Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:CA4006

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-04-2013
Datum publicatie
21-06-2013
Zaaknummer
12/4566
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering exploitatievergunning ogv artikel 3, eerste lid, onder a en b van de Wet Bibob.

De burgemeester heeft eiser eerst bij de beslissing op bezwaar op de hoogte gebracht van bestaan van aan de weigering ten grondslag liggend advies van het RIEC: strijd met procedurele zorgvuldigheid. Naam adviseur en projectleider weggelakt door burgemeester in het aan rechtbank en eiser verstrekt advies, zonder verzoek tot geheimhouding door de burgemeester: strijd met de goede procesorde. Advies kan het besluit tot weigering niet dragen. Niet gebleken van belangenafweging door burgemeester. Beroep gegrond met opdracht aan burgemeester nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Wetsverwijzingen
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur 3
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2013/62 met annotatie van mw. mr. dr. C. Raat
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 12/4566

uitspraak van 29 april 2013 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam persoon], te [plaatsnaam], eiser,

gemachtigde: mr. G.C.L. van de Corput,

en

de burgemeester van de gemeente Gilze en Rijen, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit, verzonden op 13 juli 2012 (bestreden besluit) van de burgemeester inzake de weigering eiser een exploitatievergunning te verlenen.

De burgemeester heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Hij heeft ten aanzien van een aantal stukken gevraagd om geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij beslissing van 12 november 2012 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen en bepaald dat de beperking van de kennisneming van de stukken niet gerechtvaardigd is. Omdat de burgemeester in de brief van 2 november 2012 heeft medegedeeld de rechtbank in dat standpunt te kunnen volgen, heeft de rechtbank de stukken doorgestuurd naar de gemachtigde van eiser.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 18 maart 2013.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. [naam persoon] en mr. [naam persoon].

Overwegingen

1. Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser exploiteert sinds 24 augustus 2004 een horeca-inrichting genaamd Restaurant, Shoarma & Pizzeria [naam] in de vorm van een eenmanszaak in het pand gelegen aan de [adres] te [plaatsnaam].

De burgemeester heeft op 4 augustus 2009 een aanvraagformulier van eiser ontvangen voor een exploitatievergunning voor de horeca-inrichting, voorzien van een aanvullend (bibob)vragenformulier. Deze aanvraag heeft de burgemeester wegens het niet tijdig verstrekken van de ontbrekende gegevens buiten behandeling gelaten.

Eiser heeft bij aanvraagformulier van 3 oktober 2010 opnieuw een exploitatievergunning aangevraagd. Hij heeft daarbij een aanvullend (bibob)vragenformulier overgelegd.

Bij brief van 26 oktober 2010 heeft de burgemeester aan eiser medegedeeld de beslissing op de aanvraag op te schorten in afwachting van een aantal door eiser nog te verstrekken gegevens. De burgemeester heeft eiser in de gelegenheid gesteld deze informatie uiterlijk 23 november 2010 te verstrekken.

Bij brief van 26 oktober 2010 heeft de burgemeester het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC) verzocht de door eiser verstrekte informatie te beoordelen.

De burgemeester heeft eiser vervolgens bij brieven van 9 december 2010 en 23 maart 2011 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 18 januari 2011, respectievelijk 7 april 2011 nog ontbrekende gegevens te verstrekken. Naar aanleiding van deze verzoeken heeft de accountant van eiser bij brieven van achtereenvolgens 19 november 2010, 17 januari 2011 en 6 april 2011 nadere informatie aan de burgemeester verstrekt. Eiser zelf heeft op 1 december 2010 nadere informatie verstrekt.

Op 15 maart 2011 en 16 mei 2011 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen een medewerker van de burgemeester en eiser, vergezeld van zijn accountant. Ook was een medewerker van het RIEC aanwezig.

Bij brief van 27 juli 2011 heeft de burgemeester eiser medegedeeld dat hij voornemens is de aangevraagde exploitatievergunning te weigeren. Volgens de burgemeester bestaat een ernstige mate van gevaar dat de aanvraagde beschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen op geld waardeerbare voordelen te benutten en dat de aanvraagde beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

Eiser heeft zijn zienswijze daarover naar voor gebracht.

Bij besluit van 13 september 2011 (primair besluit) heeft de burgemeester geweigerd eiser een exploitatievergunning te verstrekken.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Eiser heeft de exploitatie van de horeca-inrichting per 1 januari 2012 gestaakt.

Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid zijn bezwaar toe te lichten tijdens de hoorzitting van de adviescommissie bezwaarschriften (commissie) van 18 april 2012.

De commissie heeft de burgemeester geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren, omdat uit de overgelegde stukken onvoldoende is gebleken dat sprake is van een ernstig gevaar.

Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester het bezwaar ongegrond verklaard en daaraan een rapport van bevindingen van het RIEC van 4 juli 2011 ten grondslag gelegd.

2. Alvorens de rechtbank kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep, dient de rechtbank eerst ambtshalve te beoordelen of sprake is van voldoende procesbelang. Er is sprake van procesbelang indien diegene die het beroep aantekent niet alleen een belang heeft, maar ook met dat beroep daadwerkelijk het daarmee beoogde doel kan bereiken.

Vast staat dat eiser de exploitatie van de horeca-inrichting hangende bezwaar heeft gestaakt.

Eiser heeft aangevoerd dat hij desondanks belang heeft bij het beroep, omdat hij herstel van zijn goede naam wenst en niet beperkt wil worden in zijn mogelijkheden om in de toekomst opnieuw een horecabedrijf te exploiteren. De rechtbank acht in het voorgaande voldoende belang gelegen om het voorliggende beroep inhoudelijk te beoordelen.

3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de burgemeester ter onderbouwing van de weigering heeft gewezen op de Algemene Plaatselijke Verordening, maar heeft nagelaten te motiveren welk belang gediend is bij de weigering. Verder heeft de burgemeester niet overeenkomstig het eigen beleid gehandeld, doordat geen advies is gevraagd bij het Landelijk Bureau BIBOB (LBB). De informatieverkrijging en verstrekking door het LBB is met waarborgen omgeven. De burgemeester heeft in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel advies ingewonnen bij het RIEC en het rapport daarvan aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Van de aanwezigheid van dat rapport is eerst melding gemaakt in het bestreden besluit. Het rapport moet volgens eiser buiten beschouwing blijven en het bestreden besluit is in strijd met het motiveringsbeginsel. Er is geen sprake van strafbare feiten. Dat de belastingdienst aan eiser naheffingsaanslagen heeft opgelegd en dat eiser de twee bibobvragenlijsten op onderdelen anders heeft ingevuld kan niet als zodanig worden gekwalificeerd. De burgemeester heeft daarnaast nagelaten te motiveren dat sprake is van een ernstig gevaar. Ten slotte geeft het bestreden besluit geen blijk van een belangenafweging, terwijl de vergunning slechts wordt geweigerd als sprake is van evenredigheid met de mate van het gevaar en de ernst van de strafbare feiten. Eventueel gevaar zou door middel van voorschriften aan de vergunning kunnen worden weggenomen.

4. Artikel 3:2 van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Met ingang van 2008 bepaalt artikel 2.3.1.2. eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Gilze en Rijen (APV) dat het verboden is een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

Artikel 1.8. van de APV bepaalt dat een vergunning of ontheffing door het bevoegde gezag of door het bevoegde bestuursorgaan kan worden geweigerd in het belang van

a. de openbare orde;

b. de openbare veiligheid;

c. de volksgezondheid;

d. de bescherming van het milieu.

Artikel 3, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) bepaalt dat voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, zij kunnen weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

Het tweede lid bepaalt dat voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, de mate van het gevaar wordt vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

Het derde lid bepaalt dat voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, de mate van het gevaar wordt vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

Het vierde lid bepaalt in welke gevallen de betrokkene in relatie tot strafbare feiten staat als bedoeld in het tweede en derde lid.

Het vijfde lid bepaalt dat de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaatsvindt indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

Het zevende lid bepaalt dat voor zover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften kan verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.

Artikel 7, eerste lid, van de Wet Bibob bepaalt dat een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester, voorzover het een krachtens het tweede lid aangewezen inrichting of bedrijf betreft, kan worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

Het tweede lid bepaalt dat op voordracht van Onze Ministers bij algemene maatregel van bestuur inrichtingen of bedrijven worden aangewezen ten aanzien waarvan het wenselijk is dat, voordat een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt genomen, door het Bureau een advies kan worden uitgebracht.

Het derde lid bepaalt dat voordat een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt genomen, het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester het Bureau om een advies kan vragen.

De algemene maatregel van bestuur is het Besluit Bibob.

Artikel 4, aanhef en onder a van het Besluit Bibob bepaalt dat als inrichtingen of bedrijven als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de wet, worden aangewezen inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken, of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt.

5. De burgemeester heeft ter onderbouwing van de weigering de exploitatievergunning te verlenen gewezen op artikel 1.8. van de APV. Eiser heeft aangevoerd dat de burgemeester ten onrechte heeft nagelaten te motiveren welke van de in die bepaling genoemde belangen gediend zijn bij de weigering.

Artikel 1.8. van de APV geeft aan de burgemeester de bevoegdheid om een exploitatievergunning te weigeren. Hoewel in die bepaling belangen zijn opgesomd die gediend kunnen zijn bij weigering, laat dat onverlet dat de burgemeester daarnaast op zichzelf bevoegd is om de in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet Bibob genoemde gronden aan de weigering ten grondslag te leggen en ter motivering naar die gronden te verwijzen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de wet BIBOB een wet in formele zin is en de APV een decentrale regeling.

De burgemeester heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat een ernstige mate van gevaar bestaat dat de aanvraagde beschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen op geld waardeerbare voordelen te benutten en dat de aanvraagde beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. In het bestreden besluit heeft de burgemeester ter onderbouwing daarvan gewezen op het rapport van het RIEC.

Eiser heeft aangevoerd dat de burgemeester advies had dienen te vragen aan het LBB.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 juli 2011 (AbRS, LJN: BR2279) overweegt de rechtbank dat bestuursorganen in het algemeen onvoldoende zijn toegerust om onderzoek te doen naar het bestaan van ernstig gevaar in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob, aangezien zij geen toegang hebben tot de justitiële en fiscale registers en andere gesloten bronnen waartoe het LBB toegang heeft. Deze omstandigheid brengt met zich dat het in veel gevallen in de rede zal liggen dat een bestuursorgaan het LBB om advies vraagt indien het bestuursorgaan het bestaan van ernstig gevaar in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob vermoedt. Het bestuursorgaan is daartoe echter niet verplicht. Het bestuursorgaan kan ervoor kiezen om te volstaan met een eigen onderzoek of om een andere adviseur dan het LBB in te schakelen teneinde bepaalde onderdelen van het voor de toepassing van de Wet Bibob relevante feitencomplex te onderzoeken indien het voor dat onderzoek niet noodzakelijk is om gesloten bronnen te raadplegen.

Eiser heeft aangevoerd dat het rapport van het RIEC buiten beschouwing dient te blijven, omdat hij tot aan het bestreden besluit niet bekend was met het bestaan van het rapport en hij voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit niet in de gelegenheid is geweest om daarop te reageren.

Het rapport van bevindingen van het RIEC is van 4 juli 2011. Ter gelegenheid van de zitting is namens de burgemeester erkend dat het rapport van het RIEC in ieder geval ten tijde van de hoorzitting op 18 april 2012 bij de burgemeester al bekend was. Niet weersproken is dat eiser voorafgaand aan het bestreden besluit niet op de hoogte is gebracht van het bestaan van het rapport. Het rapport is tijdens de hoorzitting niet ter sprake gebracht, ondanks dat de adviescommissie er nadrukkelijk naar heeft gevraagd.

De rechtbank acht deze handelwijze in strijd met de procedurele zorgvuldigheid, zoals neergelegd in artikel 3:2 van de Awb. Het lag in de rede dat de burgemeester het rapport in ieder geval tijdens de bezwaarprocedure en voorafgaand aan de hoorzitting had toegezonden aan eiser. Daarvoor bestond te meer aanleiding nu de burgemeester het bestreden besluit heeft gemotiveerd met een verwijzing naar en overneming van het rapport. Overigens acht de rechtbank het evenmin zorgvuldig dat een medewerker van het RIEC blijkens de gespreksverslagen op 15 maart 2011 en 16 mei 2011 de gesprekken met eiser heeft bijgewoond, zonder dat eiser op dat moment op de hoogte is gesteld van de hoedanigheid van deze medewerker en de reden van diens aanwezigheid.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank zal onderzoeken of aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Omdat het rapport door de burgemeester niet was overgelegd als één van de gedingstukken, heeft de rechtbank de burgemeester bij brief van 11 oktober 2012 gevraagd het rapport aan de rechtbank te overleggen, eventueel met een verzoek om geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Awb. Bij brief van 2 november 2012 heeft de burgemeester het rapport overgelegd en daarbij naar voren gebracht ten aanzien van het rapport geen verzoek om geheimhouding te doen. De rechtbank heeft vervolgens geconstateerd dat in het rapport de naam van de uitvoerder en de projectleider ontbreken en dat het rapport niet is ondertekend. Ter gelegenheid van de zitting is desgevraagd namens de burgemeester verklaard dat deze gegevens op het verzoek van het RIEC zijn weggelakt.

De rechtbank acht deze handelwijze in strijd met de goede procesorde. Nu de persoon van de adviseur van belang is bij de beoordeling van de deskundigheid van de adviseur en voor de beoordeling van de waarde die aan een advies gehecht kan worden, ziet de rechtbank reeds daarin geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Nu vergunningverlening een bevoegdheid van de burgemeester betreft, ziet de rechtbank evenmin een mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal de burgemeester opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

6. Om redenen van proceseconomie zal de rechtbank ook de overige gronden van eiser bespreken.

De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de start van de onderneming in 2004 sprake is geweest van witwassen, zodat een ernstig gevaar bestaat dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen op geld waardeerbare voordelen te benutten (artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, Wet Bibob). Nu eiser daarnaast valselijk belastingaangifte heeft gedaan en valsheid in geschrifte heeft gepleegd, bestaat een ernstig gevaar dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, Wet Bibob).

De rechtbank stelt voorop dat vermoedelijk gepleegde strafbare feiten niet betrokken kunnen worden bij de beoordeling van het bestaan van ernstig gevaar in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob. Van strafbare feiten moet aannemelijk zijn dat zij zijn gepleegd, willen die feiten in de beoordeling kunnen worden betrokken. Het vermoeden, zoals genoemd in artikel 3, tweede en derde lid, van de Wet Bibob ziet niet op het strafbare feit, maar op het in relatie staan tot het strafbare feit (zie onder andere AbRS, 20 juli 2011, LJN: BR2279).

Witwassen

In het rapport van het RIEC zijn tegenstrijdigheden opgesomd in eisers antwoorden op het eerste en het tweede bibobvragenformulier. Eiser heeft onder meer wisselend geantwoord op de vraag of investeringen in de onderneming met eigen, of vreemd vermogen worden gefinancierd. Daarnaast zijn bij de eerste aanvraag twee, en bij de tweede aanvraag vervolgens drie overeenkomsten van geldlening overgelegd. Het RIEC heeft geconcludeerd dat nu eiser niet heeft kunnen aantonen met welk vermogen de start van de onderneming is gefinancierd en aannemelijk is dat de financiering van de onderneming in een later stadium is geconstrueerd er sprake is van een ernstig gevaar dat de exploitatievergunning gebruikt gaat worden voor het witwassen van crimineel geld.

Eiser heeft aangevoerd dat voor zover er onduidelijkheid bestaat over de wijze van financiering, dat het gevolg is van de onjuiste interpretatie door het RIEC van de vraagstelling in de bibobvragenformulieren. De vragen zijn gericht op de huidige situatie. Het RIEC heeft de antwoorden daarop vervolgens van toepassing geacht op de situatie ten tijde van de start van de onderneming in 2004.

Het RIEC heeft met name van belang geacht dat eiser wisselend heeft geantwoord op de vraag of de financiering met eigen of vreemd vermogen heeft plaatsgevonden. Hoewel volgens het RIEC in de procedure van de eerste aanvraag specifiek is gevraagd hoe de financiering van de onderneming bij de start daarvan was geregeld, blijkt daarvan niet uit het (bibob)vragenformulier. In het vragenformulier wordt onder “5. Wijze van financiering” gevraagd “Hoe worden de investeringen in de onderneming waarvoor de vergunning wordt gevraagd, gefinancierd?”. Eiser hoefde dit niet anders te begrijpen dan als een vraag naar de huidige situatie. Aan hem kan dan ook niet worden tegengeworpen dat hij niet reeds bij de eerste aanvraag melding heeft gemaakt van financiering van de start van de onderneming met vreemd vermogen.

Bovendien kan de enkele constatering dat er onduidelijkheden zijn rondom de financiering van de start van de onderneming niet de conclusie dragen dat aannemelijk is dat sprake is geweest van witwassen van geld van misdrijf afkomstig. Voor een dergelijke conclusie bestaat immers eerst aanleiding als zozeer waarschijnlijk is dat sprake is geweest van witwassen, dat het daarom als vaststaand moet worden aangenomen. Het rapport van het RIEC is dan ook niet concludent, zodat de burgemeester ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake was van ernstig gevaar niet heeft kunnen volstaan met de verwijzing naar en overneming van het rapport. Het had op de weg van de burgemeester gelegen om, teneinde aan de op hem rustende bewijslast te voldoen, door middel van nadere informatie aannemelijk te maken dat sprake is geweest van witwassen. Nu de burgemeester dat heeft nagelaten, ontbeert het bestreden besluit met betrekking tot het witwassen een deugdelijke motivering.

Valselijk doen van belastingaangifte

In het rapport van het RIEC is geconcludeerd dat sprake is van het valselijk doen van belastingaangifte. Het RIEC heeft ter onderbouwing daarvan gewezen op boekenonderzoek door de belastingdienst, naar aanleiding waarvan ruim € 20.000,- naheffingsaanslagen zijn opgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank biedt het feit dat naheffingsaanslagen zijn opgelegd onvoldoende grond voor het oordeel dat aannemelijk is dat eiser valselijk belastingaangifte heeft gedaan. Het rapport is op dat punt onvoldoende concludent en kan het bestreden besluit op dit punt niet dragen.

De burgemeester heeft in aanvulling op het bestreden besluit in het verweerschrift, zoals eerder ook al in het primaire besluit, opgemerkt dat uit informatie van de belastingdienst gebleken is dat de belastingdienst heeft geconstateerd dat een deel van de omzet niet als opbrengst is verantwoord in de administratie en aangifte inkomstenbelasting. Er is over de periode van 2004 tot en met 2007 onjuiste opgave gedaan waardoor er voor een bedrag van € 20.127,- aan naheffingen zijn opgelegd. Het opleggen van een boete is achterwege gebleven op grond van regels van formeel recht, terwijl er materieel gesproken wel reden toe was, omdat de aangiften immers onjuist waren, aldus de burgemeester.

Ter gelegenheid van de zitting is namens de burgemeester desgevraagd naar voor gebracht dat voorgaande informatie uitsluitend is gebaseerd op een brief van de belastingsdienst van 25 mei 2010. De rechtbank constateert dat die brief ziet op een betalingsregeling met eiser voor de betaling van drie belastingaanslagen tot een totaalbedrag van € 20.127,-. De rechtbank ziet in die brief geen enkele aanwijzing om aannemelijk te achten dat sprake zou zijn geweest van het strafbare feit bestaande uit het valselijk doen van belastingaangifte. Bij gebrek aan nadere onderbouwing heeft de burgemeester onvoldoende gemotiveerd dat

aannemelijk is dat sprake is van het valselijk doen van aangifte.

Valsheid in geschrifte

In het rapport van het RIEC is geconcludeerd dat de twee (bibob)vragenformulieren onderling van elkaar verschillen. De burgemeester heeft daaraan in het bestreden de conclusie verbonden dat sprake is van valsheid in geschrifte. Eiser heeft de twee bibobvragenformulieren van elkaar afwijkend ingevuld, zodat, nu de beide lijsten op de situatie ten tijde van de start van één en dezelfde onderneming zien, tenminste één van de lijsten niet naar waarheid is ingevuld. Op de formulieren is vermeld dat indien blijkt dat het formulier niet naar waarheid is ingevuld of onjuiste gegevens bevat, aangifte gedaan zal worden van valsheid in geschrifte.

Zoals hiervoor reeds is overwogen hoefde eiser de vraag naar de financiering in het eerste vragenformulier niet anders te begrijpen dan als een vraag naar de huidige situatie. Dat eiser in het tweede formulier anders heeft verklaard over de wijze van financiering is gelegen in de omstandigheid dat eiser op dat moment begreep dat werd gevraagd naar de financiering van de start van de onderneming. De rechtbank volgt de burgemeester dan ook niet in de conclusie dat nu sprake is van onderlinge afwijkingen, één van de formulieren niet naar waarheid is opgemaakt.

Bovendien constateert de rechtbank dat zowel het eerste vragenformulier, als het tweede vragenformulier niet door eiser is ondertekend, terwijl de aanvrager juist met de ondertekening van de vragenlijst verklaart dat hij het formulier naar waarheid heeft ingevuld.

De burgemeester heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat aannemelijk is dat sprake is van valsheid in geschrifte.

Ernstig gevaar

Met eiser is de rechtbank daarnaast van oordeel dat indien aannemelijk is dat strafbare feiten zijn gepleegd, de burgemeester heeft nagelaten te onderbouwen waarom het gevaar als ernstig dient te worden aangemerkt. Het tweede en derde lid van de Wet Bibob bepalen de criteria op basis waarvan moet worden vastgesteld of het gevaar ernstig is. De mate van gevaar is met name van belang in verband met de mogelijkheden van het verbinden van voorschriften aan de vergunning, alsmede in verband met de belangenafweging bij de weigering van de vergunning.

Belangenafweging

Artikel 3, vijfde lid van de Wet Bibob bepaalt dat de vergunning slechts wordt geweigerd als sprake is van evenredigheid met de mate van het gevaar en de ernst van de strafbare feiten. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat uit het bestreden besluit ten onrechte niet blijkt dat sprake is geweest van een belangenafweging door de burgemeester. De rechtbank kan de burgemeester niet volgen in het standpunt dat sprake is geweest van een impliciete belangenafweging in het rapport door het RIEC, welke belangenafweging de burgemeester heeft overgenomen.

7. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

De rechtbank zal de burgemeester veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten en beroep en bezwaar. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 1.416,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de burgemeester op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 156,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.416,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P.J. Schoonen, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.J.C. Goorden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.