Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:1282

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-02-2014
Datum publicatie
04-03-2014
Zaaknummer
02/700287-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brandstichting Oostburg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/700287-13

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 februari 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Middelburg, locatie Torentijd, te Middelburg,

raadsman mr. H.A.C. Klein Hesselink, advocaat te Terneuzen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 februari 2014, waarbij de officier van justitie mr. E.H. Smale en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Aan verdachte wordt, met inachtneming hiervan, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 augustus 2013 te Sluis, gemeente Sluis,

opzettelijk brand heeft gesticht in een of meer slaapkamer(s) in een woning

gelegen aan de [Straat 1],

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (telkens) (een) doek(en) en/of

(een) laken(s) en/of (een) matras(sen) en/of (een) bed(den)/ombouw met een

aansteker aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking

gebracht met (een) laken(s) en/of (een) doek(en) en/of (een) matras(sen) en/of

(een) bed(den)/ombouw, althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan een of meer slaapkamer(s), althans het interieur van die

slaapkamer(s) behorende tot die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn

verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor (het interieur) van die woning en/of (een)

belendende woning(en)/pand(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen te

duchten was;

(zaak 3 van het dossier)

2.

hij op of omstreeks 26 juli 2013 te Sluis (gemeente Sluis), opzettelijk brand

heeft gesticht in een schuur/garage (behorend bij een woning gelegen aan [Straat 3]

[Straat 3]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende

aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een

tapijttegel en/of een tuinslang en/of papier, in elk geval (een) gemakkelijk

brandba(a)r(e) stof(fen)/voorwerp(en), althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan een houten rek in die schuur/garage geheel of gedeeltelijk

is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar

voor een of meer belendende schu(u)r(en) en/of garage(s) en/of voorwerp(en)

die naast/in die schuur/berging stonden/lagen, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen, te duchten was;

(zaak 2 van het dossier)

3.

hij op of omstreeks 26 augustus 2013 te Sluis, gemeente Sluis

opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een coniferenhaag (behorend tot het

perceel [Straat 2]),

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker, in elk

geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) conife(e)r(en),

althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan die haag, geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval

brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die haag en/of een kliko en/of voor

voorwerp(en) grenzend aan die haag en/of (een) nabijgelegen garage(s) en/of

(een) schu(u)r(en), althans (een) nabijgelegen pand(en), in elk geval gemeen

gevaar voor goederen, te duchten was;

(zaak 4 van het dossier)

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van verdachte, de aangiftes en de processen-verbaal betreffende de meldingen en constateringen van de branden. Ten aanzien van feit 1 heeft zij ook gewezen op het proces-verbaal brandonderzoek van forensische opsporing. Uit dit proces-verbaal blijkt dat er sprake was van twee brandhaarden: één in de kleine slaapkamer en één in de ouderslaapkamer. Zij gaat er daarom vanuit dat verdachte in beide slaapkamers brand heeft gesticht. Zij ziet geen aanleiding om aan te nemen dat een andere persoon dan verdachte bijna tegelijkertijd in dezelfde woning in een andere slaapkamer brand heeft gesticht.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft de feiten bekend. Ten aanzien van feit 1 heeft verdachte naar voren gebracht dat hij zich niet kan herinneren dat hij in twee slaapkamers brand heeft gesticht. In zijn herinnering heeft hij in één slaapkamer brand gesticht.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat de feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 10 februari 2014 en bij de politie2;

- de aangifte van [Slachtoffer 1]3;

- het proces-verbaal van bevindingen betreffende de melding van de brand en het ter plaatse gaan van de politie4;

- het proces-verbaal brandonderzoek forensische opsporing5;

- kleurenfoto’s die de positie van de woning ten opzichte van andere panden tonen en die de schade tonen die de brand heeft aangericht6.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 10 februari 2014 en bij de politie7;

- de aangifte van [Aangever 1] namens [Slachtoffer 2]8;

- het proces-verbaal van bevindingen betreffende de melding van de brand en het ter plaatse gaan van de politie9.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 10 februari 2014 en bij de politie10;

- de aangifte van [Aangever 2], namens [Slachtoffer 3]11;

- het proces-verbaal van bevindingen betreffende de melding van de brand en het ter plaatse gaan van de politie12.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op of omstreeks 19 augustus 2013 te Sluis, gemeente Sluis,

opzettelijk brand heeft gesticht in een of meer slaapkamer(s) in een woning

gelegen aan de [Straat 1],

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (telkens) (een) doek(en) en/of

(een) laken(s) en/of (een) matras(sen) en/of (een) bed(den)/ombouw met een

aansteker aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking

gebracht met (een) laken(s) en/of (een) doek(en) en/of (een) matras(sen) en/of

(een) bed(den)/ombouw, althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan een of meer slaapkamer(s), althans het interieur van die

slaapkamer(s) behorende tot die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn

verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor (het interieur) van die woning en/of (een)

belendende woning(en)/pand(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen te

duchten was.

2.

op of omstreeks 26 juli 2013 te Sluis (gemeente Sluis), opzettelijk brand

heeft gesticht in een schuur/garage (behorend bij een woning gelegen aan [Straat 3]

[Straat 3]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende

aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een

tapijttegel en/of een tuinslang en/of papier, in elk geval (een) gemakkelijk

brandba(a)r(e) stof(fen)/voorwerp(en), althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan een houten rek in die schuur/garage geheel of gedeeltelijk

is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar

voor een of meer belendende schu(u)r(en) en/of garage(s) en/of voorwerp(en)

die naast/in die schuur/berging stonden/lagen, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen, te duchten was.

3.

op of omstreeks 26 augustus 2013 te Sluis, gemeente Sluis

opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een coniferenhaag (behorend tot het

perceel [Straat 2]),

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker, in elk

geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) conife(e)r(en),

althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan die haag, geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval

brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die haag en/of een kliko en/of voor

voorwerp(en) grenzend aan die haag en/of (een) nabijgelegen garage(s) en/of

(een) schu(u)r(en), althans (een) nabijgelegen pand(en), in elk geval gemeen

gevaar voor goederen, te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Omtrent verdachtes geestvermogens ten tijde van het begaan van het tenlastegelegde is op 26 november 2013 gerapporteerd door gedragsdeskundige drs. J.F.L.M. van Kemenade, gezondheidszorgpsycholoog. Hij heeft geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van alcoholafhankelijkheid, en van antisociale en narcistische persoonlijkheidstrekken. Volgens de gedragsdeskundige is verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar vanwege zijn inadequate sociale vaardigheden. Hij is onvoldoende in staat om conflicten met anderen op een beheerste wijze op te lossen.

Gelet op de inhoud van het rapport van de gedragsdeskundige is de rechtbank van oordeel dat de feiten verdachte licht verminderd aangerekend kunnen worden. Deze verminderde toerekenbaarheid sluit de strafbaarheid van de verdachte echter niet uit, zodat verdachte strafbaar is. Niet gebleken is van een verdere omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, waarbij de bijzondere voorwaarden worden gesteld zoals opgenomen in het reclasseringsadvies, te weten reclasseringstoezicht, ambulante behandeling bij De Waag – en indien nodig een klinische behandeling in verband met detoxificatie - en verblijf bij Hoeve La Salette.

In haar eis heeft zij rekening gehouden met het door verdachte bekende ad informandum gevoegde feit.

De branden hebben flinke onrust in de buurt veroorzaakt. Verdachte pleegde de feiten in een relatief korte tijdspanne. In de strafeis is voorts rekening gehouden met het feit dat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar was en met zijn overige persoonlijke omstandigheden, alsmede met de richtlijnen voor soortgelijke feiten.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gewezen op de (alcohol)problematiek die bij verdachte speelt. Door het gebruik van alcohol vielen remmingen weg. Abstinentie van alcohol en behandeling zijn nu belangrijk. Uit de rapportage van de reclassering blijkt dat er plaats is voor verdachte bij Hoeve La Salette. Het is zinvoller om nu met de behandeling te starten dan om verdachte eerst nog een lange gevangenisstraf te laten ondergaan. De verdediging verzoekt derhalve de onvoorwaardelijke gevangenisstraf te matigen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag welke straf of maatregel aan verdachte moet worden opgelegd houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder het is begaan, en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft in de zomer van 2013 branden gesticht in de omgeving van zijn woonhuis en in de woning van een vriend van hem. Vooral de laatste brand heeft grote schade tot gevolg gehad. Door zo te handelen heeft verdachte schade aan goederen van anderen veroorzaakt. Zijn handelen heeft gevoelens van onrust en onveiligheid in zijn woonplaats teweeg gebracht.

Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 januari 2014 is verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld. Bij de bepaling van de hierna te noemen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat aan verdachte een straf is opgelegd op 30 juli 2013 door de politierechter te Breda en nu schuldig wordt verklaard aan een misdrijf voorafgaand aan die strafoplegging gepleegd, te weten het bewezenverklaarde feit 2.

De reclassering heeft in haar rapporten van 11 december 2013 en 7 februari 2014 naar voren gebracht dat in de laatste zes maanden sprake was van excessief alcoholgebruik en alcoholafhankelijkheid. Bij verdachte is sprake van een gebrekkige coping. Hij neigt te vluchten in alcoholgebruik. Verdachte wil leren omgaan met zijn frustraties en is gemotiveerd om te veranderen. Hij is leerbaar, hoewel alcoholgebruik, en de onzekerheid rondom werk, financiën en zijn relatie een verandering deels in de weg staan. Verdachte zal gebaat zijn bij ambulante behandeling bij een forensische polikliniek zoals De Waag. Omdat inmiddels duidelijk is geworden dat verdachte na zijn detentie niet naar huis kan, en het niet wenselijk is dat verdachte bij zijn ouders gaat wonen, is een tijdelijke opname in Hoeve La Salette aangewezen. Daar is plaats voor verdachte, ongeacht wanneer zijn detentie zal eindigen.

De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met daarbij de volgende bijzondere voorwaarden:

  • -

    meldplicht;

  • -

    het volgen van een ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke ambulante forensische zorg, waarbij het van belang is dat een kortdurende klinische opname ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek kan plaatsvinden binnen dit ambulante traject;

  • -

    opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten Hoeve La Salette te Vogelwaarde.

Hoewel verdachte in eerste instantie niet in Hoeve La Salette wilde verblijven, heeft hij ter terechtzitting verklaart dat hij daartoe toch bereid is.

Gedragsdeskundige Van Kemenade heeft in zijn bovengenoemd rapport naar voren gebracht dat verdachtes inadequate omgang met gevoelens van onmacht – vooral als deze voortkomen uit financiële problematiek – en beperkte sociale vaardigheden factoren vormen die van belang zijn voor de kans op recidive. Hij adviseert op te leggen een deels voorwaardelijke straf, waarbij als bijzondere voorwaarden worden gesteld:

  • -

    ambulante behandeling om abstinentie van alcohol te bereiken, welke behandeling mogelijk is bij De Waag;

  • -

    het volgen van een sociale vaardigheidstraining;

  • -

    toezicht door de verslavingsreclassering.

De rechtbank heeft bij de strafbepaling rekening gehouden met het volgende door verdachte bekende en ad informandum op de dagvaarding vermelde strafbare feit:

14 juli 2013, Sluis, gem. Sluis, brandstichting [Straat 4] te Sluis, zaak 1 van het dossier.

Gezien de aard en de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en gelet op de adviezen van de reclassering en de gedragsdeskundige is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar rechtdoet. De rechtbank neemt de door de officier van justitie gevorderde bijzondere voorwaarden over, met uitzondering van de klinische opname ter detoxificatie. De rechtbank neemt dit onderdeel niet over, nu verdachte reeds circa zes maanden gedetineerd is en in die periode abstinent is geweest van alcohol, waardoor zij ook gelet op de overige bijzondere voorwaarden, geen noodzaak ziet in het opleggen van deze bijzondere voorwaarde.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te

duchten is;

feit 2: Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te

duchten is;

feit 3: Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te

duchten is;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 27 (zevenentwintig) maanden, waarvan 12 (twaalf) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht niet ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich op de datum van zijn invrijheidstelling moet melden bij de verslavingsreclassering van Emergis op het adres Vrijlandstraat 33e te Middelburg. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* dat verdachte zich laat behandelen bij de forensische polikliniek van ‘De Waag’ of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling zullen worden gegeven;

* dat verdachte zich vanaf de datum van zijn invrijheidstelling laat opnemen in de ‘Hoeve La Salette' te Vogelwaarde of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, en zich te houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.M. de Jager, voorzitter, mr. H.K.N. Vos en mr. J.J.A. Groen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 februari 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt, tenzij anders vermeld, bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door één of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer wordt verwezen naar dossierpagina’s betreffen dit de doorgenummerde pagina’s van het dossier van de Regiopolitie Zeeland, nummer PL193E-2013073553 Z.

2 Pagina 64, zevende en achtste alinea.

3 Pagina 101.

4 Pagina 99, vierde, vijfde, zevende en negende alinea.

5 Pagina’s 181, 183 (onder ‘1e verdieping’) en 185, tweede, derde en vierde alinea.

6 Pagina’s 187,191, 197 tot en met 216.

7 Pagina 61, vierde en zevende alinea, en pagina 62, zesde en twaalfde alinea.

8 Pagina 95, en pagina 96, eerste alinea.

9 Pagina 94.

10 Pagina 54, laatste alinea.

11 Pagina 226.

12 Pagina 218, tweede en derde alinea.