschuld.
Voorts houden de vragen (a) in hoeverre aan de curatoren op basis van de milieuvergunningen en de KEW-vergunning dwangsommen kunnen worden opgelegd en (b) of deze dwangsommen en eventuele kosten van bestuursdwang (handhavingskosten) moeten worden aangemerkt als boedelschuld, partijen verdeeld.
De vraag in hoeverre de curatoren in geval van beëindiging van de bedrijfsactiviteiten gehouden zijn de opruimverplichtingen na te leven en de vraag in hoeverre aan de curatoren dwangsommen kunnen worden opgelegd, zijn vragen van bestuursrechtelijke aard.
De vragen of opruimkosten en handhavingskosten al dan niet als boedelschuld kwalificeren zijn civielrechtelijke vragen. Omdat omtrent deze laatste vragen geen duidelijkheid bestaat en de gemoeide belangen groot zijn, verzoekt AIMG de rechtbank om op deze punten een prejudiciële vraag te stellen aan de Hoge Raad. Volgens AIMG is aan de wettelijke vereisten van artikel 392 Rv voldaan. AIMG stelt belang te hebben bij de door haar gevorderde verklaringen voor recht, aangezien er, indien wordt geoordeeld dat opruimkosten en handhavingskosten boedelschulden betreffen, geen verhaalsmogelijkheid meer overblijft voor de vorderingen van de concurrente crediteuren, waaronder AIMG.
AIMG betwist inhoudelijk gemotiveerd de door de Staat en de Provincie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid.

3.2.

De curatoren concluderen tot afwijzing van de vordering van AIMG. Voor het inhoudelijke standpunt van de curatoren zij verwezen naar hun stellingen zoals hierna weergegeven in de zaak met rolnummer 2013-474.
De curatoren betwisten inhoudelijk gemotiveerd de door de Staat en de Provincie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid.

3.3.

De Staat en de Provincie beroepen zich primair op de exceptie van niet-ontvankelijkheid. Zij voeren hiertoe het volgende aan.
Artikel 3:302 BW bepaalt dat de rechter op vordering van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon een verklaring voor recht omtrent die rechtsverhouding uitspreekt. AIMG is echter niet “onmiddellijk betrokken” bij de rechtsverhouding waaromtrent zij een verklaring voor recht vordert.
AIMG volgt voorts niet de juiste rechtsgang bij het gevorderde verbod. De enige aangewezen rechtsgang om een dergelijk verbod voor de curatoren uit te lokken is de rechtsgang van artikel 69 Faillissementswet (Fw). Het door AIMG gevorderde verbod raakt de kern van het beheer van de boedel zoals in artikel 68 Fw aan de curatoren is opgedragen. De rechtsgang van artikel 69 Fw wordt beschouwd als een exclusieve rechtsgang.
AIMG heeft tenslotte geen concreet belang bij beide rechtsvorderingen. De gevorderde verklaring voor recht is zeer ruim geformuleerd en anticipeert op toekomstige handelingen en feiten. De rechtsvorderingen zijn onvoldoende concreet en te vaag om te kunnen worden toegewezen.
Inhoudelijk concluderen de Provincie en de Staat gemotiveerd tot afwijzing van de vorderingen van AIMG, met veroordeling van AIMG in de proceskosten.

In de zaak met rolnummer 13-474


3.4. Zoals reeds vermeld in het tussenvonnis van 4 september 2013, maar omwille van de duidelijkheid hier nog eens weergegeven, vorderen de curatoren (na wijziging van eis) de volgende verklaringen voor recht:
i. een verklaring voor recht dat lasten onder dwangsom, invorderingsbeschikkingen en/of lasten onder bestuursdwang met bijbehorende kostenbeschikking(en), die door of namens gedaagden aan de curatoren zijn of worden opgelegd in verband met de verplichtingen zoals die voortvloeien uit de milieuwetgeving, de Kernenergiewet en de op die wetgeving gebaseerde vergunningen van TI geen boedelschulden opleveren in het faillissement van TI;
ii. een verklaring voor recht dat de curatoren niet gehouden zijn verplichtingen ten laste van de boedel aan te gaan om aan de verplichtingen zoals die voortvloeien uit de milieuwet-geving, de Kernenergiewet en de op die wetgeving gebaseerde vergunningen van TI te voldoen;
iii. een verklaring voor recht dat opgelegde lasten onder dwangsom, invorderingsbeschik-kingen, kostenbeschikkingen, door of namens gedaagden gericht aan de curatoren, geen boedelschulden opleveren in het faillissement van TI maar niet-verifieerbare vorderingen zijn in het faillissement van TI, kosten rechtens.

3.4.1.

De curatoren voeren hiertoe het volgende aan. In de bestuursrechtspraak lijkt zonder al te veel motivering te zijn aangenomen dat de bedoelde kosten en lasten (de rechtbank begrijpt deze begrippen aldus dat de curatoren hiermee bedoelen: de opruimkosten en de handhavingskosten zoals geformuleerd in 3.1.1.) als boedelschuld kwalificeren. De vraag of deze kosten en lasten al dan niet als boedelschuld kwalificeren dient echter aan de hand van het civiele recht en door de civiele rechter te worden beoordeeld. Het oordeel betreft immers de toepassing van (het systeem van) de Faillissementswet, de onderlinge rangorde van de crediteuren en het uitgangspunt van de paritas creditorum.
Onder verwijzing naar het arrest Koot Beheer/ Tideman q.q. (NJ 2013, 291) stellen de curatoren dat de in onderhavige zaak bedoelde saneringskosten niet kwalificeren als boedelschulden “ingevolge de wet” of als boedelschulden “die door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan”. Aldus resteert de vraag of de saneringskosten kwalificeren als boedelschulden “omdat zij een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting”. Volgens de curatoren is van een verbintenis geen sprake, maar mogelijk kan (bestuursrechtelijk) worden geoordeeld dat hier sprake is van een verplichting van de curatoren tot naleving van vergunningsvoorwaarden en zou het niet-naleven daarvan tot een boedelschuld kunnen leiden. Wellicht is die uitkomst bedoeld, maar dat is niet duidelijk en kan zeker worden betwijfeld, onder meer in het licht van het oordeel van de Hoge Raad dat de paritas creditorum voorop dient te staan en mede gezien de kennelijke bedoeling van de Hoge Raad om het aantal boedelschuldeisers beperkt te houden.

Bij gebreke van wetgeving en eensluidende en duidelijke jurisprudentie ter beantwoording van de rechtsvraag hoe de in onderhavige zaak bedoelde kosten (saneringskosten, boetes, dwangsommen e.d.) moeten worden gekwalificeerd, en gezien de grote belangen in onderhavige zaak, verzoeken de curatoren deze vraag ter beantwoording voor te leggen aan de Hoge Raad, alvorens zij het boedelactief aanwenden voor het opruimen van het bedrijfsterrein.

De curatoren stellen dat aan alle vereisten van artikel 392 Rv is voldaan. Wat de curatoren betreft kan voor de vraagstelling worden aangeknoopt bij de vraagstelling in de dagvaarding in de zaak met rolnummer 13-269.

3.5.

AIMG concludeert tot toewijzing van de vorderingen van de curatoren.


3.6. De Provincie en de Staat concluderen tot afwijzing van de vorderingen van de curatoren, met veroordeling van de curatoren in de proceskosten. Zij voeren hiertoe het volgende aan.

Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) zijn de faillissementscuratoren verantwoordelijk voor de naleving van de uit de milieuwetgeving voortvloeiende verplichtingen van de gefailleerde. Voor dit geschil betekent dat concreet dat de curatoren verantwoordelijk zijn voor naleving van de uit de milieuwetgeving voortvloeiende opruimverplichtingen van TI. De curatoren zijn voorts op grond van hun wettelijke taak gehouden invulling te geven aan de op hen rustende verantwoordelijkheid voor de naleving van de opruimverplichtingen van TI. Deze verantwoordelijkheid en de daaruit voortvloeiende verplichtingen behoren tot het passief van de boedel. Nu deze verplichtingen eigen verplichtingen van de boedel betreffen, kunnen de curatoren zich niet aan die verantwoordelijkheid onttrekken. Wel hebben de curatoren beleidsvrijheid omtrent de vraag hoe zij aan hun verantwoordelijkheid om de verplichtingen na te komen invulling geven.
Indien en voor zover de curatoren invulling geven aan de op hen rustende verantwoordelijk-heid en namens de boedel schulden aangaan, is sprake van boedelschulden. De opruim-kosten zijn derhalve boedelschulden.

Indien besluiten waaruit handhavingsschulden (lees: handhavingskosten) voortvloeien formele rechtskracht verkrijgen, behoeft de civiele rechter niet nogmaals te toetsen of deze handhavingsschulden aan de boedel konden worden opgelegd. Dit zou in strijd zijn met de formele rechtskracht van die besluiten en er bestaat geen rechtsregel die voorschrijft dat (civielrechtelijke) schulden alleen door de civiele rechter kunnen worden vastgesteld; ook niet voor een faillissementsboedel. Met de vaststelling van het besluit dat de curatoren (de boedel) dienen te betalen, en de formele rechtskracht van dat besluit, is sprake van een onaantastbare boedelschuld.

Subsidiair, voor zover de rechtbank inhoudelijk wil toetsen of sprake is van boedelschulden, geldt dat deze schulden een gevolg zijn van een handelen van de curatoren in strijd met een door hen in hun hoedanigheid na te leven verplichting. Op grond van het arrest Koot Beheer/ Tideman q.q. zijn de handhavingsschulden dan ook boedelschulden.

Ten aanzien van het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag stellen de Provincie en de Staat zich thans op het standpunt dat het stellen van een prejudiciële vraag waarschijnlijk alleen maar tot vertraging zal leiden omdat de Hoge Raad vermoedelijk geen aanleiding zal zien prejudiciële vragen te beantwoorden. Op basis van de jurisprudentie van de ABRvS was al duidelijk dat een curator gehouden is de milieuverplichtingen van een gefailleerde na te leven. Na het arrest Koot Beheer/Tideman q.q. is zonder meer en zonder twijfel duidelijk dat handhavingsschulden boedelschulden in het faillissement zijn. De vraag of de curatoren de op hen rustende milieuverplichtingen dienen na te komen behoeft evenmin aan de Hoge Raad te worden voorgelegd. Het is evident dat een ieder, dus ook de curatoren, de op hem rustende verplichtingen dient na te komen. Processueel gezien is met sprongcassatie na uitspraak van de rechtbank voor de curatoren nog de meeste tijdwinst te behalen.


3.7. ZSP concludeert tot afwijzing van de vordering van de curatoren, met veroordeling van de curatoren in de proceskosten. ZSP stelt primair dat sprake is van nietigheid van de dagvaarding; de dagvaarding is zeer summier en bevat geen enkele onderbouwing van de vorderingen. Een verwijzing naar de inhoud van de conclusie van antwoord in de procedure met rolnummer 2013-269 is niet toegestaan. Subsidiair stelt ZSP dat de vorderingen dienen te worden afgewezen als zijnde onvoldoende onderbouwd en toegelicht.
Inhoudelijk voert ZSP het volgende aan. Blijkens jurisprudentie van de ABRvS rusten de onderhavige verplichtingen tot opruiming en sanering van het terrein op de curatoren. Blijkens diezelfde jurisprudentie volgt daaruit dat door daartoe bevoegde bestuursorganen van Provincie en/of Staat en/of andere overheden aan de curatoren handhavingsmaatregelen kunnen worden opgelegd. Daaruit volgt weer, wederom blijkens diezelfde jurisprudentie, dat uit die handhavingsmaatregelen vorderingen op curatoren kunnen voortvloeien. De wet (Awb) voorziet in een mogelijkheid van beroep daartegen bij de bestuursrechter, zodat de burgerlijke rechter zich van toetsing van die handhavingsmaatregelen en de daaruit voortvloeiende vorderingen dient te onthouden. ZSP begrijpt dat het de bedoeling van de curatoren is met onderhavige procedure een dergelijke toetsing te laten plaatsvinden. Daarvan uitgaande zijn de curatoren niet-ontvankelijk in hun vordering.
ZSP voert voorts aan dat de verplichtingen die op de curatoren (in die hoedanigheid) rusten per definitie boedelverplichtingen zijn. ZSP verwijst op dit punt naar het arrest Koot Beheer/Tideman q.q. De hier bedoelde vorderingen op de curatoren die voortvloeien uit handhavingsmaatregelen zijn dus boedelvorderingen.
ZSP betwist dat het antwoord op de vraag of een verplichting of een schuld een boedelschuld is, is voorbehouden aan de civiele rechter.
Ten aanzien van de te stellen prejudiciële vragen stelt ZSP dat twee vragen aan de Hoge Raad zouden moeten worden voorgelegd. De eerste vraag is of de onderhavige bestuursrechtelijke milieuverplichtingen op de curatoren rusten. De tweede vraag speelt alleen indien de eerste bevestigend wordt beantwoord, en luidt: is een verplichting die op de curatoren rust een boedelverplichting, dat wil zeggen een verplichting die ten laste van de door de curator beheerde boedel komt? Deze vragen lenen zich niet voor voorlegging aan de Hoge Raad. Er kan immers redelijkerwijs geen twijfel bestaan over het antwoord op deze vragen (“acte clair”). Bovendien kunnen de antwoorden worden afgeleid uit de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (“acte eclaire”). Het gaat hier om weigeringsgronden die niet alleen voor de hand liggen maar die ook met zoveel woorden door de wetgever zijn genoemd en door de Hoge Raad worden gehanteerd.


4.De beoordeling

De ontvankelijkheid

In de zaak met rolnummer 13-269

4.1.

Ten aanzien van de door de Provincie en de Staat opgeworpen exceptie van niet- ontvankelijkheid overweegt de rechtbank als volgt.
Krachtens artikel 3:302 BW kan een rechter op vordering van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon een verklaring voor recht omtrent die rechtsverhouding uitspreken. Er dient onderscheid te worden gemaakt tussen een “bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon” en een “persoon die voldoende belang heeft” in de zin van artikel 3:303 BW. Enerzijds hoeft een onmiddellijk bij de rechtsverhouding betrokken persoon geen belang te hebben bij het instellen van de actie (zodat op grond van art. 3:303 BW de vordering hem niet toekomt), terwijl anderzijds degene die belang heeft bij het instellen van de rechtsvordering niet steeds een onmiddellijk bij de rechtsverhouding betrokken persoon hoeft te zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank staat AIMG voor wat betreft de onder I. gevorderde verklaring voor recht tot geen van de gedaagden in een onmiddellijk betrokken rechtsverhouding in de zin van artikel 3:302 BW. De gevorderde verklaring voor recht ziet op een rechtsverhouding waarbij AIMG geen partij is. De verklaring voor recht heeft betrekking op opruimkosten “in de ruimste zin des woords” die de curatoren in de toekomst zouden kunnen gaan maken. Ten aanzien van de opruimkosten onderscheidt AIMG (i) de kosten die de curatoren in het faillissement van TI moeten maken of betalen om te voldoen aan bestuursrechtelijke aanschrijvingen en bevelen die verband houden met het bedrijfsterrein van TI, de activiteiten die daarop hebben plaatsgevonden en/of de daarop betrekking hebbende vergunningen, en (ii), indien de curatoren niet voldoen aan deze milieuverplichtingen en de Staat of de Provincie overgaat tot bestuurlijke handhaving, de bestuurlijke boetes, dwangsommen en kosten van toegepaste bestuursdwang die verband houden met de bestuurlijke handhaving. Bij de schulden onder (i) bestaat uitsluitend een rechtsverhouding tussen de curatoren en de partijen die de opruiming van het terrein uitvoeren. De schulden als bedoeld onder (ii) hebben betrekking op de rechtsverhouding tussen de curatoren en een of meerdere bestuursorganen, waaronder mogelijk de Staat en de Provincie.
De stelling van AIMG dat zij (voldoende) belang heeft bij de door haar gevorderde verklaring voor recht, impliceert, zoals gezegd, niet dat zij daarmee voldoet aan de eis van onmiddellijke betrokkenheid bij de rechtsverhouding.
Uit het voorgaande volgt dat AIMG voor wat betreft de door haar onder I. gevorderde verklaring voor recht niet-ontvankelijk is.

4.2.

Met betrekking tot de vordering onder II. om de curatoren te verbieden de bedoelde opruimkosten, bestuurlijke boetes, dwangsommen en kosten van toegepaste bestuursdwang te voldoen als boedelschuld, wordt als volgt overwogen.
Op grond van artikel 68 Fw is de curator belast met het beheer en de vereffening van de failliete boedel. Deze algemene taakomschrijving wordt uitgewerkt in een reeks andere bepalingen in de Faillissementswet. In het beheer van de curator kunnen twee aspecten worden onderscheiden. In de eerste plaats oefent de curator de feitelijke macht uit over de tot de boedel behorende goederen. In de tweede plaats verbindt de curator met zijn in hoedanigheid verrichte (rechts)handelingen het vermogen van de gefailleerde. De curator oefent bij het vervullen van zijn taak de vermogensrechten van de gefailleerde uit. Hij heeft daarbij een zekere beleidsvrijheid.
De curator verricht zijn taak in de eerste plaats ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. De gezamenlijke schuldeisers hebben de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op het beheer van de boedel en de wijze waarop de vereffening plaatsvindt middels de weg van artikel 69 Fw. Indien zij menen dat bij het beheer van de boedel fouten worden gemaakt, kunnen zij deze op die manier doen herstellen of voorkomen.
Het door AIMG gevorderde verbod betreft het beheer van de boedel zoals in artikel 68 Fw aan de curatoren is opgedragen. Uit het systeem van de Faillissementswet volgt dan ook dat de procedure van artikel 69 Fw de aangewezen rechtsgang is om een dergelijk verbod uit te lokken. De weg van artikel 69 Fw wordt beschouwd als een exclusieve rechtsgang. AIMG is derhalve evenmin ontvankelijk in haar vordering onder II.

4.3.

AIMG zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curatoren worden begroot op

- griffierecht € 274,00

- salaris advocaat € 452,00

Totaal € 726,00


De kosten aan de zijde van de Provincie en de Staat worden begroot op

- griffierecht € 589,00

- salaris advocaat € 452,00

Totaal € 1.041,00



In de zaak met rolnummer 13-474

4.4.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de ontvankelijkheid van AIMG ten aanzien van de door haar gevorderde verklaring voor recht jegens onder meer de curatoren, volgt dat de curatoren evenmin ontvankelijk zijn in hun gevorderde verklaringen voor recht jegens AIMG.
Voor zover de gevorderde verklaringen voor recht zijn gericht tegen de Staat en de Provincie zijn de curatoren wel ontvankelijk in hun vorderingen, nu de gevorderde verklaringen voor recht zien op een rechtsverhouding waarbij de Provincie en de Staat partij zijn.
Ten aanzien van ZSP geldt dat jegens haar, als gevoegde partij aan de zijde van de Provincie en de Staat, gelet op het accessoire karakter van de voeging, de beslissing op dat punt wordt gevolgd.

Formele verweren van ZSP in de zaak met rolnummer 13-474

4.5.

Het beroep van ZSP op nietigheid van de dagvaarding wordt verworpen. De dagvaarding is gericht tegen AIMG, de Provincie en de Staat, die geen beroep hebben gedaan op het gestelde gebrek. ZSP wordt, als gevoegde partij aan de zijde van de Provincie en de Staat, geacht niet onredelijk in haar belangen te zijn geschaad. Dit blijkt ook wel uit het feit dat zij nadrukkelijk verweer heeft gevoerd.
Hetzelfde geldt voor het verweer dat de curatoren hun vordering onvoldoende hebben onderbouwd. Ook op dit punt wordt ZSP geacht niet onredelijk in haar belangen te zijn geschaad. Zij heeft uitdrukkelijk verweer gevoerd. De Provincie en de Staat, tegen wie de dagvaarding onder meer is gericht en aan wiens zijde ZSP zich heeft gevoegd, worden, gelet op de inhoud van de processtukken in de met onderhavige zaak gevoegde zaak met rolnummer 2013-269, geacht voldoende op de hoogte te zijn geweest van het standpunt van de curatoren.

Prejudiciële vraag

4.6.

Op grond van artikel 392 Rv (lid 1) kan de rechter de Hoge Raad een vraag stellen indien het antwoord op de vraag nodig is om op de eis of het verzoek te beslissen en rechtstreeks van belang is:

a. voor een veelheid aan vorderingsrechten die gegrond zijn op dezelfde of soortgelijke feiten en uit dezelfde of soortgelijke samenhangende oorzaken voortkomen, of

b. voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin dezelfde vraag zich voordoet.

Naar het oordeel van de rechtbank is in casu niet voldaan aan de in sub a en/of b van artikel 392 lid 1 Rv genoemde vereisten. Het is niet de bedoeling van het artikel om de Hoge Raad te vragen op voorhand in een op zichzelf staande zaak te beslissen. De rechtbank zal daarom geen prejudiciële vraag stellen.

Inhoudelijke beoordeling

In de zaak met rolnummer 13-474


4.7. Op grond van vaste jurisprudentie van de ABRvS zijn de faillissementscuratoren na faillietverklaring verantwoordelijk voor de naleving van de uit de milieuwetgeving (waaronder de KEW) voortvloeiende verplichtingen van de gefailleerde, ook als de curator de onderneming niet heeft voortgezet.

Dit betekent concreet dat de curatoren verantwoordelijk zijn voor naleving van de uit de milieuwetgeving voortvloeiende opruimverplichtingen van TI.
Uit de jurisprudentie van de ABRvS volgt voorts dat de curator de geadresseerde is van de opruimverplichtingen. Bij het niet-nakomen door de curator van deze verplichtingen kunnen aan hem handhavingsbesluiten worden opgelegd. Dat is in onderhavige zaak ook gebeurd.
Of en in hoeverre op de curatoren opruimverplichtingen rusten, of en in hoeverre de curatoren aan die opruimverplichtingen hebben voldaan en of en in hoeverre aan de curatoren handhavingsbesluiten terzake die verplichtingen kunnen worden opgelegd, is ter beoordeling aan de bestuursrechter en de civiele rechter is in dat opzicht aan dat oordeel gebonden.


4.8. De vraag of de opruimkosten, die voortvloeien uit de opruimverplichtingen, en de handhavingskosten, die voortvloeien uit de handhavingsbesluiten, kwalificeren als boedelschuld, is echter een vraag die door de civiele rechter dient te worden beantwoord. Het betreft immers de vaststelling van de status van een schuld in faillissement, welke vaststelling tot de taak van de civiele rechter behoort.
De formele rechtskracht die aan de handhavingsbesluiten toekomt maakt dit niet anders.

4.9.

Ten aanzien van de onder (i) gevorderde verklaring voor recht, de vraag of de handhavingskosten als boedelschuld moeten worden aangemerkt, wordt als volgt overwogen.

De rechtbank neemt als uitgangspunt HR 19-04-2013 (Koot Beheer/Tideman q.q.), ECLI:NL:HR:2013:BY6108, waarin is overwogen dat op grond van de Faillissementswet boedelschulden (slechts) die schulden zijn die een onmiddellijke aanspraak geven jegens de faillissementsboedel hetzij ingevolge de wet, hetzij omdat zij door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan, hetzij omdat zij een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting. Onder het aangaan van een schuld door de curator in deze zin is te verstaan dat de curator deze schuld op zich neemt bij een rechtshandeling, doordat zijn wil daarop is gericht (art. 3:33 en 3:35 BW).
Vorderingen die een boedelschuld opleveren, moeten worden onderscheiden van vorderingen op de schuldenaar, met het oog op de voldoening waarvan de vereffening van de boedel plaatsvindt. Vorderingen die voortvloeien uit een reeds ten tijde van de faillietverklaring bestaande rechtsverhouding met de schuldenaar en die geen boedelschuld opleveren op een van de hiervoor genoemde gronden, behoren tot bedoelde vorderingen op de schuldenaar, ook als ze pas tijdens het faillissement ontstaan, zoals onder meer blijkt uit art. 37 en 37a Fw en de op art. 37 Fw gegeven toelichting.


4.9.1. Voor zover de opruimverplichting reeds bestond ten tijde van de faillietverklaring geldt dat het faillissement op zichzelf geen wijziging brengt in de verplichting die voortvloeit uit de milieuwetgeving. Indien de curator besluit om de reeds bestaande verplichting die voortvloeit uit de milieuwetgeving niet na te komen, leveren de daaruit voortvloeiende handhavingskosten een concurrente vordering op in het faillissement.
Dit is in overeenstemming met het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers dat aan de Faillissementswet ten grondslag ligt.

4.9.2.

De opruimkosten en daar op betrekking hebbende handhavingskosten die voortvloeien uit een handelen of nalaten van de curator in verband met het voortzetten van TI na het faillissement zijn geen boedelschulden ingevolge de wet. Een wettelijke bepaling op dat punt ontbreekt. Die kosten leveren echter wel een boedelschuld op nu zij door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan, respectievelijk het gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verplichting.

4.9.3.

Uit 4.9.1. en 4.9.2. volgt dat de onder (i) gevorderde verklaring voor recht aldus kan worden toegewezen dat handhavingskosten die geen betrekking hebben op een opruimverplichting die voortvloeit uit een handelen of nalaten van de curatoren in verband met het voortzetten van TI na het faillissement, geen boedelschuld opleveren in het faillissement van TI.

4.10.

Ten aanzien van de onder (ii) gevorderde verklaring voor recht, dat de curatoren niet gehouden zijn verplichtingen ten laste van de boedel aan te gaan om aan de verplichtingen zoals die voortvloeien uit de milieuwetgeving en de KEW-vergunning te voldoen, overweegt de rechtbank als volgt.
Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van de handhavingskosten is overwogen volgt dat de curatoren niet gehouden zijn verplichtingen ten laste van de boedel aan te gaan, om aan de verplichtingen zoals die voortvloeien uit de milieuwetgeving en de KEW-vergunning te voldoen, voor zover deze laatstgenoemde opruimverplichtingen niet voortvloeien uit een handelen of nalaten van de curatoren in verband met het voortzetten van TI na het faillissement.

Het komt er derhalve op neer dat opruimkosten die voortvloeien uit de verplichtingen op grond van de milieuvergunningen en de KEW-vergunning geen boedelschuld zijn, voor zover deze verplichtingen reeds bestonden ten tijde van de faillietverklaring van TI.

De onder (ii) gevorderde verklaring voor recht kan in voornoemde zin worden toegewezen.

4.11.

Ten aanzien van de onder (iii) gevorderde verklaring voor recht, dat de handhavingskosten geen boedelschuld opleveren, maar een niet-verifieerbare vordering in het faillissement van TI, overweegt de rechtbank als volgt.
Er dient onderscheid te worden gemaakt tussen handhavingskosten die voortvloeien uit opruimverplichtingen die reeds bestonden ten tijde van de faillietverklaring en handhavingskosten die voortvloeien uit opruimverplichtingen die ontstaan na het faillissement. Voor wat betreft deze laatste kosten moet een onderscheid worden gemaakt tussen die kosten die veroorzaakt worden door voortzetting van TI door de curator en die kosten die daarin niet hun oorzaak vinden.

Zoals reeds overwogen leveren handhavingskosten die voortvloeien uit een opruimverplichting die reeds bestond ten tijde van de faillietverklaring een concurrente vordering op in het faillissement, ook als de handhavingskosten pas tijdens het faillissement ontstaan.

Handhavingskosten die betrekking hebben op een opruimverplichting die voortvloeit uit een handelen of nalaten van de curatoren in verband met het voortzetten van TI na het faillissement kwalificeren - zoals gezegd - als boedelschuld.
De derde categorie, dat wil zeggen de handhavingskosten die niet voortvloeien uit een tijdens de faillietverklaring reeds bestaande opruimverplichting en die evenmin betrekking hebben op een opruimverplichting die voortvloeit uit een handelen of nalaten van de curatoren in verband met het voortzetten van TI na het faillissement, kwalificeren als niet-verifieerbare vordering.
De gevorderde verklaring voor recht kan in zoverre worden toegewezen.

4.12.

De curatoren zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van AIMG worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van AIMG worden begroot op
- griffierecht € 589,00

- salaris advocaat € 904,00

Totaal € 1.493,00


De Provincie, de Staat en ZSP zullen als de meest in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de curatoren worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curatoren worden begroot op
- griffierecht € 274,00

- salaris advocaat € 1.582,00

Totaal € 1.856,00

5 De beslissing

De rechtbank



in de zaak met rolnummer 13-269

5.1.

verklaart AIMG niet-ontvankelijk in haar vorderingen onder I en II,

5.2.

veroordeelt AIMG in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de curatoren begroot op € 726,00 en aan de zijde van de Provincie en de Staat begroot op € 1.041,00,

5.3.

verklaart dit vonnis ten aanzien van 5.2. uitvoerbaar bij voorraad,

in de zaak met rolnummer 13-474

5.4.

verklaart de curatoren niet ontvankelijk in hun vordering voor zover deze is gericht tegen AIMG,

5.5.

verklaart voor recht dat lasten onder dwangsom, invorderingsbeschikkingen en/of lasten onder bestuursdwang met bijbehorende kostenbeschikking(en), die door of namens gedaagden aan de curatoren zijn of worden opgelegd in verband met de verplichtingen zoals die voortvloeien uit de milieuwetgeving, de Kernenergiewet en de op die wetgeving gebaseerde vergunningen van TI geen boedelschulden opleveren in het faillissement van TI, voor zover deze handhavingskosten geen betrekking hebben op een opruimverplichting die voortvloeit uit een handelen of nalaten van de curatoren in verband met het voortzetten van TI na het faillissement,

5.6.

verklaart voor recht dat de curatoren niet gehouden zijn verplichtingen ten laste van de boedel aan te gaan om aan de verplichtingen zoals die voortvloeien uit de milieuwet-geving, de Kernenergiewet en de op die wetgeving gebaseerde vergunningen van TI te voldoen, voor zover die opruimverplichtingen niet voortvloeien uit een handelen of nalaten van de curatoren in verband met het voortzetten van TI na het faillissement,

5.7.

verklaart voor recht dat opgelegde lasten onder dwangsom, invorderingsbeschik-kingen, kostenbeschikkingen, door of namens gedaagden gericht aan de curatoren, geen boedelschulden opleveren in het faillissement van TI maar niet-verifieerbare vorderingen zijn in het faillissement van TI, voor zover deze handhavingskosten niet voortvloeien uit een tijdens de faillietverklaring reeds bestaande opruimverplichting en evenmin betrekking hebben op een opruimverplichting die voortvloeit uit een handelen of nalaten van de curatoren in verband met het voortzetten van TI na het faillissement,

5.8.

veroordeelt de curatoren in de proceskosten van AIMG, tot aan deze uitspraak begroot op € 1.493,00,

5.9.

veroordeelt de Provincie, de Staat en ZSP in de proceskosten van de curatoren, tot aan deze uitspraak begroot op € 1.856,00,

5.10.

verklaart dit vonnis ten aanzien van 5.8. en 5.9. uitvoerbaar bij voorraad,

5.11.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers, mr. M.M. Steenbeek en mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2014.1

1 FM