Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:CA3760

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
12/679
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Polenconstructie: loonheffing. De rechtbank oordeelt dat er geen vennootschap onder firma was tussen de Polen die werkten voor het klussenbedrijf met de rechtsvorm van een vennootschap onder firma. Geen immateriële schadevergoeding wegens lange duur van de procedure nu daarvoor al een vergoeding was toegekend aan degene voor wiens rekening en risico het klusbedrijf werd gedreven (zie AWB 12/686 tot en met 12/689).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-1690
V-N Vandaag 2013/1495
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Maastricht

Procedurenummers AWB 12/679 tot en met 12/682

uitspraak van 16 april 2013

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], gevestigd te [plaats A],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Maastricht,

inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 5 januari 2012 op het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslagaanslagen loonbelasting/ premie volksverzekeringen over de jaren 2005 tot en met 2008 (hierna: loonheffingen), alsmede de daarbij vastgestelde boeten en de in rekening gebrachte heffingsrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2013 te Maastricht. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] en namens de inspecteur, [gemachtigden]. Ter zitting zijn de zaken met procedurenummers AWB 12/679 tot en met 12/689 gelijktijdig behandeld.

1. Beslissing

De rechtbank

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar, de naheffingsaanslagen, boetebeschikkingen en heffingsrentebeschikkingen;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 923;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 310 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. De zoon van [X], [Y] houdt alle aandelen in [Adviesbureau] (hierna: BV), welke op haar beurt vanaf 2006 vennoot is van belanghebbende. [X] treedt op als woordvoerder en contactpersoon van belanghebbende. Volgens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel is belanghebbende op [datum] 2004 opgericht en heeft zij naast de BV 16 Poolse vennoten. De vennootschapsovereenkomst is ondertekend op 1 december 2004. Volgens deze overeenkomst bestaat belanghebbende uit onder andere 22 Poolse vennoten (hierna: Polen).

2.2. Naar aanleiding van een in 2004 ingesteld boekenonderzoek heeft de inspecteur geconstateerd dat belanghebbende geen realiteitsgehalte heeft en derhalve sprak moet zijn van een dienstbetrekking tussen de Poolse “vennoten” en [X], dan wel belanghebbende, dan wel de BV.

2.3. Naar aanleiding van het onderzoek heeft de inspecteur aan belanghebbende met dagtekening 15 december 2010 over het jaar 2005 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd en bij beschikkingen boeten en heffingsrente vastgesteld. Het hiertegen gemaakte bezwaar door belanghebbende is door de inspecteur ontvangen op 27 december 2010.

2.4. Tevens heeft de inspecteur met dagtekening 1 augustus 2011 naheffingsaanslagen loonheffingen over de jaren 2006 tot en met 2008 opgelegd aan zowel belanghebbende als aan [X] en de BV en daarbij bij beschikkingen boeten en heffingsrente vastgesteld. Belanghebbende, [X], en de BV hebben hiertegen bij brieven van 8 september 2011, ontvangen door de inspecteur op 9 september 2011, bezwaar gemaakt.

2.5. Bij uitspraken op bezwaar van 5 januari 2012 heeft de inspecteur de naheffingsaanslagen loonheffingen over de jaren 2005 tot en met 2008, alsmede de boetebeschikkingen en heffingsrentebeschikkingen ten name van belanghebbende gehandhaafd.

2.6. In geschil is of de in het geding zijnde naheffingsaanslagen loonheffingen en vergrijpboeten, terecht en met omkering van de bewijslast zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil het antwoord op de vraag of de Polen als zelfstandige ondernemers (vennoten) van de vof waren aan te merken dan wel in loondienst waren bij de belanghebbende. Voorts is in geschil of belanghebbende in aanmerking komt voor een integrale proceskostenkostenvergoeding en een immateriële schadevergoeding. Niet in geschil is de wijze en de hoogte van de berekende naheffingsaanslagen loonheffingen.

Schijnconstructie

2.7. In de op dezelfde dag gedane uitspraak van de rechtbank in de procedurenummers AWB 12/686 tot en met 12/689 ten name van [X] heeft de rechtbank met betrekking tot belanghebbende beslist dat er sprake is van een schijnconstructie, dat er geen sprake is van een vennootschap onder firma (VOF) en dat belanghebbende dus niet bestaat. De rechtbank heeft tevens beslist dat de inhoudingsplicht met betrekking tot onderhavige loonheffingen bij [X] ligt. Dit brengt met zich de naheffingsaanslagen ten onrechte aan belanghebbende zijn opgelegd.

2.8. Het voorgaande leidt ertoe dat het beroep van belanghebbende gegrond is verklaard, waardoor zowel de uitspraken op bezwaar als de naheffingsaanslagen loonheffingen en de over deze jaren vastgestelde boetes en heffingsrente dienen te worden vernietigd.

2.9. Nu belanghebbende volledig in het gelijk wordt gesteld komt de rechtbank aan de overige in geschil zijnde vragen niet toe.

Immateriële schadevergoeding

2.10. Belanghebbende heeft verzocht om een immateriële schadevergoeding in verband met de lengte van de duur van de procedure.

2.11. De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad in zijn arrest van 10 juni 2011, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: BO8050, heeft beslist dat in belastingzaken, waar artikel 6 van het EVRM niet van toepassing is, een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn kan worden toegekend, ook indien het beroep tegen de aanslag of beschikking ongegrond is verklaard. De Hoge Raad oordeelde dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld en dat artikel 8:73 van de Awb in die gevallen van overeenkomstige toepassing is. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: AO9006. De in aanmerking te nemen termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en beloopt in beginsel twee jaar (voor de bezwaar- en de beroepsfase), tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

2.12. Van de genoemde termijn van twee jaar moet, blijkens de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 januari 2009, nr. 05/0789, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: BH1009, een termijn van anderhalf jaar worden gegund voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank.

2.13. De bezwaarschriften belanghebbende tegen de naheffingsaanslagen loonheffingen 2004 en 2005 zijn ontvangen op 27 december 2010. Tussen 27 december 2010 en de dag van dagtekening van deze uitspraak is twee jaar en vier maanden verstreken, zodat de overschrijding van de redelijke termijn 4 maanden beloopt.

2.14. Nu belanghebbende, zoals de rechtbank in 2.7. heeft overwogen, geen bestaansrecht heeft acht de rechtbank het onterecht om spanning en frustratie aan te nemen bij belanghebbende. De rechtbank is van oordeel dat [X] de feitelijke belanghebbende is bij de activiteiten van hetgeen als VOF is gepresenteerd. In de uitspraak in de zaken van [X] heeft de rechtbank reeds een immateriële schadevergoeding toegekend die naar het oordeel van de rechtbank tevens compensatie biedt voor de onderhavige vertraging.

2.15. Nu de beroepen van belanghebbende met betrekking tot de zaaknummers 12/679 t/m 12/682 en van de BV, in op dezelfde datum gedane uitspraken met betrekking tot de zaaknummers 12/683 t/m 12/685 gegrond zijn verklaard, ziet de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten van deze zeven samenhangende zaken die belanghebbenden (de VOF en de BV) in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.616 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 218, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een conclusie van repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472, een wegingsfactor 1, en een factor 1,5 wegens meer dan 3 zaken). Belanghebbende komt in aanmerking voor een proceskostenvergoeding van € 923 (€ 1.616*4/7) en de BV voor een vergoeding van € 693.

2.16. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een integrale proceskostenvergoeding.

Deze uitspraak is gedaan op 16 april 2013 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, mr. drs. M.M. de Werd en mr. W. Brouwer, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.H. van Heel, griffier. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 24 april 2013

Rechtsmiddel

Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als hij onherroepelijk vaststaat.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.