Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:1283

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
276537 HA RK 14-24
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking in bestuurszaak met procedurenummer BRE 13/5271 IB/PVV is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Procedurenummer: 276537 HA RK 14-24

Beslissing van 25 februari 2014 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen verzoeker.

1 Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

  • -

    het van verzoeker op 28 januari 2014 ingekomen wrakingsverzoek, gericht tegen mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, behandelend rechter in de hierna te noemen zaak;

  • -

    de processtukken zoals opgenomen in het zaakdossier van de hierna te noemen procedure;

  • -

    de brief van de belastingdienst van 5 februari 2014, verweerder in de hierna te noemen procedure;

  • -

    de brief van verzoeker van 11 februari 2014, met bijlagen, en

  • -

    de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer op 19 februari 2014, waarbij zijn verschenen verzoeker en mr. Beukers-van Dooren, beiden voornoemd.

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van mr. Beukers-van Dooren, hierna te noemen de rechter, belast met de behandeling van het door verzoekster ingestelde beroep ex Awb, met procedurenummer BRE 13/5271 IB/PVV.

2.2.

De rechter berust niet in het verzoek tot haar wraking.

3 De feiten en de gronden van wraking

3.1.

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak van de inspecteur van de belastingdienst op zijn bezwaarschrift tegen de aan verzoeker opgelegde (en gewijzigde) aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2010. Bij die uitspraak is het door verzoeker daartegen ingediende bezwaarschrift (deels) ongegrond verklaard.

3.2.

De mondelinge behandeling van het beroep is vastgesteld op 11 maart 2014 om 09.30 uur, voor welke behandeling verzoeker op 10 januari 2014 is uitgenodigd en waarbij onder meer is meegedeeld de naam van de behandelend rechter.

3.3.

Als reden voor zijn wrakingsverzoek voert verzoeker aan, dat hij al eerder voor een exact zelfde zaak bij deze rechter is geweest. Dit heeft geresulteerd in een (mondelinge) gegrondverklaring op de zitting, maar wat later is gevolgd door een schriftelijke ongegrondverklaring. Het ter zake opgemaakte en aan verzoeker toegezonden proces-verbaal is volgens hem niet waarheidsgetrouw en bovendien niet ondertekend. Verzoeker meent dat hij om die reden niet kan vertrouwen op een onpartijdige behandeling van zijn huidige beroepszaak door dezelfde rechter.

3.4.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoeker volhard bij zijn aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegde motief, waarbij hij nog heeft toegelicht, dat de rechter bij de behandeling ter zitting van zijn eerdere beroepszaak aan hem heeft meegedeeld “U heeft gelijk”, terwijl zijn beroep nadien in het door hem ontvangen en niet ondertekende proces-verbaal van uitspraak ongegrond is verklaard.

4 Het standpunt van de rechter

De rechter voert aan dat zij, ofschoon zij zich het exacte verloop van de mondelinge behandeling van de eerdere beroepszaak van verzoeker niet meer kan herinneren, het uitgesloten acht dat zij al op de betreffende zitting mondeling uitspraak heeft gedaan. Zij pleegt dit, behoudens een enkele uitzondering, waarbij al op de zitting de beslissing onmiskenbaar komt vast te staat, nimmer te doen. Van een dergelijke uitzondering was in de betreffende zaak zeker geen sprake, zodat zij, zoals gebruikelijk, de daarvoor beschikbare tijd heeft genomen om tot haar beslissing te komen.

Van enige vooringenomenheid ten aanzien van de nieuwe, nog te behandelen zaak is dan ook reeds daarom volgens haar geen sprake, zodat het wrakingsverzoek behoort te worden afgewezen.

5 Het standpunt van de Belastingdienst

In de hiervoor onder 1. aangehaalde brief van 5 februari 2014 is namens de inspecteur van de belastingdienst meegedeeld dat deze ten aanzien van het wrakingsverzoek geen op- of aanmerkingen heeft.

6 De beoordeling en de gronden daarvoor

6.1.

Ingevolge artikel 8:15 Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

6.2.

Daarbij moet voorop worden gesteld dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter als uitgangspunt dient, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

6.3.

Naar het oordeel van de wrakingskamer doet zich een dergelijke omstandigheid in het onderhavige geval niet voor.

6.4.

Niet aannemelijk is, dat de rechter in een eerdere soortgelijke beroepszaak van verzoeker op de betreffende zitting mondeling uitspraak zou hebben gedaan, waarbij zij het beroep van verzoeker gegrond heeft verklaard, terwijl nadien in het proces-verbaal van de uitspraak anders is beslist. De rechter heeft dit uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken en er bestaat geen enkele aanwijzing die verzoekers stelling ook maar in enige mate waarschijnlijk maakt. Evenmin kan in de omstandigheid dat aan verzoeker een niet ondertekend exemplaar van het proces-verbaal van uitspraak is toegezonden, een gerechtvaardigde grond voor vooringenomenheid worden gevonden.

6.5.

Nu door verzoeker geen verdere wrakingsgronden zijn aangevoerd, dient zijn wrakingsverzoek te worden afgewezen.

7 De beslissing

De rechtbank

  • -

    wijst het verzoek tot wraking af;

  • -

    bepaalt dat de behandeling van de zaak met procedurenummer BRE 13/5271 IB/PVV zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.

Deze beslissing is gegeven op 25 februari 2014 door mrs. G.J.E. Poerink, M. Breeman en B.F.Th. de Roos, in tegenwoordigheid van A.C.L.M. de Jong, griffier en in het openbaar uitgesproken. Deze beslissing is ondertekend door mr. Breeman, nu mr. Poerink daartoe buiten staat is

--