Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2014:105

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-01-2014
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
AWB 13_3137
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

alimentatievordering, bijstand, rol advocaat-gemachtigde

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 13/3137 en 13/3139

Uitspraak van 3 januari 2014 van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam eiseres], te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde:[naam gemachtigde], kantoorgenoot van mr. [naam persoon], verbonden aan Ravelijn Advocaten & Mediators te Bergen op Zoom,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis (het college), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de besluiten van 25 april 2013, kenmerk MSZ-U2013/6815 en kenmerk MSZ-U6816, (bestreden besluiten) van het college inzake de opschorting van haar bijstandsuitkering en inzake het opleggen van de verplichting om kinderalimentatie te vorderen bij de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 22 november 2013. Eiseres en haar gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs.[naam vertegenwoordiger].

Overwegingen

1.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 14 juni 2012 heeft het college aan eiseres een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend met ingang van 6 mei 2012 naar de norm van een alleenstaande ouder. In dat besluit is eiseres onder andere de verplichting opgelegd om kinderalimentatie te vorderen van haar ex-partner. Zij is daarbij erop gewezen dat zij voor die vordering een advocaat nodig heeft.

Per email van 21 juni 2012 is namens het college aan de advocaat-gemachtigde van eiseres de toekenningsbeschikking gestuurd. In dezelfde email is attent gemaakt op de nadere verplichting om kinderalimentatie te vorderen met de waarschuwing dat het niet nakomen van de verplichting kan leiden tot een maatregel.

Bij brief van 9 augustus 2012 is eiseres gevraagd aan te tonen dat zij heeft voldaan aan de verplichting om kinderalimentatie op te vragen. Haar gemachtigde heeft vervolgens op 16 augustus 2012 haar partner aangeschreven. Daarop heeft eiseres het college telefonisch laten weten dat zij haar advocaat heeft gevraagd om het in orde te maken.

Bij brief van 26 september 2012 is eiseres opnieuw gevraagd om binnen zeven dagen de stand van zaken inzake de opgelegde verplichting tot vordering van kinderalimentatie aan het college te laten weten.

Bij besluit van 10 oktober 2012 heeft het college de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 1 oktober 2012 opgeschort omdat een aantal gegevens niet zijn ontvangen en tegelijkertijd onder andere gevraagd naar de stand van zaken betreffende de kinderalimentatieprocedure. Tegen dit besluit heeft eiseres op 17 oktober 2012 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 22 oktober 2012 heeft haar gemachtigde het financiële dossier van haar ex-partner van 2009, 2010 en 2011 naar het college gestuurd.

Bij besluit van 30 oktober 2012 heeft het college eiseres de nadere verplichting opgelegd om binnen veertien dagen na verzending van dit besluit kinderalimentatie te vorderen via de rechtbank en een afschrift daarvan aan het college te sturen. In hetzelfde besluit heeft het college meegedeeld dat de opschorting per 1 oktober is komen te vervallen omdat de ontbrekende gegevens zijn ontvangen. Ook tegen het besluit van 30 oktober 2012 heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Op 12 november 2012 is bij de rechtbank een verzoek tot vaststelling kinderalimentatie ingediend. Een afschrift hiervan is op dezelfde dag aan het college verzonden.

Bij besluit van 25 april 2013 is het bezwaar tegen het primaire besluit van 10 oktober 2012 niet-ontvankelijk verklaard wegens het vervallen van dit besluit.

Bij besluit van gelijke datum is het bezwaar tegen het primaire besluit van 30 oktober 2012 ongegrond verklaard. Het college is van mening dat eiseres (in redelijkheid) alles in het werk zal moeten stellen om haar afhankelijkheid van de bijstand op te heffen. Hiertoe kan op grond van artikel 55 van WWB haar de verplichting worden opgelegd om kinderalimentatie te vorderen.

2.

In beroep voert eiseres tegen de niet-ontvankelijk verklaring van haar bezwaar aan dat geen rekening is gehouden met haar bijzondere omstandigheden. Het is haar niet te verwijten dat zij niet tijdig de gevorderde gegevens en bewijsstukken heeft verstrekt. De intrekking van de opschorting had niet gestoeld mogen worden op het indienen van de gevraagde stukken, maar op de grond dat de opschorting niet had mogen plaatsvinden.

Ten aanzien van het opleggen van de verplichting om kinderalimentatie te laten vaststellen door de rechtbank voert eiseres aan dat het college ervan op de hoogte was dat haar ex-partner niet in staat is om kinderalimentatie te betalen. Ten onrechte is haar daarom de verplichting opgelegd om kinderalimentatie te vorderen.

3.

Artikel 17, eerste lid en tweede lid, van de WWB (tekst 01-01-2008 tot 01-07-2013) luidt:

1.

De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

2.

De belanghebbende is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Artikel 54 van de WWB (tekst 01-01-2009 tot 01-07-2013) luidt:

1.

Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

2.

Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.

3.

Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, kan het college een dergelijk besluit herzien of intrekken:

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;

b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

4.

Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

Artikel 55 van de Wwb luidt:

Naast de verplichtingen die ingevolge hoofdstuk 2 in elk geval aan de bijstand verbonden zijn, dan wel daaraan door het college verbonden worden, kan het college vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplichtingen opleggen die strekken tot arbeidsinschakeling, dan wel die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot zijn vermindering of beëindiging. Een verplichting kan, op advies van een arts, inhouden het zich onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.

4.

De rechtbank zal eerst de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar tegen de opschorting van de uitkering per 1 oktober 2012 beoordelen.

Bij besluit van 10 oktober 2012 heeft het college de bijstandsuitkering van eiseres opgeschort. Dit besluit is komen te vervallen door een nieuw primair besluit van 30 oktober 2012. Dat het primaire besluit van 10 oktober 2012 was vervallen, staat uitdrukkelijk vermeld in het nieuwe primaire besluit. Daarover kan dus geen misverstand bestaan.

Nietttemin heeft de advocaat-gemachtigde van eiseres het bezwaar, ingediend 17 oktober 2012, tegen het opschortingsbesluit gehandhaafd door toezending aan verweerder van een aanvullend bezwaarschrift van 14 januari 2013. In het aanvullende bezwaarschrift wordt geen gewag gemaakt van het vervallen van het opschortingsbesluit. Kennelijk is dat de advocaat-gemachtigde ontgaan.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar tegen het vervallen besluit van 10 oktober 2012 terecht niet ontvankelijk is verklaard.

5.

Vervolgens is aan de orde het opleggen van de nadere verplichting om binnen veertien dagen na verzending van het primaire besluit van 30 oktober 2012 kinderalimentatie te vorderen minimaal ter hoogte van de bijstandsuitkering via de rechtbank en een afschrift daarvan aan het college te sturen.

De eerste keer dat eiseres is gevraagd om kinderalimentatie van haar ex-partner te vorderen vond plaats in het toekenningsbesluit van 14 juni 2012. Daarbij is eiseres erop gewezen dat zij voor die vordering een advocaat nodig zou hebben. Dat eiseres vrijwel onmiddellijk een advocaat heeft ingeschakeld, blijkt uit de email van de zijde van college van 21 juni 2012 aan de door haar ingeschakelde advocaat. In die email wordt ook de advocaat-gemachtigde gewezen op de verplichting tot vordering van kinderalimentatie met de waarschuwing dat het niet voldoen aan de verplichting kan leiden tot een maatregel.

Op 9 augustus 2012 heeft het college eiseres schriftelijk herinnerd aan haar verplichting tot vordering van kinderalimentatie. Daarop heeft eiseres op 15 augustus 2012 telefonisch gemeld dat zij haar advocaat heeft gevraagd heeft het in orde te maken. Op 16 augustus 2012 heeft de advocaat-gemachtigde het college bericht dat hij de ex-partner heeft gevraagd om financiële gegevens naar aanleiding van de brief van 9 augustus 2012 van het college, aan eiseres. Op 22 oktober 2012 heeft de advocaat-gemachtigde aan het college geschreven dat hij de financiële gegevens van de ex-partner heeft bijgesloten en dat hij aanneemt dat de correcte informatie op tijd is verschaft.

De rechtbank stelt vast dat ten tijde van het nemen van het primaire besluit van 29 oktober 2012 aan de voorwaarde om kinderalimentatie te vorderen niet was voldaan ondanks herhaalde herinneringen vanaf de toekenningsbeslissing van 14 juni 2012.

Op 12 november 2012 is een verzoekschrift tot betaling van kinderalimentatie ingediend bij de rechtbank Middelburg.

Uit de stukken en met name het beroepschrift valt geenszins op te maken waarom de advocaat-gemachtigde niet eerder heeft kunnen voldoen aan de voorwaarde om vaststelling van kinderalimentatie te vorderen bij de rechtbank om te voorkomen dat het college het primaire besluit van 29 oktober 2012 zou nemen. Een mondelinge toelichting is achterwege gebleven omdat de gemachtigde van eiseres niet ter zitting is verschenen.

Wat er ook zij van de stelling dat het college op de hoogte was van de financiële situatie van de ex-partner, daaraan doet niet af dat de advocaat-gemachtigde niet tijdig heeft voldaan aan de voorwaarde kinderalimentatie van de ex-partner via de rechtbank te vorderen. Deze omissie van de advocaat-gemachtigde dient aan eiseres te worden toegerekend. Een beroep op de ziekte van eiseres in de hier relevante periode is geen verontschuldiging voor de gemachtigde. Uit de stukken is immers niet gebleken dat eiseres haar gemachtigde niet tijdig heeft geïnformeerd.

De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het college terecht het bezwaar tegen het primaire besluit van 29 oktober 2012 ongegrond heeft verklaard.

6.

De beroepen zullen ongegrond worden verklaard

Voor een proceskostenveroordeling bestaat gelet op het voorgaande in het geheel geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.M. Reinarz, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Bezemer-Kralt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 januari 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.