Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:1644

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-02-2014
Datum publicatie
13-03-2014
Zaaknummer
2533454_E13022014
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beslissing op een vordering als bedoeld in artikel 578b Wetboek van Strafvordering (Sv). Als geen volledig verhaal van een bij strafbeschikking opgelegde geldboete heeft plaatsgevonden, kan de officier van justitie in het arrondissement waar gestrafte zijn (GBA-adres) heeft, verzoeken te worden gemachtigd het dwangmiddel gijzeling toe te passen conform artikel 578b eerste lid Wetboek van Strafvordering. Dit dwangmiddel mag niet worden ingezet bij bestraften van wie bekend is dat ze niet kunnen betalen. De officier van justitie dient de door het CJIB voorbereide vordering machtiging gijzeling deugdelijk te beoordelen. De machtiging tot toepassing van het dwangmiddel gijzeling ex artikel 578b Sv dient naar het oordeel van de kantonrechter alleen te worden verleend indien aan het subsidiariteitsbeginsel is voldaan. Uit deze vordering moet blijken dat de toepassing van dit zware dwangmiddel ook daadwerkelijk geïndiceerd is. De kantonrechter beslist ter zitting of iemand mag worden gegijzeld en zo ja, voor hoe lang. Tegen de beslissing van de kantonrechter kan geen rechtsmiddel, zoals hoger beroep, worden ingesteld. Dit maakt dat ook op de kantonrechter een motiveringsplicht rust! Kantonrechter oordeelt dat de officier van justitie niet voldoet aan zijn motiveringsplicht.

De kantonrechter stelt verder op basis van de hem bekende informatie vast dat bij betrokkene geen sprake is van betalingsonwil maar van betalingsonmacht en dat ook om die reden de vordering tot toepassing dwangmiddel gijzeling dient te worden afgewezen. Het beoogde doel van de gijzeling (het afdwingen van betaling door betrokkene) zal hiermee immers niet worden verwezenlijkt. De kantonrechter wijst de vordering tot machtiging toepassing dwangmiddel gijzeling af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/119

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Bergen op Zoom

zaaknummer : 2533454 \ SD VERZ 13-421

CJIB-nummer: 2001030619

uitspraak: 13 februari 2014

Beslissing op een vordering als bedoeld in artikel 578b Wetboek van Strafvordering (Sv),

aangaande:

naam: : [naam]

adres : [adres]

woonplaats : [woonplaats], nader te noemen: “bestrafte”.

--------------------

1 De beoordeling

1.1

Als geen volledig verhaal van een bij strafbeschikking opgelegde geldboete heeft plaatsgevonden, kan de officier van justitie in het arrondissement waar gestrafte zijn (GBA-)adres heeft, verzoeken te worden gemachtigd het dwangmiddel gijzeling toe te passen conform artikel 578b eerste lid Wetboek van Strafvordering. Dit dwangmiddel mag niet worden ingezet bij bestraften van wie bekend is dat ze niet kunnen betalen. De officier van justitie dient de door het CJIB voorbereide vordering machtiging gijzeling deugdelijk te beoordelen. De machtiging tot toepassing van het dwangmiddel gijzeling ex artikel 578b Sv dient naar het oordeel van de kantonrechter alleen te worden verleend indien aan het subsidiariteitsbeginsel is voldaan. Het aantal dagen gijzeling is afhankelijk van de hoogte van het openstaande bedrag dat in de strafbeschikking is opgenomen. Voor elke openstaande 50 euro kan één dag gijzeling worden gevorderd, met een maximum van zeven dagen per strafbaar feit. Uit deze vordering moet blijken dat de toepassing van dit zware dwangmiddel ook daadwerkelijk geïndiceerd is. De kantonrechter beslist ter zitting of iemand mag worden gegijzeld en zo ja, voor hoe lang. Tegen de beslissing van de kantonrechter kan geen rechtsmiddel, zoals hoger beroep, worden ingesteld. Dit maakt dat ook op de kantonrechter een motiveringsplicht rust!


1.2 In de onderhavige vordering wordt (onder meer) ongemotiveerd gesteld dat geen verhaal met dwangbevel mogelijk is gebleken. Verder wordt vermeld dat de onderhavige geldboete ook na toepassing van een tweetal verhogingen niet is betaald. De officier van justitie bedient zich in zijn/haar toelichting op de vordering dwangmiddel van standaardformuleringen die onvoldoende recht doen aan de individuele zaak. Onvoldoende blijkt immers wat er concreet is gebeurd. De kantonrechter wenst vorderingen in deze vorm niet (langer) te honoreren. Dit ook niet in zaken waarin bestrafte -hoewel deugdelijk opgeroepen- niet verschijnt. Dat bij de incasso van dit soort sancties/geldboetes wordt gestreefd naar efficiëntie/doelmatigheid valt te begrijpen, maar dit mag niet leiden tot afbreuk van de rechten van een burger in een individuele procedure.

Een vordering als de onderhavige dient voldoende feitelijk te worden gemotiveerd/onderbouwd. Duidelijk moet zijn dat geen andere mogelijkheid dan toepassing van het dwangmiddel gijzeling meer openstaat. Aan deze motiveringeis voldoet de vordering niet. De vordering zal derhalve reeds om die reden worden afgewezen.

1.3

Voorts is tijdens de mondelinge behandeling van 13 februari 2014 het navolgende gebleken. Bestrafte is tijdens deze mondelinge behandeling in persoon verschenen. Ter zitting blijkt dat bestrafte financiële problemen heeft. Zijn schuldenlast bedraagt circa € 12.000,00. In dit verband is er een aanvraag onderbewindstelling gedaan, met als bewindvoerder Stichting [naam]. Bestrafte stelt een WAO uitkering te krijgen, waarvan hij circa € 700,00 overhoudt. Ook liggen er beslagen op deze uitkering. Ten slotte is er rondom de persoon van bestrafte ook sprake van psychische problematiek.

1.4

De kantonrechter stelt op basis van bovengenoemde informatie vast dat bij betrokkene geen sprake is van betalingsonwil maar van betalingsonmacht en dat ook om die reden de vordering tot toepassing dwangmiddel gijzeling dient te worden afgewezen. Het beoogde doel van de gijzeling (het afdwingen van betaling door betrokkene) zal hiermee immers niet worden verwezenlijkt.

1.5

Wellicht ten overvloede merkt de kantonrechter op dat hij grote vraagtekens plaatst bij het gemak waarmee dit ingrijpende dwangmiddel door de officier van justitie op grote schaal wordt ingezet.



2. De beslissing


De kantonrechter wijst de vordering af.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 februari 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.