Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:CA3961

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-05-2013
Datum publicatie
20-06-2013
Zaaknummer
13/1030
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Verdeling bewijslast

Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat zij in het onderhavige jaar een negatief resultaat uit het ter beschikking stellen van vermogen heeft geleden in de vorm van huurvorderingen die - naar zij stelt - achteraf onbetaald zijn gebleven en oninbaar zijn gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1514
V-N 2013/36.2.3
FutD 2013-1651
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 13/1030

Uitspraak van 28 mei 2013

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Eindhoven,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 7 mei 2010 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar over het jaar 2005 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en de gelijktijdig bij beschikking opgelegde verzuimboete.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2013 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde [gemachtigde], en namens de inspecteur, [gemachtigden].

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2005. Bij brief van 31 mei 2007 heeft de inspecteur belanghebbende aangemaand uiterlijk binnen 10 werkdagen na dagtekening van deze brief aangifte te doen. Belanghebbende heeft de aangifte op 24 augustus 2007 ingediend.

2.2. Belanghebbende verhuurde in 2005 en voorgaande jaren een loods met kantoorruimte gelegen aan de [adres] te [plaats A] aan een aantal vennootschappen, waaronder [A BV]. Belanghebbende was van 5 april 2001 tot en met 29 september 2005 aandeelhouder van [A BV].

2.3. Belanghebbende heeft voor het jaar 2005 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.441. Het inkomen is als volgt samengesteld:

Loon van [A BV] € 28.588

Uitkering WAZ UWV € 4.980

Huurwaarde eigen woning € 3.444

Af: rente eigen woning € 14.571

Inkomen € 22.441

2.4. Met dagtekening 11 juli 2008 heeft de inspecteur de onderhavige aanslag overeenkomstig de ingediende aangifte opgelegd. Gelijktijdig is bij beschikking een verzuimboete vastgesteld van € 22 wegens het te laat indienen van de aangifte.

2.5. Bij brief van 30 juni 2009 heeft belanghebbende tegen deze aanslag en boetebeschikking bezwaar gemaakt. In haar bezwaarschrift heeft belanghebbende de inspecteur verzocht om verrekening van een bedrag van in totaal € 434.677 aan door haar in rekening gebrachte maar niet ontvangen bedragen, waaronder huurpenningen. Bij brief van 11 november 2009 heeft belanghebbende dit verzoek herhaald. Bij in één geschrift vervatte uitspraken van 7 mei 2010 heeft de inspecteur het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Na een ambtshalve inhoudelijke beoordeling heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond bevonden.

2.6. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank. Bij uitspraak van 20 juli 2011 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Hiertegen heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. Het Gerechthof ’s-Hertogenbosch heeft in zijn uitspraak van 11 oktober 2012 geoordeeld dat belanghebbende ten onrechte niet ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar. Gelet hierop heeft het Gerechthof ’s-Hertogenbosch het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en de zaak -om proceseconomische redenen - teruggewezen naar de rechtbank voor een behandeling ten gronde.

2.7. Tussen partijen is thans nog in geschil of op het over 2005 vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning van belanghebbende een bedrag van € 434.677 althans enig bedrag in mindering dient te worden gebracht wegens in rekening gebrachte maar nog niet ontvangen bedragen.

2.8. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich dat een belastingplichtige die, zoals belanghebbende, aanspraak maakt op toepassing van een aftrekpost, zowel het bestaan van die aftrekpost als het gestelde beloop ervan aannemelijk maakt.

2.9. Met hetgeen belanghebbende ter zake heeft aangevoerd, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat er in dezen sprake is van een (negatief) resultaat uit het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen of een op andere gronden in aanmerking te nemen aftrekpost. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

2.10. Belanghebbende heeft in haar aangifte geen resultaat uit het ter beschikking stellen van vermogen aangegeven. In bezwaar noch in beroep heeft zij, tegenover de betwisting door de inspecteur, aannemelijk gemaakt dat zij in voorgaande jaren wel resultaat uit het ter beschikking stellen van vermogen heeft aangegeven in de vorm van de huurvorderingen die - naar zij stelt - achteraf onbetaald zijn gebleven en oninbaar zijn gebleken. Ook uit de in de brief van 30 juni 2009 opgenomen lijst van vorderingen en de bijgevoegde facturen valt niet af te leiden dat sprake is van onbetaalde vorderingen op vennootschappen waarin belanghebbende een aanmerkelijk belang had. Enkel de factuur d.d. 31 december 2003 van € 17.850 gericht aan [B BV] ziet op de verhuur van (een gedeelte van) de loods met kantoorruimte aan de [adres]. Belanghebbende had evenwel in 2003, na de verkoop op 16 augustus 2002 van alle aandelen, geen aanmerkelijk belang meer in die vennootschap. De overige bijgevoegde facturen zijn facturen van de diverse vennootschappen gericht aan belanghebbende voor aan haar verkochte zaken en voor haar verrichte werkzaamheden.

2.11. Belanghebbende heeft nog gesteld dat de inspecteur niet alle relevante stukken in het geding heeft gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat de inspecteur voor de omzetbelasting en/of de inspecteur voor de inkomstenbelasting over meer of andere facturen en/of bescheiden beschikken dan thans in deze procedure zijn ingebracht.

2.12. Belanghebbende heeft geen grieven geformuleerd tegen de opgelegde verzuimboete. De rechtbank ziet ambtshalve geen reden om deze boete te verminderen of te doen vervallen.

2.13. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.14. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 28 mei 2013 door mr. W. Brouwer, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr. M.L.M. van Kempen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 4 juni 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.