Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:153

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-01-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
AWB-13_2688
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:3523, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:3524, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting

Verhuur van garageboxen is verhuur van parkeerruimte voor voertuigen in de zin van artikel 11, eerste lid, letter b, van de Wet OB en deelt derhalve niet mee in de vrijstelling van omzetbelasting voor verhuur van onroerende zaken. De omstandigheid dat garageboxen in toenemende mate worden aangewend voor andere doeleinden dan voor stalling van motorvoertuigen maakt nog niet dat de garageboxen als “multifunctionele ruimten” kwalificeren.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1559
V-N 2014/44.2.3
FutD 2014-1800
NTFR 2015/2770 met annotatie van Drs. M.J.M.A. Toet
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummers AWB 13/2688 tot en met 13/2690

uitspraak van 16 januari 2014

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] VOF, gevestigd te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting van € 1.036 opgelegd (aanslagnummer [aanslagnummer].F.01.0501). Tegelijkertijd is bij beschikking heffingsrente vastgesteld.

1.1.2.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting van € 724 opgelegd (aanslagnummer [aanslagnummer].F.01.1501). Tegelijkertijd is bij beschikking heffingsrente vastgesteld.

1.1.3.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 oktober 2012 tot en met 31 december 2012 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting van € 668 opgelegd (aanslagnummer [aanslagnummer].F.01.2300). Tegelijkertijd is bij beschikking heffingsrente vastgesteld en een verzuimboete opgelegd.

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 12 april 2011 de naheffingsaanslagen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 17 mei 2013, ontvangen bij de rechtbank op 17 mei 2013, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende eenmaal een griffierecht geheven van € 318.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2013 te Eindhoven.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], ter bijstand vergezeld van [gemachtigde], en namens de inspecteur, [verweerder].

1.6.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift tegelijkertijd met deze uitspraak wordt verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). Zij is eigenaar van elf garageboxen. Deze worden ieder afzonderlijk aan particulieren verhuurd. De garageboxen zijn onroerende zaken.

2.2.

Belanghebbende heeft met de huurders huurovereenkomsten afgesloten. Alle huurovereenkomsten zijn identiek en luiden voor zover hier van belang als volgt:

“Bestemming

Artikel 5

1. Het gehuurde is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt als garage/bergruimte. Behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van de verhuurder mag in deze bestemming geen wijziging worden aangebracht.”

2.3.

Belanghebbende heeft ter zake van deze verhuur geen btw in rekening gebracht, niet op aangifte aangegeven en voldaan en evenmin voorbelasting in aftrek gebracht, omdat naar zijn oordeel de garageboxen in gebruik zijn als bergruimte en aldus sprake is van verhuur van onroerende zaken in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Wet OB.

2.4.

De rechtbank heeft op 26 april 2012 over het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2009 in haar uitspraak 11/4594 (ECLI:NL:RBBRE:2012:BX1346) ten name van belanghebbende beslist dat de verhuur van garageboxen belast is met omzetbelasting, omdat zowel naar maatschappelijke opvattingen als in het spraakgebruik een garagebox wordt gezien als een mogelijke parkeerruimte voor een voertuig (artikel 11, eerste lid, onderdeel d, ten derde, van de Wet OB). In verband met het ontbreken van een concreet procesbelang is geen hoger beroep aangetekend tegen deze uitspraak.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of de verhuur van de garageboxen vrijgesteld is van omzetbelasting.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4.

Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat de verzuimboete niet betwist wordt.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

In artikel 11, eerste lid, letter b, ten derde, van de Wet OB is de verhuur van parkeerruimte voor voertuigen en de verhuur van lig- en bergplaatsen voor vaartuigen uitgezonderd van de vrijstelling voor de verhuur van onroerende zaken.

4.2.

In het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 14 juli 2009, nr. CPP2008/137M, Stcrt. 2009, 11140 (V-N 2009/39.23) is voor zover hier van belang het volgende bepaald:

“7.4.3 Verhuur van parkeerruimte voor voertuigen en lig- en bergplaatsen voor vaartuigen De verhuur van parkeerruimte voor voertuigen en de verhuur van lig- en bergplaatsen voor vaartuigen is belast (artikel 11, eerste lid, onderdeel b, 3°, van de wet). Deze uitzondering op de vrijstelling heeft een ruime betekenis (Hof van Justitie 13 juli 1989, zaak nr. 173/88 (Morten Henriksen)). Het begrip ‘voertuig’ heeft niet alleen betrekking op vervoermiddelen voor over het land, maar ook op luchtvaartuigen en boten (Hof van Justitie 3 maart 2005, zaak nr. C-428/02 (FML)).
Het begrip ‘parkeerruimte’ heeft een ruime strekking. Onder dit begrip vallen:
a. onroerende zaken die naar hun aard (d.w.z. qua inrichting) bestemd zijn om te worden gebruikt als parkeerruimte voor voertuigen, en waarbij het gebruik als parkeerruimte tussen partijen niet is uitgesloten. Het gaat hierbij onder meer om open parkeerruimte en om overdekte of gesloten parkeerruimte (zoals parkeerruimte in een parkeergarage of onder een kantoor- of woningcomplex). Ook zogenoemde ‘zwerf’parkeerplaatsen (niet exclusief gebruikte parkeerplaatsen) vallen hieronder. De verhuur van multifunctionele ruimten die primair voor andere doeleinden dan voor het parkeren van voertuigen (kunnen) worden gebruikt, vormt in principe geen verhuur van parkeerruimte. Deze verhuur is vrijgesteld (zie artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de wet), tenzij partijen opteren voor belastingheffing of sprake is van de onder b bedoelde situatie.”

4.3.

Vaststaat dat het gebruik van garageboxen als parkeerruimte voor voertuigen tussen belanghebbende en de huurders contractueel niet is uitgesloten. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de garageboxen opgevat moeten worden als ‘multifunctionele ruimten’ die primair voor andere doeleinden dan voor het parkeren van voertuigen (kunnen) worden gebruikt en dat, aangezien de staatssecretaris van Financiën de verhuur van deze multifunctionele ruimten in principe niet als verhuur van parkeerruimte aanmerkt, de inspecteur zich daaraan heeft te houden.

4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank miskent belanghebbende daarmee dat de garageboxen primair zijn bedoeld voor het stallen van voertuigen. In de woorden van de staatssecretaris zijn het “onroerende zaken die naar hun aard (d.w.z. qua inrichting) zijn bestemd om te worden gebruikt als parkeerruimte voor voertuigen”.

4.5.

Belanghebbende kan worden toegegeven dat in de hedendaagse praktijk garageboxen veelal plegen te worden aangewend voor andere doeleinden dan voor het stallen van voertuigen. Daarmee wordt echter aan de garageboxen het primaire karakter van stallingsgelegenheid niet ontnomen.

4.6.

Evenmin leiden de andere aanwendingen – die kennelijk garageboxen veelal in de praktijk hebben – ertoe dat deze garageboxen daarom kunnen worden gekwalificeerd als multifunctionele ruimten. Nu van multifunctionele ruimten in de zin van het in 4.2 genoemde besluit geen sprake is, kan niet van de inspecteur worden verlangd dat hij rechtsgevolgen verbindt aan de door belanghebbende voorgestane kwalificatie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verhuur van de garageboxen belast is met omzetbelasting.

4.7.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 16 januari 2014 door mr. D. Hund, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. van Es-Hinnen, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.