Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:1168

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
24-02-2014
Zaaknummer
2397200-CV-13-8187
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag op grond van het gevolgencriterium. Aan werknemer, die op het moment van ontslag 36 jaar oud en 14 jaar bij de werkgever in dienst is, wordt, rekening houdend met de omstandigheden van het geval, een schadevergoeding toegekend van € 3.023,- bruto. Dit bedrag stelt de werknemer in staat om, in aanvulling op de WW-uitkering, gedurende een periode van 4 maanden zonder teruggang in inkomen uit te kijken naar een andere functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0189
AR 2014/7

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Tilburg

zaaknummer 2397200 CV EXPL 13-8187

vonnis van 12 februari 2014

inzake

[VOORNAAM] [eiser] ,

wonende te [woonplaats 2],

eiser,

gemachtigde: J.A.T. Joore,

tegen:

de besloten vennootschap

[gedaagde] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te [woonplaats 2],

gedaagde,

gemachtigde: mr. A.A.H. Zegers, advocaat te Tilburg.

Partijen zullen hierna door de kantonrechter[eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

a. het tussenvonnis van 6 november 2013 en de daarin genoemde stukken;

b. de brief van de gemachtigde van[eiser] van 2 december 2013, met producties;
c. de aantekeningen van de griffier met betrekking tot de comparitie van partijen van

10 december 2013.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen van partijen en de

overgelegde producties gaat de kantonrechter uit van de volgende feiten:

a.[eiser], geboren op 31 augustus 1977, is op grond van een schriftelijke arbeidsovereen-komst per 16 augustus 1999 in dienst getreden bij [gedaagde]. Laatstelijk was[eiser] werk-zaam als stoffeerder op de afdeling stoffeerderij tegen een salaris van € 2.331,99 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag.

b. Op 27 mei 2013 heeft [gedaagde] aan het UWV toestemming gevraagd het dienstverband met 6 werknemers, waaronder[eiser], te mogen beëindigen op grond van bedrijfseconomische omstandigheden. Bedoelde werknemers waren werkzaam op de productieafdelingen snijderij, stikkerij en stoffeerderij.

c.[eiser] heeft in de procedure bij het UWV verweer gevoerd.

d. Bij beschikking van 20 juni 2013 heeft het UWV aan [gedaagde] toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst van[eiser] (en de 5 andere werknemers die voor ontslag waren voorgedragen) op te zeggen op grond van bedrijfseconomische omstandigheden. In de beschikking is onder meer het volgende vermeld: “Wij achten het niet alleen redelijk doch ook begrijpelijk dat bij een omzetvermindering de inkrimping plaatsvindt op de productieafdelingen. (...) Aangevoerd is dat één van de Stoffeerders waarvan u heeft aangegeven dat deze een unieke functie vervult, in feite dezelfde werkzaamheden verricht als de andere Stoffeerders en dat het betrekkelijk kleine deel van het werk voor deze werknemer dat voor een bepaald merk wordt verricht, op korte termijn komt te vervallen. Gelet hierop hebben wij vragen met betrekking tot de toepassing van het afspiegelingsbeginsel. Wij constateren echter dat ook in het geval wij de genoemde werknemer in de afspiegeling van de productieafdelingen meenemen, werknemer voor ontslag in aanmerking komt.”

e. Bij brief van 24 juni 2013 heeft [gedaagde] de arbeidsovereenkomst met[eiser] opgezegd tegen 1 september 2013.

3 De vordering en het verweer

3.1

Wouters vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:
1. [gedaagde] ingevolge het bepaalde in artikel 7:682 lid 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna verder afgekort als BW) zal veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen en[eiser] weer tot zijn eigen werk en in zijn eigen functie toe te laten op basis van de oorspronkelijk geldende voorwaarden en een voorziening te treffen omtrent de rechtsgevolgen van de onderbreking;

Subsidiair:
2. [gedaagde] zal veroordelen tot het betalen van een afkoopsom gelijk aan de richtlijn van het kantonrechtersconvenant 2013, onder toepassing van C=2, overeenkomend met een bedrag van € 37.778,- bruto;
dan wel een bedrag dat de kantonrechter redelijk en billijk voorkomt;

3. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 5.000,- aan compensatie pensioenschade, te vermeerderen met de wettelijke rente;

4. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 225,- aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;

5. [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2

[gedaagde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van[eiser], met veroordeling van[eiser] in de proceskosten.

3.3

Op wat[eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd en [gedaagde] in reactie daarop heeft aangevoerd, zal, voor zover van belang, hierna in de beoordeling worden ingegaan.


4. De beoordeling

4.1

De kantonrechter dient eerst te beoordelen of sprake is van kennelijke onredelijke opzegging. Pas als wordt aangenomen dat het ontslag kennelijk onredelijk is, komt de kwestie van het herstel van het dienstverband of de (hoogte van de) schadevergoeding aan de orde.[eiser]

4.2

[eiser] heeft aan zijn vordering allereerst ten grondslag gelegd dat [gedaagde] het dienstverband met hem kennelijk onredelijk heeft opgezegd omdat [gedaagde] het in de UWV-procedure ten onrechte heeft doen voorkomen dat:
a. [VOORLETTER] [naam 1], de collega van[eiser], die feitelijk volgens het afspiegelingsbeginsel in plaats van hem voor ontslag in aanmerking zou moeten komen, een unieke, niet door[eiser] beklede functie zou vervullen;

b. op de afdeling stoffeerderij al lange tijd een overcapaciteit aan bekwame stoffeerders zou bestaan;

c. alle functies binnen de getroffen productieafdelingen uitwisselbaar zouden zijn.

4.3

[gedaagde] heeft betwist dat er sprake is van een kennelijke onredelijke opzegging.
blijft van mening dat [naam 1] specialistische werkzaamheden verricht die hem niet uitwisselbaar maken. Echter, ook met een UWV-aanvraag waarin [naam 1] wèl als uitwisselbaar zou zijn aangemerkt, zou[eiser] nóg voor ontslag in aanmerking zijn gekomen, zoals het UWV in de ontslagbeslissing ook heeft geconstateerd.
Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat er wel degelijk een overcapaciteit op de afdeling stoffeerderij was, die inkrimping van het personeelsbestand noodzakelijk maakte.
Ten slotte heeft [gedaagde] ook haar standpunt gehandhaafd dat alle functies binnen de getroffen productieafdelingen uitwisselbaar zijn.

4.4

De kantonrechter stelt voorop dat hem geenszins gebleken is dàt, laat staan waarom, [naam 1] een unieke functie bekleedde. Echter uitgaande van de situatie dat [naam 1] geen unieke functie bekleedde en dus in de afspiegeling zou zijn meegenomen, moet met het UWV worden vastgesteld dat[eiser] dan nog steeds voor ontslag in aanmerking zou zijn gekomen. De toepasselijke Beleidsregels Ontslagtaak UWV (bladzijde 12-7) schrijven voor dat per categorie uitwisselbare functies van de bedrijfsvestiging onder toepassing van het afspiegelingsbeginsel dient te worden bepaald welke werknemer voor ontslag dient te worden voorgedragen. In dat geval zouden [naam 1] (in plaats van [naam 2]) en[eiser] in het leeftijdscohort 35 tot en met 44 voor ontslag in aanmerking zijn gekomen (zie producties 6 en 6.1 bij de dagvaarding). Van een kennelijk onredelijk ontslag ten opzichte van[eiser] kan vanwege deze misslag van [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter dan ook geen sprake zijn. Wel is deze misslag van [gedaagde] laakbaar en de kantonrechter zal daarop hierna in rechtsoverweging 4.9 nog terugkomen.
Met betrekking tot de kwestie van de overcapaciteit stelt de kantonrechter vast dat de reden voor de ontslagaanvraag voor[eiser] was gelegen in de verslechterde bedrijfseconomische positie van [gedaagde]. [gedaagde] heeft, mede aan de hand van in de procedure bij het UWV overgelegde financiële cijfers, naar het oordeel van de kantonrechter voldoende onderbouwd dat haar bedrijfseconomische positie de laatste jaren in relevante mate is verslechterd en dat er sprake was van overcapaciteit, óók op de afdeling stoffeerderij. Bovendien moet het in beginsel aan de (beleids)vrijheid van een ondernemer worden gelaten om te bepalen op welke wijze en waar in de onderneming zal worden ingegrepen, ook al zou die ingreep leiden tot onderbezetting op de afdeling stoffeerderij zoals[eiser] tijdens de comparitie van partijen naar voren heeft gebracht.
Verder constateert de kantonrechter dat[eiser] voor het eerst tijdens de comparitie van partijen heeft aangevoerd dat de functies binnen de getroffen productieafdelingen niet onderling uitwisselbaar zijn.[eiser] heeft dit argument in de UWV-procedure niet naar voren gebracht, zodat het UWV daarmee geen rekening heeft kunnen houden en op basis van de op dat moment beschikbare informatie naar het oordeel van de kantonrechter tot een juiste beoordeling is gekomen. [gedaagde] heeft tijdens de comparitie van partijen de stelling van[eiser] betwist en haar standpunt gehandhaafd dat de functies binnen de getroffen productieafdelingen wel degelijk onderling uitwisselbaar zijn. De kantonrechter kan in het midden laten wie hierin het gelijk aan zijn/haar kant heeft. Want ook als de functies niet uitwisselbaar zouden zijn en [gedaagde] dus per productieafdeling naar de te vervallen functies gekeken had, waarbij op de afdeling stoffeerderij 2 arbeidsplaatsen hadden moeten komen te vervallen, zouden[eiser] en [naam 1] (in plaats van [naam 2]) via het last in-first out beginsel voor ontslag in aanmerking zijn gekomen (zie productie 6 bij de dagvaarding).

4.5

De conclusie van het bovenstaande is dat de in rechtsoverweging 4.2 door[eiser] genoemde gronden niet tot een kennelijk onredelijk ontslag leiden.

4.6

Op het punt van de door[eiser] vervolgens ook aan de orde gestelde onevenredige hardheid van de gevolgen van het ontslag die het ontslag alsnog tot een kennelijk onredelijk ontslag zouden maken, geldt het volgende.

4.7

De kantonrechter stelt voorop dat bij de beoordeling of een opzegging van een arbeidsovereenkomst als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt vanwege het zogenoemde gevolgencriterium maatstaf is of, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor de werknemer bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. Daarbij dienen alle omstandigheden zoals deze zich niet later dan op het tijdstip van ingang van het ontslag voordeden in aanmerking te worden genomen. Nadien intredende omstandigheden kunnen slechts in aanmerking worden genomen voor zover zij aanwijzingen opleveren voor wat niet later dan op voormeld tijdstip kon worden verwacht. De enkele omstandigheid dat de werknemer zonder toekenning van een vergoeding is ontslagen, levert in het algemeen geen grond op voor toewijzing van een vordering als bedoeld in artikel 7:68 lid 1 BW. Daartoe dienen bijzondere omstandigheden te worden gesteld en zo nodig bewezen, die in de kern inhouden dat het ontslag is gegeven in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap.

4.8

De kantonrechter acht de volgende omstandigheden van belang voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een kennelijke onredelijke opzegging.

Opzeggingsgrond

4.8.1

Met betrekking tot de opzegging van de arbeidsovereenkomst van[eiser] kan worden vastgesteld dat deze heeft plaatsgevonden in verband met bedrijfseconomische omstandigheden. Deze reden van opzegging is geheel gelegen in de risicosfeer van [gedaagde].

Duur dienstverband, leeftijd bij einde dienstverband, wijze functioneren

4.8.2

Verder kan worden vastgesteld dat[eiser] ten tijde van de opzegging 36 jaar oud was en dat hij op dat moment bijna 14 jaar bij [gedaagde] in dienst was. De kantonrechter gaat ervan uit dat[eiser] gedurende het dienstverband behoorlijk heeft gefunctioneerd, nu het tegendeel door [gedaagde] niet is gesteld.

Ander (passend) werk

4.8.3

Niet gebleken is dat er een andere passende functie voor[eiser] beschikbaar was binnen de onderneming van [gedaagde].

Kansen op de arbeidsmarkt

4.8.4

De kansen van[eiser] op de arbeidsmarkt zijn naar het oordeel van de kantonrechter niet slecht. Dit blijkt ook wel uit het feit dat[eiser] omstreeks augustus/september 2013, daartoe getipt door [gedaagde], bij een concurrerend bedrijf van [gedaagde] in Beneden Leeuwen in dienst had kunnen treden. Vanwege privé-gezinsomstandig-heden, waarbij de afstand (75 kilometer enkele reis) het grootste probleem was, heeft[eiser] deze baan echter aan zich voorbij laten gaan.

Financiële gevolgen van de opzegging

4.8.5

Voldoende staat vast dat[eiser] na zijn ontslag geconfronteerd is met een achteruitgang in zijn inkomsten, nu hij in plaats van salaris een (lagere) WW-uitkering ontvangt.

Geboden voorziening

4.8.6

[gedaagde] heeft geen vergoeding aan[eiser] aangeboden. Ook aan de andere voor ontslag in aanmerking gebrachte werknemers is geen vergoeding aangeboden. Haar financiële situatie laat dat volgens [gedaagde] niet toe.

Conclusie met betrekking tot de kennelijke onredelijkheid

4.9.

In aanmerking nemend de duur van het dienstverband, het feit dat niet gebleken is van slecht functioneren van[eiser], de door[eiser] geleden inkomensschade en het feit dat de ontslaggrond geheel in de risicosfeer van [gedaagde] ligt, is de kantonrechter van oordeel dat dit ontslag, zonder in redelijkheid te treffen voorzieningen om het ontslag enigszins te verzachten, kennelijk onredelijk is. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden had van [gedaagde] als goed werkgever mogen worden verwacht dat zij enig flankerend beleid had getroffen ter verzachting van de schadelijke gevolgen van het ontslag voor[eiser]. Bij dat oordeel heeft de kantonrechter in dit geval ook meegewogen dat [gedaagde] de functie van [naam 1] ten onrechte als een unieke functie heeft aangemerkt.[eiser] is hierdoor weliswaar niet benadeeld, maar dit neemt niet weg dat de kantonrechter zich het ongenoegen bij[eiser] goed kan voorstellen nu [naam 1] als gevolg van deze onjuiste handeling van [gedaagde] nog wel werkzaam is voor [gedaagde] en[eiser], met een langer dienstverband dan [naam 1], niet. Blijkbaar is een en ander uiteindelijk ten koste gegaan van[VOORLETTER] [woonplaats 2] (zie productie 6.1 bij de dagvaarding).
Ten slotte heeft de kantonrechter ook uitdrukkelijk rekening gehouden met de financiële positie van [gedaagde] ten tijde van het ontslag. Die financiële positie neemt echter niet weg dat, afgewogen tegen de andere omstandigheden van het geval, betaling van enige vorm van schadevergoeding aan[eiser] had mogen worden verlangd van [gedaagde], hetgeen uiteindelijk niet is gebeurd.
4.10[eiser] heeft, bij een kennelijk onredelijk ontslag, allereerst herstel van de arbeidsovereenkomst gevorderd. Gelet op het bepaalde in artikel 7:682 lid 1 van het BW gaat het echter om een discretionaire rechterlijke bevoegdheid en is de kantonrechter niet verplicht om de vordering tot herstel van de arbeidsovereenkomst toe te wijzen. De kanton-rechter ziet in dit geval ook onvoldoende aanleiding om deze vordering toe te wijzen, omdat[eiser] bij een juiste toepassing van de ontslagregels door [gedaagde] sowieso voor ontslag in aanmerking zou zijn gekomen, zoals hierboven uitgebreid is uiteengezet.

4.11

Gelet op het voorgaande dient de kantonrechter thans te bepalen welke vergoeding aan[eiser] ten laste van [gedaagde] dient te worden toegewezen.

4.11.1

De kantonrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad de kantonrechtersformule niet als richtsnoer voor het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding kan worden gebruikt. Bij de bepaling van de omvang van de te betalen schadevergoeding na een kennelijk onredelijke opzegging heeft te gelden dat de hoogte van de vergoeding dient te worden vastgesteld aan de hand van de, op basis van de aangevoerde stellingen, vast te stellen feiten en na afweging van de omstandigheden aan de zijde van beide partijen, waarbij de gewone regels omtrent begroting van de schade(vergoeding) van toepassing zijn. Artikel 6:97 BW geeft als algemene regel dat de rechter de schade begroot op de wijze die het meest in overeenstemming daarmee is, en laat de rechter de vrijheid de omvang van de schade te schatten c.q. naar billijkheid op een bedrag te begroten, als deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. De hoogte van de toe te kennen vergoeding is bovendien gerelateerd aan de aard en de ernst van het tekortschieten van de werkgever in zijn verplichting als goed werkgever te handelen, en de daaruit voortvloeiende nadelen voor de werknemer. De in artikel 7:681 lid 1 BW bedoelde schadevergoeding heeft in zoverre een bijzonder karakter dat deze vooral ertoe dient aan de benadeelde een zekere mate van genoegdoening (of, zoals door de wetgever ook wel is genoemd: “pleister op de wonde”) te verschaffen die in overeenstemming is met de aard en de ernst van de tekortkoming.

4.11.2

Nu de schade van[eiser] niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, is de kantonrechter van oordeel dat aan[eiser] een vergoeding naar billijkheid toekomt van
€ 3.023,- bruto (inclusief eventuele -want niet onderbouwde- pensioenschade). Bij de vaststelling van (de hoogte van) dit bedrag heeft de kantonrechter alle in de voorgaande overwegingen genoemde omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, meegewogen, zonder iedere omstandigheid afzonderlijk te wegen en op geld te waarderen. Genoemd bedrag dat[eiser], in aanvulling op de WW-uitkering, in staat stelt om gedurende een naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval redelijke periode van
4 maanden zonder teruggang in inkomen uit te kijken naar een andere functie, zal dan ook als schadevergoeding worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding. Niet gebleken is dat [gedaagde] dit bedrag niet kan betalen of dat het betalen van deze vergoeding haar faillissement betekent.[eiser]

4.12

[eiser] heeft de door hem gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten van € 225,- niet onderbouwd. De kantonrechter zal deze vordering reeds daarom afwijzen.

4.13

Gelet op de uitkomst van de procedure zal [gedaagde] worden veroordeeld in de proceskosten van[eiser], waarbij het gemachtigdensalaris op basis van het toe te wijzen bedrag van € 3.023,- aan hoofdsom zal worden berekend. Met inachtneming daarvan worden de proceskosten van[eiser] tot deze uitspraak begroot op € 890,82 (bestaande uit € 92,82 aan dagvaardingskosten, € 448,- aan griffierecht en € 350,- (2 punten van € 175,-) aan salaris gemachtigde).

5 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan[eiser] van een bedrag van € 3.023,- bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 september 2013 tot aan de dag van de volledige betaling;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van[eiser], tot deze uitspraak begroot op € 890,82,
te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan de proceskostenveroordeling heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met de wettelijke rente vanaf de 7e dag na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van de volledige betaling;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L. Sierkstra en is in het openbaar uitgesproken op
12 februari 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.