Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:CA2701

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
11-06-2013
Zaaknummer
761617 cv 13-938
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Flitskrediet. Toepasselijkheid van de op 25 mei 2011 aan het Burgerlijk Wetboek toegevoegde titel 2A van boek 7 en de per 25 mei 2011 gewijzigde Wet op het Consumentenkrediet.

Samenvatting:

Tussen partijen is via de website van eiseres een overeenkomst tot stand gekomen uit hoofde waarvan eiseres aan gedaagde een bedrag van € 150,00 heeft geleend. Deze overeenkomst is gesloten na 25 mei 2011 en te kwalificeren als een kredietovereenkomst ex artikel 7:57 BW en een krediettransactie ex artikel 1 WCK. Daarom is in beginsel de per 25 mei 2011 ingevoerde c.q. gewijzigde wetgeving van toepassing. Nu het krediet binnen drie maanden diende te worden terugbetaald, brengt artikel 7:58 lid 2 sub e BW mee dat de overeenkomst niet onder de reikwijdte van titel 2A van boek 7 BW valt, indien slechts onbetekenende kosten worden aangerekend. Met verwijzing naar de Parlementaire geschiedenis is de kantonrechter van oordeel dat bij een kredietverstrekking, waarbij op het kredietbedrag van € 150,00 met een looptijd van maximaal 21 dagen een bedrag van € 25,00 wordt aangerekend, niet slechts onbetekenende kosten in rekening worden gebracht. Het bepaalde in artikel 2 lid 2 WCK leidt, in geval van een looptijd van minder dan drie maanden, er toe dat de reikwijdte van de WCK wordt beperkt, in die zin dat uitsluitend de artikelen 34 tot en met 36 van toepassing zijn, waaronder bepalingen omtrent de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding. Onder kredietvergoeding vallen alle beloningen en vergoedingen die de kredietgever in rekening brengt, waaronder ook kosten van bereidstelling. De gevorderde kredietvergoeding van 16,67% per 21 dagen overschrijdt in zeer ruime mate het toegestane kredietvergoedingspercentage van 16% per jaar, en is daarmee verboden. Geen aanleiding voor conversie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Breda

zaak/rolnr.: 761617 CV EXPL 13-938

vonnis d.d. 5 juni 2013

inzake

de besloten vennootschap Your Finance B.V., h.o.d.n. Voorschotje.nl,

gevestigd en kantoorhoudende te (2651 AV) Berkel en Rodenrijs aan het adres Spoorhaven 96-98,

eiseres,

gemachtigde: E.A.P. van Lith, gerechtsdeurwaarder te Eindhoven,

tegen

[gedaagde],

wonende te [adres],

gedaagde,

niet verschenen.

1. Het verdere verloop van het geding

De procesgang blijkt uit:

a. het vonnis van 6 maart 2013 en de daarin genoemde dagvaarding;

b. de akte zijdens eiseres van 20 maart 2013.

De inhoud van deze stukken geldt als hier ingelast.

2. De verdere beoordeling

2.1 In haar vonnis van 6 maart 2013 heeft de kantonrechter eiseres in de gelegenheid gesteld zich uit te laten omtrent de toepasselijkheid van de Wet op het Consumentenkrediet (WCK) op de omstreeks 20 oktober 2011 tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst uit hoofde waarvan eiseres aan gedaagde een bedrag van € 150,00 ter beschikking heeft gesteld.

2.2 Eiseres stelt dat het feit dat de lening binnen drie maanden terugbetaald had moeten worden, meebrengt dat titel 2A van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet van toepassing is, gelet op het bepaalde in artikel 7:58 lid 2 sub e BW. Volgens eiseres is ook de WCK niet van toepassing, omdat geen sprake is van een kredietovereenkomst ex titel 2A BW en geen betalingen van gedaagde hebben plaatsgevonden binnen drie maanden nadat de geldsom ter beschikking is gesteld (lid 1 en 2 van artikel 2 WCK). Eiseres specificeert daarnaast in haar akte de in rekening gebrachte kosten. Volgens eiseres ziet een bedrag van € 4,47 op de kosten die de bank aanrekent voor een spoedoverboeking en ziet een bedrag van € 20,50 op behandelingskosten van eiseres voor het in orde maken van de spoedoverboeking.

2.3 Ter implementatie van Richtlijn nr. 2008/48/EG, van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten (hierna: de Richtlijn) is op 25 mei 2011 de Wet van 19 mei 2011 (Stb. 2011, 246) in werking getreden, waarbij onder meer titel 2A (Consumentenkredietovereenkomsten) aan boek 7 BW is toegevoegd en waarbij de WCK is gewijzigd.

Nu de onderhavige overeenkomst gesloten is na 25 mei 2011 en deze overeenkomst te kwalificeren is als een kredietovereenkomst ex artikel 7:57 BW en een krediettransactie ex artikel 1 WCK, is in beginsel voornoemde per 25 mei 2011 ingevoerde c.q. gewijzigde wetgeving van titel 2A van boek 7 BW en de WCK op de onderhavige overeenkomst van toepassing.

2.4 In artikel 7:58 lid 2 sub e BW is echter bepaald dat titel 2A van boek 7 niet van toepassing is op: “… kredietovereenkomsten waarbij het krediet binnen een termijn van drie maanden moet worden terugbetaald en slechts onbetekenende kosten worden aangerekend”. Indien is voldaan aan deze twee cumulatieve vereisten valt de tussen partijen gesloten kredietovereenkomst niet onder de reikwijdte van titel 2A van boek 7 BW.

2.4.1 De kantonrechter overweegt dat de onderhavige geldlening binnen 21 dagen diende te worden terugbetaald. Nu de terugbetalingstermijn korter is dan drie maanden voldoet de overeenkomst aan het eerste deel van de uitzondering.

2.4.2 Ten aanzien van het tweede deel van de uitzondering dient vastgesteld te worden wat moet worden verstaan onder “onbetekenende kosten”. Voornoemde Richtlijn en titel 2A van boek 7 BW geven daarvoor geen definitie. Wel is in de Memorie van Toelichting (Vergaderjaar 2009-2010, Kamerstuk 32339, nr. 3) het volgende opgenomen:

“ (…) bij de uitsluiting betreffende kredietovereenkomsten waarbij het krediet binnen drie maanden moet worden terugbetaald en waarvoor slechts onbetekenende kosten in rekening worden gebracht (onderdeel e), dient bedacht te worden dat het criterium «tegen onbetekenende kosten» meebrengt dat «flitskredieten», waarbij geringe bedragen (bijvoorbeeld € 150 tot € 500) voor enkele weken worden geleend, hier niet onder vallen. Bij deze kredieten worden immers aanzienlijke kosten in rekening gebracht.”

Voorts geeft de Memorie van Toelichting ten aanzien van het (eveneens ter implementatie van de Richtlijn bij voornoemde Wet van 19 mei 2011) gewijzigd artikel 1:20, lid 1, sub f van de Wet op het financieel toezicht, waarin, evenals in artikel 7:58 lid 2 sub e BW, een uitzondering wordt aangenomen voor krediet dat binnen drie maanden moet zijn afgelost waarvoor slechts onbetekenende kosten in rekening worden gebracht, het volgende aan:

“Het criterium «tegen onbetekenende kosten» heeft tot gevolg dat regulier krediet met een looptijd tot drie maanden, waarvoor rente en kosten in rekening wordt gebracht, niet onder de uitzondering valt. Te denken valt aan zogenoemd «flitskrediet». Flitskrediet valt door de implementatie van de richtlijn ook onder de Wet op het financieel toezicht. Onder de bedoelde kosten wordt zowel rente als alle eventuele andere kosten onder welke noemer dan ook verstaan. De kosten zijn in relatieve zin onbetekenend wanneer ze slechts een zeer klein percentage van het krediet bedragen. Bijvoorbeeld bij een krediet van € 2 000 is € 5 kosten in ieder geval onbetekenend. De kosten kunnen echter ook in absolute zin onbetekenend zijn. (…) Bij onbetekenende kosten in absolute zin kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een kleine vergoeding voor het gebruik maken van een klantenkaart met betaalfunctie.“

In het licht van voornoemde toelichting is de kantonrechter van oordeel dat bij de onderhavige kredietverstrekking, waarbij op het kredietbedrag van € 150,00 met een looptijd van maximaal 21 dagen een bedrag van € 25,00 wordt aangerekend, niet slechts onbetekenende kosten in rekening worden gebracht. Gelet op de hoogte en de looptijd van de lening kan het bedrag van € 25,00 niet als onbetekenend worden aangemerkt. Dit betekent dat de onderhavige kredietovereenkomst dient te worden gekwalificeerd als een krediettransactie als bedoeld in artikel 7:58 lid 1 BW, waarop titel 2A van boek 7 BW van toepassing is.

2.5 Nu er sprake is van een krediettransactie als bedoeld in artikel 7:58 BW en sprake is van een looptijd van korter dan drie maanden, is op grond van artikel 2 lid 2 WCK sprake van een beperking van de reikwijdte van de WCK, in die zin dat uitsluitend de artikelen 34 tot en met 36 WCK van toepassing zijn.

Met verwijzing naar de tekst van artikel 2 lid 2 WCK (‘krediettransacties waarbij de betalingen van de kredietnemer plaatsvinden binnen drie maanden nadat de geldsom ter beschikking is gesteld’) betoogt eiseres dat de WCK niet van toepassing is, omdat gedaagde binnen drie maanden geen betalingen heeft gedaan. Nog daargelaten dat het niet van toepassing zijn van de beperking van de reikwijdte van lid 2 van artikel 2 WCK er toe leidt dat de gehele WCK van toepassing is, gaat eiseres met haar betoog uit van een verkeerde lezing van dit tweede lid. Dit artikellid ziet namelijk op krediettransacties met een looptijd van korter dan drie maanden. Zo is ook in de hiervoor ook aangehaalde Memorie van Toelichting aangegeven:

“Om te voorkomen dat door de wijziging van de in artikel 1 Wck gehanteerde definitie van krediettransactie alle artikelen van de Wck gaan gelden voor krediettransacties met een looptijd korter dan drie maanden, is in artikel 2 lid 2 van de Wck bepaald dat voor dergelijke krediettransacties uitsluitend de artikelen 34 tot en met 36 van de Wck van toepassing zullen zijn. Dit betekent onder meer dat aanbieders van zogenoemde «flitskredieten» geen hogere kredietvergoeding in rekening mogen brengen dan bij of krachtens de Wck is toegestaan.”

Op grond van het voorgaande gelden ten aanzien van de onderhavige overeenkomst de artikelen 34 tot en met 36 WCK en daarmee de bepalingen omtrent de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding. Daarbij overweegt de kantonrechter dat onder kredietvergoeding alle beloningen en vergoedingen vallen die de kredietgever bedingt en in rekening brengt, waaronder ook kosten van bereidstelling, en derhalve ook de door eiseres bedongen vergoeding.

2.6 Gelet op het bepaalde in artikel 35 WCK, in samenhang bezien met de artikelen 1 en 4 van het Besluit kredietvergoeding, bedraagt het toegestane kredietvergoedingspercentage gedurende de beoogde looptijd van de kredietovereenkomst 16% per jaar. Dit betekent dat de door eiseres gevorderde vergoeding, zijnde 16,67% (25/150 x 100) per 21 dagen, het ten hoogste toegestane kredietvergoedingspercentage in zeer ruime mate overschrijdt en daarmee op de voet van artikel 36 WCK verboden is. De door eiseres gevorderde vergoeding van € 25,00 is dan ook niet toewijsbaar. Enkel de hoofdsom van € 150,00 zal worden toegewezen. De kantonrechter ziet geen aanleiding de verboden kredietvergoeding te converteren in een volgens de WCK geldige kredietvergoeding nu de aard van de WCK regeling, te weten bescherming van de consument, zich daartegen verzet.

2.7 Eiseres vordert daarnaast een bedrag van € 35,00 aan aanmaningskosten en een bedrag van € 37,00 als vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. Deze kosten komen niet voor toewijzing in aanmerking gelet op het bepaalde in afdeling 3, hoofdstuk IV, WCK.

2.8 Voorts overweegt de kantonrechter dat de gevorderde verschenen wettelijke rente mogelijk over een te hoog bedrag is berekend. Gelet op het voorgaande dient de wettelijke rente dan ook te worden afgewezen. De wettelijke rente zal vervolgens worden toegewezen over een bedrag van € 150,00 vanaf 11 november 2011 tot de dag der algehele voldoening. Immers, in de op 20 oktober 2011 geldende algemene voorwaarden van Voorschotje.nl is de betalingstermijn van 21 dagen als fatale termijn opgenomen. Deze termijn vangt aan vanaf de factuurdatum. Gelet op de werkwijze van Voorschotje.nl, waarbij alle correspondentie verloopt via sms of internet, acht de kantonrechter het aannemelijk dat de factuurdatum gelijk is aan de datum waarop de overeenkomst is gesloten.

2.9 Gedaagde zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure met dien verstande dat voor de akte van eiseres van 20 maart 2013 geen gemachtigdensalaris zal worden toegekend omdat - gegeven de aard van de gesloten overeenkomst - verwacht had mogen worden dat eiseres in haar dagvaarding reeds zou zijn ingegaan op de al dan niet toepasselijkheid van de WCK. De proceskosten worden begroot op € 225,17 (explootkosten van € 83,17, het griffierecht van € 112,00 en gemachtigdensalaris van € 30,00).

3. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen een bedrag van € 150,00 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 november 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op € 225,17, daarin begrepen een bedrag van € 30,00 als salaris voor de gemachtigde van eiseres;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M.L. Van den Bosch- van de Sande, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2013.