Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:CA2339

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-06-2013
Datum publicatie
07-06-2013
Zaaknummer
02/670003-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan de onderneming van verdachte was bij een eerdere rechterlijke uitspraak de stillegging voor 6 maanden opgelegd in verband met het veelvuldig op onhygiënsiche wijze verkopen van bedorven en ernstig beschimmelde kazen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van die stillegging door tot zes maal toe, middels verkoopmedewerkers, op marktstandplaatsen te staan waarvoor een vergunning was aangevraagd door desbetreffende onderneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2013/105
JW 2013/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/670003-11

vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 7 juni 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. A.M.J. Comans, advocaat te Amsterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 mei 2013, waarbij de officier van justitie, mr. Suijkerbuijk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen kaas heeft verkocht op markten in Papendrecht, Gorinchem en Zwijndrecht terwijl de stillegging van de onderneming ([Naam ltd] Ltd.) was bevolen, dan wel samen met anderen daartoe opdracht heeft gegeven of daaraan feitelijk leiding heeft gegeven.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan het verkopen van kaas op markten in Papendrecht, Gorinchem en Zwijndrecht terwijl de stillegging van de onderneming [Naam ltd] Ltd. (hierna: [naam ltd]) was bevolen. Verdachten hebben daarbij volgens de officier van justitie middellijk dan wel onmiddellijk gebruik gemaakt van aan [naam ltd] verleende vergunningen, dan wel standplaatsen ingenomen of laten innemen die op grond van de verleende vergunningen aan [naam ltd] toebehoorden. Er was naar de mening van de officier van justitie sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten gericht op een gemeenschappelijk doel, te weten het toch kunnen continueren van het economisch voordeel uit de standplaatsen van [naam ltd].

De officier van justitie heeft gewezen op het arrest van het gerechtshof te Den Bosch van 12 december 2006, het onherroepelijk worden daarvan op 28 oktober 2008 en de betekening van de arresten aan [verdachte] op 2 december 2008, zijnde destijds de statutair bestuurder van [naam ltd]. De periode van stillegging is ingegaan op 5 december 2008 en eindigde op 3 juni 2009.

Daarnaast baseert de officier van justitie zich op de controles en inspecties door de Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: VWA) op 24 januari 2009 en 14 februari 2009 op genoemde markten, de verhoren van de verkoopmedewerkers, de getuigenverklaringen van medewerkers van desbetreffende gemeentes en het inschrijfnummer van de kamer van koophandel (KvK) dat is opgenomen op de aanvragen voor de vergunningen, te weten het KvK-nummer van [naam ltd].

De officier van justitie heeft opgemerkt dat de kentekens van de verkoopwagens op naam waren ges[naam ltd 2][naam ltd 2] Ltd. (hierna: [naam ltd 2]), dan wel [broer [[vader van verdachte]

Als al sprake zou zijn van bij gemeentes ontstane verwarring omtrent de standplaatsvergunning, is deze verwarring volgens de officier van justitie aan verdachten zelf te wijten.

Naar de mening van de officier van justitie is er sprake van een conglomeraat van ondernemingen rondom de handel in kaas- en zuivelproducten, opgebouwd door en rondom [broer van verdachte]]. [broer van verdachte] en [verdachte] kunnen volgens de officier van justitie feitelijk noch juridisch los worden gezien van deze constructie. De officier van justitie baseert zich daarbij op gegevens van de kamer van koophandel in Nederland en het Companies House in Engeland en het door de VWA opgestelde schematisch overzicht, opgenomen op pagina 99 en 100 in het strafdossier.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat geen van de verkoopwagens op naam van [naam ltd] stond en dat de activiteiten op de markten niet in naam van of voor rekening van [naam ltd] zijn verricht. Het feit dat mogelijk gegevens van [naam ltd] zijn gebruikt voor het aanvragen van de vergunningen betekent volgens de raadsman niet dat de vergunningen op naam van [naam ltd] zijn afgegeven. De mogelijk bij de gemeentes bestaande verwarring omtrent de vergunningen is naar de mening van de raadsman niet aan verdachte toe te rekenen maar aan de gemeentes zelf.

De raadsman heeft daarnaast opgemerkt dat [naam ltd] reeds in 2007 was uitgeschreven uit het register van de kamer van koophandel

Het feit dat verdachte gebruik maakt van zijn zwijgrecht wil niet zeggen dat hij iets te verbergen heeft, maar ziet op de verschoningsrechtproblematiek. De verklaring die elk van de verdachten in hun eigen zaak afleggen, zou in het tegendeel kunnen verkeren van naaste familieleden.

Ten aanzien van de markt in Papendrecht heeft de raadsman aangevoerd dat er geen vergunning was afgegeven voor desbetreffende standplaats, dat de verkoopmedewerker niet bij [naam ltd] in dienst was en ook niet heeft verklaard daar te staan voor [naam ltd] maar voor [broer [broer van verdachte]] De raadsman heeft daarbij opgemerkt dat de stillegging van een onderneming zich richt tot de veroordeelde en niet tevens tot een ander.

Ten aanzien van de markt in Zwijndrecht heeft de raadsman aangevoerd dat er twee vergunningen zijn afgegeven, te weten één voor Kaashandel [broer van verdachte]] en één voor [naam bedrijf van vader] [broer van verdachte]]/[bedrijf van broer]. Er kan niet worden vastgesteld welke vergunning op desbetreffende data is gebruikt. Geen van beide verkoopmedewerkers heeft aangegeven op de markt te staan voor [naam ltd]. Wel heeft [getuige 1] de naam [verdachte] genoemd, maar volgens de raadsman was het [verdachte] niet verboden activiteiten te doen ontplooien daar de stillegging slechts [naam ltd] betrof.

De vergunning voor de markt in Gorinchem was op naam gesteld van [naam bedrijf van vader] [broer van verdachte]]/[bedrijf van broer]. De raadsman heeft daarbij opgemerkt dat de vergunning, gelet op de schuine streep tussen beide namen, voor twee entiteiten lijkt te gelden. Het KvK-nummer dat op de oorspronkelijke vergunning is vermeld, is niet van [naam ltd]. [broer van verdachte]] junior was aanwezig op de standplaats en heeft alleen een verklaring afgelegd over zijn vader.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij arrest van het gerechtshof te Den Bosch van 12 december 2006 is als bijkomende straf aan [naam ltd] de stillegging van de onderneming voor de duur van zes maanden opgelegd. Daarbij is bevolen dat alle markplaatsvergunningen die aan [naam ltd] zijn verleend dienen te worden ingeleverd en ingeleverd dienen te blijven voor de duur van de stillegging Op 28 oktober 2008 heeft de Hoge Raad het tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep verworpen, waardoor genoemd arrest onherroepelijk is geworden.

Op 2 december 2008 is de beslissing inhoudende de stillegging van de onderneming in persoon uitgereikt aan [verdachte], zijnde de bestuurder van [naam ltd].

De periode van stillegging is ingegaan op 5 december 2008 en eindigde op 3 juni 2009.

Op 24 januari 2009 en 14 februari 2009 hebben verbalisanten van de VWA inspecties uitgevoerd op markten in Papendrecht, Gorinchem en Zwijndrecht.

Op de markt in Papendrecht werd op 24 januari 2009 een verkoopwagen aangetroffen op naam van [naam ltd 2], waarvan [broer van verdachte], de broer van verdachte, directeur is. Verbalisant [naam verbalisant] zag dat bij de verkoopwagen twee mannen bezig waren om een klant te helpen die een stuk Hollandse kaas wilde kopen. Een van deze mannen betrof [naam verkoper]. Hij gaf op medewerker te zijn van [bedrijf van broer], eigendom van [broer van verdachte] Hij deelde mee dat hij geen standplaatsvergunning van de gemeente Papendrecht bij zich had.

Op 14 februari 2009 zagen verbalisanten op de parkeerplaats bij dezelfde markt een vrachtwagen staan op naam van [broer [broer van verdachte]] Op de standplaats stond een marktkraam waarin onder meer Hollandse kazen, eieren en zuivelproducten ten verkoop in voorraad lagen. Bij desbetreffende kraam werd [naam verkoper] weer aangetroffen.

[naam verkoper] heeft verklaard dat hij de kaasverkoop doet voor [bedrijf van broer] en soms ook voor zijn broer [verdachte] Hij werkt als zzp-er en stuurt dan naar één van hen een rekening. Zijn leidinggevende voor desbetreffende standplaats is [broer van verdachte] [voornaam van de broer] heeft hem verteld dat [naam ltd] veroordeeld is tot stillegging van het bedrijf. Hij vertelde dat de vergunningen moesten worden ingeleverd.

Op beide dagen is navraag gedaan bij de gemeente Papendrecht. Daaruit bleek dat de verlenging van bedoelde standplaatsvergunning voor het jaar 2009 was aangevraagd door [naam bedrijf van vader] [broer van verdachte]]/[bedrijf van broer].

Op die aanvraag tot verlenging is als KvK-nummer echter [nummer] opgegeven. Dit betreft het KvK-nummer van [naam ltd] met als handelsnaam [naam bedrijf van vader] [broer van verdachte]] en als bestuurder [verdachte].

[naam bedrijf van vader] [broer van verdachte]]/[bedrijf van broer] is de handelsnaam van [naam ltd 2], met als bestuurder [broer van verdachte] en KvK-nummer [nummer].

De vergunning voor 2008 was aangevraagd door [broer van verdachte]]/[bedrijf van broer] maar ook met het KvK-nummer van [naam ltd]. De vergunning is toen verleend aan [naam ltd]. Voor 2009 is nog geen verlenging van de vergunning verleend.

Op de markt in Gorinchem werd door verbalisant [naam verbalisant] op 24 januari 2009 een verkoopwagen gezien die werd bezocht door klanten waar kaas aan werd verkocht. De man die de kaas verkocht gaf desgevraagd op te zijn [broer van verdachte]], geboren op 6 februari 1993. Hij kon geen standplaatsvergunning overleggen.

Op 14 februari 2009 werd bij een verkoopwagen op de markt in Gorinchem wederom [broer van verdachte]] junior aangetroffen. Hij overlegde een standplaatsvergunning die was afgegeven aan [naam bedrijf van vader] [broer van verdachte]]/[bedrijf van broer]. In de verkoopwagen lagen onder andere kazen ten verkoop gepresenteerd en de wagen werd bezocht door klanten.

Uit de aanvraag tot verlenging van de standplaatsvergunning voor de markt te Gorinchem voor het jaar 2009 blijkt dat deze inderdaad is aangevraagd door [naam bedrijf van vader] [broer van verdachte]]/[bedrijf van broer] maar met het KvK-nummer van [naam ltd].

Gelet op bovenstaande concludeert de rechtbank dat de vergunning voor 2009 ook was verleend aan [naam ltd]. Het verweer van de raadsman dat de onduidelijkheid in de vergunninverlening niet aan zijn cliënt tegengeworpen kan worden, wordt door de rechtbank verworpen nu uit de feitelijke vergunningaanvraag afgeleid kan worden dat het de aanvrager kennelijk om te doen was bewust verwarring te zaaien.

Op de markt in Zwijndrecht werd op 24 januari 2009 een verkoopwagen aangetroffen die werd bezocht door klanten, waar eieren en kaas aan werd verkocht. De vrouw in de verkoopwagen gaf op [naam verkoopster] te zijn. Zij verklaarde dat ze werd betaald door [verdachte] namens [naam bedrijf van vader]. [verdachte] verklaarde telefonisch dat hij de standplaatsvergunning niet kon vinden.

Op 14 februari 2009 zagen verbalisanten op dezelfde markt wederom een verkoopwagen staan die werd bezocht door klanten, waar eieren en kaas aan werd verkocht. De exploitant, [initialen] [getuige 1], gaf desgevraagd aan dat hij de standplaatsvergunning niet kon vinden. Het nummerbord van de verkoopwagen betrof [( - - )], en stond op naam van [naam ltd 2].

[getuige 1]e heeft verklaard dat hij die dag te Zwijndrecht waren verkocht voor [verdachte]. Hij ontvangt de ene keer salaris van [broer verdachte], een andere keer van [verdachte] en dan weer van [bedrijf van broer].

Uit deze verklaring leidt de rechtbank af dat het zelfs voor de werknemers niet duidelijk was voor wie zij werkten.

De verlenging voor de standplaatsvergunning voor de markt te Zwijndrecht voor het jaar 2009 is aangevraagd door [naam bedrijf van vader] [broer van verdachte]]/[bedrijf van broer] met het KvK-nummer van [naam ltd]. Volgens een medewerker van de gemeente Zwijndrecht is de standplaatsvergunning voor 2009, gelet op het KvK-nummer en de vergunningen voor voorafgaande jaren, verleend aan [naam ltd].

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of verdachte zich, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van de aan [naam ltd] opgelegde stillegging.

Evenals de bestuursrechter te Dordrecht in zijn uitspraak van 31 maart 2009 (LJN BH9351) heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat bij de vraag wie als aanvrager van een standplaatsvergunning heeft te gelden in beginsel doorslaggevende betekenis toekomt aan de door de aanvrager verstrekte gegevens en met name het door de aanvrager vermelde inschrijfnummer bij de kamer van koophandel.

De rechtbank overweegt dat voor het jaar 2009 de verlenging van de standplaatsvergunning voor alle drie de markten is aangevraagd met het KvK-nummer van [naam ltd].

Daarnaast is op beide data op de markten een vergelijkbare situatie aangetroffen. Er werden onder andere verkoopwagens gebruikt op naam van [naam ltd 2] of [broer van verdachte] en de contacten en betalingen verliepen via [broer van verdachte] dan wel [verdachte]. Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit een situatie welke vraagt om een verklaring. Verdachten hebben echter geen duidelijkheid willen verschaffen.

De rechtbank overweegt dat er binnen de [familienaam] een groot aantal ondernemingen is opgericht die zich bezighouden met de kaashandel. Deze ondernemingen hangen veelal samen. Zowel de inmiddels [overleden vader van verdachte] als [verdachte] en [broer van verdachte] hebben een rol in meerdere van die ondernemingen, dan wel als aandeelhouder, dan wel als bestuurder. Naar het oordeel van de rechtbank is deze veelheid aan ondernemingen kennelijk opgericht met de bedoeling om verwarring creëren en op die manier het handhaven van de voorschriften te bemoeilijken. Zo zijn, na de stillegging van [naam ltd], de handelsnamen meerdere malen gewijzigd en worden gegevens van verschillende bedrijven bij het aanvragen van vergunningen door elkaar gebruikt. Dit alles sterkt de overtuiging van de rechtbank dat de zaken van de [familienaam] haast onontwarbaar zijn en dat er bewust is geprobeerd om de stillegging van [naam ltd] illusoir te maken.

De raadsman heeft aangevoerd dat [naam ltd] op de ten laste gelegde data reeds was uitgeschreven uit het register van de kamer van koophandel. De rechtbank overweegt hiertoe dat [broer van verdachte]] en [verdachte] in 2007 bij de kamer van koophandel weliswaar schriftelijk hebben verklaard dat [naam ltd] was ontbonden en beëindigd, maar dat desbetreffende rechtspersoon pas in augustus 2009 is ontbonden naar Engels recht en in Nederland ten tijde van de ten laste gelegde feiten nog actief was. Het KvK-nummer van [naam ltd] werd ook nog steeds gebruikt in het zakelijk verkeer.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte middels genoemde verkoopmedewerkers op beide data op alle drie de marktstandplaatsen heeft gestaan terwijl daarvoor een vergunning was aangevraagd door [naam ltd]. Ten aanzien van de marktstandplaats in Papendrecht op beide data en de marktstandplaats in Zwijndrecht op 14 februari 2009 is de rechtbank van oordeel dat verdachte het feit samen met zijn broer, medeverdachte [broer van verdachte], heeft gepleegd. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

primair: op 24 januari 2009 en 14 februari 2009 te Papendrecht en te Gorinchem en te Zwijndrecht en, tezamen en in vereniging met anderen, - nadat bij een Arrest van het Gerechtshof [parketnummer [nummer]] d.d. 12 december 2006 ingevolge artikel 7 onder c van de Wet op de economische delicten als bijkomende straf de gehele stillegging van zijn/de onderneming te weten [Naam ltd] Ltd voor de duur van 6 (zes) maanden was bevolen, - en waarvan het cassatieberoep bij Arrest d.d. 28 oktober 2008 door de Hoge Raad was verworpen, waarmee het Arrest van het gerechtshof op 28 oktober 2008 onherroepelijk is geworden - , welke stillegging bij akte van uitreiking d.d. 2 december 2008 aan hem, verdachte, [in persoon] was betekend,

- meermalen opzettelijk heeft gehandeld in strijd met die bijkomende straf, immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders, toen daar opzettelijk

- op 24 januari 2009 en14 februari 2009 bedrijfsactiviteiten die vallen onder [Naam ltd] Ltd uitgevoerd of uit laten voeren, te weten de verkoop van kaas op markten te Papendrecht, Gorinchem en Zwijndrecht.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert voor onderhavige zaak en drie andere, niet gevoegde, parketnummers samen aan verdachte op te leggen een geldboete van € 5.000,00 en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaar.

De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met de ernst van de feiten, de persoon van verdachte, de forse overschrijding van de redelijke termijn, de verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen en het feit dat er dat er de laatste jaren geen overtredingen meer zijn geconstateerd binnen het conglomeraat van [familienaam].

6.2 Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn.

Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte door de vernietiging van de handelsvoorraad, waar beslag op is gelegd, reeds aanzienlijk in zijn vermogen is getroffen.

Gelet op de ten laste gelegde feiten is het opleggen van een, al dan niet voorwaardelijke, gevangenisstraf volgens de raadsman niet aan de orde.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van de aan [naam ltd] opgelegde stillegging. Deze stillegging was opgelegd gelet op de risico’s voor de veiligheid van levensmiddelen voor menselijke consumptie bij voortzetting van de werkzaamheden van [naam ltd] en ter bescherming van de belangen welke de Warenwet beoogt te dienen.

Door opzettelijk te handelen in strijd met die stillegging heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank te kennen gegeven rechterlijke uitspraken in zeer ernstige mate te minachten.

Vooropgesteld wordt dat elke verdachte recht heeft op afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn, te weten twee jaar nadat de termijn aanvang heeft genomen. Dat er in deze zaak sprake is van een overschrijding van die redelijke termijn staat naar het oordeel van de rechtbank vast. De rechtbank zal daar bij de bepaling van de straf dan ook rekening mee houden.

De rechtbank houdt daarnaast rekening met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij al diverse malen ter zake soortgelijke feiten is veroordeeld. Anderzijds constateert de rechtbank dat verdachte recentelijk niet meer in aanraking is geweest met politie of justitie ten aanzien van soortgelijke feiten.

Gelet op bovengenoemde minachting van de eerdere rechterlijke uitspraak, zal de rechtbank in verhouding een hogere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Nu bij onderhavig feit sprake is van opzettelijk handelen in strijd met de stillegging op twee verschillende data op drie markten acht de rechtbank een geldboete van € 3.000,00, subsidiair 40 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 weken met een proeftijd van twee jaar passend en geboden.

7 Het beslag

7.1 De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen geldbedragen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

Gebleken is dat de geldbedragen aan verdachte toebehoren en het feit is begaan met behulp van die geldbedragen, dan wel deze geldbedragen geheel of grotendeels door middel van het feit zijn verkregen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24, 27, 33, 33a, 63 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1, 2, 6, 7, 33 en 87 van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

opzettelijk handelen in strijd met een bijkomende straf, als bedoeld in artikel 7 onder c van de Wet op de economische delicten;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 3.000,00;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Beslag

- verklaart verbeurd de in beslag genomen geldbedragen van € 455,25, € 283,46 en € 821,39.

Dit vonnis is gewezen door mr. Pick, voorzitter, mr. Van Kralingen en mr. Van der Linden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van de Vrede, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 juni 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

primair: hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 januari 2009 tot en met 14 februari 2009 te Papendrecht en/of te Gorinchem en/of te Zwijndrecht en/of te Wijk en Aalburg, gemeente Aalburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, - nadat bij een Arrest van het Gerechtshof [parketnummer [nummer]] d.d. 12 december 2006 ingevolge artikel 7 onder c van de Wet op de economische delicten als bijkomende straf de gehele stillegging van zijn/de onderneming te weten [Naam ltd] Ltd voor de duur van 6 (zes) maanden was bevolen, - en waarvan het cassatieberoep bij Arrest d.d. 28 oktober 2008 door de Hoge Raad was verworpen, waarmee het Arrest van het gerechtshof op 28 oktober 2008 onherroepelijk is geworden - , welke stillegging bij akte van uitreiking d.d. 2 december 2008 aan hem, verdachte, [in persoon] was betekend,

- meermalen, in elk geval eenmaal, opzettelijk heeft gehandeld en/of opzettelijk heeft nagelaten in strijd met die bijkomende straf, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn (mede)daders, (telkens) toen daar opzettelijk

- op 24 januari 2009 en/of 14 februari 2009 bedrijfsactiviteiten die vallen onder [Naam ltd] Ltd en/of [naam bedrijf van vader] [vader van verdachte] uitgevoerd of uit laten voeren, te weten de verkoop van kaas op een of meerdere markt(en) te Papendrecht, Gorinchem en/of Zwijndrecht, (zulks) terwijl de standplaatsvergunning(en) op naam stond(en) van [naam bedrijf van vader] [vader van verdachte], zijnde de handelsnaam van [Naam ltd] Ltd;

subsidiair: [Naam ltd] Ltd en/of [naam bedrijf van vader] [vader van verdachte] op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 januari 2009 tot en met 14 februari 2009 te Papendrecht en/of te Gorinchem en/of te Zwijndrecht en/of te Wijk en Aalburg, gemeente Aalburg, - nadat bij een Arrest van het Gerechtshof [parketnummer [nummer]] d.d. 12 december 2006 ingevolge artikel 7 onder c van de Wet op de economische delicten als bijkomende straf de gehele stillegging van genoemde onderneming te weten [Naam ltd] Ltd voor de duur van 6 (zes) maanden was bevolen, - en waarvan het cassatieberoep bij Arrest d.d. 28 oktober 2008 door de Hoge Raad was verworpen, waarmee het Arrest van het Gerechtshof op 28 oktober 2008 onherroepelijk is geworden – welke stillegging bij akte van uitreiking d.d. 2 december 2008 aan [verdachte], bestuurder van [Naam ltd] Ltd [in persoon] was betekend,

- meermalen, in elk geval eenmaal, opzettelijk heeft gehandeld en/of opzettelijk heeft nagelaten in strijd met die bijkomende straf, immers heeft [Naam ltd] Ltd en/of [naam bedrijf van vader] [vader van verdachte] (telkens) toen daar opzettelijk

- op 24 januari 2009 en/of 14 februari 2009 bedrijfsactiviteiten uitgevoerd of uit laten voeren, te weten onder meer de verkoop van kaas op een of meerdere markt(en) te Papendrecht, Gorinchem en/of Zwijndrecht, (zulks) terwijl de standplaatsvergunning(en) op naam stond(en) van [naam bedrijf van vader] [vader van verdachte], zijnde de handelsnaam van [Naam ltd] Ltd,

tot het plegen van welk(e) strafbare feiten hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven gedraging(en) hij, verdachte en/of zijn (mede)dader(s), (telkens) feitelijk leiding heeft/hebben gegeven.