Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:CA3575

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-04-2013
Datum publicatie
20-06-2013
Zaaknummer
12/4397
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

KB Lux. De rechtbank verwerpt de opvatting van belanghebbenden dat de gebruikmaking van de renseignementen strijdig is met het recht op een eerlijk proces, het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het (internationale) vertrouwensbeginsel, het beginsel van fair play, de goede trouw in de zin van het Verdrag met Wenen, het Belastingverdrag met België en de Bijstandsrichtlijn. Enkele navorderingsaanslagen die met toepassing van de verlengde navorderingstermijn zijn opgelegd, zijn niet voldoende voortvarend opgelegd en zijn vernietigd. Twee navorderingsaanslagen VB zijn verminderd wegens overnamefouten. De navorderingsaanslagen IB/PVV 2001-2003 zijn verminderd omdat de helft van het box 3-vermogen aan de echtgenoot had moeten worden toegerekend. De informatiebeschikking over 2008 is vernietigd wegens het opleggen van de aanslag IB/PVV 2008. Het beroep ter zake van de overige navorderingsaanslagen IB/PVV, nadere navorderingsaanslagen IB/PVV, aanslagen IB/PVV, navorderingsaanslagen VB, verhogingen/boeten, kwijtscheldingsbesluiten, beschikkingen heffingsrente en de informatiebeschikking over 2009 is ongegrond verklaard. De rechtbank kent aan elk van beide belanghebbenden een immateriële schadevergoeding van € 9.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1519
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummers AWB 12/4397 tot en met 12/4423, 12/4966, 12/4967 en 13/2058

Uitspraak van 22 april 2013

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[Y], wonende te [woonplaats],

[X], wonende te [woonplaats],

belanghebbenden,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Tilburg,

de inspecteur.

Hierna in de uitspraak wordt belanghebbende [Y] nader aangeduid als belanghebbende. Belanghebbende [X] wordt nader aangeduid als de echtgenoot.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende (fiscaalnr. [1111.11.111]) over de jaren 1996 tot en met 1998 de onderstaande nadere navorderingsaanslagen en over 2007 de onderstaande navorderingsaanslag Inkomstenbelasting/ Premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd en over de jaren 1997 tot en met 1999 de onderstaande navorderingaanslagen Vermogensbelasting (hierna: VB). Met betrekking tot de jaren 2000 tot en met 2006 en 2008 heeft de inspecteur aanslagen IB/PVV opgelegd. Daarnaast heeft de inspecteur over de aanslagjaren 2008 en 2009 informatiebeschikkingen (hierna: 52a-besch.) in de zin artikel 52a Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) aan belanghebbende opgelegd.

Ten aanzien van de echtgenoot (fiscaalnr. [222.22.222]) heeft de inspecteur over de jaren 1990 tot en met 1993 de onderstaande navorderingaanslagen en over de jaren 2004 tot en met 2006 de onderstaande aanslagen IB/PVV opgelegd, alsmede de navolgende navorderingsaanslagen VB over de jaren 1991 tot en met 1996.

Beschikking jaar aanslagnummer datum procedurenr.

IB/PVV 1990 [222.22.222]H07 30-12-02 12/4406

IB/PVV 1991 [222.22.222]H17 31-05-03 12/4405

IB/PVV 1992 [222.22.222]H27 31-05-03 12/4404

IB/PVV 1993 [222.22.222]H37 31-05-03 12/4403

IB/PVV 1996 [1111.11.111]H68 31-05-03 12/4423

IB/PVV 1997 [1111.11.111]H78 30-12-02 12/4421

IB/PVV 1998 [1111.11.111]H88 31-05-03 12/4422

IB/PVV 2000 [1111.11.111]H06 30-12-03 13/2058

IB/PVV 2001 [1111.11.111]H16 31-08-05 12/4413

IB/PVV 2002 [1111.11.111]H26 31-08-05 12/4414

IB/PVV 2003 [1111.11.111]H36 30-11-06 12/4415

IB/PVV 2004 [1111.11.111]H46 30-07-07 12/4416

IB/PVV 2004 [222.22.222]H46 30-06-07 12/4407

IB/PVV 2005 [1111.11.111]H56 30-06-08 12/4417

IB/PVV 2005 [222.22.222]H56 30-06-08 12/4408

IB/PVV 2006 [1111.11.111]H66 31-07-09 12/4418

IB/PVV 2006 [222.22.222]H66 31-07-09 12/4409

IB/PVV 2007 [1111.11.111]H77 27-11-10 12/4419

IB/PVV 2008 [1111.11.111]H86 31-01-12 12/4420

VB 1991 [222.22.222]K17 30-12-02 12/4398

VB 1992 [222.22.222]K27 31-05-03 12/4397

VB 1993 [222.22.222]K37 31-05-03 12/4399

VB 1994 [222.22.222]K47 31-05-03 12/4400

VB 1995 [222.22.222]K57 31-05-02 12/4401

VB 1996 [222.22.222]K67 31-05-02 12/4402

VB 1997 [1111.11.111]K77 31-05-02 12/4412

VB 1998 [1111.11.111]K87 31-05-02 12/4411

VB 1999 [1111.11.111]K97 31-05-02 12/4410

52a-besch. 2008 [1111.11.111] 21-11-11 12/4966

52a-besch. 2009 [1111.11.111] 21-11-11 12/4967

1.2. Bij voormelde (navorderings)aanslagen zijn tot en met IB/PVV 1997 en VB1998 100% verhogingen (aangeduid als boetes) opgelegd waarvan bij de navorderingsaanslagen VB 1995 tot en met VB 1999 de helft is kwijtgescholden. Bij voormelde (navorderings)aanslagen voor de latere jaren zijn 100% boetes opgelegd. Tevens zijn voor alle jaren bedragen aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.3. De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 15 augustus 2012 de voormelde (navorderings)aanslagen gehandhaafd en de bedragen aan verhogingen na aftrek van het kwijtgescholden gedeelte ervan, alsmede de boetebeschikkingen verminderd tot 80% in verband met undue delay. In de uitspraken op bezwaar van 20 augustus 2012 heeft de inspecteur de informatiebeschikkingen 2008 en 2009 ten name van belanghebbende gehandhaafd.

1.4. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben bij brief van 20 augustus 2012, ontvangen bij de rechtbank op 21 augustus 2012, beroep ingesteld tegen de in 1.3 vermelde uitspraken op bezwaar van 15 augustus 2012. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van zowel belanghebbende als de echtgenoot een griffierecht geheven van € 42. De inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

1.5. Belanghebbende heeft bij brief van 21 september 2012, ontvangen bij de rechtbank op 24 september 2012, beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar van 20 augustus 2012 aangaande de informatiebeschikkingen over de aanslagjaren 2008 en 2009. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende eveneens een griffierecht geheven van € 42. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2013 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Maastricht, en namens de inspecteur, [gemachtigden]. Ter zitting zijn de zaken met procedurenummers AWB 12/4397 tot en met 12/4423, 12/4966, 12/4967 en 13/2058 gelijktijdig behandeld, waarbij zij opgemerkt dat het beroep tegen de in 1.1 vermelde aanslag IB/PVV 2000 eerst na afloop van de zitting bij de rechtbank is geregistreerd onder procedurenummer 13/2058.

1.7. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. De Belgische Bijzondere Belastinginspectie heeft bij brief van 27 oktober 2000 aan het Ministerie van Financiën fotokopieën van microfiches verstrekt (hierna: de microfiches). Deze brief vermeldt dat de microfiches gegevens bevatten in verband met rekeningen van inwoners van Nederland bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (hierna: KB Lux). De microfiches vermelden saldi op rekeningen bij deze bank per 31 januari 1994. Naar aanleiding van de bij deze brief verstrekte gegevens hebben de FIOD-ECD en de belastingdienst een onderzoek ingesteld, het zogenoemde Rekeningenproject. De ontwikkelingen binnen dit project zijn intern door middel van het Draaiboek Rekeningenproject en nieuwsbrieven verspreid.

2.2. Op de microfiches komen de volgende regels voor:

[00-123456-00]-0000 00 0040 TER LDO [X - Y] 458.828,28

[01-123456-01]-0000 00 0040 TER LDO [X - Y] 258.901,44

[02-123456-02]-0000 00 0040 VVE [X - Y] 38,22

Hier staan volgens het Draaiboek Rekeningenproject de eerste 10 cijfers voor het rekeningnummer van de rekeninghouder. De 6 cijfers tussen de gedachtestrepen behoren toe aan één enkele rekeninghouder, dit is een uniek nummer.

2.3. De volledige naam van belanghebbende is [Y]. Belanghebbende is gehuwd met [X].

2.4. In oktober 2001 is in het zogenoemde tripartite overleg besloten tegen belanghebbende een strafrechtelijk onderzoek in te stellen, omdat het vermoeden was gerezen dat belanghebbende beschikte over drie bankrekeningen bij de KB Lux die niet in de aangiften van belanghebbende en haar echtgenoot waren vermeld. Naar aanleiding daarvan heeft de FIOD-ECD een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen belanghebbende betreffende haar aangiften IB/PVV 1996 tot en met 1999 en tegen haar echtgenoot betreffende zijn aangiften IB/PVV 1994 en 1995.

2.5. In een bij proces-verbaal van 16 oktober 2001 op ambtseed opgemaakte verklaring van [ambtenaar], als ambtenaar van de belastingdienst en buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam bij de FIOD te Haarlem, is aangegeven hoe de identificatie van belanghebbende als rekeninghouder bij de KB Lux in zijn werk is gegaan. In dit proces-verbaal is onder meer opgenomen:

“Op verzoek van de FIOD Opsporingsinformatie Haarlem zijn door B/KIR (Belastingdienst, Kenniscentrum Identificatie Renseigneringsstromen) de gegevens van Nederlandse rekeninghouders op de afdrukken van de microfiches van de KB Lux verwerkt in een bestand (hierna genoemd: cliëntenbestand KB Lux).

Dit bestand is op verzoek van de FIOD Opsporingsinformatie Haarlem door B/KIR gematcht met het BVR-bestand (Beheer van Relaties), een bestand van de Belastingdienst, waarin alle Nederlandse natuurlijke- en rechtspersonen zijn opgenomen. Het BVR-bestand wordt voor wat betreft de natuurlijke personen gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie.

Op deze manier zijn ruim 2000 rekeninghouders vermoedelijk geïdentificeerd en is voornoemd cliëntenbestand KB Lux onder meer aangevuld met de sofinummers van de vermoedelijke rekeninghouders. Opgemerkt wordt dat in het BVR-bestand de natuurlijke personen zijn opgenomen met voorletters en niet met voornamen.

Tot slot zijn de gevonden sofinummers gekoppeld aan het bestand van het Centrale Rijbewijzen- en Bromfietsencertificatenregister (CRB), in welk bestand de sofinummers, de voornaam en de geslachtsnaam van alle natuurlijke personen zijn opgenomen met een rijbewijs of een bromfietscertificaat en welk bestand is aangekocht van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna genoemd: RDW-bestand).

(…)

Op basis van het voorgaande verklaar ik, verbalisant, :

1. Op de afdruk van de microfiche van de KB Lux komt onder meer voor:

[X - Y];

2. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komt als enige hit naar voren:

[X], gehuwd met [Y],

sofinr. [222.22.222];

3. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux inclusief sofinummer met het RDW-bestand komt de volgende hit naar voren:

JOSEPHUS VAN AAKEN.”

2.6. Eveneens op 30 oktober 2001 heeft er op het woonadres van belanghebbende en haar echtgenoot te [woonplaats] en op het bedrijfsadres van het café van belanghebbende aan de [adres] te [plaats B] een doorzoeking plaatsgevonden. Tijdens deze doorzoeking zijn afschriften van bankrekeningen van de Belgische Bank Cera en de NMS Bank op naam van belanghebbende aangetroffen. Ter zake van deze bankrekeningen heeft belanghebbende op 17 december 2001 tijdens een verhoor aan de FIOD verklaard dat zij de NMS bankrekening nooit heeft aangegeven in haar aangiften IB/PVV en VB, omdat zij deze bankrekening beschouwde als een “oude sok”.

2.7. De FIOD heeft ter zake van de aangetroffen bankrekeningen van de Cera en NMS bank en het fiche van de KB Lux de volgende berekeningen (in guldens) gemaakt met betrekking tot de ontvangen rente op deze bankrekeningen, waarbij de FIOD voor de KB Lux-rekening is uitgegaan van de 3 maands termijndeposito rentes:

2.8. Naar aanleiding van het op 7 maart 2002 naar de inspecteur verzonden proces-verbaal van de FIOD, waarvan het in 2.7. vermelde overzicht deel uitmaakt, heeft de inspecteur bij brief van 25 maart 2002 de navorderingaanslagen IB/PVV 1994 en 1995 en VB 1995 en 1996 aangekondigd aan de echtgenoot en aan belanghebbende, voor zover hier van belang, de navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 tot en met 1999 en VB 1997 tot en met 1999. Ter zake van de navorderingsaanslagen IB/PVV heeft de inspecteur geen verhogingen aangekondigd in verband met het nog lopende strafrechtelijk onderzoek. Ter zake van de navorderingsaanslagen VB heeft hij verhogingen/boeten van 50% wegens het opzettelijk niet dan wel onjuist indienen van aangiften VB aangekondigd.

Voorts heeft de inspecteur verzocht om bescheiden waaruit de volgende onverklaarbare vermogenstijgingen blijken:

“Blijkens de saldi van de bankrekeningen per 31 december 1995 en 31 december 1996 zijn de saldi, naast de ontvangen rente, gestegen met tenminste fl. 83.506.

In 1997 is het saldo van de bankrekeningen, naast de ontvangen rente, gestegen met tenminste fl. 84.732 en de hypotheek afgelost ter grootte van fl. 93.000.

In 1998 is het saldo van de bankrekening, naast de ontvangen rente, gestegen met tenminste fl. 84.605 en een vordering op andere banken ontstaan ad fl. 108.799.”

Bij het uitblijven van de bescheiden heeft de inspecteur aangekondigd met omkering van de bewijslast de onverklaarbare vermogenstijgingen over de jaren 1996 tot en met 1998 als andere inkomsten uit arbeid aan te merken.

2.9. Na het uitblijven van een verklaring van belanghebbende voor de onverklaarbare vermogensstijgingen heeft de inspecteur met dagtekening 31 mei 2002 navorderingsaanslagen VB 95 tot en met 1999 aan de echtgenoot danwel belanghebbende opgelegd, telkens inclusief een verhoging van 100%, waarvan de helft is kwijtgescholden. De navorderingsaanslagen zijn als volgt vastgesteld:

Vermogensbelasting 1995 ten name van de echtgenoot

Verzwegen vermogen fl. 787.647

Overige bankrekeningen fl. 355

Vastgesteld vermogen vóór afronding fl. 788.002

Vermogensbelasting 1996 ten name van de echtgenoot

Verzwegen vermogen fl. 813.512

Overige bankrekeningen fl. 663

Woning fl. 83.436

Af: Hypotheek fl. 100.000

Vastgesteld vermogen vóór afronding fl. 797.611

Vermogensbelasting 1997 ten name van belanghebbende

Verzwegen vermogen fl. 920.245

Woning fl. 83.436

Af: Hypotheek fl. 93.000

Vastgesteld vermogen vóór afronding fl. 910.681

Vermogensbelasting 1998 ten name van belanghebbende

Verzwegen vermogen fl. 1.033.239

Woning fl. 203.000

Vastgesteld vermogen vóór afronding fl. 1.236.239

Vermogensbelasting 1999 ten name van belanghebbende

Verzwegen vermogen fl. 1.160.681

Overige bankrekeningen fl. 108.799

Woning fl. 203.000

Vastgesteld vermogen vóór afronding fl. 1.472.480

2.10. Bij brief van 11 juni 2002, ontvangen door de inspecteur op 12 juni 2002, hebben belanghebbende en haar echtgenoot bezwaar aangetekend tegen de opgelegde navorderingsaanslagen VB 1995 tot en met 1999, alsmede tegen de boete.

2.11. Met dagtekening 17 september 2002 heeft de inspecteur naar aanleiding van de eerdere aankondiging navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 tot en met 1998 met aanslagnummers [1111.11.111]H. 67,77 en 87 aan belanghebbende opgelegd, zonder verhoging. In deze navorderingsaanslagen zijn de verzwegen rente inkomsten overeenkomstig de berekening van de FIOD (onderdeel 2.7.) over deze jaren alsnog in aanmerking genomen, waardoor het nieuwe belastbare inkomen over deze jaren is vastgesteld op fl. 29.201, fl. 37.892 en fl. 86.327. Belanghebbende heeft bij brief van 23 oktober 2002, ontvangen door de inspecteur op 25 oktober 2002, bezwaar gemaakt tegen de onderhavige aanslagen.

2.12. Met dagtekening 22 november 2002 heeft de inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991 ten name van de echtgenoot aangekondigd en een nadere navorderingsaanslag IB/PVV 1997 ten name van belanghebbende. Daarnaast heeft de inspecteur boeten van 100% aangekondigd wegens het opzettelijk nalaten deze tegoeden en inkomsten op te geven met het oogmerk belasting te ontduiken.

De inspecteur heeft voor het jaar 1997 een nadere navorderingsaanslag IB/PVV aangekondigd naar een belastbaar inkomen van fl. 122.614 (fl. 37.892 + fl. 84.722), omdat belanghebbende geen verklaring heeft gegeven voor de onverklaarbare vermogenstijging van fl. 84.722, zodat hij dit bedrag alsnog als andere inkomsten uit arbeid heeft aangemerkt.

Ten aanzien van de echtgenoot zijn navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991 aangekondigd, uitgaande van een rendement van 6% terugrekenend vanaf een saldo van € 757.885 per 1 januari1994. Voormeld saldo per 1 januari 1994 is bepaald aan de hand van de berekening van de FIOD (onderdeel 2.7.) door het vermelde saldo per 31 december 1994 van fl. 787.647 te verminderen met het vermelde rentebedrag over 1994 van fl. 29.761 (waarbij een verschil resteert van fl. 1). Het saldo per 1 januari 1990 en 1 januari 1991 is daarbij vastgesteld op fl. 600.314 respectievelijk fl. 636.333. De ontvangen rente in 1990 is berekend op fl. 36.019. Het belastbaar inkomen van de navorderingaanslag IB/PVV 1990 en VB 1991 van de echtgenoot is inclusief het reeds eerder aangegeven belastbaar inkomen vastgesteld op fl. 54.840 (fl. 18.821 + fl. 36.019) respectievelijk fl. 636.333.

2.13. De inspecteur heeft met dagtekening 30 december 2002 conform de aankondiging de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991 opgelegd ten name van de echtgenoot en een navorderingsaanslag IB/PVV 1997 ten name van belanghebbende. Belanghebbende en de echtgenoot hebben tegen deze navorderingsaanslagen, alsmede de daarin gegrepen verhogingen en de daarbij berekende heffingsrente, bij brieven van 17 december 2002, ontvangen door de inspecteur op 18 december 2002, bezwaar gemaakt.

2.14. Bij brieven van 25 maart 2003 heeft de inspecteur aangekondigd de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar tegen de in de onderdelen 2.9, 2.11 en 2.13 vermelde navorderingsaanslagen, zonder de toestemming van belanghebbende en de echtgenoot, met ten minste een jaar uit te stellen. Bij brief van 27 mei 2003 heeft de inspecteur de Minister van Financiën op grond van artikel 25, lid 2 (oud) van de AWR verzocht om de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de bezwaren tegen in 2.9 vermelde navorderingsaanslagen voor ten hoogste een jaar te verdagen. De minister heeft bij brief van 11 juni 2003 toestemming gegeven de termijn tot het doen van uitspraak op bezwaar met betrekking tot die navorderingaanslagen te verlengen tot uiterlijk 31 juli 2004.

2.15. De inspecteur heeft bij brief van 8 mei 2003 de navorderingaanslagen IB/PVV 1991 tot en met 1993 en VB 1992 tot en met 1994 ten name van de echtgenoot aangekondigd, alsmede verhogingen van 100% wegens het opzettelijk niet aangeven van de tegoeden van de KB Lux rekening en het rendement daaruit in de aangiften IB/PVV en VB. Vermeld is dat de correcties zijn gebaseerd op de in 2.12 beschreven systematiek en dat deze bedragen:

IB 1991 fl. 38.181

IB 1992 fl. 40.471

IB 1993 fl. 42.900

VB 1992 fl. 674.514

VB 1993 fl. 714.985

VB 1994 fl. 757.885

Ten aanzien van belanghebbende heeft de inspecteur in voornoemde brief voorts nadere navorderingaanslagen IB/PVV 1996 en 1998 aangekondigd, omdat belanghebbende geen verklaring heeft gegeven voor de onverklaarbare vermogenstijgingen in die jaren. Daarbij zijn verhogingen van 100% aangekondigd. Voor de motivering wordt verwezen naar de brief van 17 december 2002. In die brief heeft de inspecteur belanghebbende voor het eerst in kennis gesteld van zijn voornemen nadere navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 en 1998 met 100% boete aan haar op te leggen. Als reden is vermeld dat belanghebbende niet heeft kunnen verklaren hoe de vermogensstijging in 1996 en 1998 van fl. 83.506 en fl. 108.799 zijn ontstaan en dat deze bedragen worden aangemerkt als belastbare andere inkomsten uit arbeid. In die brief is voorts uiteengezet dat belanghebbende wordt verweten dat zij opzettelijk heeft nagelaten de tegoeden en inkomsten daaruit op te geven met het oogmerk belasting te ontduiken.

2.16. Met dagtekening 31 mei 2003 heeft de inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV 1991 tot en met 1993 en VB 1992 tot en met 1994, alsmede verhogingen van 100%, aan de echtgenoot opgelegd. Aan belanghebbende zijn nadere navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 en 1998, alsmede verhogingen van 100%, opgelegd. Hierbij is, conform de brief van 25 maart 2002 (zie onderdeel 2.8), het belastbaar inkomen in 1996 en 1998 gecorrigeerd met bedragen aan andere inkomsten uit arbeid van fl. 83.506 respectievelijk fl. 193.404 (fl. 84.605+ fl. 108.799). Dit heeft geresulteerd in nader vastgestelde belastbare inkomens van fl. 112.707 respectievelijk fl. 279.731.

2.17. Bij brieven van 4 juni 2003 hebben belanghebbende en de echtgenoot bezwaar gemaakt tegen de in 2.16 vermelde navorderingsaanslagen.

2.18. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben bij brief van 23 juni 2003 voor het eerst alle voormelde bezwaarschriften nader gemotiveerd.

2.19. De inspecteur heeft bij brief van 31 juli 2003 aangekondigd over een jaar, eventueel te verlengen met nog een jaar, uitspraak op bezwaar te doen op de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 1991 tot en met 1993 en VB 1992 tot en met 1994 ten name van de echtgenoot en de nadere navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 en 1998 ten name van belanghebbende.

2.20. Bij de brieven van 14 november en 2 december 2003 heeft de inspecteur een aanslag IB/PVV 2000 aan belanghebbende aangekondigd, alsmede een boete van 100%, wegens het opzettelijk niet aangeven van het rendement uit de banktegoeden in de aangifte IB/PVV. Het in de aangifte IB/PVV 2000 aangegeven stipinkomen van fl. 73.968 is met omkering van de bewijslast verhoogd met een bedrag aan niet aangegeven rente uit het verzwegen vermogen voor een bedrag van fl. 49.236 tot fl. 123.204.

2.21. Met dagtekening 30 december 2003 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2000 naar een belastbaar inkomen van fl. 123.204 aan belanghebbende opgelegd almede een boete van 100%.

2.22. Belanghebbende heeft bij brief van 15 december 2003, ontvangen door de inspecteur op 16 december 2003, bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2000.

2.23. De inspecteur heeft bij brief van 29 juni 2004 aangegeven dat op korte termijn uitspraak zal worden gedaan op de in 2.10, 2.11, 2.13 en 2.22 vermelde bezwaren en dat in verband hiermee de gemachtigde van belanghebbende en haar echtgenoot (hierna: gemachtigde) gelegenheid wordt geboden om gehoord te worden.

2.24. Gemachtigde heeft bij brief van 6 juli 2004 aangevoerd eerst de in België door de FIOD bij de huiszoeking in beslag genomen bescheiden en een inhoudelijke reactie op de stellingname van belanghebbende en haar echtgenoot te willen ontvangen. Aangegeven is dat de inspecteur daarna zal worden bericht of belanghebbenden prijs stellen op een hoorzitting.

2.25. De inspecteur heeft op 24 september 2003 de door belanghebbende ingediende aangifte IB/PVV 2001 ontvangen. Bij brief van 4 oktober 2004 heeft de inspecteur belanghebbende verzocht te bevestigen dat voor de indiening van de aangifte IB/PVV 2001 14 maanden uitstel is verzocht en verleend, zodat de uiterlijke termijn voor het opleggen van de aanslag IB/PVV 2001 eindigt op 1 maart 2006. De gemachtigde heeft namens belanghebbende door ondertekening van voormelde brief het uitstel bevestigd.

2.26. Bij brieven van 7 juni 2005 heeft de inspecteur aangekondigd aanslagen IB/PVV 2001 en 2002 aan belanghebbende op te leggen waarbij zal worden afgeweken van de door haar ingediende aangifte IB/PVV. In deze brieven is vermeld dat correctie verband houdt met het verzwegen banksaldo per 31 januari 1994 van fl. 717.768 (€ 325.709) op de KB Lux bankrekening [123456]. Daarbij is een vergrijpboete van 100% aangekondigd wegens het opzettelijk niet aangeven van dit verzwegen banktegoed in de aangifte IB/PVV. Vermeld is dat de aangegeven gemiddelde rendementsgrondslag in 2001 van € 302.951 zal worden verhoogd met € 534.927 (het gemiddelde – omgerekend naar euro’s – van fl. 1.140.848 per 1 januari 2001 en fl. 1.216.799 per 31 december 2001) tot € 837.878. Voor het jaar 2002 is vermeld dat de aangegeven gemiddelde rendementsgrondslag van € 289.443 verhoogd wordt met € 552.159 (fl. 1.126.799) tot € 841.602. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen zal volgens de aankondigingen over de jaren 2001 en 2002 worden vastgesteld op € 33.515 respectievelijk € 33.664.

2.27. Met dagtekening 31 augustus 2005 heeft de inspecteur de aanslagen IB/PVV 2001 en 2002 overeenkomstig de brieven van 7 juni 2005 opgelegd naar een belastbaar inkomen in box 3 van € 33.515 respectievelijk € 33.664, beide verhoogd met een vergrijpboete van 100%. Hiertegen heeft belanghebbende bij brief van 18 juli 2005, ontvangen door de inspecteur op 19 juli 2005, bezwaar aangetekend.

2.28. Bij brief van 1 februari 2006 heeft de inspecteur (onder meer) wederom verzocht om alle gegevens met betrekking tot de buitenlandse bankrekeningen, waaronder de afschriften vanaf 1990 van de KB Lux bankrekening en de Belgische bankrekeningen, te overleggen.

2.29. Bij brief van 9 oktober 2006 wijst de inspecteur erop dat gemachtigde heeft toegezegd dat belanghebbenden alsnog een deel van hun bankbescheiden zullen overleggen, maar dat hij nog niets heeft ontvangen. De inspecteur heeft voorts aangekondigd dat de bezwaarschriften van belanghebbenden in principe zullen worden aangehouden in afwachting van het arrest van de Hoge Raad inzake de proefprocedure van Nauta Dutilh.

2.30. Bij brief van 25 oktober 2006 heeft de gemachtigde aangevoerd dat hij niet weet welke stukken hij nog moet overleggen, aangezien de inspecteur na de huiszoeking in België reeds beschikt over alle Belgische bankrekeningafschriften.

2.31. De inspecteur heeft bij brief van 22 december 2006 aangegeven dat eerder is toegezegd dat alle bescheiden met betrekking tot de Belgische bank- en girobescheiden zouden worden overgelegd en dat hij niet over de Belgische bankafschriften van de CERA- en de NMS Bank vanaf 2000 beschikt. De inspecteur heeft in deze brief de gemachtigde opnieuw verzocht alle bank- en girobescheiden betreffende de buitenlandse bankrekeningen over de jaren 2000 tot en met 2004 te overleggen.

2.32. Met betrekking tot de ingediende aangifte IB/PVV 2003 heeft de inspecteur bij de brieven van 14 juni en 3 juli 2006 belanghebbende verzocht om informatie met betrekking tot de niet in de aangifte vermelde tegoeden van de buitenlandse bankrekeningen. Na het uitblijven van een reactie van belanghebbende heeft de inspecteur bij brief van 27 september 2006 aangekondigd te zullen afwijken van de ingediende aangifte IB/PVV 2003 van belanghebbende in verband met het aanhouden van de KB Lux bankrekening [123456], alsmede een vergrijpboete van 100% op te leggen wegens het opzettelijk niet aangeven van de buitenlandse banktegoeden in de aangifte IB/PVV. Aangegeven is dat de reeds aangegeven rendementsgrondslag van € 161.000 zal worden verhoogd met € 552.159 tot € 713.159, zodat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen zal worden vastgesteld op € 28.526.

2.33. Met dagtekening 30 november 2006 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2003 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 28.526, alsmede een vergrijpboete van 100%. Hiertegen heeft belanghebbende bij brief van 22 november 2006, ontvangen door de inspecteur op 30 november 2006, bezwaar gemaakt. Daarbij is tevens aangegeven dat belanghebbende zich niet kan verenigen met aanhouding van het bezwaar.

2.34. Bij brief van 9 februari 2007 heeft de gemachtigde nogmaals bevestigd dat hij niet instemt met aanhouding van het in 2.33 vermelde bezwaar tot dat in de procedure van Nauta Dutilh onherroepelijk uitspraak is gedaan.

2.35. In de brieven van 4 april 2007 heeft de inspecteur aangekondigd bij de oplegging van de aanslagen IB/PVV 2004 af te wijken van de door belanghebbenden ingediende aangiften IB/PVV 2004, alsmede een vergrijpboete van 100% op te leggen wegens het opzettelijk niet vermelden van het banksaldo (per 31 januari 1994 van fl. 717.768 (€ 325.709)) op de KB Lux bankrekening [123456]. De inspecteur heeft aangegeven dat derhalve bij ieder de helft van het saldo van € 562.540 (het gemiddelde van € 552.159 per 1 januari 2004 en € 572.920 per 31 december 2004) tot de rendementsgrondslag zal worden gerekend, zodat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen bij de echtgenoot zal worden vastgesteld op € 12.090 en bij belanghebbende op € 21.470.

2.36. Gemachtigde heeft in zijn brieven van 20 april 2007 erop gewezen dat belanghebbenden ontkennen houder te zijn (geweest) van de door de inspecteur bedoelde KB Lux rekening en voorts aangevoerd dat niet duidelijk is hoe de inspecteur de voorgenomen correctie heeft vastgesteld, zodat geen sprake is van een redelijke schatting.

2.37. De inspecteur heeft bij brieven van 8 mei 2007 aangevoerd dat de brieven van gemachtigde van 20 april 2007 geen aanleiding geven om zijn standpunt te wijzigen.

2.38. Met dagtekeningen 30 juni 2007 en 30 juli 2007 heeft de inspecteur de aanslagen IB/PVV 2004 ten aanzien van belanghebbende en haar echtgenoot opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21.470 respectievelijk € 12.090, alsmede vergrijpboeten van 100%. Hiertegen heeft belanghebbende bij brief van 13 juli 2007, ontvangen door de inspecteur op 16 juli 2007, bezwaar gemaakt en haar echtgenoot bij brief van 5 juli 2007, ontvangen door de inspecteur op 6 juli 2007.

2.39. In de brief van 17 juli 2007 heeft de inspecteur verzocht om aanhouding van het in 2.38 vermelde bezwaarschrift in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad in de proefprocedure bij Nautha Dutilh. In antwoord hierop heeft de gemachtigde bij brief van 20 juli 2007 verklaard hiermee niet in te stemmen. De inspecteur heeft in zijn brief van 30 juli 2007 verzocht om een opgave van alle binnenlandse- en buitenlandse bankrekeningen en aangegeven dat hij de uitspraaktermijn eenzijdig heeft verlengd tot 15 september 2007.

2.40. In de brieven van 11 maart 2008 heeft de inspecteur aangekondigd bij de oplegging van de aanslagen IB/PVV 2005 te zullen afwijken van de door belanghebbenden ingediende aangiften IB/PVV 2005 en voorts dat er een vergrijpboete van 100% opgelegd zal worden wegens het opzettelijk niet vermelden van het banksaldo (per 31 januari 1994 van fl. 717.768 (€ 325.709)) op de KB Lux bankrekening [123456]. In de brief is verder vermeld dat bij ieder de helft van het saldo van € 581.800 (het gemiddelde van € 572.920 per 1 januari 2005 en € 590.680 per 31 december 2005), zijnde € 290.500 tot de rendementsgrondslag zal worden gerekend, zodat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen bij de echtgenoot zal worden vastgesteld op € 12.076 en bij belanghebbende op € 21.513.

2.41. Met dagtekening 30 juni 2008 heeft de inspecteur aan belanghebbende en de echtgenote een aanslag IB/PVV 2005 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21.513 respectievelijk € 12.076, telkens met een vergrijpboete van 100%. Hiertegen hebben belanghebbenden bij brieven van 1 juli 2008, ontvangen door de inspecteur op 2 juli 2008, bezwaar gemaakt.

2.42. De inspecteur heeft bij brief van 14 juli 2008 de ontvangst van de in 2.41 vermelde bezwaarschriften bevestigd. Voorts heeft hij verzocht om instemming voor het verlengen van de termijn voor de afwikkeling van die bezwaarschriften tot 1 januari 2009.

2.43. Bij brief van 11 december 2008 heeft de inspecteur verzocht om aanhouding van alle ingediende bezwaarschriften van belanghebbenden, in verband met nog lopende procedures. Het betreffen de (navorderings)aanslagen IB/PVV 1990 tot en met 2005 en VB 1991 tot en met 2000. Belanghebbenden zijn bij brief van 9 april 2009 hiermee akkoord gegaan, met “dien verstande dat belanghebbenden geen afstand doen van beroep op termijnoverschrijding zoals bedoeld in artikel 6, lid 1 EVRM”.

2.44. Bij brieven van 17 december 2008 heeft de inspecteur vragen gesteld aan belanghebbenden met betrekking tot de ingediende aangiften IB/PVV 2006. Bij brieven van 17 maart 2009 heeft de inspecteur aangekondigd te zullen afwijken van de ingediende aangiften IB/PVV 2006. Voorts heeft hij aangekondigd dat er aan hen een vergrijpboete van 100% opgelegd zal worden wegens het opzettelijk niet vermelden van het banksaldo (per 31 januari 1994 van fl. 717.768 (€ 325.709)) op de KB Lux bankrekening [123456]. In de brieven van 17 december 2008 is aangegeven dat bij ieder de helft van het saldo van € 599.936 (het gemiddelde van € 590.680 per 1 januari 2006 en € 608.991 per 31 december 2006), zijnde € 299.918 tot de gemiddelde rendementsgrondslag zal worden gerekend.

2.45. Met dagtekening 31 juli 2009 heeft de inspecteur de aanslagen IB/PVV 2006 aan zowel belanghebbende als haar echtgenoot opgelegd, waarbij het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld met inbegrip van de in 2.44 vermelde correcties. Hiertegen hebben belanghebbende en haar echtgenoot bij brieven van 6 augustus 2009 bezwaar gemaakt.

2.46. Bij brief van 21 juli 2009, aangevuld bij brief van 21 augustus met de in 2.45 vermelde bezwaarschriften, heeft de inspecteur verzocht om aanhouding van alle bezwaarschriften van belanghebbenden tot twee maanden na de uitspraak van de Hoge Raad naar aanleiding van de uitspraak van het Hof van Justitie inzake de 12-jaarstermijn. Belanghebbenden zijn bij brief van 20 augustus 2009 hiermee akkoord gegaan, onder de uitdrukkelijke verklaring dat zij daarbij geen afstand doen van het beroep op termijnoverschrijding ex artikel 6, lid 1 EVRM.

2.47. Op 23 september 2009 heeft de gemachtigde inzage gehad in het dossier van belanghebbenden. In een op dezelfde dag gedagtekende brief heeft de inspecteur aangegeven dat uit het contact met gemachtigde is gebleken dat de bankrekeningen bij Cera wel bij belanghebbenden bekend zijn en dat zij alsnog alle bankstukken van de Cera bank zullen overleggen. Met betrekking tot de bankgegevens van de Cera-bank heeft gemachtigde namens belanghebbenden bij brief van 8 oktober 2009 verklaard dat deze gegevens reeds in hun aangiften IB/PVV zijn vermeld, zodat de inspecteur reeds bekend is met het verloop van de bankrekening bij de Cera-bank. In navolgende correspondentie heeft belanghebbende verklaard niet meer over de bankafschriften van de Cera-bank te beschikken omdat deze tijdens de huiszoeking in beslag zijn genomen.

2.48. Bij de brieven van 18 oktober 2010 heeft de inspecteur aan belanghebbenden aangekondigd navorderingsaanslagen IB/PVV 2007 te gaan opleggen, alsmede vergrijpboetes van 100% wegens het opzettelijk niet vermelden van het banksaldo (per 31 januari 1994 van fl. 717.768 (€ 325.709)) op de KB Lux bankrekening [123456]. Vermeld is dat bij ieder de helft van het saldo van € 621.170 (het gemiddelde van € 608.991 per 1 januari 2007 en € 633.350 per 31 december 2007), zijnde € 310.585 tot de gemiddelde rendementsgrondslag zal worden gerekend.

2.49. Met dagtekening 27 november 2010 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen IB/PVV 2007 ten aanzien belanghebbenden opgelegd overeenkomstig voormelde aankondiging. Hiertegen hebben belanghebbenden bij brieven van 6 december 2010 bezwaar gemaakt.

2.50. In de brief van 3 januari 2011 heeft de inspecteur aangegeven alle bezwaarschriften op korte termijn te willen gaan afhandelen, aangezien inmiddels alle formele vragen met betrekking tot de KB Lux-problematiek door de rechter zijn beantwoord. Voorts heeft hij gemachtigde in deze brief uitgenodigd voor een hoorgesprek op woensdag 26 januari 2011. Bij brief van 10 januari 2011 heeft de gemachtigde aangegeven dat zijn cliënt de hoorzitting in persoon wil bijwonen en dat zijn cliënt eind januari wordt opgenomen in het ziekenhuis.

2.51. Op 15 maart 2011 heeft er een hoorgesprek plaatsgevonden tussen de gemachtigde en twee inspecteurs die ook bij de besluitvorming betrokken zijn geweest. De gemachtigde heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.

2.52. De inspecteur heeft bij brieven van 4 juli 2011 belanghebbenden verzocht om alle informatie betreffende de buitenlandse bankrekeningen te overleggen. In deze brieven is voorts vermeld dat indien deze informatie niet wordt overgelegd, de inspecteur voornemens is een kort geding aanhangig te maken waarbij de betreffende informatie op straffe van een dwangsom zal moeten worden overgelegd.

2.53. Bij brief van 11 oktober 2011 heeft gemachtigde verklaard dat hij niet begrijpt dat de inspecteur een inkeer uitsluit nu inkeer door belanghebbenden volgens de gemachtigde nog steeds mogelijk zou moeten zijn.

2.54. Naar aanleiding van de door belanghebbende ingediende aangiften IB/PVV 2008 en 2009 heeft de inspecteur bij brief van 18 oktober 2011 aan belanghebbende verzocht om op grond van artikel 47, lid 1, AWR, alsnog alle gevraagde informatie met betrekking tot het buitenlands vermogen te verstrekken voor 1 november 2011.

2.55. Nadat belanghebbende niet de verzochte informatie heeft verstrekt, heeft de inspecteur, informatiebeschikkingen over het jaar 2008 en 2009 opgelegd, beide met dagtekening 21 november 2011. Hiertegen heeft belanghebbende bij brief van 1 december 2011, ontvangen door de inspecteur op 5 december 2011 bezwaar gemaakt.

2.56. Bij brief van 21 november 2011 heeft de inspecteur met betrekking tot de ingediende aangiften IB/PVV 2008 en 2009 van belanghebbende aangekondigd, hiervan te zullen afwijken omdat belanghebbende het tegoed van de KB Lux bankrekening [123456] niet in de aangiften heeft vermeld. Voorts is aangekondigd dat er een vergrijpboete van 100% opgelegd zal worden wegens het opzettelijk niet vermelden van het banksaldo. Vermeld is dat bij zowel belanghebbende als haar echtgenoot de helft van het saldo van deze bankrekening in 2008, derhalve van € 337.223 (het gemiddelde van € 330.287 per 1 januari 2008 en € 344.159 per 31 december 2008) en in 2009 bij elk de helft van € 350.491 (het gemiddelde van € 344.159 per 1 januari 2009 en € 356.824 per 31 december 2009) tot de gemiddelde rendementsgrondslag zal worden gerekend.

2.57. Met dagtekening 31 januari 2012 heeft de inspecteur een aanslag IB/PVV 2008 opgelegd naar (onder meer) een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 22.915. Daarbij is een vergrijpboete van 100% opgelegd en heffingsrente in rekening gebracht.

2.58. Bij uitspraken op bezwaar van 15 augustus 2012 heeft de inspecteur alle in het geding zijnde navorderingsaanslagen IB/PVV en VB van belanghebbenden met toepassing van artikel 25, derde lid, van de AWR gehandhaafd. De bedragen aan verhogingen na aftrek van het kwijtgescholden gedeelte ervan, alsmede de boetebeschikkingen zijn verlaagd tot 80% in verband met undue delay. De uitspraken op bezwaar zijn bij brieven van 18 juli 2012 en 31 juli 2012 nader door de inspecteur gemotiveerd.

2.59. Bij uitspraken op bezwaar van 20 augustus 2012 heeft de inspecteur de bezwaren van belanghebbende tegen de informatiebeschikkingen 2008 en 2009 ongegrond verklaard, aangezien belanghebbende niet de verzochte informatie heeft overgelegd.

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1. Zijn de gegevens waarop de (navorderings)aanslagen en de boetes zijn gebaseerd (microfiches) rechtmatig verkregen en betrouwbaar?

2. Waren belanghebbenden op 31/1/94 rekeninghouder van een drietal bankrekeningen bij de KB Lux met een saldo van in totaal f. 717.676?

3. Zijn de navorderingaanslagen IB/PVV 1990 tot en met 1993, 1996 en VB 1991 tot en met 1996 met toepassing van de verlengde navorderingstermijn voortvarend opgelegd?

4. Zijn de nadere navorderingsaanslagen IB/PVV 1997, IB/PVV 1998 voldoende voortvarend opgelegd?

5. Zijn de aanslagen IB/PVV 2001 en IB/PVV 2008 ten name van belanghebbende binnen de aanslagtermijn opgelegd?

6. Zijn de (navorderings)aanslagen en de vergrijpboeten terecht en naar een juist bedrag vastgesteld?

7. Zijn de informatiebeschikkingen 2008 en 2009 terecht aan belanghebbende opgelegd?

8. Kan toekenning van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbenden achterwege blijven?

Belanghebbenden beantwoorden voormelde vragen ontkennend en de inspecteur bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken alsmede op hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, de (navorderings)aanslagen, de boetebeschikkingen, de kwijtscheldingsbesluiten, de beschikkingen heffingsrente alsmede de informatiebeschikkingen en voorts tot vergoeding van de immateriële schade. De inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep betreffende de informatiebeschikking over 2008 en voor het overige tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Voorafgaand: aanslagen IB/PVV 2001 t/m 2003 ten name van belanghebbende

4.1.1. De inspecteur heeft ter zitting aangevoerd dat de correcties IB/PVV over de jaren 2001 tot en met 2003, ten onrechte geheel bij belanghebbende zijn aangebracht en derhalve met de helft dienen te worden verminderd. Naar het oordeel van de rechtbank is in zoverre het beroep van belanghebbende gegrond.

4.1.2. Bij gebrek aan een verstrekte cijfermatige uitwerking van het in 4.1.1. vermelde heeft de rechtbank de verminderingen als volgt berekend:

IB/PVV 2001: 4% over de helft van € 534.927 (correctie gemiddelde rendementsgrondslag) = € 10.699

IB/PVV 2002: 4% over de helft van € 552.159 (correctie gemiddelde rendementsgrondslag) = € 11.043

IB/PVV 2003: 4% over de helft van € 552.159 (correctie gemiddelde rendementsgrondslag) = € 11.043

4.1.3. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen komt daarmee uit op:

IB/PVV 2001: € 22.816 (= € 33.515 vastgesteld belastbaar inkomen uit sparen en beleggen min € 10.699)

IB/PVV 2002: € 22.621 (= € 33.664 vastgesteld belastbaar inkomen uit sparen en beleggen min € 11.043)

IB/PVV 2003: € 17.483 (= € 28.526 vastgesteld belastbaar inkomen uit sparen en beleggen min € 11.043)

De (on)rechtmatigheid van het bewijs

4.2.1. Belanghebbenden stellen dat het door de inspecteur gebezigde bewijs, omtrent het door belanghebbenden beschikken over bankrekeningen bij KB Lux, onrechtmatig is verkregen en dat de (navorderings)aanslagen en beschikkingen om die reden dienen te worden vernietigd. Hiertoe voeren belanghebbenden – heel kort samengevat – het volgende aan. De Belgische autoriteiten hebben ten onrechte verzuimd uit eigen beweging de Nederlandse autoriteiten te informeren over het sinds 1998 lopende onderzoek in België tegen opsporingsambtenaren en onderzoeksrechter [onderzoeksrechter]. De Nederlandse autoriteiten hadden op hun beurt reeds in 1998, gelet op publicaties over dat onderzoek in de Belgische media, waarvan afschriften tot de gedingstukken behoren, op eigen initiatief gebruik kunnen en moeten maken van de hun ten dienste staande mogelijkheden om geïnformeerd te worden over de wijze waarop de Belgische overheid de renseignementen heeft verkregen. Voormeld overheidsoptreden, dat van Nederland in het bijzonder, achten belanghebbenden strijdig met het recht van belanghebbenden op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM en met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek: het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het beginsel van fair play. Voorts hadden de renseignementen volgens belanghebbenden niet mogen worden uitgewisseld op basis van de goede trouw in de zin van het Verdrag met Wenen, het internationale vertrouwensbeginsel, het Belastingverdrag met België en de zogeheten Bijstandsrichtlijn.

4.2.2. De rechtbank stelt voorop dat uitwisseling van informatie die in een voorafgaande fase onrechtmatig in andere handen is overgegaan, naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf geen strijd oplevert met enig door belanghebbenden aangehaald verdrag, richtlijn of rechtsbeginsel.

4.2.3. Vaststaat dat het bewijs afkomstig is van de Belgische overheid en is verstrekt op grond van de Richtlijn 77/799/EEG van 19 december 1977, gewijzigd bij die van 6 december 1979 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen en van de belasting over de toegevoegde waarde (77/7799/EEG) (hierna: de Richtlijn), met verwijzing naar artikel 27 van het Nederlands-Belgische belastingverdrag van 19 oktober 1970.

4.2.4. De Richtlijn is uitsluitend gericht tot de lidstaten. Belastingplichtigen, zoals belanghebbenden, kunnen daaraan dus geen rechten ontlenen. Reeds hierom faalt de stelling van belanghebbenden dat de renseignementen wegens schending van de Richtlijn in deze procedure als non existent gelden danwel anderszins buiten beschouwing moeten worden gelaten. Deze stelling faalt ook om de volgende reden. In de onderhavige zaken is geen sprake geweest van informatie-uitwisseling tussen de fiscale autoriteiten van Luxemburg en Nederland of van Luxemburg en België, maar van het (spontaan) overdragen van gegevens door de Belgische fiscale autoriteiten aan de Nederlandse fiscale autoriteiten. Daarom is geen sprake van gevallen zoals bedoeld in de artikelen 7, vierde lid, en artikel 8, derde lid, van de Richtlijn, waar belanghebbenden, naar de rechtbank begrijpt, op doelen. De Richtlijn mist derhalve in zoverre toepassing (vergelijk Hoge Raad 4 juni 2010, nr. 09/00212, LJN BM0137).

4.2.5. Op grond van het internationale vertrouwensbeginsel mag de Nederlandse belastingdienst ervan uitgaan dat in België de daar geldende voorschriften zijn nageleefd die het doorzenden van de door de Belgische belastingdienst verkregen informatie naar de Nederlandse belastingdienst regelen. Een schending van die voorschriften is overigens evenmin aannemelijk gemaakt en zou, naar het oordeel van de rechtbank, ook niet tot gevolg hebben dat de door België verstrekte informatie in deze zaak niet als bewijs zou mogen worden gebruikt.

4.2.6. De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat het tussen Nederland en België geldende verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen de Nederlandse en Belgische autoriteiten of de goede verdragstrouw in de zin van het Verdrag van Wenen zich tegen verzetten tegen gebruikmaking van de renseignementen in de onderhavige procedure.

4.2.7. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen enkele aanwijzing dat Belgische of Nederlandse overheidsdienaren op enigerlei wijze direct of indirect betrokken zijn geweest bij de onrechtmatige verkrijging van de informatie van KB Lux of op enigerlei andere wijze frauduleus gedrag van ex-werknemers van KB Lux hebben geïnitieerd of gefaciliteerd.

4.2.8. De rechtbank is verder van oordeel dat de Nederlandse fiscale en justitiële autoriteiten op geen enkel tijdstip de verplichting hadden om zelfstandig een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop de Belgische autoriteiten de informatie in handen hebben gekregen. Wetenschap omtrent die verkrijging acht de rechtbank in deze ook niet van belang.

4.2.9. Het is de rechtbank voorts niet gebleken dat in enig stadium van de verkrijging van de informatie, vanaf de verkrijging in Luxemburg tot en met de verkrijging van de informatie door de Nederlandse belastingdienst, onrechtmatig of onzorgvuldig is gehandeld tegenover belanghebbenden zelf, laat staan dat op zo ernstige wijze een tot bescherming van het belang van belanghebbenden strekkende norm zou zijn geschonden, dat de microfiches zouden dienen te worden uitgesloten van het bewijs tegen belanghebbenden in de onderhavige procedure.

4.2.10. Verder acht de rechtbank, anders dan belanghebbenden, de inhoud en herkomst van de renseignementen voldoende controleerbaar.

4.2.11. Er zijn de rechtbank geen feiten aannemelijk geworden waaraan de gevolgtrekking kan worden verbonden dat aan belanghebbenden het recht op een eerlijke behandeling van hun zaak door de Nederlandse belastingautoriteiten en de Nederlandse rechter wordt ontnomen danwel dat zodanig in strijd is gehandeld met enig beginsel van behoorlijk bestuur dat het gebruik van de verkregen gegevens ontoelaatbaar is.

4.2.12. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de inspecteur de renseignementen mag gebruiken ter onderbouwing van de in geding zijnde (navorderings)aanslagen en beschikkingen.

De identiteit van de rekeninghouder

4.3.1. De rechtbank stelt voorop dat de op de microfiches vermelde informatie omtrent de rekeninghouder zeer summier is. De informatie is zo summier dat naar het oordeel van de rechtbank extra zorgvuldigheid geboden is bij de identificatie van de vermelde rekeninghouders. Voorkomen moet immers worden dat personen, wier gegevens wel overeenkomen met de vermelde informatie maar die met de KB Lux niets van doen hebben, met aanslagen en boeten worden geconfronteerd.

4.3.2. De voornaam van de echtgenoot van belanghebbende is [voornaam X], zijn achternaam is [achternaam X]. Hij is gehuwd met [Y]. Uit het identificatieproces kwam, naar de heer [ambtenaar] geloofwaardig heeft verklaard, slechts één hit naar voren waarin “[X]” een partner heeft met de achternaam “[Y]”. De rechtbank is van oordeel dat de genoemde combinatie van achternamen tezamen met de voornaam van de echtgenoot zo specifiek is, dat er geen reden is om aan te nemen dat de vermelding op het microfiche op enig andere persoon dan belanghebbenden kan slaan. De door de inspecteur gehanteerde identificatiemethode, zoals onder 2.5 is opgenomen, acht de rechtbank derhalve - anders dan belanghebbenden - betrouwbaar.

4.3.3. Ter zitting hebben belanghebbenden nog gesteld dat de mogelijkheid bestaat dat personen met een verkeerde naam staan vermeld op het fiche. Aannemelijk is dat KB Lux bij de tenaamstelling van de rekening is uitgegaan van een identiteitsbewijs. Situaties waarin een onjuiste overname van de daarop vermelde naam niet bij een controle bij de bank of door de rekeninghouder zou zijn opgemerkt en tot rechtzetting van de fout zou hebben geleid, zullen zich echter naar het oordeel van de rechtbank niet voordoen. Ook de eerst ter zitting door belanghebbenden aangevoerde omstandigheid dat er gevallen van misidentificatie bekend zijn, rechtvaardigt geen ander oordeel.

4.3.4. Gelet op het onder 4.3.2. overwogene acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende en haar echtgenoot per 31 januari 1994 beschikten over de onderhavige bankrekeningen bij de KB Lux en gerechtigd waren tot de op de microfiches onder de naam “[X - Y]” vermelde bedragen.

4.3.5. Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder 4.3.4. en de hoogte van de gerenseigneerde saldi, acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbenden ook voor en gedurende de jaren na 1994 beschikte over aanzienlijke bedragen aan (en inkomsten uit) vermogen die niet in de aangiften zijn vermeld.

Voortvarendheid: twaalfjaarstermijn

4.4.1. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur ter zake van de navorderingsaanslagen die zijn opgelegd met toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR (de twaalfjaarstermijn) niet voortvarend genoeg heeft gehandeld. Tussen partijen is niet in geschil dat de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 tot en met 1996 en VB 1991 tot en met 1996 met toepassing van de twaalfjaarstermijn zijn opgelegd. Voor wat betreft de IB/PVV 1994 en 1995 heeft de rechtbank bij uitspraak van 4 januari 2013 het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, zodat deze navorderingsaanslagen geen deel uitmaken van deze procedure. Voor wat betreft de resterende genoemde navorderingsaanslagen overweegt de rechtbank als volgt.

4.4.2. Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222, heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010, regels geformuleerd die in verband met het door het HvJ EU genoemde evenredigheidsbeginsel in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn is verstreken. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met:

(i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens

(ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

Niet van belang is of de aanwijzingen zijn verkregen voor of na afloop van de reguliere navorderingstermijn van 5 jaar en of sprake is van een bankgeheim in het land waar de tegoeden zich bevinden.

4.4.3. De Belgische belastingdienst heeft op 27 oktober 2000 informatie aan de Nederlandse belastingdienst gezonden waaruit de conclusie kon worden getrokken – en na identificatie ook is getrokken – dat belanghebbenden beschikten over bankrekeningen bij KB Lux. Na identificatie zijn belanghebbenden geselecteerd voor vervolging. In oktober 2001 is besloten een strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbenden in te stellen, waarna in diezelfde maand belanghebbenden zijn verhoord en een doorzoeking heeft plaatsgehad. Bij brief van 25 maart 2002 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen IB/PVV 1994 tot en met IB/PVV 1999 en VB 1995 tot en met 1999 aangekondigd. Van de aangekondigde navorderingsaanslagen zijn de eerste met dagtekening 31 mei 2002 opgelegd. Het gaat daarbij – voor zover in deze procedure van belang – om de navorderingsaanslagen VB 1995 tot en met 1999. De eerstvolgende navorderingsaanslagen betreffen de IB/PVV 1991 en VB 1992. Deze zijn met dagtekening 30 december 2002 opgelegd. De aankondiging ervan is gedagtekend 22 november 2002. Die periode maakt geen deel uit van het strafrechtelijk onderzoek.

Navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991, 1995-1996

4.4.4. De rechtbank is van oordeel dat, nu de navorderingaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991 met dagtekening 30 december 2002 en de navorderingsaanslagen VB 1995 en 1996 met dagtekening 30 mei 2002 zijn opgelegd, deze navorderingsaanslagen met toepassing van de verlengde navorderingstermijn voldoende voortvarend zijn opgelegd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De periode die is verstreken tussen het moment waarop de FIOD-ECD Team Internationaal de gegevens van de Belgische autoriteiten heeft ontvangen (27 oktober 2000) en de datum van de opgelegde voormelde navorderingsaanslagen (30 mei 2002 en 30 december 2002) acht de rechtbank niet te lang gelet op de in die periode verrichte activiteiten, waaronder het identificeren van belanghebbenden, het verrichten van strafrechtelijk onderzoek en het berekenen, aankondigen en opleggen van de navorderingsaanslagen. De rechtbank acht daarbij aannemelijk dat de inspecteur voor de jaren die geen deel uitmaakten van het strafrechtelijk onderzoek zelf onderzoek en berekeningen heeft moeten verrichten. Dat in verband hiermee, zeven maanden zijn verstreken voordat de eerste aanslagen zijn opgelegd over jaren waarop het strafrechtelijk onderzoek geen betrekking had, acht de rechtbank aanvaardbaar.

Navorderingsaanslagen IB/PVV 1991-1993 en VB 1992-1994

4.4.5. De navorderingsaanslagen IB/PVV 1991 tot en met 1993 en VB 1992 tot en met 1994, welke met dagtekening 31 mei 2003 zijn opgelegd, zijn daarentegen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voortvarend opgelegd. De inspecteur had deze aanslagen evenals de in 2002 opgelegde aanslagen ook reeds in 2002 kunnen opleggen. Niet gebleken is waarom de inspecteur vijf maanden extra nodig heeft gehad voor het opleggen van deze aanslagen.

4.4.6. Gelet op het vorenoverwogene dienen de navorderingaanslagen IB/PVV 1991 tot en met 1993 en VB 1992 tot en met 1994, alle ten name van de echtgenoot, te worden vernietigd. Ditzelfde heeft dan te gelden voor de in de navorderingsaanslagen begrepen verhogingen, de kwijtscheldingsbesluiten alsmede de in rekening gebrachte heffingsrente. Het beroep van de echtgenoot is in zoverre gegrond.

Navorderingsaanslag IB/PVV 1996

4.4.7. De rechtbank is van oordeel dat de navorderingsaanslag IB/PVV 1996, welke met dagtekening 31 mei 2003 is opgelegd, evenmin voortvarend is opgelegd. De eerste brief waarin deze navorderingsaanslag en bijbehorende boete, is aangekondigd is gedagtekend 17 december 2002 (zie onderdeel 2.15). Deze brief bevat geen vragen aan belanghebbende, ook niet om een reactie binnen een bepaalde termijn. Vervolgens is bij brief van 8 mei 2003 opnieuw een aankondiging met dezelfde strekking als de brief van 17 december 2002 gestuurd. De inspecteur had deze aanslag naar het oordeel van de rechtbank reeds kort na de eerste aankondiging ervan kunnen opleggen. Niet gebleken is waarom de inspecteur vijf maanden extra nodig heeft gehad voor het uitvoering geven aan zijn eerste voornemen om deze nadere voorlopige aanslag op te leggen. De nadere navorderingsaanslag IB/PVV 1996 is dan ook onvoldoende voortvarend opgelegd en dient te worden vernietigd, alsmede de daarin begrepen verhoging, het kwijtscheldingsbesluit en de in rekening gebrachte heffingsrente. In zoverre is het beroep van belanghebbende gegrond.

Voortvarendheid: nadere navorderingsaanslagen

4.4.8. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de inspecteur ter zake van de nadere navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 tot en met 1998 niet voortvarend genoeg heeft gehandeld nu er over die jaren eerder reeds navorderingsaanslagen zijn opgelegd. Gelet op hetgeen in 4.4.7. is overwogen, behoeft deze stelling voor de IB/PVV 1996 geen behandeling. Nu de nadere navorderingsaanslagen IB/PVV 1997 en IB/PVV 1998 met toepassing van de ‘gewone’ navorderingstermijn zijn opgelegd en het voortvarendheidsvereiste waarop belanghebbende in deze beroept, daarvoor niet geldt, faalt belanghebbendes beroepsgrond.

Vervaltermijn

4.5.1. Belanghebbende heeft eerst ter zitting gesteld dat de aan haar opgelegde aanslagen IB/PVV 2001 en IB/PVV 2008 moet worden vernietigd omdat deze buiten de driejaarstermijn is opgelegd.

4.5.2. Met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2001 mist de stelling blijkens de gedingstukken feitelijke grondslag. De rechtbank verwijst hiervoor naar het vermelde in onderdeel 2.25.

4.5.3. Met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2008 heeft de inspecteur ter zitting de blote stelling betrokken dat ter zake van deze aangifte uitstel is verleend. Voorts heeft hij op dit punt een bewijsaanbod gedaan. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende haar stelling in een eerder stadium van het geding had kunnen en moeten betrekken. De bewijslast dat uitstel is verzocht en verleend rust op de inspecteur. De stelling van belanghebbende vergt dan ook een nader feitelijk onderzoek dat eerst na de zitting kan plaatsvinden. Dit verstoort een vlotte procesgang. Een redelijke afweging van de belangen van de wederpartij en het proceseconomische belang van een spoedige voortgang van de betreffende zaak, brengt in dit geval dan ook mee dat voornoemde ter zitting betrokken stelling tardief moet worden verklaard.

4.5.4. Gelet op hetgeen in 4.5.2 en 4.5.3 is overwogen treft de in 4.5.1 vermelde stelling van belanghebbende geen doel.

Omkering van bewijslast en redelijke schatting

4.6.1. De inspecteur heeft zowel belanghebbende als haar echtgenoot, herhaaldelijk aangeschreven met het verzoek om informatie te verstrekken met betrekking tot in het buitenland aangehouden bankrekening(en). De inspecteur heeft daarbij meerdere keren gewezen op artikel 47 AWR en de mogelijke omkering en verzwaring van de bewijslast. In het onderhavige geval staat de bankrekening op naam van beide echtgenoten. Zij hebben niet afdoende gereageerd op de informatieverzoeken van de inspecteur.

4.6.2. Nu de rechtbank, zoals onder 4.3.4. is overwogen, aannemelijk acht dat belanghebbenden een bankrekening hebben aangehouden bij KBL die niet in hun aangiften was vermeld, hebben belanghebbenden de inlichtingenplicht van artikel 47 AWR geschonden. Het niet voldoen aan de vereisten van artikel 47 AWR leidt tot verzwaring en omkering van de bewijslast (artikel 25, derde lid in de bezwaarfase en art. 27e AWR in de beroepsfase, tekst tot en met 2011).

4.6.3. Toepassing van de sanctie van artikel 27e AWR brengt met zich dat de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, tenzij de betreffende belanghebbende bewijst dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Belanghebbenden hebben daar geen bewijs voor geleverd. De blote stelling van belanghebbenden dat de onverklaarbare vermogensstijgingen over de jaren 1996 tot en met 1998, hun oorzaak vinden in de casinobezoeken, acht de rechtbank, tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk, laat staan bewezen.

4.6.4. De rechtbank stelt voorop dat het saldo van de KB Lux rekening per 31 december 1994 foutief – tot een te hoog bedrag – in het in 2.7 vermelde overzicht is overgenomen. Blijkens de specificatie van het in dit overzicht vermelde bedrag betreffende de KB Lux rekening bedraagt het berekende saldo namelijk niet fl. 754.766,13 doch fl. 745.766,13 (een typefout). In het door de inspecteur aangehouden correctie in de VB 1995 van fl. 787.647 voor alle verzwegen buitenlandse bankrekeningen, is de KB Lux rekening voor een bedrag van fl. 754.766,13 meegenomen. Hierdoor dient het belastbaar vermogen van de navorderingsaanslag VB 1995 met fl. 9.000 te worden verlaagd tot fl. 779.000. Het belastbaar bedrag van de VB 1995 moet dan worden verminderd tot fl. 619.000. In zoverre is het beroep van belanghebbende gegrond. Het bedrag van de opgelegde 100%-verhoging dient dienovereenkomstig te worden verminderd. Het kwijtgescholden bedrag (60% van de verhoging) wijzigt daardoor eveneens. Voormeld kwijtscheldingspercentage heeft de inspecteur als volgt toegelicht. Bij het opleggen van de verhoging is 50% kwijtgescholden. Per saldo resteerde een verhoging van 50% die in de bezwaarfase met 20% is verminderd wegens undue delay. Dit betekent per saldo dat van de verhoging 60% is kwijtgescholden.

4.6.5. Ook het saldo van de KB Lux rekening per 31 december 1995 is foutief – tot een te hoog bedrag – in het in 2.7 vermelde overzicht overgenomen. Blijkens de specificatie van het in dit overzicht vermelde bedrag betreffende de KB Lux rekening bedraagt het berekende saldo namelijk niet fl. 778.736,15 doch fl. 775.736,15. In het door de inspecteur aangehouden correctie in de VB 1996 van fl. 813.512 voor alle verzwegen buitenlandse bankrekeningen, is de KB Lux rekening voor een bedrag van fl. 778.736,15 meegenomen. Hierdoor dient het belastbaar vermogen van de navorderingsaanslag VB 1996 met fl. 3.000 te worden verlaagd tot fl. 794.000. Het belastbaar bedrag van de VB 1996 moet dan worden verminderd tot fl. 631.000. In zoverre is het beroep van belanghebbende gegrond. Voor de verhoging en het kwijtscheldingsbesluit geldt hetzelfde als hiervoor in 4.6.4 is overwogen.

4.6.6. Dan moet de rechtbank beoordelen of de (navorderings)aanslagen zoals die rekening houdende met het voorgaande, luiden, berusten op een redelijke schatting. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. De navorderingsaanslagen IB/PVV 1991 tot en met 1993, de nadere navorderingsaanslag IB/PVV 1996 en de navorderingsaanslagen VB 1992 tot en met 1994 laat de rechtbank buiten beschouwing, nu die reeds op basis van het voorgaande moeten worden vernietigd. De resterende (navorderings)aanslagen kunnen als volgt worden opgesplitst:

Navorderingaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991

De rente over 1994 en het saldo per 31 december 1994 heeft de inspecteur ontleend aan de berekening van de FIOD (onderdeel 2.7). Het saldo per 1 januari 1994 heeft hij gesteld op het saldo per 31 december 1994 min voormeld rentebedrag. Het saldo per 1 januari 1993 heeft de inspecteur berekend door het saldo per 1 januari 1994 terug te rekenen rekening houdende met een rendement van 6%. Diezelfde systematiek heeft hij gebruikt voor de daaraan voorafgaande jaren. Het rentepercentage van 6% dat is gehanteerd voor de jaren 1990 tot en met 1993 is ontleend aan het fictieve rendement als bedoeld in artikel 29a van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964, zijnde 6% van het in buitenlandse beleggingsinstellingen belegde vermogen.

Navorderingaanslagen VB 1995-1999

De FIOD heeft het saldo van de KB Lux rekening vanaf 31 januari 1994 jaarlijks verhoogd met het rentepercentage van de 3 maands termijndeposito rente, welke in deze periode schommelde tussen de 2,125% en 4,495%. Met betrekking tot de in onderdeel 2.7. vermelde banktegoeden van de CERA en NMS bank heeft de FIOD het werkelijk rendement in aanmerking genomen, conform de bij de huiszoeking in beslaggenomen bankrekeningafschriften. Bij het opleggen van de navorderingsaanslagen VB 1995 tot en met 1999 heeft de inspecteur voornoemde becijferingen van de FIOD gevolgd. Daarnaast is rekening gehouden met het saldo van de binnenlandse bankrekeningen alsmede met de eigen woning en de daarop betrekking hebbende schuld indien, en tegen de bedragen waarvoor, zij waren vermeld in de aangiften inkomstenbelasting.

Nadere navorderingsaanslagen IB/PVV 1997 en 1998

Het verschil tussen de becijferde saldi per 1 januari en 31 december van de jaren 1997 en 1998 oversteeg de op basis van voornoemde systematiek berekende rente. Het restant heeft de inspecteur aangemerkt als onverklaarbare vermogenstijging ter zake waarvan hij nadere correcties heeft aangebracht door deze bedragen in 1997 en 1998 als andere inkomsten uit arbeid te belasten. Belanghebbenden hebben verklaard dat deze vermogenstijgingen voortkomen uit winsten uit het casino, maar de rechtbank legt deze verklaring als ongeloofwaardig terzijde.

Navorderingaanslag IB 2000

Het overzicht van de FIOD vermeldt als laatste saldo, het saldo per 31 december 1999. Ter zake van het jaar 2000 heeft de inspecteur een rendement van 5,7% van dit eindsaldo van 1999 van de KB Lux rekening ad fl. 865.365 in aanmerking genomen.

Aanslagen IB/PVV 2001 tot en met 2003

Ter zitting heeft de inspecteur een overzicht overgelegd waaruit het berekende begin- en eindsaldo van de KB Lux rekening van het jaar 2001 blijkt, gebaseerd op een saldo per 1 januari 1994 gelijk aan het totaalbedrag op de in 2.2 vermelde renseignementen. Uit dit overzicht blijkt dat de inspecteur als rendement de obligatierente NL, looptijd 5-8jr heeft genomen, welke in 2001 5,14% bedroeg. Het gemiddelde van het aldus berekende begin- en eindsaldo 2001 bedraagt fl. 1.178.823 of € 534.926. Dit saldo is tevens als correctie van de gemiddelde rendementsgrondslag over 2001 aangemerkt.

Op dezelfde voet is het begin- en saldo 2002 berekend. Het gemiddelde daarvan (€ 552.159) is als correctie van de gemiddelde rendementsgrondslag over 2002 aangemerkt.

De correctie van de gemiddelde rendementsgrondslag over 2003 is gelijk aan die over 2002.

Aanslagen IB/PVV 2004 tot en met 2006 en 2008 en navorderingsaanslag IB/PVV 2007

Het beginsaldo 2004 heeft de inspecteur op hetzelfde bedrag gesteld als het eindsaldo 2003 (tevens het door de inspecteur aangehouden eindsaldo 2002 en beginsaldo 2003). Vervolgens heeft hij het eindsaldo 2004 bepaald door het beginsaldo 2004 met een rendement van minder dan 4% te verhogen. Deze lijn heeft hij doorgetrokken voor de jaren 2005 en volgende.

4.6.7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur met de uiteenzetting in het verweerschrift, de ter zitting gegeven toelichting en de overige door hem ingebrachte stukken, voldoende inzicht verschaft in de wijze waarop het inkomen uit vermogen en de hoogte van het vermogen tot stand zijn gekomen.

4.6.8. De rechtbank acht de (uiteenlopende) uitgangspunten die de inspecteur heeft gehanteerd om het vermogen en de inkomenscorrecties te berekenen, redelijk. De (navorderings)aanslagen berusten dan ook naar het oordeel van de rechtbank op een redelijke schatting.

Boetes:

Beboetbaarheid

4.7.1. De verhogingen c.q. boetebeschikkingen die samenhangen met de aan belanghebbenden opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV 1991 tot en met IB/PVV 1993, IB/PVV 1996 en VB 1992 tot en met VB 1994, dienen gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in onderdeel 4.4 heeft overwogen te worden vernietigd. De rechtbank hoeft dan alleen nog de juistheid van de verhogingen c.q. boetebeschikkingen behorende bij de volgende (navorderings)aanslagen te beoordelen: IB/PVV 1990, IB/PVV 1997, IB/PVV 1998, IB/PVV 2000 tot en met IB/PVV 2008, VB 1991 en VB 1995 tot en met VB 1999.

4.7.2. Met voorbijgaan aan de door de inspecteur toegepaste korting in verband met undue delay zijn tot de volgende percentages verhogingen/boeten opgelegd. Voor de aan belanghebbenden opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV 1990, IB/PVV 1997, IB/PVV 1998 en VB 1991 geldt dat hierin verhogingen zijn begrepen van 100% van de nagevorderde belasting. De inspecteur heeft geen kwijtschelding van deze verhogingen verleend. Voor de aan belanghebbenden opgelegde navorderingsaanslagen VB 1995 tot en met VB 1999 geldt dat hierin verhogingen zijn begrepen van 100% van de nagevorderde belasting. De inspecteur heeft 50% kwijtschelding van deze verhogingen verleend. De aan belanghebbenden opgelegde boetes voor de jaren 2000 tot en met 2008 zijn bij beschikking vastgesteld en bedragen 100% van de nagevorderde belasting.

4.7.3. Het te dezen bestaande onderscheid in de wettelijke regelingen heeft voor de beslissing geen betekenis, zodat hierna uitsluitend wordt verwezen naar de wettelijke regelingen zoals deze luiden vanaf 1998 en de daarbij behorende terminologie

4.7.4. Op grond van de artikelen 67d en 67e van de AWR kan de inspecteur met

betrekking tot belastingen die bij wege van aanslag worden geheven gelijktijdig met het vaststellen van de navorderingsaanslag een vergrijpboete opleggen, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan respectievelijk de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten, leidend tot een gedraging als voormeld.

4.7.5. Ingeval van ‘opzet’ bedraagt de boete 50% (§ 25 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, hierna: BBBB), tenzij sprake is van strafverzwarende omstandigheden als bedoeld in § 43 van het BBBB in welk geval de boete tot 100% kan worden verhoogd.

4.7.6. Voor wat betreft de belastingheffing acht de rechtbank gelet op het vorenoverwogene door de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbenden in ieder geval voor en na 31 januari 1994 rechthebbende waren tot een in het buitenland aangehouden tegoed bij KBL.

4.7.7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur gelet op de in 2.1. en 2.2 genoemde data van de renseignementen en omvang van de saldi op die data, voldoende aannemelijk gemaakt dat de opzet van belanghebbende en haar echtgenoot in de jaren voor en na 1994 erop was gericht op het niet aangeven van (inkomsten uit de) desbetreffende tegoeden. Het gebruikmaken van een aparte bankrekening in een land met een bankgeheim strekte, naar mag worden aangenomen, tot doel die tegoeden buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te houden. Op grond hiervan wordt dan ook aangenomen – belanghebbende heeft dat ook niet betwist – dat belanghebbende wist dat tegoeden en inkomsten van een buitenlandse bankrekening moeten worden aangegeven bij de Nederlandse fiscus.

Het gaat hier echter om een boete voor de jaren 1990 tot en met 2008 en de inspecteur dient voor die jaren ook opzet aannemelijk te maken (vgl. HR 15 april 2011, nr. 09/05192, LJN BN6350, BNB 2011/207). Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Het bij KBL op 31 januari 1994 door belanghebbenden aangehouden saldo was substantieel, namelijk fl. 717.768. Gelet op de hoogte van het verzwegen vermogen is aannemelijk dat belanghebbende en haar echtgenoot ook in de jaren 1990 tot en met 2008 in ieder geval een deel van dit tegoed buiten het zicht van de fiscus heeft gehouden. Het door belanghebbenden niet ontzenuwde vermoeden is daarmee dusdanig sterk dat daarmee ook voor beboetingsdoeleinden - zonder schending van de waarborgen die belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, tweede lid, van het EVRM - het van de inspecteur verlangde bewijs geleverd is dat belanghebbende het beboetbare feit heeft gepleegd. De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat belanghebbenden in ieder geval een deel van het sinds 31 januari 1994 aanwezige vermogen ook voor en nadien hebben aangehouden in het buitenland en dat zij de ((forfaitaire) inkomsten uit de) desbetreffende tegoeden opzettelijk niet hebben aangegeven in de aangiften IB/PVV 1990 t/m 2008 en VB 1991 t/m 1999 met het doel hierover geen belasting te betalen. De omstandigheid dat de tegoeden in het buitenland zijn aangehouden met het doel deze buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te houden, vormt voorts een strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in § 43 van het BBBB, zodat in beginsel een boete van 100% gerechtvaardigd is.

4.7.8. Met betrekking tot de vraag of een boete passend en geboden is, neemt de rechtbank in aanmerking de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook valt de omstandigheid dat de zogenoemde omkering van de bewijslast is toegepast (vgl. Hoge Raad 18 januari 2008, nr. 41 832, LJN: BC1962 en Hoge Raad 24 oktober 2008, nr. 07/12139, LJN: BG1239). In het onderhavige geval is de hoogte van de verschuldigde belastingbedragen komen vast te staan met toepassing van de omkering van de bewijslast. Daarbij heeft de inspecteur onder meer de saldi van KB Lux-rekening en de daaruit genoten inkomsten geschat. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze schatting redelijk is. Het schatten van de saldi en inkomsten brengt naar zijn aard de mogelijkheid mee dat de in werkelijkheid aanwezige tegoeden en daaruit genoten inkomsten lager zijn. Belanghebbenden verkeerden echter als rekeninghouder als enigen in de positie om duidelijkheid te verschaffen omtrent de daadwerkelijk aanwezige saldi en de daaruit genoten inkomsten. Als gevolg van de keuze van belanghebbenden om die informatie niet te verstrekken, was de inspecteur genoodzaakt om schattingen van de saldi en inkomsten te maken. De rechtbank acht de door de inspecteur opgelegde vergrijpboetes onder die omstandigheden, ook rekening houdend met de omstandigheid dat de verschuldigde belastingbedragen zijn komen vast te staan met omkering van de bewijslast, passend en vanuit een oogpunt van normhandhaving geboden. Met voorbijgaan aan de overschrijding van de redelijke termijn acht de rechtbank de oplegde boetes gelet op alle omstandigheden van het geval, passend en geboden.

Undue delay

4.7.9. Belanghebbende heeft voorts nog gesteld dat de boetes in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, verder moeten worden verminderd.

4.7.10. Bij de uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur de boeten alsmede de verhogingen na aftrek van het daarvan kwijtgescholden bedrag, verminderd met 20% wegens de overschrijding van de redelijke termijn.

4.7.11. Een beboete heeft op grond van onder meer artikel 6, lid 1, van het EVRM het recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. In het arrest van 22 april 2005, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: AO9006, heeft de Hoge Raad beslist dat een redelijke termijn in beginsel twee jaar is (voor bezwaar- en beroepsfase), tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De redelijkheid van de duur van berechting van een zaak is voorts afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:

a. de ingewikkeldheid van de zaak; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de aard en omvang van de fiscale problematiek en de omvang van het verrichte onderzoek;

b. de invloed van de belanghebbende op het procesverloop; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend het doen van verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen;

c. de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid in het nemen van besluiten nadat de redelijke termijn een aanvang heeft genomen;

d. de wijze waarop de zaak door de rechter is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die is betracht bij de controle op de voortgang van het schriftelijk debat tussen partijen, bij de appointering en afhandeling van het onderzoek ter zitting, en in de fase tussen de laatste partijhandeling en de uitspraak.

4.7.12. Hof ’s-Hertogenbosch hanteert aan het bieden van compensatie voor de uit de overschrijding voortvloeiende schending van artikel 6 van het EVRM, voor zover hier van belang, de volgende uitgangspunten:

Indien de boete minimaal € 200 bedraagt, wordt de vermindering bepaald met behulp van de volgende tabel:

Overschrijding

redelijke termijn Vermindering Maximale

vermindering in €

0 tot 6 maanden 5% 2.500

6 tot 12 maanden 10% 5.000

1 tot 2 jaren 15% 10.000

2 jaren en meer 20% 20.000

4.7.13. Bij de beoordeling van de vermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn gaat de rechtbank uit van voormeld beleid. Nu de inspecteur de korting reeds op het maximum van 20% heeft gesteld, ziet de rechtbank geen reden om aan de lange duur van de termijn die met de behandelingen van de bezwaren gemoeid is geweest, het gevolg te verbinden dat de boeten verder moeten worden verminderd. Voorgaande uitgangspunten brengen mee dat een verdere overschrijding dan twee jaar niet tot een verdere matiging van de boeten leidt, zodat in het midden kan blijven met welke duur de redelijke termijn is overschreden.

Vervaltermijn

4.7.14. De belastingrechter dient gelet op het arrest van de Hoge Raad van 29 april 2011, nr. 09/05158, BNB 2011/249, ambtshalve te onderzoeken of de bevoegdheid tot het opleggen van een boete door tijdsverloop is vervallen. In gevallen waarin het opleggen van een fiscale bestuurlijke boete volgens de toepasselijke wettelijke regeling is gekoppeld aan het vaststellen van een belastingaanslag, en de termijn waarbinnen die aanslag kan worden vastgesteld wordt verlengd met de duur van het uitstel dat voor het doen van aangifte is verleend, ligt het, blijkens voornoemd arrest, op de weg van de inspecteur om in voorkomend geval met het oog op dit door de rechter ambtshalve te verrichten onderzoek te stellen dat een zodanig uitstel is verleend, en om die stelling in geval van betwisting aannemelijk te maken.

4.7.15. Nu alle verhogingen/boeten, met uitzondering van die betreffende de aanslagen IB/PVV 2001 en IB/PVV 2008 binnen de wettelijke termijn zijn opgelegd, is er in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat de bevoegdheid tot het opleggen van de verhogingen/boeten door tijdsverloop is vervallen.

4.7.16. Tot hetzelfde oordeel komt de rechtbank ter zake van de opgelegde boete bij de aanslag IB/PVV 2001 nu de inspecteur erin is geslaagd aannemelijk te maken dat zodanig uitstel is verleend dat de boetebeschikking is vastgesteld binnen de termijn voor het opleggen van een aanslag, zodat de boete om die reden geacht moet worden binnen de daarvoor gestelde termijn te zijn opgelegd. De rechtbank verwijst hiertoe naar onderdeel 4.5.2 in verbinding met onderdeel 2.25.

4.7.17. Ter zake van de opgelegde boete bij de aanslag IB/PVV 2008 acht de rechtbank de inspecteur niet op de op hem rustende bewijslast geslaagd. De enkele blote stelling ter zitting dat uitstel is verleend, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Aan het ter zitting gedane bewijsaanbod gaat de rechtbank voorbij. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur gezien de publicatiedatum van het in 4.7.14 aangehaalde arrest, in een eerder stadium van het geding de relevantie van het betreffende bewijs wegens de ambtshalve op de rechter rustende taak bij de boetebeoordeling, had kunnen en moeten onderkennen. Een redelijke afweging van de belangen van belanghebbende en het proceseconomische belang van een spoedige voortgang van de betreffende zaak, brengt in dit geval dan ook mee dat aan voornoemd bewijsaanbod, als tardief moet worden voorbijgegaan. Dit betekent dat de boetebeschikking betreffende de aanslag IB/PVV 2008 moet worden vernietigd. In zoverre is het beroep van belanghebbende gegrond.

Informatiebeschikkingen 2008 en 2009 ten name van belanghebbende

4.8.1. Nu de aanslag IB/PVV 2008 met dagtekening 31 januari 2012 is opgelegd terwijl de informatiebeschikking 2008 dateert van 21 november 2011 en op dat moment nog niet onherroepelijk was geworden, heeft de inspecteur ter zitting, naar het oordeel van de rechtbank terecht, geconcludeerd dat de informatiebeschikking 2008 op grond van artikel 52a, lid 3, AWR komt te vervallen. In zoverre is het beroep van belanghebbende gegrond.

4.8.2. Ter zake van de informatiebeschikking 2009 overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank kon de inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing. Dit neemt niet weg dat de inspecteur op grond van artikel 47 AWR alleen informatie kan vragen waarover een belastingplichtige beschikt of waarover hij met redelijkerwijs van hem te verlangen moeite, de beschikking kan krijgen.

4.8.3. Volgens belanghebbenden hebben zij openheid van zaken gegeven zodat geen sprake is van het weigeren om informatie te verstrekken. De rechtbank is echter van oordeel dat belanghebbenden terecht als rekeninghouder zijn geïdentificeerd en acht de inspecteur voorts erin geslaagd aannemelijk te maken dat belanghebbenden die rekeningen in ieder geval tot 31 december 2008 hebben aangehouden (zie ook de beslissing van de rechtbank in deze uitspraak betreffende IB/PVV 2008). Gelet hierop kan niet worden gezegd dat belanghebbende de in de informatiebeschikking gestelde vragen (volledig) heeft beantwoord, nu onder meer is gevraagd naar het saldo van de rekeningen per begin en eind 2009 dan wel naar de gegevens over de beëindiging van die rekeningen. Belanghebbende heeft noch de saldi noch informatie over de opheffing van die rekening verstrekt, terwijl zij, naar de rechtbank aannemelijk acht, wel daarover beschikt of betrekkelijk eenvoudig de beschikking kan krijgen. Gelet hierop heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet aan haar wettelijke informatieplicht voldaan.

4.8.4. Voor zover belanghebbende nog bedoeld heeft te stellen dat het overleggen van de verzochte informatie in strijd is met het nemo tenetur beginsel in de zin van artikel 6 EVRM, op basis van het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 5 april 2012, nr. 11663/04 (Chambaz), treft deze stelling geen doel, nu de Hoge Raad in onderdeel 4.8.3. van zijn arrest van 16 november 2012, nr. 12/00967 (LJN: BY3272) ook na het arrest Chambaz heeft geoordeeld dat het verbod van gedwongen zelfincriminatie in de zin van artikel 6 EVRM alleen ziet op (bewijs)materiaal dat zijn bestaan dankt aan de wil van de beschuldigde. Nu de door de inspecteur gevraagde informatie niet ziet op dergelijk bewijsmateriaal is in casu het opvragen van de informatie niet in strijd met artikel 6 EVRM (vgl. HR 21 maart 2008, nr. 43050, LJN BA8179, BNB /159, onderdeel 3.3.2.). In zoverre is het beroep van belanghebbende ongegrond.

4.8.5. De rechtbank zal belanghebbende op grond van artikel 27e, tweede lid, van de AWR een nieuwe termijn stellen om de in de informatiebeschikking gestelde vragen te beantwoorden en de verzochte informatie te verstrekken. De rechtbank acht een termijn van zes weken passend. De rechtbank acht het verder redelijk deze termijn te doen aanvangen vanaf de dag na die van verzending van de uitspraak.

Immateriële schadevergoeding

4.9.1. Belanghebbende maakt aanspraak op een immateriële schadevergoeding in verband met de lengte van de duur van de procedure. Tussen partijen is niet in geschil, en de rechtbank acht dit juist, dat voor wat betreft de wijze waarop de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase, de immateriële schade volledig is toe te rekenen aan het bestuursorgaan en niet (mede) aan de rechterlijke macht.

4.9.2. De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad in zijn arrest van 10 juni 2011, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: BO8050, heeft beslist dat in belastingzaken, waar artikel 6 van het EVRM niet van toepassing is, een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn kan worden toegekend, ook indien het beroep tegen de aanslag of beschikking ongegrond is verklaard. De Hoge Raad oordeelde dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld en dat artikel 8:73 van de Awb in die gevallen van overeenkomstige toepassing is. De in aanmerking te nemen termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt.

4.9.3. In het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2013, nr. 11/04270, LJN: BX6666, is beslist dat in gevallen waarin de bezwaar- en de beroepsfase samen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn daardoor is overschreden, in belastingzaken als regel heeft te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Deze regel geldt behoudens bijzondere omstandigheden. De Hoge Raad heeft daarbij aangegeven dat daarbij met name moet worden gedacht aan bijzondere omstandigheden als bedoeld in onderdeel 4.5 van het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37 984, LJN AO9006 (zie 4.7.11).

4.9.4. De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbenden niet in aanmerking komen voor een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, omdat zij zichzelf in deze positie hebben gebracht. Volgens de inspecteur hebben belanghebbenden de door hen ondervonden spanning en frustratie volledig aan zichzelf te wijten.

4.9.5. De enkele omstandigheid dat belanghebbenden ontkennen rekeninghouder te zijn, terwijl zij, naar het oordeel van de rechtbank, als rekeninghouders in de positie verkeren om duidelijkheid te verschaffen omtrent de daadwerkelijk aanwezige saldi en de daaruit genoten inkomsten en dus omtrent het geschil, vormt naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor een uitzondering zoals door de inspecteur bepleit op grond van leerstukken van gevaarzetting, eigen schuld en/of risicoaanvaarding.

4.9.6. De eerste bezwaarschriften van belanghebbenden zijn ontvangen op 12 juni 2002 (onderdeel 2.10). Voor deze bezwaren is de behandelduur het langst. Die bezwaarfase heeft tien jaar en ruim twee maanden geduurd (12 juni 2002 tot 15 augustus 2012).

4.9.7. De rechtbank stelt de redelijke termijn voor de bezwaarfase, gelet op de aard en omvang van de fiscale problematiek en de omvang van het verrichte onderzoek, vast op één jaar. De omstandigheid dat de wettelijke beslistermijn op de voet van artikel 25, lid 2, van de AWR met toestemming van de Minister van Financiën is verlengd met één jaar, acht de rechtbank niet relevant ter bepaling van de duur van de redelijke termijn.

4.9.8. De omstandigheid dat belanghebbenden bij brief van 9 april 2009 en nogmaals bij brief van 20 augustus 2009, op verzoek van de inspecteur, hebben ingestemd met aanhouding van de bezwaren tot (uiteindelijk) twee maanden na de uitspraak van de Hoge Raad in de zogeheten NautaDutilh-procedure, merkt de rechtbank niet aan als invloed van belanghebbenden op het procesverloop in de zin van het in 4.7.11 aangehaalde arrest. De rechtbank ziet daarin evenmin grond om de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding te matigen. De rechtbank acht hiertoe redengevend dat voornoemde instemming telkens met het uitdrukkelijke voorbehoud is gedaan dat geen afstand wordt gedaan van het recht om zich te beroepen op termijnoverschrijding zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM.

4.9.9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, bedraagt de overschrijding op z’n langst, 9 jaar en ruim twee maanden (zie 4.9.6 voor de totale duur en 4.9.7 voor de omvang van de redelijke termijn).

4.9.10. De rechtbank merkt alle onderhavige (nadere) (navorderings)aanslagen IB/PVV, navorderingsaanslagen VB en informatiebeschikkingen ten name van belanghebbende aan als in hoofdzaak op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende zaken. De rechtbank ziet hierin aanleiding voor die zaken tezamen eenmaal schadevergoeding aan belanghebbende toe te kennen wegens een termijnoverschrijding van afgerond 9,5 jaar en voor het overige te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

4.9.11. De rechtbank merkt alle onderhavige (navorderings)aanslagen IB/PVV en navorderingsaanslagen VB ten name van de echtgenoot aan als in hoofdzaak op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende zaken. De rechtbank ziet hierin aanleiding voor die zaken tezamen eenmaal schadevergoeding aan de echtgenoot toe te kennen wegens een termijnoverschrijding van afgerond 9,5 jaar en voor het overige te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

4.9.12. Belanghebbenden hebben ieder dus, uitgaande van een tarief van € 500 per half jaar, recht op een schadevergoeding van € 9.500.

5. Proceskosten

5.1. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, zijn de volgende beroepen geheel of gedeeltelijk gegrond:

IB/PVV 1991 (zie onderdeel 4.4.6.)

IB/PVV 1992 (zie onderdeel 4.4.6.)

IB/PVV 1993 (zie onderdeel 4.4.6.)

IB/PVV 1996 (zie onderdeel 4.4.7.)

IB/PVV 2001 (zie onderdeel 4.1)

IB/PVV 2002 (zie onderdeel 4.1)

IB/PVV 2003 (zie onderdeel 4.1)

IB/PVV 2008 (zie onderdeel 4.7.17)

VB 1992 (zie onderdeel 4.4.6)

VB 1993 (zie onderdeel 4.4.6)

VB 1994 (zie onderdeel 4.4.6)

VB 1995 (zie onderdeel 4.6.4)

VB 1996 (zie onderdeel 4.6.5)

52a-besch 2008 (zie onderdeel 4.8.1).

5.2. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur ter zake van de in 5.1 genoemde procedures te veroordelen in de kosten die belanghebbenden in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

5.3. De procedure betreffende de informatiebeschikking 2008 is de enige procedure waarin de uitspraak op bezwaar is gehandhaafd. Nu niet aannemelijk is geworden dat ter zake van die procedure een proceskostenvergoeding is toegekend in de bezwaarfase, vindt de rechtbank aanleiding de inspecteur in die zaak ook te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met dat bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.

5.4. Nu in de andere zaken het bezwaar bij uitspraken op bezwaar telkens gegrond is verklaard (voor zover het de verhoging/boete betreft) en het tegendeel niet aannemelijk is geworden, mag worden aangenomen dat in die zaken een proceskostenvergoeding is toegekend voor de kosten van de behandeling van het bezwaar die voorts niet in geschil is nu belanghebbenden geen grieven hebben aangevoerd ter zake van de in de bezwaarfase gedane verzoeken om een proceskostenvergoeding. Een beoordeling van voornoemde verzoeken laat de rechtbank dan ook achterwege.

5.5. Net als blijkbaar partijen, ziet de rechtbank daarbij geen aanleiding om af te wijken van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). De rechtbank beschouwt daarbij de zaken deels als samenhangend in de zin van artikel 3 van het Besluit, en wel als volgt:

- de zaken van belanghebbende en haar echtgenoot zijn samenhangend;

- er is alleen samenhang voor zover de aanslagen betrekking hebben op hetzij IB/PVV, inclusief kwijtscheldingsbesluiten, verhogingen/boetes en heffingsrente, hetzij vermogensbelasting inclusief kwijtscheldingsbesluiten, verhogingen/boetes en heffingsrente.

5.6. De kosten voor de bezwaarfase betreffende de informatiebeschikking 2008 worden op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld als volgt: 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 235. Dit betekent dat aan belanghebbende in dit verband een proceskostenvergoeding toekomt van € 235.

5.7. De kosten voor de beroepsfase worden vastgesteld als volgt:

- voor de IB/PVV 1991, IB/PVV 1992, IB/PVV 1993, IB/PVV 1996, IB/PVV 2001, IB/PVV 2002, IB/PVV 2003 en IB/PVV 2008: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472, een wegingsfactor van 1 voor het gewicht van de zaak en een wegingsfactor van 1,5 wegens de samenhang van de zaken is € 1.416. Van deze proceskosten dient een bedrag € 885 (5/8e van € 1.416) aan belanghebbende te worden vergoed en een bedrag van € 531 aan de echtgenoot.

- voor de VB 1992, VB 1993, VB 1994, VB 1995 en VB 1996: hetzelfde als hiervoor is € 1.416. Dit bedrag wordt toegekend aan de echtgenoot.

- voor de informatiebeschikking 2008: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472, een wegingsfactor van 1 voor het gewicht van de zaak is € 944. Dit bedrag wordt toegekend aan belanghebbende.

5.8. In totaal bedraagt de in de bezwaar- en beroepsfase toe te kennen proceskostenvergoeding aan belanghebbende € 2.064 (€ 235 + € 885 + € 944) en aan de echtgenoot € 1.947.

6. Beslissing

De rechtbank:

IB/PVV 1990 ten name van de echtgenoot

- verklaart het beroep ongegrond.

IB/PVV 1991 ten name van de echtgenoot

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag met de daarin begrepen verhoging, het kwijtscheldingsbesluit en de beschikking heffingsrente.

IB/PVV 1992 ten name van echtgenoot

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag met de daarin begrepen verhoging, het kwijtscheldingsbesluit en de beschikking heffingsrente.

IB/PVV 1993 ten name van de echtgenoot

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag met de daarin begrepen verhoging, het kwijtscheldingsbesluit en de beschikking heffingsrente.

IB/PVV 1996 ten name van belanghebbende

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag met de daarin begrepen verhoging, het kwijtscheldingsbesluit en de beschikking heffingsrente.

IB/PVV 1997 ten name van belanghebbende

- verklaart het beroep ongegrond.

IB/PVV 1998 ten name van belanghebbende

- verklaart het beroep ongegrond.

IB/PVV 2000 ten name van belanghebbende

- verklaart het beroep ongegrond.

IB/PVV 2001 ten name van belanghebbende

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 22.816 met handhaving van de overige elementen van de aanslag;

- vermindert de boete dienovereenkomstig;

- vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig.

IB/PVV 2002 ten name van belanghebbende

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 22.621 met handhaving van de overige elementen van de aanslag;

- vermindert de boete dienovereenkomstig;

- vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig.

IB/PVV 2003 ten name van belanghebbende

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 17.483 met handhaving van de overige elementen van de aanslag;

- vermindert de boete dienovereenkomstig;

- vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig.

IB/PVV 2004 ten name van belanghebbende

- verklaart het beroep ongegrond.

IB/PVV 2004 ten name van de echtgenoot

- verklaart het beroep ongegrond.

IB/PVV 2005 en 2006 ten name van de echtgenoot

- verklaart het beroep ongegrond.

IB/PVV 2005 tot en met 2007 ten name van belanghebbende

- verklaart het beroep ongegrond.

IB/PVV 2008 ten name van belanghebbende

- verklaart het beroep gegrond voor zover het de boete betreft;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de boetebeschikking;

- vernietigt de boetebeschikking;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

VB 1991 ten name van de echtgenoot

- verklaart het beroep ongegrond.

VB 1992 ten name van de echtgenoot

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag met de daarin begrepen verhoging, het kwijtscheldingsbesluit en de beschikking heffingsrente.

VB 1993 ten name van de echtgenoot

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag met de daarin begrepen verhoging, het kwijtscheldingsbesluit en de beschikking heffingsrente.

VB 1994 ten name van de echtgenoot

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag met de daarin begrepen verhoging, het kwijtscheldingsbesluit en de beschikking heffingsrente.

VB 1995 ten name van de echtgenoot

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van fl. 619.000;

- vermindert de verhoging dienovereenkomstig;

- vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

- scheldt de verhoging begrepen in de navorderingsaanslag voor 60% kwijt (overeenkomstig de initiële kwijtschelding met 50% en latere vermindering van het restant met 20% wegens undue delay).

VB 1996 ten name van de echtgenoot

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van fl. 631.000;

- vermindert de verhoging dienovereenkomstig;

- vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

- scheldt de verhoging begrepen in de navorderingsaanslag voor 60% kwijt (overeenkomstig de initiële kwijtschelding met 50% en latere vermindering van het restant met 20% wegens undue delay).

VB 1997 tot en met 1999 ten name van belanghebbende

- verklaart het beroep ongegrond.

IB/PVV 1991 tot en met 1993 + VB 1992 tot en met 1996 ten name van de echtgenoot

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van de echtgenoot ten bedrage van € 1.947;

- gelast dat de inspecteur het door de echtgenoot betaalde griffierecht van € 42 aan deze vergoedt.

IB/PVV 1996, 2001 tot en met 2003 en 2008 ten name van belanghebbende

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 885;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 42 aan deze vergoedt.

Informatiebeschikking 2008 ten name van belanghebbende

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar, alsmede de informatiebeschikking;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.179;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 42 aan deze vergoedt.

Informatiebeschikking 2009 ten name van belanghebbende

- verklaart het beroep ongegrond;

- stelt belanghebbende een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag waarop deze uitspraak is verzonden, om alsnog aan de inspecteur de in de informatiebeschikking gevraagde informatie te verstrekken.

Met betrekking tot de procedurenummers 12/4397 tot en met 12/4423, 12/4966, 12/4967 en 13/2058:

- veroordeelt de inspecteur tot betaling van een schadevergoeding aan belanghebbende van € 9.500;

- veroordeelt de inspecteur tot betaling van een schadevergoeding aan de echtgenoot van € 9.500.

Deze uitspraak is gedaan op 22 april 2013 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.H. van Heel, griffier.

De griffier, De rechter,

De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 3 mei 2013

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.