Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:1167

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
24-02-2014
Zaaknummer
770641 cv 13-1875
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen 1997 en 1999 heeft de toenmalige werkgever van eiser, Texaco, pensioenpremie ingehouden van het loon van eiser terwijl door haar toen geen werkgeversbijdrage werd betaald. Artikel 13 sub b van het toepasselijke protocol bepaalt dat de werknemersbijdrage niet hoger kan zijn dan de werkgeversbijdrage. De vordering tot betaling van de ten onrechte ingehouden pensioenpremie wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0186
AR 2014/3
AR 2014/4
PJ 2014/66

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Team Breda

zaaknummer / rolnummer: 770641 CV EXPL 13-1875

Vonnis van 19 februari 2014

in de zaak van

[eiser 1] ,

wonende te ’s-Hertogenbosch,

eiser,

gemachtigde: mr. R.G.A.M. Theunissen, advocaat te Eindhoven,

tegen

de besloten vennootschap Delek Nederland B.V.,

gevestigd te Breda,

gedaagde,

gemachtigde: mr. R.F. van der Ham, advocaat te Vlaardingen.

Partijen worden hieronder ook aangeduid als ‘[eiser 1]’ en ‘Delek’.

1 Het verloop van het geding

1.1.

Dit blijkt uit de navolgende processtukken:

- de dagvaarding van 28 maart 2013 met producties;

- de conclusie van antwoord van 5 juni 2013 met producties;

- de conclusie van repliek van 31 juli 2013 met producties;

- de conclusie van dupliek van 25 september 2013.

2 Het geschil

[eiser 1] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat de kantonrechter Delek veroordeelt om binnen 4 weken na betekening van het ten deze te wijzen vonnis aan [eiser 1] een gespecificeerde opgave te doen van alle op diens salaris in de jaren 1997 tot en met 1999 ingehouden pensioenpremie, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag, en voorts Delek te veroordeelt om het totaalbedrag van de uit die opgave blijkende ingehouden pensioenpremies binnen 14 dagen na het verstrekken van die opgave aan [eiser 1] te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de inhouding van de onderscheiden premiebedragen, tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van Delek in de proceskosten.

Delek heeft de vordering weersproken.

3 De beoordeling

3.1.

Tussen partijen staat, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de niet bestreden inhoud van de producties, het volgende vast:

- [eiser 1] [geboortedatum]) is van 1 maart 1970 tot 1 maart 2000 in dienst geweest van (de rechtsvoorgangers van) Texaco, thans Delek. Per 1 maart 2000 is [eiser 1] vervroegd uit dienst getreden.

- [eiser 1] heeft deelgenomen in een van de pensioenregelingen van Delek. Op basis van die regeling heeft hij recht op pensioen verkregen. Dit recht kan hij uitoefenen jegens Stichting Pensioenfonds Chevron Texaco Nederland (het pensioenfonds). Het pensioenfonds is ontstaan uit een fusie tussen Stichting Pensioenfonds Texaco Nederland en de Stichting Chevron Pensioenfonds. Texaco heeft gedurende de jaren 1997, 1998 en 1999 pensioenpremie op het salaris van [eiser 1] ingehouden en aan het pensioenfonds afgedragen.

- Artikel 16 van het pensioenreglement luidt als volgt:

1. (…) Met inachtneming van de tussen de stichting en de werkgever gesloten financieringsovereenkomst (…) worden de kosten van de pensioenregeling door de werkgever en deelnemers gezamenlijk gedragen.

2. De deelnemer zal een jaarlijkse bijdrage in de kosten van de pensioenregeling betalen ter grootte van 6% van de pensioengrondslag. De deelnemersbijdrage is uitsluitend bestemd voor de financiering van pensioenaanspraken over toekomstige diensttijd (…).

- De financieringsovereenkomst bevat onder meer de volgende bepalingen:

Artikel 5

De vennootschap zal binnen tien dagen na afloop van elk kalenderkwartaal de verschuldigde bijdrage, berekend of - indien deze bijdrage op een later tijdstip wordt vastgesteld - geschat over dat kwartaal, alsmede de bijdragen welke zij over dat kwartaal op het loon van de deelnemers heeft ingehouden, voldoen aan het fonds, met dien verstande dat de jaarbijdrage in haar geheel binnen negen maanden na afloop van het kalenderjaar moet zijn betaald.

Artikel 6

De bijdrage van de Vennootschap wordt vastgesteld door het bestuur van het fonds, op basis van een advies van de actuaris. Deze bijdrage is inclusief de eventueel op de deelnemers te verhalen bijdrage als omschreven in de reglementen. Bij de vaststelling van deze bijdrage wordt rekening gehouden met:

- een bijdrage voor de financiering van overeengekomen toeslagen, zoals vastgelegd in het Protocol inzake pensioen d.d. 1 maart 1995 en de daarbij behorende bijlage, alsmede

- een beoogde extra reserve van 5% van de voorziening pensioenverplichtingen, alsmede

- de financiering van de pensioenregeling, zoals vastgelegd in het pensioenreglement, alsmede

- de benodigde dekking van de pensioenverplichtingen.

De vennootschap behoudt zich het recht voor haar bijdrage te verminderen of te staken, indien zij tot de conclusie komt dat onverminderde betaling van haar bijdrage op grond van de financiële resultaten van haar onderneming niet langer verantwoord is, in welk geval zij hiervan uiterlijk 3 maanden voor de vervaldag schriftelijk aan het fonds mededeling doet.

- Op 1 januari 1995 is tussen Texaco en haar Ondernemingsraad een ‘Protocol inzake pensioenen Texaco/O.R.’ (hierna: het protocol) tot stand gekomen. Het protocol bevat onder meer de volgende bepalingen:

(…)

9. Voor de uitvoering van de intentie en om het pensioenfonds in staat te stellen toeslagen te geven, zal Texaco jaarlijks een extra bijdrage aan het pensioenfonds betalen overeenkomstig het daaromtrent bepaalde in de overeenkomst tussen Texaco en het pensioenfonds en in Bijlage 1 bij dit Protocol, zulks ter vorming van een extra buffer (reserve) in het Pensioenfonds voor toeslagverlening.

(…)

13. In relatie tot de toeslagen-intentie is het volgende overeengekomen inzake de premie:

(…)

b. de bijdrage van de deelnemers zal in geen geval hoger zijn dan de bijdrage van Texaco. De vaststelling van deze bijdrage van Texaco vindt plaats overeenkomstig hetgeen in de overeenkomst tussen Texaco en het pensioenfonds is vastgelegd met dien verstande dat de beleggingsopbrengsten over de pensioenreserves van niet-actieven die niet voor een toeslag in aanmerking komen, hierbuiten blijven.

(…)

15. Partijen erkennen dat in deze overeenkomst ten behoeve van de deelnemers derdenbeding ligt besloten.

(…)

- Het jaarverslag 2001 van het pensioenfonds bevat onder meer de volgende tekst:

• in het "Verslag van het bestuur" onder het kopje "Financiële positie (weerstandsvermogen)":

De dekkingsgraad die een indicatie geeft van de mate waarin het fonds aan haar verplichtingen kan voldoen gerelateerd aan de belegde middelen, bedraagt 21,9 %. De actuaris heeft geconcludeerd dat de financiële positie van het fonds ultimo 2001 gezond te noemen is.

De waardering van de pensioenverplichtingen en van andere risico’s binnen het fonds heeft zodanig plaatsgevonden dat er geen sprake is van niet toereikende voorzieningen.

• in de "Algemene toelichting" onder het kopje "Premies 1998/2001":

Ultimo 1999 is het bestuur met de werkgever overeengekomen de pensioenpremie voor wat betreft het werkgeversdeel voor de jaren 1997 t/m 1999 definitief vast te stellen op nihil.

Voor de door de deelnemers afgedragen premie over deze jaren zal in een nieuw op te zetten pensioenplan een bestemming gezocht worden.

Voor het jaar 2001 is de werknemersbijdrage eenmalig op nul gesteld.

- Een ongedateerde brief van Texaco aan het pensioenfonds, die blijkens haar tekst uit 2002 stamt, bevat onder meer de volgende tekst:

We are pleased to advise that Texaco Nederland B.V. intends to make an immediate injection of Euro 1.2 million to the pension fund.

This injection is intended to address the decrease in the fund's value caused by the recent fall in markets, as well as to signal our goodwill to employees regarding any possible concerns about the funding of the plan by employees and by the company.

- In de brief van het pensioenfonds aan de deelnemers van 20 december 2002 betreffende "Toeslag per 1 januari 2003" is onder meer als volgt vermeld:

De afgelopen jaren heeft de Stichting Pensioenfonds Texaco Nederland, gelet op haar financiële situatie, de ingegane pensioenen zonder problemen kunnen indexeren. Dit jaar worden wij geconfronteerd met een geheel andere situatie. Ongetwijfeld bent u op de hoogte van de wereldwijde verslechtering van de financiële markten in de afgelopen twee jaren. Hierdoor zijn de bezittingen van de meeste pensioenfondsen overal ter wereld, waaronder die van de Stichting Pensioenfonds Texaco Nederland, in waarde gedaald.

Als gevolg hiervan zal een aantal pensioenfondsen in 2003 de ingegane pensioenen niet (volledig) indexeren.

Om dit te vermijden heeft het Bestuur van de Stichting Pensioenfonds Nederland aan Texaco Nederland het verzoek gedaan om een extra storting door de onderneming, omdat de financiële positie van het fonds niet toereikend was om zonder deze extra storting de pensioenen te kunnen indexeren. (…) Daarop heeft Texaco zich garant gesteld voor een extra bijdrage aan het fonds zodat indexatie mogelijk wordt

Tot onze vreugde kunnen wij u daarom mededelen, dat per 1 januari 2003 een toeslag op uw pensioen zal worden gegeven ter grootte van 80% van de inflatie, dat wil zeggen 80% van de stijging van het prijsindexcijfer tussen oktober 2001 en oktober 2002. Dat betekent dat uw pensioen wordt verhoogd met 2,6% per 1 januari 2003.

- Het jaarverslag 2002 van het pensioenfonds bevat onder meer de volgende tekst:

• in het "Verslag van het bestuur" onder het kopje "Financiële positie (weerstandsvermogen)":

De dekkingsgraad die een indicatie geeft van de mate waarin het fonds aan haar verplichtingen kan voldoen gerelateerd aan de belegde middelen, bedraagt 99 %. Er is dus sprake van onderdekking, De actuaris heeft berekend dat het benodigd weerstandsvermogen als percentage van de voorziening pensioenverplichtingen en overige technische voorzieningen 11.9% dient te zijn. De actuaris heeft tevens geoordeeld dat het fonds per 31 december 2002 over onvoldoende middelen ter dekking van de ondergrens aan de voorziening pensioenverplichtingen en de reserve algemene risico’s beschikt.

Gedurende 2002 heeft de werkgever op verzoek van het bestuur een extra storting gedaan van Euro 1,2 miljoen. Tevens is besloten voor het jaar 2003 wederom premie te gaan heffen.(…)"

• in de "Algemene toelichting" onder het kopje "Premies 1998/2002":

Ultimo 1999 is het bestuur met de werkgever overeengekomen de pensioenpremie voor wat betreft het werkgeversdeel voor de jaren 1997 t/m 1999 definitief vast te stellen op nihil.

Voor de door de deelnemers afgedragen premie over deze jaren zal in een nieuw op te zetten pensioenplan een bestemming gezocht worden.

Voor de jaren 2000, 2001 en 2002 is de werknemersbijdrage op nul gesteld.

• in de toelichting op de balans bij "Extra reserve" is - na de daar opgenomen tekst die overeenstemt met de hierboven sub 2.3. geciteerde tekst van artikel 6 van de financieringsovereenkomst, zonder de laatste alinea daarvan - als volgt opgenomen:

Momenteel worden geen premies in rekening gebracht bij Texaco Nederland B.V.

Het fonds heeft naar aanleiding van de financiële positie per 31 december 2002 een plan van aanpak opgesteld, waarbij naast maatregelen als extra storting en premieheffing, de opdracht tot een Asset Liability Management (ALM) studie in 2003 wordt gegeven. Naar aanleiding van de uitkomsten van de ALM-studie, welke uiterlijk eind augustus 2003 dient te worden afgerond, zal het bestuur bepalen welke nadere maatregelen eventueel doorgevoerd moeten worden.

- Texaco heeft op 17 december 2002 een bedrag van € 1.200.000,00 voldaan aan het pensioenfonds.

- Texaco schrijft in haar brief van 4 november 2003 aan haar voormalige advocaat:

De betaling van € 1,2 miljoen welke Texaco Nederland B.V. eind 2002 aan het pensioenfonds heeft verricht, is door Texaco gedaan en door het pensioenfonds aangemerkt als berekend aan de hand van de tot dan door Texaco Nederland B.V. verschuldigd gebleven bijdrage over de jaren 1997, 1998 en 1999.

- Het jaarverslag 2003 van het pensioenfonds bevat in de "Algemene toelichting" onder het kopje "Premies 1998/2003" onder meer de volgende tekst:

Ultimo 1999 is het bestuur met de werkgever overeengekomen de pensioenpremie voor wat betreft het werkgeversdeel voor de jaren 1997 t/m 1999 definitief vast te stellen op nihil.

Voor de door de deelnemers afgedragen premie over deze jaren zal in een nieuw op te zetten pensioenplan een bestemming gezocht worden.

Voor de jaren 2000, 2001 en 2002 is de werknemersbijdrage op nul gesteld. Vanaf 2003 wordt wederom premie geheven.

- In een verklaring van Texaco van 15 mei 2006 staat het volgende:

Deze verklaring dient ter verduidelijking van de ongedateerde brief van Texaco Nederland aan het bestuur van het pensioenfonds inzake de storting van € 1,2 miljoen en ter verklaring van de hoogte van het bedrag.

(…)

Vanaf 1997 is Texaco Nederland gestopt met het doen van stortingen in het fonds, omdat het naar de mening van Texaco een voldoende mate van financiering kende. Nadat in 2000, 2001 en 2002 Texaco noch haar werknemers een bijdrage in het fonds hadden gestort, ontstond eind 2002 een discussie over de dekkingsgraad van het fonds. Texaco Nederland heeft toen overwogen welke storting zij wilde doen om die dekkingsgraad op een beter niveau te brengen.

Besloten is toen om (…) de hoogte van haar storting te relateren aan de werknemersbijdragen over de jaren 1997 tot en met 1999. Deze werknemersbijdragen bedroegen (…) € 1.189.000,00. Dit laatste werd afgerond op € 1,2 miljoen en daadwerkelijk eind 2002 in het pensioenfonds gestort. De betaling van Texaco Nederland eind 2002 was en dus inderdaad op gericht om een bedrag te storten dat tenminste overeen kwam met de werknemersbijdragen over 1997, 1998 en 1999.

(…)

- De gemachtigde van [eiser 1] heeft Texaco op 14 februari 2008 verzocht een bedrag van
€ 12.308,75 te voldoen uit hoofde van ten onrechte door Texaco op het loon van [eiser 1] ingehouden pensioenpremie. De gemachtigde van [eiser 1] schrijft:

(…) Gebleken is dat in 1997, 1998 en 1999 Texaco geen premies heeft betaald aan het pensioenfonds. Een oud-collega van cliënt, de heer[collega], heeft deze kwestie aanhangig gemaakt en op 26 januari 2007 is daarin door het Gerechtshof te Den Haag een uitspraak gedaan. Bepaald werd dat Texaco de betaalde premies rentedragend diende te restitueren.

Cliënt is van mening dat zijn situatie dezelfde is als die van genoemde oud collega en dat hij recht heeft op terugbetaling van de pensioenpremies (…).

- Texaco schrijft daarop op 21 februari 2008:

(…) In de afgelopen maanden hebben enkele oud-werknemers van Texaco (…) zich tot ons gericht met dezelfde eis, zoals nu door uw cliënt wordt geformuleerd.

Wij hebben afwijzend gereageerd op deze eis, waarna (…) een procedure is gestart bij de Kantonrechter in Rotterdam. (…)

Het lijkt ons verstandig dat uw cliënt de uitkomst van deze procedure afwacht, aangezien de uitkomst hiervan bepalend zal zijn voor ons standpunt ten opzichte van alle andere oud-medewerkers in dezelfde positie. (…).

- Bij vonnis d.d. 22 juli 2008 heeft de kantonrechter te Rotterdam in een identiek geschil als het onderhavige geschil tussen 12 collega’s van [eiser 1] als eisers enerzijds en Delek als gedaagde anderzijds het navolgende vonnis, bij voorraad uitvoerbaar, gewezen:

veroordeelt gedaagde om binnen 14 dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis aan ieder van eisers een gespecificeerde en met bewijsstukken gestaafde opgave te doen van het in totaal van de in 1997, 1998 en 1999 op zijn of haar salaris ingehouden pensioenpremie, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van €.500,-- per eiser voor iedere dag dat gedaagde in gebreke zou blijven met de volledige nakoming van deze verplichting.

veroordeelt gedaagde aan ieder van eisers het over de jaren 1997, 1998 en 1999 ingehouden bedrag aan pensioenpremies te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente …

- Per faxbericht van 30 november 2010 bericht de toenmalige advocaat van Delek, mr. R.J.G. Veugelers, aan de Stichting Achmea Rechtsbijstand, voor zover hier van belang:

Een aantal oud-werknemers van Texaco Nederland B.V., thans Delek Nederland B.V., hebben in 2007 Delek in rechte betrokken inzake de premiebetaling over de jaren 1997 t/m 1999, zoals genoemd in uw brief. Het is juist dat de genoemde oud-werknemers door de Rechtbank Rotterdam, sector kanton, in het gelijk zijn gesteld.

In oktober 2008 heeft Delek tegen genoemde uitspraak hoger beroep in gesteld bij het Gerechtshof te Den Haag. Ik verwacht dat het Gerechtshof in het voorjaar van 2011 uitspraak zal doen.

Het lijkt mij niet zinvol, indien uw cliënt en mijn cliënte nu (aanzienlijke) kosten gaan maken voor een procedure, terwijl het Gerechtshof waarschijnlijk binnen afzienbare tijd een uitspraak zal doen. Zodra mijn cliënte het arrest heeft ontvangen, zal zij dit bestuderen en zo nodig actie ondernemen naar aanleiding daarvan.

- In hoger beroep heeft het Gerechtshof te ’s-Gravenhage – hierna ‘het hof’ - op 20 april 2010 een tussenarrest gewezen, waarin het in rechtsoverweging 7 overwoog:

Het bovenstaande leidt er toe dat de vorderingen van eisers (aanpassing kantonrechter) in beginsel toewijsbaar zijn. Anders dan Texaco heeft aangevoerd staat de Pensioenwet of Pensioenfondsenwet zoals destijds van toepassing was, daaraan niet in de weg.

‘,

waarna het hof een comparitie van partijen gelastte. Naar aanleiding van en op een tweetal comparities hebben partijen een minnelijke regeling getroffen naar aanleiding waarvan oorspronkelijk eisers het hof hebben medegedeeld dat zij hun vorderingen introkken en het hof hebben verzocht op basis hiervan arrest te wijzen. Het arrest vernietigde voornoemd vonnis van de kantonrechter te Rotterdam vervolgens bij eindarrest van 14 juni 2011.

- Beide partijen in voornoemd geschil weigeren om informatie te verstrekken over de aard en de inhoud van de getroffen regeling, waarbij oorspronkelijk eisers zich er op beroepen ten gevolge van een geheimhoudingsbeding niets hierover te kunnen verklaren.

- Stichting Chevron Pensioenfonds heeft door middel van een factuur gedateerd 7 december 2011 aan Chevron Netherlands B.V. een bedrag ad €.1.910.344 in rekening gebracht ter zake van werkgeverspremie 1997 – 1999.

- De toelichting op de staat van baten en lasten in het Jaarverslag van de Stichting Chevron Pensioenfonds vermeldt een werkgeversbijdrage 1997-1999 met als toelichting:

De post werkgeversbijdrage 1997 – 1999 is naar aanleiding van een langlopend geschil dat de werkgever alsnog de werkgeverspremie over de jaren 1997-1999 voldoet, inclusief opgelopen rente. De werkgever heeft dit bedrag inmiddels overgemaakt op de bankrekening van het pensioenfonds.

3.2.

[eiser 1] legt het navolgende aan zijn vorderingen ten grondslag. Hij heeft gedurende de jaren 1997 tot en met 1999 door middel van inhoudingen door zijn toenmalige werkgever, Texaco Nederland B.V., thans Delek geheten en hierna verder als ‘Delek’ aangeduid, pensioenpremie betaald, hoewel Delek gedurende die periode geen pensioenpremie voor [eiser 1] aan het Pensioenfonds verschuldigd was. Gedurende de zelfde periode heeft Delek geen werkgeversbijdrage betaald. Artikel 13 sub b van het protocol bepaalt dat de bijdrage van de deelnemers in geen geval hoger zal zijn, dan de bijdrage van Delek. Nu Delek gedurende deze periode geen pensioenpremie voor [eiser 1] verschuldigd was had Delek ook geen pensioenpremie op het salaris van [eiser 1] mogen inhouden en zijn de nochtans door Delek ingehouden bedragen onverschuldigd door [eiser 1] betaald. Derhalve is Delek gehouden tot terugbetaling van deze bedragen. [eiser 1] verwijst hierbij naar de hierboven genoemde uitspraken van de kantonrechter te Rotterdam en het Gerechtshof te ’s-Gravenhage.

3.3.1.

Delek betwist enig bedrag aan [eiser 1] verschuldigd te zijn en voert hiertoe de navolgende verweren aan.

Primair betoogt Delek dat het Pensioenfonds de werkgeversbijdrage 1997 tot en met 1999 vermeerderd met rente ten bedrage van €.1.910.000,00 in 2011 bij Delek in rekening heeft gebracht. De betaling hiervan is verantwoord in de jaarstukken 2011 van Stichting Chevron Pensioenfonds en blijkt ook uit een nota van het Stichting Chevron Pensioenfonds d.d. 7 december 2011 aan Chevron Netherlands B.V., waarin laatstgenoemde wordt belast voor voornoemd bedrag. Dit bedrag is hoger dan hetgeen destijds bij de werknemers van Delek is ingehouden. Delek verwijst hier nog naar een overweging 5.2. van het hof dat overweegt dat er drie mogelijkheden zijn om het in artikel 13 van het Protocol beoogde resultaat te bereiken, waaronder het alsnog afdragen van premie over de betreffende jaren door Delek.

3.3.2.

Subsidiair stelt Delek dat er, indien voornoemd verweer wordt afgewezen, nog een viertal / vijftal redenen zijn waarom de vordering van [eiser 1] moet worden afgewezen, welke redenen zij lettert van A - E.

(A) Er is niet overeengekomen dat de werknemersbijdrage voor de opbouw van het (nominale) ouderdoms- en nabestaandenpensioen nooit hoger kan zijn dan de werkgeverbijdrage. Met een beroep op gedeelten van de artikelen 4, 8 en 9 van het Protocol en artikel 16 lid 2 van het Pensioenreglement, betoogt Delek dat het bepaalde in artikel 13 van het Protocol, waar [eiser 1] zich op beroept, enkel betrekking heeft op financiering van de indexatie. Omdat [eiser 1] en de overige werknemers in de betrokken jaren niet hebben bijgedragen aan de financiering van die indexatie bestaat ook voor Delek geen gehoudenheid om ter zake een werkgeversbijdrage te betalen. Derhalve mist de vordering van [eiser 1] elke grondslag, aldus Delek.

(B) Er bestaat geen contractuele of wettelijke verplichting voor Delek om in het geval dat de werknemersbijdrage hoger is dan de werkgeversbijdrage het verschil aan haar werknemers terug te betalen. In geen enkel relevant pensioenreglement is een terugbetalingsverplichting opgenomen. Uit artikel 13 kan voorts niet worden afgeleid dat indien de werknemersbijdrage hoger is dan de werkgeversbijdrage de afdracht voor het meerdere onverschuldigd is gedaan. Artikel 16 van het Pensioenreglement bepaalt immers dat werknemers onvoorwaardelijk 6% van de pensioengrondslag bijdragen, zodat er wel degelijk een rechtsgrond is. Derhalve kan hieruit hooguit worden afgeleid dat Delek alsnog evenveel over de betreffende jaren zal moeten bijdragen.

(C) Delek heeft de werkgeversbijdrage over 1997, 1998 en 1999 in 2002 betaald en deze bijdrage was hoger dan de totale werknemersbijdrage over die jaren. Hiertoe verwijst zij onder meer naar de brief van het Pensioenfonds van 4 november 2003 aan de toenmalige advocaat van Delek, voor zoveel hier van belang, luidende:

De betaling van € 1,2 miljoen, welke door Texaco Nederland B.V. eind 2002 aan het pensioenfonds is verricht, is door Texaco gedaan en door het pensioenfonds aangemerkt als berekend aan de hand van de tot dan toe door Texaco Nederland B.V. verschuldigd gebleven bijdrage over de jaren 1997, 1998 en 1999.

Deze verklaring is volgens Delek van belang, omdat ingevolge artikel 6:43 BW een betaling van een schuldenaar, die zou kunnen worden toegerekend aan twee of meer verbintenissen van de zelfde schuldeiser, wordt toegerekend aan de verbintenis die de schuldenaar bij de betaling aanwijst. Pensioenfonds Chevron heeft deze aanwijzing gedaan bij voormelde brief en voorts door middel van de verklaring van de toenmalige Country Chairman van Texaco van 15 mei 2006, onder meer vermeldende:

(…) De betaling van Texaco Nederland eind 2002 was er dus inderdaad op gericht een bedrag te storten dat tenminste overeen kwam met de werknemersbijdrage over 1997, 1998 en 1999.

(D) De vordering van [eiser 1] is verjaard. Immers toepasselijk is hier artikel 3:309, dat voor vorderingen uit onverschuldigde betaling als het onderhavige bepaalt dat die vordering verjaart door het verloop van vijf jaren na aanvang van de dag volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van de vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan. Volgens Delek was [eiser 1] reeds in 2001 bekend met het feit dat de werkgeversbijdrage over de jaren 1997 – 1999 niet was betaald, omdat dit toen aan de (ex-)deelnemers is bericht door het overleggen van het jaarverslag, waarin is vermeld dat over die jaren door Delek geen werkgeversbijdrage was betaald. Pas bij brief van 27 november 2012 heeft [eiser 1] Delek voor het eerst aangemaand tot betaling. In ieder geval is [eiser 1] door voornoemd arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage bekend geworden met zowel de vordering als de debiteur. Derhalve is de vordering van [eiser 1] ook op die grond verjaard, aldus Delek.

(E) De vordering tot het doen van een gespecificeerde opgave moet worden afgewezen, omdat Delek als werkgever op grond van het Vrijstellingsbesluit wet bescherming persoonsgegevens verplicht is om die informatie na uitdiensttreding te verwijderen. Hierbij verwijst zij naar artikel 8 lid 5 van dit besluit.

Tot slot stelt zij dat de wettelijke rente hooguit verschuldigd is vanaf de datum van de aanmaning, 27 september 2012.

3.4.1.

[eiser 1] stelt nader als volgt. Ten aanzien van het primaire verweer betwist hij de door Delek gestelde betaling van pensioenpremie. Voorts vestigt de overgelegde nota geen schuldverplichting, maar vormt niets meer dan een betalingsverzoek. Ook is Delek niet de debiteur van deze nota. Bovendien, stelt [eiser 1], is de vermeende betaling, onverschuldigd betaald en in ieder geval de vrucht van een opzetje tussen Delek en het pensioenfonds met als oogmerk om [eiser 1] te benadelen. Immers eerder is het bestuur van het pensioenfonds al met Delek overeengekomen dat het werkgeversdeel van de pensioenpremie over de periode 1997 -1999 definitief op nihil word vastgesteld. (Jaarverslag Pensioenfonds 2002 onder Algemene Toelichting). Gelet hierop is het onverklaarbaar waarom het pensioenfonds 14 tot 12 jaar na dato ineens een nota gaat verzenden. Delek had zich hier bovendien op verjaring kunnen beroepen. Voorts is deze nota ook in tegenspraak met het door Delek eveneens ingenomen standpunt, dat zij deze werkgeversbijdrage al in 2002 zou hebben betaald. Waarom zou Delek dubbel gaan betalen ? [eiser 1] argwaan wordt vergroot door de thans door Delek gepresenteerde nota, die immers pas zou zijn verstuurd, nadat het Hof in hoogste feitelijke instantie had uitgemaakt dat er geen werkgeversbijdrage 1997 – 1999 verschuldigd was.

Uit dit alles leidt [eiser 1] af dat er geen betaling van de werkgeverspremie 1997 - 1999 door Delek heeft plaatsgevonden en dat, wanneer dit wel het geval zou zijn geweest, er sprake is van onverschuldigde betaling. Het zou naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (6:248 BW), dat Delek zich jegens [eiser 1] op deze betaling beroept. Delek heeft ook geen enkele poging gedaan om de gestelde vordering van het pensioenfonds af te weren, hoewel er ruim voldoende verweermiddelen waren. Hiermee heeft Delek willens en wetens de belangen van [eiser 1] geschaad en zich derhalve jegens [eiser 1] schuldig gemaakt aan onrechtmatige daad. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid kan Delek de gevolgen van haar nalatigheid niet aan [eiser 1] tegenwerpen.

3.4.2.

Ten aanzien van de subsidiaire verweren van Delek brengt [eiser 1] het volgende naar voren.

Ten aanzien van het sub A gestelde (werknemersbijdrage kan hoger zijn dan de wekgeversbijdrage) verwijst [eiser 1] naar hetgeen het Hof dienaangaande heeft overwogen in het tussenarrest van 20 april 2011 (rechtsoverwegingen 5.4. en 5.5.).

Voor wat betreft het onder B gevoerde verweer dat er geen terugbetalingsverplichting zou bestaan, verwijst [eiser 1] naar rechtsoverweging 6 voorlaatste en laatste gedachtestrepen in dit arrest.

Ook het onder C gevoerde verweer kan Delek niet baten volgens [eiser 1]. Het verweer dat de werkgeversbijdrage al in 2002 zou zijn betaald is al door het Hof al verworpen (rechtsoverweging 4.10) Ook is volgens hem artikel 6:43 BW hier niet aan de orde, omdat de in het artikel beschreven situatie zich hier niet voordoet.

Het onder D gevoerde verjaringsbetoog kan evenmin slagen. In de eerste plaats is de aanname dat [eiser 1] al in 2001 weet zou hebben gehad van de niet betaling van de werkgeversbijdrage, omdat hij dit in het jaarverslag zou hebben gelezen, onjuist. Daargelaten dat hij zich niet eens kan herinneren het jaarverslag ooit te hebben ontvangen, heeft hij het in ieder geval niet gelezen en als hij het al gelezen zou hebben dan zou hij daaruit nog niet hebben kunnen concluderen dat hij een restitutierecht had. De onderhavige vordering gaat immers niet over het niet betalen van de werkgeversbijdrage, maar over het recht van premierestitutie. Ook het arrest van het Hof van 26 januari 2007 leidde er niet toe dat hij op die datum bekend was geworden met zijn vordering. Pas in 2008 hoorde [eiser 1] van de uitspraak, waarna zijn toenmalige rechtsbijstandsverlener zijn vordering bij brief van 14 februari 2008 bij Delek heeft ingediend. Delek en haar advocaat stelden zich toen op het standpunt dat [eiser 1] de uitkomst van de hofprocedure zou afwachten, omdat de uitkomst hiervan bepalend zou zijn voor het standpunt van Delek ten opzichte van alle andere oud-medewerkers in de zelfde positie. Hier heeft [eiser 1] toen mee ingestemd. Echter toen in deze procedure een schikking werd bereikt weigerde Delek om inhoudelijke informatie te geven over de inhoud van die schikking. Een mogelijke verjaring is volgens [eiser 1] bovendien gestuit door de brief van de advocaat van [eiser 1] aan de advocaat van Delek d.d. 27 september 2012. Verwezen wordt hier door [eiser 1] nog naar de beslissing van het Hof in voornoemd tussenarrest, inhoudende dat de vordering niet verjaard was en dat, als deze zou zijn verjaard, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onbehoorlijk zou zijn als Delek zich op die verjaring zou beroepen.

Het onder E genoemde is volgens [eiser 1] voor rekening en risico van Delek. De premiebedragen zullen nu schattenderwijs moeten worden vastgesteld.

Tenslotte, nu [eiser 1] al per brief van 14 februari 2008 heeft gesommeerd tot betaling binnen tien dagen, is de rente op zijn laatst verschuldigd per 25 februari 2008.

3.5.

Bij dupliek voert Delek, voor zover nog van belang, nog het volgende aan. De rechtsgrond voor de betaling in 2011 ligt in de nota van de Stichting Chevron Pensioenfonds, waardoor er geen sprake kan zijn van onverschuldigde betaling. Hierbij is het volgens Delek niet van belang of de vordering tot betaling van de werkgeversbijdrage 1997 – 1999 in 2011 verjaard zou zijn. Bovendien is de vordering niet verjaard en zelfs al ware dat zo dan staat het Delek geheel vrij hier een beroep op te doen. Bovendien gaat bij verjaring het vorderingsrecht teniet en resteert een natuurlijke verbintenis, hetgeen betekent dat zij door betaling niet onverschuldigd heeft betaald. Zij bestrijdt voorts de juistheid van het door [eiser 1] gestelde voor zover [eiser 1] dit op de rechtsoverwegingen van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft gebaseerd.

De kantonrechter overweegt als onderstaand.

3.6.

De eerste vraag die voorligt is of het bepaalde in artikel 13 sub b van het protocol betrekking heeft op de reguliere bijdragen van werkgever en werknemers aan het pensioenfonds, zoals [eiser 1] stelt, of uitsluitend op de indexatie, zoals Delek (verweer onder A) betoogt. Het standpunt van [eiser 1] is naar het oordeel van de kantonrechter juist. In de eerste plaats gaat het protocol uitsluitend over door Texaco te betalen extra bijdragen en wordt in het kader van eventueel aan pensioengerechtigden uit te betalen toeslagen in de regeling nergens gesproken over (extra) bijdragen van deelnemers. Een bepaling als in artikel 13 sub van het protocol inhoudende, dat de bijdragen van de deelnemers in geen geval hoger zullen zijn dan de extra bijdrage van Texaco, zou dan zinledig zijn, omdat de deelnemers dergelijke (extra) bijdragen ingevolge dit protocol niet verschuldigd zijn. Artikel 13 sub b spreekt dan ook over de vaststelling van deze bijdragen zoals die in de pensioenovereenkomst tussen Texaco en het pensioenfonds is vastgelegd, waarmee op niets anders dan de reguliere pensioenbijdragen kan worden gedoeld. Nu geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die tot een andere interpretatie van artikel 13 sub b van het protocol kunnen leiden – het gestelde in artikel 16 sub 2 van het pensioenreglement dient hier in samenhang met het hier in het protocol bepaalde te worden gelezen - berust het verweer van Delek kennelijk op een onjuiste lezing van het in artikel 13 sub b van het protocol bepaalde.

3.7.

Het verweer van Delek, inhoudende, dat zij de werkgeversbijdrage 1997 – 1999 vermeerderd met rente ten bedrage van €.1.910.000,00 op factuur van Stichting Chevron Pensioenfonds – hierna ‘Pensioenfonds’ - in 2011 alsnog heeft betaald slaagt evenmin. Hoewel het Delek en het Pensioenfonds uiteraard vrij staat om om hen moverende redenen overeen te komen, dat eerstgenoemde over genoemde jaren alsnog een bijdrage aan het Pensioenfonds voldoet, kan dit niet afdoen aan de rechten van [eiser 1]. De overeenkomst tussen Delek en het Pensioenfonds behelst immers een derdenbeding, waarbij in het onderhavige geval [eiser 1] als derde medecontractant is geworden. Dit impliceert dat wijziging van de inhoud van de overeenkomst door twee van de drie partijen ten nadele van de derde partij niet mogelijk is zonder instemming van die derde partij, in casu [eiser 1]. Bovendien staat redelijkheid en billijkheid, die de rechtsverhouding tussen deze drie partijen mede beheerst, niet toe dat binnen dit contractuele veld twee van de drie partijen een nadere overeenkomst sluiten, die de derde partij rechten ontneemt. Dit speelt te meer nu zowel in het jaarverslag 2001 als het jaarverslag 2002 als het jaarverslag 2003 van het Pensioenfonds zonder enig voorbehoud wordt vermeld dat Delek en Pensioenfonds de werkgeversbijdrage over de periode 1997 – 1999 definitief hebben vastgesteld op nihil. De kantonrechter voegt hier nog aan toe, dat Delek en het Pensioenfonds door het sluiten van de onderhavige nadere overeenkomst tegen de achtergrond van genoemde constateringen in de jaarverslagen 2001, 2002 en 2003 op zijn minst de schijn wekken hiermee louter het afweren van de vorderingen van [eiser 1] en diens ex-collega’s te beogen.

3.8.

De kantonrechter kan Delek evenmin volgen in haar verweer, dat er in de onderhavige situatie geen contractuele of wettelijke verplichting tot terugbetaling zou bestaan enkel omdat de werknemersbijdrage hoger is dan de werkgeversbijdrage in de betrekkelijke periode (verweer onder B). Haar stelling dat uit artikel 13 van het protocol niet voortvloeit, dat hetgeen werknemers in enig jaar meer hebben bijdragen aan het Pensioenfonds dan de werkgevers als onverschuldigd heeft te gelden kan de kantonrechter niet volgen, nu het artikel 13 van het protocol bepaalde zinledig zou zijn, indien hieruit voor de werknemers niet het recht zou voortvloeien om hetgeen zij aldus in strijd met dit artikel hebben betaald als onverschuldigd van Delek zouden kunnen terugvorderen. Kort gezegd, indien Delek niets betaalt behoeven de werknemers niet meer dan niets te betalen en is datgene wat zij meer hebben betaald dan niets onverschuldigd betaald en derhalve terugvorderbaar. Het beroep van Delek op artikel 16 van het Pensioenreglement slaagt evenmin. Delek moet worden toegegeven, dat het in artikel 16 bepaalde naar de letter gelezen in strijd is met hetgeen in artikel 13 van het Protocol is bepaald. Het gestelde in dit artikel van het Pensioenreglement dient echter begrepen te worden in samenhang met het nadien tot stand gekomen protocol, waarbij de strekking van deze laatste regeling, die gezien moet worden als een nadere en actuelere invulling van de rechten van de betrokken partijen, dient te prevaleren boven hetgeen eerder in artikel 16 van het Pensioenreglement is bepaald.

3.9.

Delek betoogt voorts dat zij haar werkgeversbijdrage over de periode 1997 – 1999 al in 2002 heeft betaald en verwijst hiervoor naar hetgeen hierover in de brief van het Pensioenfonds van 4 november 2003 aan de toenmalige advocaat van Delek is medegedeeld (verweer sub c). Ook dit verweer kan niet slagen. Nog afgezien van hetgeen de kantonrechter hieromtrent al in rechtsoverweging 3.7. heeft overwogen is het in deze brief gestelde in strijd met hetgeen Delek (Texaco) in haar ongedateerde brief van uit 2002 als motief voor de extra storting heeft genoemd en evenzeer met hetgeen het Pensioenfonds in haar brief aan de deelnemers van het fonds in gelijke zin heeft bericht. In het licht van deze twee brieven kan aan de brief van 4 november 2003, die kennelijk ‘pour besoin de la cause’ is geschreven, geen enkele geloofwaardigheid worden gehecht. Ook dit verweer wordt derhalve verworpen.

3.10.

Ook het verweer van Delek dat de vordering van [eiser 1] zou zijn verjaard (verweer sub D) kan niet slagen. De bij repliek geponeerde stelling van [eiser 1], dat hij eerst in 2008 bekend is geworden met zijn restitutierecht en dat zijn toenmalige gemachtigde naar aanleiding hiervan op 14 februari 2008 zijn vordering bij Delek heeft ingediend, waardoor de verjaring werd gestuit, is immers door Delek bij dupliek niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken. Evenmin heeft Delek weersproken, dat de advocaat van [eiser 1] per brief van 27 september 2012 de verjaring (wederom) heeft gestuit. De conclusie kan geen andere zijn dan dat de vorderingrecht van [eiser 1] niet door verjaring is tenietgegaan.

3.11

Het laatste verweer van Delek dat de vordering tot het doen van een gespecificeerde opgave door Delek moet worden afgewezen, omdat zij als werkgever op grond van artikel 8 lid 5 van het Vrijstellingsbesluit Wet Bescherming Persoonsgegevens de hier gevorderde informatie na uitdiensttreding dient te verwijderen, wordt ook verworpen. Daargelaten dat andere wettelijke regelingen, zoals de fiscale wetgeving, Delek dwingen tot langere bewaartermijnen, stelt Delek hier immers slechts dat zij tot verwijdering is gehouden, doch niet dat zij de hier van belang zijnde gegevens ook daadwerkelijk heeft verwijderd. Derhalve houdt de kantonrechter het er hier bij gebrek aan tegenspraak op dat Delek nog steeds over de hier relevante gegevens beschikt.

3.12.

De verbintenis uit onverschuldigde betaling ontstaat op het moment waarop de onverschuldigde betaling is verricht. Dit was steeds het tijdstip waarop de inhouding door Delek op het loon van [eiser 1] plaatshad. Naar steeds achteraf is gebleken was die betaling onverschuldigd. Nu gesteld noch gebleken is dat Delek te kwader trouw was als bedoeld in artikel 6:205 BW, is Delek niet van rechtswege in verzuim geraakt op de tijdstippen waarop de onverschuldigde betaling / inhouding heeft plaatsgehad. Derhalve diende Delek eerst in gebreke te worden gesteld, alvorens zij in verzuim zou komen te verkeren. Nu onweersproken is dat [eiser 1] Delek per brief van 14 februari 2008 gesommeerd heeft om binnen 10 dagen te betalen, is dit verzuim op 25 februari 2008 ingetreden. De wettelijke rente is dan ook vanaf die datum toewijsbaar.

3.13.

Delek zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten dienen te dragen.

4 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Delek om binnen 4 weken na betekening van het ten deze te wijzen vonnis aan [eiser 1] een gespecificeerde opgave te doen van alle op diens salaris in de jaren 1997 tot en met 1999 ingehouden pensioenpremie, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag, en veroordeelt Delek voorts om het totaalbedrag van de uit die opgave blijkende ingehouden pensioenpremies binnen 14 dagen na het verstrekken van die opgave aan [eiser 1] te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Delek in de kosten tot op heden aan de zijde van [eiser 1] begroot op €.773,27, waarvan een bedrag ad €.600,00 aan salaris en €.173,27 aan verschotten;

verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.G.M. Ides Peeters en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2014.