Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:CA3569

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
12/3993
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Buitengewone uitgaven - reiskosten ziekenbezoek

Belanghebbende is gescheiden. Zijn dochter is invalide geraakt door een auto-ongeluk in 2009. Zij woonde toen bij de moeder. Belanghebbende en de moede r bezoeken haar in de kliniek waar zij verblijft. De moeder heeft recht op aftrek van reiskosten (art. 6.17, eerste lid aanhef en onderdeel h Wet IB 2001), belanghebbende niet. Hij beroept zich op het gelijkheidsbeginsel. De rechtba n k verwerpt het beroep. De wetgever heeft in 1990 enerzijds de regeling voor aftrek van reiskosten voor ziekenbezoek verruimd tot niet verwanten en anderzijds verengd tot alleen personen met wie een gezamenlijke huishouding werd gevoerd. Aldus heeft de wetgever een in het algemeen redelijke beperking gegeven van de groep personen die aftrekrecht hebben. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gezegd worden dat de wetgever hierbij zijn “wide margin of appreciation” heeft overschreden. De rechtbank acht de wettelijke regeling rechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1501
V-N 2013/36.28.14
FutD 2013-1620
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 12/3993

Uitspraak van 3 april 2013

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [plaats A],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Maastricht,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 12 juli 2012 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2009.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2013.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Haarlem, en namens de inspecteur, [gemachtigden].

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende is ongehuwd. Hij heeft een dochter geboren op [datum] 1989. Belanghebbende woont sinds 2002 in [plaats A] (Limburg).

2.2. Belanghebbendes dochter kreeg op 29 oktober 2009 een verkeersongeluk. Als gevolg daarvan raakte zij lichamelijk en geestelijk gehandicapt. Zij stond op het moment van het ongeluk ingeschreven bij haar moeder op het adres [adres] in [plaats B] en zat daar ook op school. Belanghebbende en de moeder hadden een omgangsregeling afgesproken op grond waarvan de dochter toen zeer regelmatig bij belanghebbende verbleef. Sinds het verkeersongeluk verblijft belanghebbendes dochter in een AWBZ-instelling. Belanghebbende bezoekt haar daar regelmatig.

2.3. In het onderhavige jaar heeft belanghebbende een bedrag van € 1.031 als uitgaven in verband met regelmatig ziekenbezoek (artikel 6.17, eerste lid aanhef en onderdeel h van de Wet inkomstenbelasting 2001) (hierna: de Wet) in zijn aangifte IB/PVV in aanmerking genomen. De inspecteur heeft de aftrek geweigerd.

2.4. Artikel 6.17, eerste lid aanhef en onderdeel h, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2009) bepaalt, voor zover hier van belang, dat uitgaven voor specifieke zorgkosten uitgaven zijn die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor reizen in verband met het regelmatig bezoeken van wegens ziekte of invaliditeit verpleegde personen met wie de bezoeker bij aanvang van de ziekte of invaliditeit een gezamenlijke huishouding voerde.

2.5. De rechtbank stelt voorop dat aannemelijk is dat de dochter tot het ongeluk voornamelijk bij haar moeder was en dus met de moeder een gezamenlijke huishouding voerde. Weliswaar moet aan het begrip “voeren van een gezamenlijke huishouding” in zekere mate een ruime invulling worden gegeven (Hoge Raad BNB 1999/297, gepubliceerd op rechtspraak.nl. onder LJN: AA2776), maar dat is niet zo ruim dat ook een omgangsregeling zoals belanghebbende had kan leiden tot een gezamenlijke huishouding in de zin van de Wet. Belanghebbende voldoet dus niet aan de in de Wet gestelde voorwaarde voor de aftrek van reiskosten.

2.6. Belanghebbende stelt echter dat hij in precies dezelfde situatie verkeert als de moeder: beiden zijn ouder van de dochter en bezoeken haar in de inrichting. De moeder komt wel in aanmerking voor aftrek van reiskosten en hij niet. Hij stelt dat dat onderscheid strijdig is met het gelijkheidsbeginsel zoals dat is vastgelegd in artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR. Tevens doet belanghebbende een beroep op het recht op “family life” in de zin van artikel 8 EVRM.

2.7. De rechtbank is met belanghebbende van oordeel dat de moeder en hij in dezelfde situatie verkeren als het gaat om het bezoeken van de dochter. Nu de moeder wel recht heeft op aftrek van reiskosten voor bezoek aan de dochter en belanghebbende niet, is sprake van verschillende behandeling van gelijke gevallen. Dat wil echter niet zeggen dat dan ook sprake is van verboden ongelijke behandeling.

2.8. De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een met artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM strijdige ongelijke behandeling, uitgangspunt is dat die bepalingen niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden. Alleen die bepalingen waarvoor een redelijke en objectieve rechtvaardiging ontbreekt moeten als discriminatoir en daarmee als onrechtmatig worden beschouwd. Uit het arrest van het EHRM van 22 juni 1999, nr. 46757/99, BNB 2002/398 (zaak Della Ciaja/Italië) volgt dat de wetgever een “wide margin of appreciation” heeft bij de beoordeling of en in welke mate een verschil in behandeling gerechtvaardigd is. De wetgever komt derhalve een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om gelijke gevallen niettemin verschillend zin te regelen. Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd, tenzij dat van redelijke grond ontbloot is (EHRM 10 juni 2003, nr. 27 793/95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, V-N 2003/52.2).

2.9. De onderhavige regeling voor aftrek van reiskosten bij ziekenbezoek stond ook al in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 64) en is in de huidige Wet IB 2001 overgenomen. Oorspronkelijk kende de Wet IB 64 een algemene aftrekregeling, die is vervallen per 1 januari 1971. Bij de parlementaire behandeling van die wetswijziging heeft de staatssecretaris van Financiën toegezegd dat hij in bijzondere gevallen voor naaste verwanten van zieken toch aftrek zou toestaan. Het beleid daarover is vastgelegd in een aanschrijving van 18 mei 1971 (gepubliceerd in BNB 1971/145) en daarna in een resolutie van 21 mei 1972 (gepubliceerd in BNB 1972/161). In beide publicaties werd een regeling gegeven voor aftrek van reiskosten voor regelmatig ziekenbezoek van naaste verwanten van de zieke die wegens ziekte of invaliditeit werd verpleegd op een afstand van meer dan 10 kilometer van de woning van de belastingplichtige. In 1990 is er een wettelijke regeling gekomen waarbij tevens een wijziging werd aangebracht: voor de aftrek van reiskosten was niet langer vereist dat de zieke behoorde tot de kring van verwanten van de belastingplichtige. Nieuw was de eis dat de belastingplichtige met de zieke bij aanvang van de ziekte of invaliditeit een gezamenlijke huishouding voerde. In de Memorie van Antwoord bij het wetsvoorstel werd voor die wijziging de volgende motivering gegeven:

“(…) hebben wij gemeend (…) de kring van verwanten aan wie onder het aftrekregime bezoeken kunnen worden gebracht, uit te moeten breiden. Wij hebben hier (…) in het bijzonder gedacht aan de ongehuwde partners en diens verwanten in de rechte linie en voorts aan andere personen met wie een gemeenschappelijke huishouding bestaat. Om die reden hebben wij (…) de verwijzing naar de (…) kring van verwanten laten vervallen.” (MvA Wet 27 april 1989, Stb.122, Kamerstuk 20 595, nr.8, bl. 79)

2.10. De wetgever heeft dus in 1990 enerzijds de regeling voor aftrek van reiskosten voor ziekenbezoek verruimd tot niet verwanten en anderzijds verengd tot alleen personen met wie een gezamenlijke huishouding werd gevoerd. Aldus heeft de wetgever een in het algemeen redelijke beperking gegeven van de groep personen die aftrekrecht hebben. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gezegd worden dat de wetgever hierbij zijn “wide margin of appreciation” heeft overschreden. De rechtbank acht de wettelijke regeling rechtmatig.

2.11. Belanghebbende heeft ook gesteld dat het niet in aftrek kunnen brengen van de reiskosten zijn recht op “family life” als bedoeld in artikel 8 EVRM beperkt omdat hij over weinig financiële middelen beschikt om zijn verpleegde dochter vaak te kunnen bezoeken. De rechtbank verwerpt dit beroep omdat belanghebbende niet door de belastingwetgeving als zodanig beperkt wordt in zijn bezoekrecht c.q. zijn recht op “family life”.

2.12. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.13. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 3 april 2013 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van

mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 15 april 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.