Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:1340

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
28-02-2014
Zaaknummer
AWB- 14_999 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Opleggen last onder bestuursdwang door het college van burgemeester en wethouders: sluiting inrichting voor de duur van zes maanden vanwege overtreding geluidnormen artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit.

Verzoeker wordt door de ingangsdatum van de sluiting onevenredig in zijn belangen getroffen. Tijdens carnaval geldt een collectieve ontheffing van de geluidnormen. Schorsing tot na carnaval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 14/999 GEMWT VV

uitspraak van 25 februari 2014 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker], te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. J. de Roo,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 februari 2014 (bestreden besluit) van het college inzake de sluiting van de Grandstand Pub aan [adres] in [plaatsnaam] voor de duur van zes maanden met ingang van 20 februari 2014. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 25 februari 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door[naam persoon] en mr. [naam persoon].

Overwegingen

1.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker exploiteert de inrichting/het café Grandstand Pub aan [adres] in [plaatsnaam].

Bij besluit van 17 augustus 2011 heeft het college aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd ter naleving van de geluidnormen van artikel 2.17, eerste lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, thans: Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit). De dwangsom bedraagt € 2.500,- per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 7.500,-.

Op 10 september 2011, 15 april 2012 en 2 juni 2012 zijn overtredingen geconstateerd, waardoor deze dwangsommen zijn verbeurd.

Bij besluit van 4 juli 2012 heeft het college aan verzoeker een tweede last onder dwangsom opgelegd ter naleving van artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. De dwangsom bedraagt € 10.000,- per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 30.000,-.

Op 26 augustus 2012 (twee maal) en 9 september 2012 zijn overtredingen geconstateerd, waardoor deze dwangsommen zijn verbeurd.

Een totaal aan dwangsommen van € 37.500,- is verbeurd en wordt door het college ingevorderd.

Bij brief van 16 november 2012 heeft het college aan verzoeker meegedeeld een last onder bestuursdwang te zullen opleggen bij wederom een overtreding van artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. Bij een eerstvolgende overtreding zal de inrichting worden gesloten voor de duur van zes maanden.

Op 25 januari 2014 heeft de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) bij de inrichting geluidmetingen uitgevoerd. Bij brief van 29 januari 2014 heeft het college verzoeker geïnformeerd over de bevindingen.

Bij het bestreden besluit heeft het college verzoeker gelast de inrichting te sluiten voor de duur van zes maanden met ingang van 20 februari 2014. Indien verzoeker de inrichting gedurende de genoemde periode niet gesloten houdt, ziet het college zich genoodzaakt om door middel van het feitelijk toepassen van bestuursdwang de sluiting van zes maanden te effectueren.

2.

Verzoeker heeft aangevoerd dat de last onder bestuursdwang, die op 16 november 2012 is opgelegd, inmiddels is komen te vervallen. De overtreding is immers geconstateerd op 25 januari 2014, dus 14 maanden na het opleggen van de last onder bestuursdwang.

In de tussenliggende periode van 14 maanden is geen enkele overtreding geconstateerd.

Na het opleggen van de last onder bestuursdwang heeft verzoeker geluidwerende maatregelen getroffen (begrenzer, dubbele deuren). Het college mocht na 14 maanden niet rauwelijks gebruik maken van de bevoegdheid om het café voor zes maanden te sluiten. Bovendien wordt de last onder bestuursdwang gebruikt als een bestraffende sanctie in plaats van als een herstelsanctie. Een sluiting voor de duur van zes maanden is onevenredig. Verzoeker betwist de juistheid en volledigheid van het meetverslag van de OMWB. Ten aanzien van de belangenafweging wijst verzoeker erop dat ten tijde van de meting sprake is geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden vanwege vertrekkende klanten, arriverende catering en een optreden van een saxofonist. Verzoeker heeft al een offerte aangevraagd voor nader door hem te treffen maatregelen om een nieuwe overtreding van de geluidnormen te voorkomen.

Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen:

  • -

    primair tot zes weken na het nemen van de beslissing op bezwaar;

  • -

    subsidiair tot na de carnavalsperiode van 28 februari 2014 tot en met 4 maart 2014.

3.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4.

Op grond van artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang. Op grond van het tweede lid wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Artikel 5:21 van de Awb bepaalt dat onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Artikel 5:24, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de last onder bestuursdwang de te nemen herstelmaatregelen omschrijft. Op grond van het tweede lid vermeldt de last onder bestuursdwang de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

Artikel 5:25, tweede lid, van de Awb bepaalt dat de last onder bestuursdwang vermeldt in hoeverre de kosten van bestuursdwang ten laste van de overtreder zullen worden gebracht.

Op grond van artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichtte werkzaamheden en activiteiten op de gevel van woningen van derden, in de nachtperiode (23.00 – 07.00 uur) niet meer bedragen dan 40 dB(A). Daarnaast geldt in de nachtperiode een norm van 60 dB(A) voor het maximale geluidniveau.

5.

De voorzieningenrechter ziet zich allereerst gesteld voor de vraag hoe het bestreden besluit van 12 februari 2014 geduid moet worden, gezien de brief van 16 november 2012 en het standpunt van het college dat de last onder bestuursdwang bij die brief is opgelegd en het enige rechtsgevolg van het bestreden besluit de geconstateerde overtreding betreft, zodat bijvoorbeeld de duur van de sluiting thans niet meer ter discussie kan staan.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter valt de brief van 16 november 2012 niet te kwalificeren als een bestuursdwangbesluit, omdat daarin is meegedeeld dat pas na een geconstateerde overtreding tot de uitoefening van bestuursdwang zal worden overgegaan. Pas bij het bestreden besluit van 12 februari 2014 is een last onder bestuursdwang in de zin van artikel 5:21 van de Awb opgelegd. Hierin is namelijk geconstateerd dat een overtreding heeft plaatsgevonden en wordt verzoeker in de gelegenheid gesteld maatregelen te treffen om een einde te maken aan die overtreding; namelijk door zijn inrichting te sluiten. Verder wordt bij deze last aan verzoeker een begunstigingstermijn geboden van één week, en wordt het kostenverhaal uiteengezet.

Gelet op het bovenstaande merkt de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan als een last onder bestuursdwang in de zin van 5:21 van de Awb en niet als een herhaald besluit ten opzichte van het besluit van 16 november 2012 en ook niet als een toepassingsbeschikking als bedoeld in artikel 5:31a van de Awb.

Dit leidt ertoe dat het bestreden besluit een appellabel besluit is, dat volledig door de voorzieningenrechter zal worden getoetst.

6.

Ten aanzien van de gestelde overtreding van de geluidnorm overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het door het college ingebrachte meetverslag van de OMWB blijkt dat tijdens de geluidmeting op 25 januari 2014 de geluidnorm van 40 dB(A) werd overschreden. Hoewel verzoeker heeft aangegeven dat hij het geluidrapport in de bezwaarprocedure nog nader zal betwisten, gaat de voorzieningenrechter vooralsnog uit van de juistheid van de bevindingen en de conclusies van dat rapport.

Aangezien een overtreding van de geluidnorm is geconstateerd, is het college bevoegd om een last onder bestuursdwang op te leggen.

7.

In het licht van de beginselplicht tot handhaving, de beperkte vrijheid die het college heeft om van handhaving af te zien en het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter dat de door verzoeker aangevoerde omstandigheden niet dermate bijzonder zijn dat van handhaving dient te worden afgezien, is de voorzieningenrechter vooralsnog niet overtuigd van de onrechtmatigheid van het bestreden besluit.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat vooralsnog niet valt in te zien dat sluiting van een café voor de duur van zes maanden vanwege herhaaldelijke forse overtredingen van de geluidnormen - gelet op de voorgeschiedenis - onevenredig is. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat door de gemachtigde van het college ter zitting is aangegeven dat verzoeker kan verzoeken om opheffing van de sluiting, zodra hij nadere maatregelen heeft getroffen ter naleving van de geluidnormen.

Het moment van de sluiting acht de voorzieningenrechter echter wel onevenredig. Naar aanleiding van de geconstateerde overtreding op 25 januari 2014, heeft het college bij het bestreden besluit van 12 februari 2014 de sluiting van het café gelast per 20 februari 2014. Dit terwijl de carnavalsperiode van 28 februari 2014 tot en met dinsdag 4 maart 2014 loopt en tijdens die periode een collectieve ontheffing van de geluidnormen geldt op grond van de collectieve dagen regeling ingevolge de Algemene Plaatselijke Verordening.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker door de ingangsdatum van de sluiting onevenredig in zijn belangen wordt getroffen, nu aannemelijk is dat in de carnavalsperiode normaal gezien een aanzienlijke omzet wordt gegenereerd. Onmiddellijke sluiting van het café heeft het college kennelijk niet nodig geacht. Daarom valt niet in te zien waarom de sluiting niet direct na carnaval kan worden geëffectueerd.

In het bovenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

8.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot woensdag 5 maart 2014, 0.00 uur.

9.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient het college aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

10.

De voorzieningenrechter veroordeelt het college in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het bestreden besluit tot woensdag 5 maart 2014, 0.00 uur;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 165,- aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.