Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:1467

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
10-03-2014
Zaaknummer
C/02/268522 / HA ZA 13-633
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

/

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/268522 / HA ZA 13-633

Vonnis in incident van 5 februari 2014

in de zaak van

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

NEDERLANDSE ZUIVELORGANISATIE,

gevestigd en kantoorhoudende te Zoetermeer,

eiseres in conventie in de hoofdzaak,

verweerster in reconventie in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. K.Th.M. Stöpetie,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALPRO SOJA NEDERLAND BV,

gevestigd en kantoorhoudende te Breda,

2. de vennootschap naar Belgisch recht

ALPRO COMM. VA,

gevestigd en kantoorhoudende te Wevelgem, België,

gedaagden in conventie in de hoofdzaak,

eiseressen in reconventie in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. M.G. Lutje Beerenbroek.

Eiseres in conventie in de hoofdzaak, verweerster in reconventie in de hoofdzaak, verweerster in het incident zal hierna NZO genoemd worden. Gedaagden in conventie in de hoofdzaak, eiseressen in reconventie in de hoofdzaak, eiseressen in het incident zullen hierna afzonderlijke Alpro Soja, Alpro Comm. en gezamenlijk Alpro c.s. (vrouwelijk enkelvoud) worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 15 juli 2013, met producties genummerd 1 tot en met 19;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens incidentele conclusie tot aanhouding op grond

van artikel 28 EEX-Verordening (hierna: EEX-Vo) tevens houdende conclusie van eis in reconventie, met producties genummerd 1 tot en met 16;

- de conclusie van antwoord in het incident ex artikel 28 EEX-Vo.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. Het geschil in het incident

2.1.

Alpro c.s. vordert op grond van artikel 28 EEX-Vo aanhouding van de hoofdzaak wegens samenhang met een procedure die is ingeleid bij dagvaarding van 29 november 2012 voor de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Brussel, België (hierna: Rechtbank van Koophandel).

2.2.

NZO voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.

3 De beoordeling in het incident

3.1.

Ten aanzien van de in het incident gewisselde processtukken en de stellingen van partijen, wordt als volgt overwogen.

3.2.

Vast staat dat zowel NZO als Alpro Soja in Nederland zijn gevestigd en Alpro Comm. in België. De door NZO gepretendeerde vorderingen in de hoofdzaak zijn in Nederland aanhangig gemaakt, zodat deze vorderingen een internationaal karakter dragen. Nu zowel Nederland als België EU-lidstaten zijn en er sprake is van een burgerlijke of handelszaak is de EEX-Vo van toepassing.

3.3.

Vooropgesteld wordt dat van samenhangende vorderingen in de zin van artikel 28 EEX-Vo sprake is wanneer tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven (artikel 28 lid 3 EEX-Vo). Indien sprake is van samenhangende vorderingen in de zin van dit artikel kan het gerecht waarbij de zaak het laatst aanhangig is gemaakt de uitspraak aanhouden (artikel 28 lid 1 EEX-Vo). Daartoe bestaat echter voor dat gerecht geen verplichting. Gebruikmaking van de bevoegdheid op grond van voormeld artikel betreft immers een discretionaire bevoegdheid.

3.4.

Niet in geschil is dat bij de Rechtbank van Koophandel een procedure aanhangig is tussen een aantal in de zuivelbranche actieve ondernemingen, de Belgische Confederatie van de Zuivelindustrie (hierna: BCZ) en Alpro Comm. Partijen zijn evenwel verdeeld over de vraag of sprake is van samenhang in de zin van artikel 28 EEX-Vo tussen de onderhavige procedure en de bij de Rechtbank van Koophandel aanhangige procedure.

3.5.

Alpro c.s. stelt hiertoe – samengevat – dat in onderhavige procedure vrijwel hetzelfde geschil aan de orde is als in de procedure bij de Rechtbank van Koophandel. In beide procedures draait het geschil volgens Alpro c.s. immers om de Alpro verpakkingen, de verwijzingen op deze verpakkingen en de door Alpro gebruikte (reclame)materialen. Bovendien komen in beide procedures, zo stelt Alpro c.s., dezelfde rechtsvragen aan de orde, waarop grotendeels hetzelfde Europese recht van toepassing is. In beide procedures gaat het daarom om soortgelijke verwijten en vorderingen met dezelfde grondslagen. Zowel de Belgische als de Nederlandse rechter dienen dan ook een uitspraak te doen over de uitleg van dezelfde Europeesrechtelijke artikelen uit dezelfde verordeningen en richtlijnen betreffende dezelfde feiten, zodat daarmee volgens Alpro c.s. de vereiste samenhang en het risico op tegenstrijdige uitspraken is gegeven.

3.6.

De rechtbank overweegt dat het Hof van Justitie in haar arrest van 6 december 1994 in de zaak Tatry/Maciej Rataj (LJN: AD2263), welk arrest ook door beide partijen is aangehaald, heeft geoordeeld dat in het licht van de doelstelling van het bepaalde in artikel 28 EEX-Vo het begrip “samenhang” ruim dient te worden uitgelegd en alle gevallen dient te omvatten waarin gevaar voor tegenstrijdige uitspraken bestaat, ook al kunnen de uitspraken afzonderlijk ten uitvoer worden gelegd en sluiten de rechtsgevolgen ervan elkaar niet uit. In het eveneens door beide partijen aangehaalde arrest van 13 juli 2006 heeft het Hof van Justitie in de zaak Roche/Primus (LJN: AY6817) voorts geoordeeld dat het ruime criterium niet met zich brengt dat uitspraken reeds tegenstrijdig kunnen worden geacht op grond van een (mogelijke) divergentie in de beslechting van het geschil. Voor rechtens relevante tegenstrijdigheid is vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens. Uit de overwegingen van het Hof van Justitie volgt voorts dat deze niet enkel zien op de uitleg van artikel 6 lid 1 EEX-Verdrag, waartoe het Hof van Justitie geroepen was, doch tevens op artikel 22 EEX-Verdrag, thans artikel 28 EEX-Vo.

3.7.

NZO voert gemotiveerd verweer en betwist dat in beide procedures sprake is van eenzelfde feitelijke situatie. Volgens NZO zijn immers de Nederlandse verpakkingen in het Nederlands gesteld en de Belgische verpakkingen in het Frans en Vlaams, waardoor niet alleen de verpakkingen zelf van elkaar verschillen, doch eveneens de verwijzingen op deze verpakkingen. Ook de (reclame)verpakkingen waarvan Alpro gebruik maakt verschillen in Nederland en België van elkaar. In de onderhavige procedure zijn daarnaast tevens Alpro-producten in het geding, welke in de procedure bij de Rechtbank van Koophandel niet aan de orde zijn, zoals room en vla. Bovendien is in de onderhavige procedure, anders dan in de bij de Rechtbank van Koophandel aanhangige procedure, tevens de feitelijke vraag aan de orde of Alpro Soja het kort geding vonnis van 30 mei 2012 heeft geschonden en of zij daardoor dwangsommen heeft verbeurd. Voorts betwist NZO dat in beide procedures sprake is van eenzelfde situatie rechtens. Volgens NZO is immers in de onderhavige procedure tevens nationaal recht van toepassing, zoals het bepaalde in het Warenwetbesluit Zuivel ter zake van vla. In de procedure bij de Rechtbank van Koophandel gaat het eveneens over het schenden van het nationale Belgische recht door Alpro, zoals onder meer de bepalingen van het Koninklijk Besluit van 17 april 1980 betreffende de reclame voor voedingsmiddelen. NZO betwist eveneens dat in beide procedures sprake is van dezelfde rechtsvragen.

3.8.

Gelet op het door Alpro c.s. gestelde, de inhoud van productie 1, alsmede het gemotiveerde verweer van NZO is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan, althans onvoldoende aannemelijk is geworden, dat sprake is van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens. Van de vereiste samenhang tussen beide procedures in de zin van artikel 28 EEX-Vo is dan ook niet, dan wel onvoldoende, gebleken. Zij overweegt daartoe als volgt.

3.9.

De rechtbank is met NZO van oordeel dat in onderhavige kwestie aansluiting dient te worden gezocht bij hetgeen het Hof van Justitie heeft geoordeeld in de zaak Roche/Primus. Zoals door het Hof van Justitie op dezelfde wijze is geoordeeld, kan in een situatie van rechtsvorderingen ter zake van inbreuken op Europese warenwetgeving, waarbij verscheidene in verschillende verdragsluitende staten gevestigde vennootschappen zijn gedagvaard voor feiten die zij zouden hebben begaan op het grondgebied van een of meer van deze staten, niet worden geconcludeerd dat er sprake is van eenzelfde feitelijke situatie omdat de gedaagde partijen verschillen en het hun ten laste gelegde, in verschillende verdragsluitende staten gepleegde onrechtmatig handelen niet hetzelfde is. Eventuele divergenties tussen de beslissingen van de betrokken nationale gerechten zullen zich derhalve niet voordoen in het kader van eenzelfde feitelijke situatie. In beide procedures is daarnaast eveneens nationaal recht van toepassing. Hieruit volgt dat eventuele divergenties tussen beslissingen van betrokken gerechten in verdragsluitende staten zich evenmin zullen voordoen in het kader van eenzelfde situatie rechtens. Eventuele divergerende beslissingen zullen derhalve niet als tegenstrijdig kunnen worden aangemerkt en van de vereiste samenhang tussen vorderingen vanwege soortgelijk onrechtmatig handelen van in verschillende verdragsluitende staten gevestigde vennootschappen voor feiten die elke vennootschap zou hebben gepleegd op het grondgebied van die staat kan geen sprake zijn.

3.10.

Het voorgaande leidt tot de slotconclusie dat het verweer van NZO slaagt en dat de incidentele vordering van Alpro c.s. zal worden afgewezen. De overige stellingen en verweren behoeven naar het oordeel van de rechtbank geen bespreking.

3.11.

Alpro c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De proceskosten in het incident worden aan de zijde van NZO begroot op € 452,00 (1,0 punt x tarief € 452,00) aan salaris advocaat.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

wijst de incidentele vordering af;

4.2.

veroordeelt Alpro c.s. in de kosten van het incident, aan de zijde van NZO tot op heden begroot op € 452,00;

in de hoofdzaak

4.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 19 februari 2014 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een comparitie.

Dit vonnis is gewezen door mr. Froger-Zeeuwen en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2014.