Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:1334

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-02-2014
Datum publicatie
20-05-2016
Zaaknummer
AWB 13_4107
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WWB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 13/4107 WWB

uitspraak van 27 februari 2014 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. J.M. van Gool,

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (hierna: de Commissie), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 14 juni 2013 (hierna: bestreden besluit) van de Commissie inzake de intrekking en terugvordering van uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 5 december 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De Commissie is heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] .

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Overwegingen

1.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser ontving een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande.

Hij is bij vonnissen van 9 maart en 6 april 2010 en 22 maart 2011 veroordeeld tot vrijheidsstraffen. Deze veroordelingen waren al voor 4 mei 2011 onherroepelijk.

Eiser heeft, naar aanleiding van een brief van 4 mei 2011 van het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJIB), zich in het kader van de zelfmeldprocedure op 7 mei 2011 schriftelijk gemeld bij het CJIB. Hij ontving vervolgens een oproep om zich op 2 oktober 2011 te melden in de Penitentiaire Inrichting (PI) [plaats] . Eiser is daar niet verschenen.

Het CJIB heeft eiser per 27 april 2012 als voortvluchtig gesignaleerd.

De Commissie heeft bij besluit van 29 augustus 2012 (primair besluit 1) het recht op bijstandsuitkering met ingang van 1 juli 2012 ingetrokken, omdat eiser zich vanaf 27 april 2012 onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.

De PI [plaats2] heeft de Commissie bij brief van 12 september 2012 laten weten dat eiser sinds 20 augustus 2012 daar gedetineerd is en dat de einddatum is vastgesteld op 15 september 2012.

De Commissie heeft bij besluit van 4 september 2012 (primair besluit 2) het recht op uitkering over juni 2012 ingetrokken, omdat de uitkering over die maand per abuis aan eiser is uitbetaald. De over deze periode te veel betaalde bijstand van netto € 935,49 wordt teruggevorderd.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen beide primaire besluiten.

De Commissie heeft bij het bestreden besluit eisers bezwaren ongegrond verklaard. Daarbij is, samengevat, overwogen dat eiser vanaf de veroordeling op 22 maart 2011 had moeten melden dat hij tot een vrijheidsstraf was veroordeeld. Voorts had eiser naar aanleiding van de brief van het CJIB van 4 mei 2011 moeten melden dat sprake was van een vrijheidsbenemende maatregel. Daarbij komt dat uit informatie van het Inlichtingenbureau van de Commissie en het CJIB is gebleken dat eiser zich onttrekt aan de (verdere) tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel. Eiser heeft ook dit niet gemeld. Degene die zich onttrekt aan de (verdere) tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel heeft echter geen recht op bijstand. De Commissie herstelt voorts de motivering van primair besluit 2: dit besluit vindt evenals primair besluit 1 zijn grondslag in artikel 17 van de Wwb in verbinding met art. 13, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb. De Commissie concludeert dat het recht op bijstand over juni 2012 terecht is ingetrokken en teruggevorderd en dat het recht op bijstand over juli 2012 terecht is ingetrokken.

2.

Eiser voert in beroep aan dat in de primaire besluiten niet is gerept van de schending van de inlichtingenplicht. Het is daarom niet juist dat de Commissie dit aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. In dit verband heeft eiser een beroep gedaan op artikel 6 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser betwist verder dat hij de veroordeling tot een vrijheidsstraf bij de Commissie had moeten melden. Overigens stelt hij dat hij het geregeld bij zijn casemanagers gemeld heeft. Eiser ontkent verder dat hij zich aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf heeft willen onttrekken. Hij diende het uitzitten van de straf in het kader van de zelfmeldprocedure af te breken wegens ernstige gezondheidsklachten. Toen hij in augustus 2012 hoorde dat hij vermeld stond in het landelijke opsporingssysteem heeft hij zich direct vrijwillig gemeld op een politiebureau. Bovendien is de Commissie ten onrechte voorbij gegaan aan de informatie van het CJIB die eiser na de hoorzitting heeft overgelegd. Daarbij komt dat de Commissie met toepassing van artikel 17, eerste lid, tweede zin, van de Wwb had kunnen weten dat eiser voortvluchtig was. Eiser begrijpt verder niet waarom de uitkering over juni 2012 wordt ingetrokken en teruggevorderd en de uitkering over juli 2012 wordt ingetrokken, terwijl de vrijheidsstraf is uitgezeten van 17 augustus tot en met 15 september 2012. Eiser wijst er bovendien op dat de Commissie de beslistermijn voor de bezwaarschriften heeft overschreden.

3.

Artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging plaatsvindt van het bestreden besluit.

In artikel 1, onder h, van de Wwb is bepaald dat in deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder: vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Wwb heeft geen recht op bijstand degene:

a. aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen;

b. die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;

(…).

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Wwb kan het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wwb doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

Ingevolge artikel 54, derde lid, van de Wwb kan het college, onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, een dergelijk besluit herzien of intrekken:

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;

b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Ingevolge artikel 64, eerste lid, aanhef en onder k, van de Wwb is de minister van Veiligheid en Justitie voor zover het betreft de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen of de persoon die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, desgevraagd verplicht aan het college (…), kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Wwb.

Het twaalfde lid bepaalt dat de minister van Veiligheid en Justitie ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen of de persoon die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, onverwijld en kosteloos de beschikbare informatie en alle overige opgaven en inlichtingen, die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, aan het college verstrekt (…) door tussenkomst van het Inlichtingenbureau, waarbij hij gebruik kan maken van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer.

4.

De rechtbank stelt voorop dat eiser ter zitting heeft aangegeven dat de opmerking in het beroepschrift dat de Commissie de beslistermijn voor de bezwaarschriften heeft overschreden niet als beroepsgrond is bedoeld, maar als uiting van irritatie. De rechtbank zal daarom een oordeel daarover achterwege laten.

De rechtbank overweegt vervolgens dat artikel 7:11, eerste lid, van de Awb niet in de weg staat aan het verbeteren/aanvullen van de motivering van een primair besluit. De bezwaarprocedure is juist bedoeld voor een volledige heroverweging en het herstel van gebreken in de primaire besluitvorming. Schending van het beginsel van fair trial als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is in de bezwaarfase niet aan de orde. Volledigheidshalve zij overwogen dat eiser in deze fase voldoende gelegenheid heeft gehad om middels de gronden van bezwaar en de hoorzitting zijn standpunt aan de Commissie kenbaar te maken.

De rechtbank dient in dit geding de vraag te beantwoorden of de Commissie terecht de uitkering over juni 2012 heeft ingetrokken en teruggevorderd en over juli 2012 heeft ingetrokken.

De rechtbank zal eerst het standpunt van de Commissie dat eiser zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf bespreken.

In zijn uitspraak van 9 november 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY3507) heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geoordeeld dat onder zich onttrekken als bedoeld in artikel 8c, tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet is te verstaan de situatie waarin een onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel nog niet ten uitvoer is gelegd, de veroordeelde in verband daarmee in het opsporingsregister is opgenomen en door Justitie inmiddels tevergeefs één of meer pogingen zijn ondernomen tot tenuitvoerlegging van de straf of maatregel. De CRvB heeft in zijn uitspraak van 19 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB: 2013:1240) overwogen dat deze uitleg ook geldt voor artikel 43, zesde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat deze uitleg eveneens geldt voor artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb.

De rechtbank stelt vast dat de vrijheidsstraffen waartoe eiser was veroordeeld nog voor de in dit geding te beoordelen periode van 1 juni 2012 tot en met 31 juli 2012 onherroepelijk zijn geworden en dat eiser daarmee bekend was. De rechtbank constateert vervolgens dat eiser deze straffen in deze periode nog niet had uitgezeten.

Bij de beoordeling of eiser zich aan de tenuitvoerlegging van de straffen heeft onttrokken is de Commissie uitgegaan van, zoals blijkt uit het rapport van 28 augustus 2012, een signaal van het Inlichtingenbureau. De gemachtigde van de Commissie heeft ter zitting verklaard dat het signaal niet al op 17 augustus 2012 is ontvangen, zoals is vermeld in voormeld rapport, maar op 27 april 2012.

De rechtbank stelt vast dat eiser in het kader van de zelfmeldprocedure ter executie van de onherroepelijke vonnissen een oproep heeft gekregen om zich op 2 oktober 2011 te melden in de PI [plaats] . Eiser is niet verschenen, omdat hij daarvoor naar eigen zeggen te ziek was. Eiser stelt ook dat hij zich die dag telefonisch heeft afgemeld bij de PI [plaats] en dat hem toen is verteld dat de consequenties voor hem waren. Eiser heeft naar eigen zeggen daarna niets meer van het CJIB vernomen over de tenuitvoerlegging van de straffen. Eiser had naar het oordeel van de rechtbank dan ook redelijkerwijs kunnen weten dat hij in het opsporingsregister zou worden opgenomen. Dit wordt bevestigd door de brief van het CJIB van 7 maart 2013, waarin het CJIB de gang van zaken beschrijft als een veroordeelde zich niet meldt bij een PI. Volgens het CJIB ontvangt een veroordeelde eenmalig een oproep om zijn straf te ondergaan in een PI en is het op eigen verantwoording als hij zich dan niet meldt.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat het CJIB in de brief van 7 maart 2013 heeft verklaard dat door het zich niet melden op 2 oktober 2011 er een arrestatiebevel bij de politie is aangeboden op 26 oktober 2011; de politie heeft dat bevel geretourneerd aan het CJIB op 24 april 2012 met de mededeling dat eiser niet was aangetroffen op het adres [adres] in [woonplaats] . De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij in de tussenliggende periode op voormeld adres woonde. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de politie tevergeefs één of meer pogingen heeft ondernomen om tot tenuitvoerlegging van de straffen te komen.

Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat met betrekking tot de strafvonnissen van 9 maart en 6 april 2010 en 22 maart 2011 er in de periode 1 juni tot en met 31 juli 2012 sprake was van onttrekking aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb. Gelet op dwingendrechtelijke karakter van deze bepaling, had eiser daarom geen recht op bijstand. Dat eiser, zoals hij ter zitting heeft verklaard, zich enkele dagen na 2 oktober 2011 heeft gemeld bij politiebureau [plaats3] en men hem daar zou hebben verteld dat hij maar moest afwachten tot de politie hem zou komen halen, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan hetgeen eiser op 2 oktober 2011 van PI [plaats] te horen heeft gekregen en wordt bevestigd in de brief van het CJIB van 7 maart 2013.

Eiser heeft niet gesteld dat zich zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Wwb voordoen.

Naar het oordeel van de rechtbank had eiser reeds op 2 oktober 2011 onverwijld aan de Commissie moeten melden dat hij zich had onttrokken aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de Commissie op andere wijze, via het veelplegersoverleg of via de casemanager, hiervan op de hoogte is geraakt. Eisers beroep op de in artikel 17, eerste lid, tweede zin, van de Wwb vermelde administraties slaagt niet, reeds omdat de daarin genoemde ministeriële regeling ten tijde in geding nog niet was vastgesteld.

De schending van de inlichtingenverplichting heeft tot gevolg gehad dat aan eiser over de periode 1 juni 2012 tot en met 31 juli 2012 te veel bijstand is verleend. Het college was daarom bevoegd om de over die periode verleende bijstand in te trekken. Hieraan doet niet af dat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen pas in augustus/september 2012 heeft plaatsgevonden. Het zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf is immers een andere uitsluitingsgrond dan het rechtens ontnomen zijn van de vrijheid van een betrokkene. De rechtbank is niet gebleken dat de Commissie niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Gelet op het voorgaande was voorts voldaan aan de voorwaarden om de uitkering over juni 2012 terug te vorderen. De rechtbank is niet gebleken dat de Commissie niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

5.

Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Tolner, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.